2. Ruimtelijke onderbouwing Zuidbuurt met bijlagen (7) d.d. 19 maart 2021
Tekst van het document
De toekomstige verkeersgeneratie van de locatie leidt tot een beperkte totale toename van de verkeeromvang op de Zuidbuurt: de jaaretmaalintensiteit stijgt met 1,7% voor een werkdag en met 1,1% voor een weekdag. Zoals hierboven aangeven wordt deze toename veroorzaakt door extra personenverkeer. De ontwikkeling leidt zoals gezegd in absolute zin tot een afname van het vrachtverkeer. Conclusie De verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling leidt tot een beperkte toename (1,1 %) op de Zuidbuurt. Dit verkeer zal opgaan in het heersende verkeersbeeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
40
Op de ontsluitingswegen worden geen knelpunten in de afwikkeling van het verkeer verwacht. De parkeerbehoefte van het beoogde bedrijf wordt op eigen terrein opgelost. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Wel heeft Lely naar aanleiding van gesprekken met de buurtbewoners een inspanningsverplichting om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van het gebruiken van de noordelijke ontsluiting via de Broekpolderweg, met name door auto's van het personeel.
4.6
Geluid
Toetsingskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient het voornemen getoetst te worden aan de Wet geluidhinder (Wgh). Er dient te worden aangetoond of kan worden voldaan aan wettelijke geluideisen (akoestischonderzoek en geluidswerende maatregelen) indien er sprake is van een geluid producerende en/of geluidsgevoelige functie. Onderzoek en conclusie De ontwikkeling betreft geen geluidsgevoelige functie. In paragraaf 4.4 is reeds aangetoond dat wordt voldaan aan de richtafstand, ook voor het aspect geluid. Akoestisch onderzoek is daarom niet vereist. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / concentratie m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
41
1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
Onderzoek en conclusie De ontwikkeling leidt niet tot extra verkeersbewegingen. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de maatgevende wegen Zuidbuurt en de A20 ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied.
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
Toetsingskader Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Archeologie In mei 2019 is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd om de archeologische waarden ter plaatse in kaart te brengen. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 4.
Door middel van bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over het onderzoeksgebied. Met het inventariserend veldonderzoek is de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting getoetst en waar nodig aangepast. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Het veldonderzoek bestond uit een booronderzoek.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
42
Cultuurhistorie De Zuidbuurt is een smalle polderweg die Maassluis verbindt met Vlaardingen. Dit is oorspronkelijk een ontginningslint. Via dit bebouwingslint worden van oudsher de kavels ontsloten. Op de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland is de Zuidbuurt aangeduid als historisch-landschappelijke lijn met hoge waarde. Ook is de Zuidbuurt een waardevol nederzettingslint. De relatie met het omliggende landschap wordt als van zeer hoge waarde aangeduid vanwege de nog intact zijnde verkaveling, de openheid en de aanwezigheid van duidelijke kreekruggen in het veenlandschap. De kassen in het projectgebied zijn de laatste kassen binnen deze polder. Als onderdeel van het bestaande bebouwingslint van de Zuidbuurt wordt circa 1/3 van het kavel bebouwd en 2/3 wordt weer grasland. Door het saneren van de kassen ontstaat meer openheid in het landschap en wordt een groot deel van de gronden weer onderdeel van het landschap. Conclusie Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat binnen het plangebied niveaus aanwezig zijn waarop/-in archeologische waarden kunnen voorkomen. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren.
Op basis van de verwachte diepte, archeologische periode en vondstcomplex (nederzettingsterreinen, graven en akkercomplexen) van archeologische resten, wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek geadviseerd (bron: Prospectie op Maat). Het doel van dit vervolgonderzoek is om na te gaan of er wel of geen archeologische sporen aanwezig zijn in het veen en de top van de komafzettingen.
4.9
Ecologie
Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van de ruimtelijke ontwikkeling niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit project mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natuurnetwerk Nederland (NNN). b. Natura-2000 gebieden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
43
Onderzoek Door middel van een quickscan flora en fauna is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 6. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland, Natura-2000 gebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ligt op ca. 8,5 km afstand. Wel ligt het projectgebied binnen belangrijk weidevogelgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op (veel) grotere afstand van de locatie. Vanwege deze grote afstand zijn effecten als verstoring, versnippering, verdroging et cetera op voorhand uitgesloten. Effecten als vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn op dergelijke afstanden niet op voorhand uit te sluiten. Daarom zijn de depositie-effecten op Natura 2000 bepaald van de aanlegfase en de gebruiksfase. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000. De resultaten zijn toegevoegd in Bijlage 5.
