Bijlage 3.2 Bestemmingsplan 'Verkoop- en verhuurhaven Waage Naak 20 te Wessem' (toelichting en regels))
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Verkoop- en verhuurhaven Waage Naak 20 te Wessem’ Gemeente Maasgouw Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Verkoop- en verhuurhaven Waage Naak 20 te Wessem’ Gemeente Maasgouw Vastgesteld
Projectnummer BRO:
P00692
Identificatienummer:
NL.IMRO.1641.BPL105-VG01
Datum:
4 oktober 2021
Opdrachtgever:
Van Kessel Yachting
Projectleider BRO:
Mevr. S.D., MSc
Voorontwerp:
3 december 2020
Ontwerp:
12 april 2021
Vaststelling:
21 december 2021
Trefwoorden:
Gemeente Maasgouw, Wessem, Waage Naak 20, verkoop/verhuurhaven
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 14
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van een verkoop- en verhuurhaven op de locatie Waage Naak 20 in Wessem.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING
3
2. BELEIDSKADER 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid 2.4 Afweging beleidskader
7 7 10 13 15
3. GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING 3.1 Beschrijving plangebied 3.2 Beschrijving project 3.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
16 16 17 18
4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten
19 19
4.1.1 Geluid verkeerslawaai 4.1.2 Bodem 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Milieuzonering 4.1.5 Externe veiligheid 4.1.6 Wet geurhinder en veehouderij 4.2 Ecologie 4.3 Waterhuishouding 4.4 Verkeerskundige aspecten 4.5 Leidingen en infrastructuur 4.6 Archeologie en cultuurhistorie 4.7 Economische uitvoerbaarheid 4.8 M.e.r.-plicht
19 19 20 21 23 25 26 27 30 30 30 31 32
5. PLANSTUKKEN 5.1 Toelichting op de analoge verbeelding 5.2 Toelichting op de regels
37 37 37
5.2.1 Inleidende regels 5.2.2 Bestemmingsregels 5.2.3 Algemene regels 5.2.4 Overgangs- en slotregels
37 38 39 39
Inhoudsopgave
1
6. OVERLEG EN ZIENSWIJZEN 6.1 Vooroverleg 6.2 Zienswijzenprocedure
40 40 40
7. PROCEDURE
41
SEPARATE BIJLAGEN: K+ Adviesgroep bv, Akoestisch onderzoek Van Kessel Yachting, Waage Naak 17 te Wessem, rapportnummer M17 651.401.2, 2 december 2020 Gemeente Maasgouw, Nota van beantwoording vooroverleg inzake het bestemmingsplan ‘Verkoop- en verhuurhaven Waage Naak 20 te Wessem’, april 2021 Gemeente Maasgouw, Nota van beantwoording zienswijze + zienswijze
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van verkoop- en verhuurhaven aan de Waage Naak 20 in Wessem. Het voornemen bestaat om op deze locatie maximaal 25 aanlegplaatsen te realiseren ten behoeve van de verkoop en verhuur van boten. Het plangebied is kadastraal bekend als Wessem, sectie C, nr. 577 (gedeeltelijk) en nr. 567 (gedeeltelijk).
Topografische kaart met aanduiding plangebied (rode pijl)
Voor het westelijk deel van het plangebied, ter plaatse van de huidige aanlegsteiger voor een woonboot, is het bestemmingsplan ‘Reparatieplan’ van toepassing, zoals dat op 22 april 2015 is vastgesteld door de raad van de gemeente Maasgouw. Dit deel van het plangebied is bestemd tot ‘Wonen’, met de nadere functieaanduiding ‘woonschepenligplaats’. Daarnaast geldt voor dit deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – roerdalslenk 3’. Het meest westelijke deel van het plangebied heeft tot slot de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Deze gronden zijn mede bestemd voor de inrichting en het onderhoud van waterstaatkundige werken, in het bijzonder een primaire waterkering. Ter plaatse mag niet worden ge-
Hoofdstuk 1
3
bouwd, met uitzondering van bouwwerken voor het behoud en onderhoud van de waterkering. Middels een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de waterkering, bouwen is toegestaan op basis van de onderliggende bestemming en advies wordt ingewonnen bij de waterkeringbeheerder.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Reparatieplan' met deel plangebied waarop dit plan van toepassing is rood omlijnd en totale plangebied omlijnd met een rode stippellijn
Een strook in het plangebied ten oosten van het huidige woonschip ligt in het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Kern Wessem’, zoals dit op 29 september 2011 is vastgesteld door de raad van de gemeente Maasgouw. Dit deel van het plangebied is bestemd tot ‘Water – Riviergebonden’. Binnen deze bestemming zijn de beoogde activiteiten als verkoop- en verhuurhaven niet toegestaan. Daarnaast zijn de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – roerdalslenk’ ter plaatse van toepassing.
