Artikelsgewijze toelichting
Tekst van het document
Een wijziging van het omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waar de gemeente het vaststellingsbesluit bekend heeft gemaakt. Gedurende zes weken na de bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan beroep worden ingediend tegen de wijziging van het omgevingsplan. Als de beroepstermijn ongebruikt verstrijkt is het wijzigingsbesluit na de termijn van zes weken onherroepelijk. Het kan dan in rechte niet meer worden aangetast. Als er wel beroep wordt ingesteld, is het omgevingsplan pas onherroepelijk als het beroep ongegrond is verklaard. Artikel 7.3 Voorrangsregels – regels uit andere besluiten Artikel 7.3 regelt de voorrang van de bepalingen uit het wijzigingsbesluit ‘Station West’ ten opzichte van bestaande bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Maassluis. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat tegenstrijdige regels blijven gelden. Door de voorrangsregeling is duidelijk dat de nieuwe regels voor het plangebied Station West leidend zijn, ook wanneer de onderliggende bestemmingsplannen nog (gedeeltelijk) van kracht zijn.
Hoofdstuk 8 Overgangsrecht Artikel 8.1 Bouwen en sloopactiviteiten Voor bouw- en sloopactiviteiten is overgangsrecht opgenomen dat is gebaseerd op het overgangsrecht zoals dat voorheen was voorgeschreven in Artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 8.2 Overgangsrecht gebruiksactiviteiten Voor bouw- en sloopactiviteiten is overgangsrecht opgenomen dat is gebaseerd op het overgangsrecht zoals dat voorheen was voorgeschreven in Artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 8.3 Overgangsrecht activiteiten op of in de bodem – lokaal spoor Het beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg is groter dan onder het oude recht. Dit heeft tot gevolg dat activiteiten, die al voorafgaand aan de inwerkingtreding Station West, Maassluis in het ‘nieuwe deel’ van het beperkingengebied werden verricht, opeens vergunningplichtig worden. Daarom is in dit artikel een overgangsbepaling opgenomen, met een vergelijkbare strekking als Artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van deze afdeling ontstaat voor de betreffende activiteiten een omgevingsvergunning van rechtswege. Deze vergunning blijft gelden zolang de activiteit in dezelfde aard en omvang wordt verricht. Als de activiteit wordt gewijzigd, zal wel een wijziging van de omgevingsvergunning van rechtswege moeten worden aangevraagd.
Oftewel: voor een bouwwerk dat al bestond en in het ‘nieuwe deel’ van het beperkingengebied staat, geldt een omgevingsvergunning van rechtswege, maar als het bouwwerk wordt gewijzigd, zal een wijziging van die vergunning moeten worden aangevraagd. Er is geen overgangsrecht nodig voor de meldplichten. Een melding voor al bestaande activiteiten is niet aan de orde, omdat de activiteiten al zijn aangevangen en de meldplicht zes weken voor het begin van de activiteit geldt. Bestaande activiteiten hoeven daarom niet te worden gemeld; alleen als de betreffende activiteit na inwerkingtreding van deze afdeling wordt gewijzigd, moet een melding van die wijziging worden gedaan.