Figuur 4.4: Ligging projectgebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland gebied (donkergroen) en belangrijk weidevogelgebied (lichtgroen) (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN) Soortenbescherming Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Conclusie De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden met de beoogde plannen. Er worden geen beschermde dier- of plantensoorten aangetast. Wel is altijd de zorgplicht van de Wet natuurbescherming van toepassing. In de quickscan wordt geadviseerd hoe hier invulling aan kan worden gegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
44
4.10
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10 -5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10 -6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
45
Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de omgeving van het projectgebied is een drietal buisleidingen te vinden. In tabel 4.5 is een overzicht te vinden met de uitwendige diameter, werkdruk, PR 10-6 contour, invloedsgebied en belemmeringenstrook. De gasleiding A-613 met een invloedsgebied van 230 meter bevindt zich op een afstand van circa 260 meter van het projectgebied. Gasleiding W-521-17 heeft een invloedsgebied van 95 en bevindt zich op circa 190 meter van het projectgebied. Tot slot loopt de CO 2 buisleiding op een afstand van circa 200 meter en heeft een invloedsgebied van 40 meter. Geen van de invloedsgebieden reikt tot of over het projectgebied.
Het groepsrisico hoeft voor de buisleidingen niet verantwoord te worden.
Tabel 4.5 Overzicht buisleidingen Ten noorden van het projectgebied, op een afstand van circa 240 meter, loopt de A20 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De maatgevende stof is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Dit reikt niet tot het projectgebied. Omdat de locatie zich op meer dan 200 meter van de weg bevindt, hoeven volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het projectgebied. Omdat het projectgebied wel in het invloedsgebied ligt, is wel een beknopte verantwoording nodig waarin meer inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden voor rampbestrijding, hulpverlening en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol.
Het projectgebied kan bereikt worden via de Zuidbuurt, deze sluit via de weg de Kortebuurt aan op de A20. Via dit netwerk kan het projectgebied bereikt worden aan de hand van tegengestelde windstreken. Via deze straten kan van de bron af worden gevlucht. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van de Research & Development afdeling van het Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
46
bedrijf Lely. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen, maar voor deze ontwikkeling wordt niet verwacht dat deze groepen hier aanwezig zullen zijn. Het is wel noodzaak de werknemers van goede voorlichting te voorzien zodat zij weten wat de gevaren zijn van een incident met transport van gevaarlijke stoffen en hoe zij moeten handelen. Conclusie Het projectgebied ligt in de nabijheid van een drietal buisleidingen en de A20 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd wat enkele risico's met zich meebrengt. Het projectgebied ligt niet in de invloedsgebieden van de buisleidingen. De afstand van het projectgebied tot aan de A20 is groter dan 200 meter, waardoor een groepsrisicoberekening achterwege kan blijven. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied als voldoende worden beschouwd. Wel moet rekening gehouden worden met een eventuele incident op het wegtraject. Verder zijn in de directe omgeving van het projectgebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3. defensiebrandstoffen; 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie Ter plaatse van het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig. Het aspect kabels en leidingen vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
47
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Voortraject In het kader van de ontwikkeling is door de initiatiefnemer een communicatietraject met de omgeving ingezet. De buurtbewoners worden via brieven op de hoogte gehouden van de voorgenomen ontwikkeling. Ook heeft op 21 juli 2020 een informatieavond plaatsgevonden op de locatie. Op deze avond, waarvoor de buurtbewoners per brief zijn uitgenodigd, is de stand van zaken van het bouwplan gepresenteerd en zijn vragen beantwoord. Procedure Voor deze ontwikkeling wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan zoals bedoeld in art. 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo. In dat kader wordt het ontwerp besluit conform artikel 3.8 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze ter inzagelegging kan eenieder zienswijzen indienen.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing vormt het toetsingskader voor de geplande ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt over voldoende financiële middelen te beschikken om deze ontwikkeling te realiseren. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038
48
De ontwikkeling die met de omgevingsvergunning wordt mogelijk gemaakt is als 'bouwplan' aangemerkt. Voor dit plan wordt een overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin worden ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.
Rho adviseurs voor leefruimte
230532.20191038