Hoofdstuk 1
4
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Kern Wessem' met deel plangebied waarop dit plan van toepassing is rood omlijnd en totale plangebied omlijnd met een rode stippellijn
Het meest oostelijke deel van het plangebied ligt binnen het geldende bestemmingsplan ‘Land van Thorn’, dat op 22 mei 2014 is vastgesteld door de raad van de gemeente Maasgouw. Dit deel van het plangebied is in dit bestemmingsplan bestemd tot ‘Water – Riviergebonden’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – werkstrook’. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend een aanlegsteiger voor rondvaartboten en aanlegsteigers voor passanten toegestaan. De beoogde verkoop- en verhuurhaven valt hier niet onder en is op basis van deze bestemming daarom niet toegelaten. Voor dit deel van het plangebied gelden daarnaast de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ en ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – roerdalslenk 3’. Het gewenste gebruik van het plangebied ten behoeve van bedrijfsactiviteiten in de vorm van een verkoop- en verhuurhaven is kortom strijdig met de vigerende bestemmingsplannen. De gemeente Maasgouw heeft echter aangegeven in principe en onder voorwaarden bereid te zijn medewerking te verlenen aan het initiatief. De ontwikkeling past namelijk binnen de gewenste transformatie van de Prins Mauritshaven tot Nautische Boulevard. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
Hoofdstuk 1
5
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Land van Thorn' met deel plangebied waarop dit plan van toepassing is rood omlijnd en totale plangebied omlijnd met een rode stippellijn
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk worden de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid verwoord, die betrekking hebben op het initiatief. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de huidige situatie beschreven en komt in dit hoofdstuk tevens de toekomstige ontwikkeling aan bod. Hoofdstuk 4 beschrijft de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op deze locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op overleg en inspraak en is in hoofdstuk 7 een beschrijving van de verdere procedure opgenomen.
Hoofdstuk 1
6
2.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk zal ingegaan worden op het rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 2.1, § 2.2 en § 2.3).
2.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Relevante nationale belangen voor het plangebied zijn als volgt: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Voor het overige is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de SVIR direct in het geding zijn.
Hoofdstuk 2
7
Waterwet/ Beleidsregels grote rivieren Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet. In het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet opgenomen. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. Voor activiteiten en/of werkzaamheden binnen het rivierbed van de Maas dient een integrale watervergunning te worden afgegeven (voor enkele uitzonderingsgevallen dient slechts een melding te worden verricht). Voor de toetsing van het rivierkundig belang gelden de criteria zoals neergelegd in de Beleidsregels grote rivieren. Het doel van de Beleidsregels grote rivieren is om de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden en ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming onmogelijk maken. Het plangebied ligt binnen het bergend regime van de Maas.
Uitsnede kaart behorende bij de Beleidsregels grote rivieren, met globale ligging plangebied (zwarte pijl)
Op deze gronden mag in principe niet gebouwd worden zonder een positief advies van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat toetst bouwplannen aan de volgende criteria, die zijn opgenomen in artikel 7 van de Beleidsregels grote rivieren:
Hoofdstuk 2
8
1. De toestemming, bedoeld in artikel 3, wordt alleen gegeven indien: a. Er is sprake van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; b. Er is geen sprake van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit; c. Er is sprake van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, aanhef en de onderdelen a, b en c, met dien verstande dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 6, aanhef en onderdeel d, met dien verstande dat de vergunning zal worden verleend voor een bepaalde termijn en dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen ten minste voor de duur van die termijn duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. 4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 6, aanhef en onderdeel e, met dien verstande dat de gevraagde rivierverruimende maatregelen genomen worden, waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. Afweging Over het voorliggende initiatief heeft overleg plaatsgevonden met Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat heeft aangegeven dat er geen sprake is van een afname van het bergend vermogen, omdat binnen het bergend regime een drijvende steiger wordt gerealiseerd. Compensatie is dan ook niet aan de orde. Vanuit Rijkswaterstaat bestaan er hiermee geen belemmeringen tegen de realisatie van de drijvende steiger met bijbehorende werken. Het voorontwerp-bestemmingsplan zal daarnaast in het kader van het vooroverleg worden toegestuurd aan Rijkswaterstaat. Binnen de geldende bestemmingsplannen ‘Reparatieplan’, ‘Kern Wessem’ en ‘Land van Thorn’ is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’ opgenomen. Deze dubbelbestemming zal in het voorliggende bestemmingsplan worden overgenomen. Tot slot dient te worden opgemerkt dat bouwen binnen het rivierbed geschiedt op eigen risico. Het Rijk en de gemeente stellen zich niet aansprakelijk voor eventuele schade.
Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 luidt het tweede lid van art. 3.1.6 als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een
Hoofdstuk 2
9
beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Afweging In het voorliggende geval is sprake van de ontwikkeling van een verkoop- en verhuurhaven voor boten. Hierbij zal sprake zijn van drijvende steigers met maximaal 25 aanlegplaatsen en aan wal een kantoor met een maximale oppervlakte van 10 m 2. Blijkens de uitspraak 201608869/1/R3 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 (ABRS) dient de toevoeging van meer dan 500 m 2 aan bouwmogelijkheden voor bedrijvigheid te worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. In het voorliggende geval wordt slechts 10 m 2 aan bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt, waardoor geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op het voorliggende initiatief. AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen.
De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Geen van de bovengenoemde belangen zijn in het kader van deze ontwikkeling in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels, zoals deze zijn opgenomen in het Barro.
2.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld als opvolger van het POL2006. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in diverse soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
1
ABRS 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724)
Hoofdstuk 2
10
Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen de zone ‘bedrijventerrein’. Deze zone bestaat uit specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op: Ruimte voor bedrijvigheid; Optimale bereikbaarheid; Duurzame inrichting en gebruik.
Uitsnede kaart 'Zonering Limburg' uit het POL2014 met ligging plangebied (rood omlijnd)
Limburg heeft ruim voldoende bedrijventerreinen. De centrale opgave is dan ook: een groei in kwaliteit zonder dat de kwantiteit toeneemt, daarbij meer schaarste creërend, met ruimte voor maatwerk. De opgave moet per regio verder geconcretiseerd worden in een regionaal visie/programma werklocaties. Daarin komen de opgaven voor alle bedrijventerreinen aan bod. Centraal in de aanpak staat dynamisch voorraadbeheer per regio. Dit principe krijgt vorm en inhoud in regionale bedrijventerreinenvisies. Deze visies bevatten gezamenlijke ambities en opgaven, gezamenlijke principes en spelregels (toegespitst op de regionale situaties) en een gezamenlijke werkwijze. De visies zijn stevig en niet vrijblijvend, maar wel realistisch (rekening houdend met de markt) en flexibel (met ruimte om in overleg in te spelen op nieuwe ontwikkelingen). Aan de visies wordt een programma gekoppeld. Bijzondere aandacht is nodig voor financiële aspecten, transformatie en herstructurering.
Hoofdstuk 2
11
Ook een eventuele aanpak van leegstaande bedrijfsgebouwen kan onderdeel uitmaken van de afspraken. Belangrijke marktpartijen en stakeholders worden in dit traject betrokken. De basisprincipes uit dit POL2014 vormen vertrekpunt voor de regionale visies. Afweging De beoogde ontwikkeling van een verkoop- en verhuurhaven is passend binnen de zone ‘bedrijventerrein’, aangezien deze zone specifiek is bedoeld voor bedrijvigheid. Bovendien is sprake van een specifieke, watergebonden functie (verkoop- en verhuurhaven), waardoor de ligging aan/in het water noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening zijn in paragraaf 2.2 regels opgenomen ten behoeve van duurzame verstedelijking. Onderdeel hiervan vormt onder meer de ladder voor duurzame verstedelijking. Tevens dienen de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen te worden onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan beide aspecten.
Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg. De toelichting bij het ruimtelijke plan bevat een verantwoording van de wijze waarop hier invulling aan is gegeven. De toelichting bij een ruimtelijk plan dient verder een beschrijving te bevatten van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. In paragraaf 2.1 van deze toelichting heeft reeds een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking plaatsgevonden en is geconcludeerd dat de voorliggende ontwikkeling, gezien de kleinschaligheid ervan, niet aangemerkt hoeft te worden als een stedelijke ontwikkeling. Het onderdeel herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen is bij dit initiatief niet aan de orde, vanwege de specifieke, watergebonden bedrijfsactiviteiten.
Gezien de ligging van het plangebied binnen de in het POL2014 aangewezen zone ‘bedrijventerrein’ is de ontwikkeling van een verkoop- en verhuurhaven op de voorliggende locatie denkbaar. Vanwege de ligging binnen deze zone is regionale afstemming voor het voorgenomen plan niet aan de orde.
Hoofdstuk 2
12
Milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III ligt. Het is in het gebied Roerdalslenk verboden: Een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter dient vier weken op voorhand schriftelijk gemeld te worden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Daarnaast ligt het plangebied binnen een uitsluitingsgebied voor windturbines. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan geen windturbines mogelijk maakt, vormt deze ligging geen belemmering. Voor het overige ligt het plangebied niet binnen milieubeschermingsgebieden of zones ter bescherming van natuur en landschap. Afweging Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.
2.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Maasgouw 2030 Op 5 juli 2012 heeft de gemeenteraad van Maasgouw de Structuurvisie Maasgouw 2030 vastgesteld. In de structuurvisie is het ruimtelijk beleid van de gemeente Maasgouw per thema behandeld. Vervolgens is er per deelgebied een visie uitgewerkt. In deel 1, bij paragraaf 8, wordt specifiek ingegaan op het thema werken en bedrijven. Voor niet-agrarische bedrijven zijn de volgende doelen gesteld: 1. Behoud en versterking van de werkgelegenheid op de bedrijventerreinen vormt een belangrijk aandachtspunt. 2. De verdere ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein is daarbij niet of slechts zeer beperkt aan de orde. Het accent ligt op het beheer van bestaande bedrijventerreinen. 3. De aandacht richt zich op revitalisering van het productiemilieu en, waar nodig, op het transformeren van delen van eventueel vrijkomende bedrijventerreinen. Hierbij heeft de vestiging van arbeidsintensieve kantoorhoudende bedrijven de voorkeur. Het betreffen die bedrijfsvormen, die aansluiten op het duurzaam karakter van de gemeente. 4. In het kader van de profilering c.q. segmentering van bedrijventerrein wordt gestreefd naar concentratie van de verkoop en onderhoud van plezierboten in een zogenaamde regionale “botenboulevard”.
Hoofdstuk 2
13
Voor wat betreft de uitwerking per deelgebied valt de kern Wessem binnen het deelgebied ‘Land van Thorn’. De Prins Mauritshaven, waar het plangebied deel van uitmaakt, vervult een gecombineerde functie van jacht- en passantenhaven, van verblijfsrecreatie voor drijvende recreatiewoningen en voor wonen (bestaande woonboten). Het karakter van de haven wordt deels bepaald door omliggende watergebonden bedrijven. Ten aanzien van deze bedrijven wordt een consoliderend beleid gevoerd. De bedrijven aan de noordwestkant van de Prins Mauritshaven krijgen hierdoor op termijn een meer hoogwaardig en publieksgericht karakter. Dit kan zeker plaatsvinden als hier de verkoopactiviteiten van handel in boten wordt geconcentreerd. Een van de hoofdlijnen voor de ontwikkeling van de Prins Mauritshaven is de de revitalisering en thematisering van bedrijven naar een botenboulevard. Een botenboulevard sluit namelijk goed aan op het beoogde imago voor deze haven. De bedrijfsvestigingen zullen, gelet op de aansluitende woningbouw zich alleen in de lichte milieucategorieën (2 en 3) mogen ontwikkelen.
Uitsnede kaart behorende bij de Structuurvisie Maasgouw 2030 met globale ligging plangebied (rode pijl)
Afweging Het voorliggende initiatief voorziet in de realisatie van een verkoop- en verhuurhaven. Dergelijke activiteiten zijn passend binnen de in de structuurvisie beoogde ontwikkeling van een botenboulevard. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan de beoogde realisatie van de botenboulevard en is hierdoor passend binnen de Structuurvisie Maasgouw 2030.
Hoofdstuk 2
14
Gemeentelijk KwaliteitsMenu (GKM) Het Gemeentelijk KwaliteitsMenu (GKM) heeft betrekking op ontwikkelingen in het landelijk gebied. Aangezien voorliggend initiatief binnen de contour van de kern Wessem is gelegen, is het GKM niet van toepassing. Bereikbaarheid en verkeersveiligheid Het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid is hoofdzakelijk weergegeven in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan, verkeersbeleid 2015-2025 (GVVP), zoals vastgesteld op 12 februari 2015. In het GVVP is de aanpak van de knelpunten op het gebied van verkeer en vervoer omschreven, met als doel een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de verkeersveiligheid, bereikbaarheid, en (verkeer)leefbaarheid in Maasgouw. Naast het GVVP zijn specifieke aspecten, zoals parkeren, in afzonderlijke nota's uitgewerkt. Het parkeren dient te voldoen aan het gemeentelijk beleid ‘Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente Maasgouw’. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.4 ‘Verkeerskundige aspecten’. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag zal in ieder geval worden getoetst aan de gemeentelijke parkeernormen en dient aan deze normen te worden voldaan.
2.4 Afweging beleidskader Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet afwijkt van het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied.
Hoofdstuk 2
15
3.
GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING In dit hoofdstuk worden zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven. Tevens wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van het project.
3.1 Beschrijving plangebied Het plangebied maakt deel uit van de Prins Mauritshaven en is gelegen aan de westzijde van deze haven, ten westen van de kern Wessem. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door het scheepsbouwbedrijf Van Kessel Yachting, dat onder andere reparaties, onderhouds- en schilderwerkzaamheden aan pleziervaartuigen uitvoert. Het plangebied grenst aan de westzijde aan de weg Waage Naak. Ten zuiden van het plangebied zijn woonschepen gelegen en aan de oostzijde ligt water dat deel uitmaakt van de Prins Mauritshaven.
Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving
Hoofdstuk 3
16
Het plangebied zelf bestaat grotendeels uit water. Hierin zijn enkele steigers gelegen, waarvan er één op basis van het vigerende bestemmingsplan bestemd is ten behoeve van een woonboot. Op de oever is groen aanwezig en een pad dat toegang geeft tot de aanlegsteiger ten behoeve van een woonboot.
3.2 Beschrijving project Het voornemen bestaat om in het plangebied een verkoop- en verhuurhaven te realiseren. Hiertoe zal op het water sprake zijn van aanlegsteigers met een maximale capaciteit voor 25 boten. De boten die hier komen te liggen, dienen als showmodellen van de schepen die verkocht en verhuurd worden.
Weergave verbeelding met enkelbestemmingen, dubbelbestemmingen en bouwvlak met nadere functieaanduidingen 'kantoor' en 'specifieke vorm van bedrijf - botenlift'
Op de kade aan de zuidzijde van het plangebied is een kantoor voorzien ten behoeve van de verkoopen verhuurhaven met een oppervlakte van maximaal 10 m 2. Deze omvang is vergelijkbaar met de huidige regeling voor bijgebouwen bij woonschepen, waarbij maximaal één bijgebouw per ligplaats mag worden opgericht, waarvan de totale oppervlakte niet meer dan 10 m² mag bedragen en de goothoogte maximaal 3,30 meter mag bedragen. Het kantoor is op dezelfde locatie geprojecteerd
Hoofdstuk 3
17
waar tot voor kort een tuinhuisje aanwezig was. De omvang van het kantoor is vergelijkbaar met dit voormalige tuinhuisje. Aangezien de locatie in het vigerende bestemmingsplan bestemd is voor woondoeleinden in de vorm van een woonboot, is de ontwikkeling van dit bedrijf ter plaatse niet rechtstreeks mogelijk. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van deze voorziening mogelijk gemaakt.
3.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De beoogde bedrijfsactiviteiten in de vorm van een verkoop- en verhuurhaven passen zowel vanuit ruimtelijk, functioneel als stedenbouwkundig oogpunt in de omgeving, aangezien sprake is van de ligging op een bestaand bedrijventerrein en wordt aangesloten op bestaande bedrijven. Bovendien is sprake van watergebonden bedrijvigheid, waardoor een ligging aan/in het water noodzakelijk is. Wat betreft de toegestane bebouwing wordt aangesloten bij de regeling voor bijgebouwen van de naastgelegen woonschepen. Op basis hiervan mag op de kade maximaal één bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 10 m2 en een goothoogte van maximaal 3,30 meter worden opgericht. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt sluit dit aan bij de naastgelegen bebouwing ten zuiden van het plangebied. Ook de beoogde steigers en bedrijfsactiviteiten zijn passend in de omgeving, aangezien sprake is van de ligging in een haven, waar reeds meerdere steigers en schepen aanwezig zijn. Verder past de voorgenomen ontwikkeling geheel binnen het gemeentelijke streven om de Prins Mauritshaven te transformeren tot Nautische Boulevard. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plan, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten tot gevolg heeft voor de omgeving.
Hoofdstuk 3
18
4.
ONDERZOEK In dit hoofdstuk worden de noodzakelijke onderzoeksaspecten behandeld welke in het kader van de realisatie van een (milieugevoelige) bestemming nader onderzocht dienen te worden.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Een bedrijf is volgens de Wet geluidhinder geen geluidgevoelig object. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar weg-, railverkeer- of industrielawaai van gezoneerde industrieterreinen is dan ook niet noodzakelijk. Wel dienen de effecten van de beoogde bedrijvigheid op omliggende woningen onderzocht te worden. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 4.1.4 (milieuzonering). Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.2 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan deels bestemd tot ‘Wonen’ en deels tot ‘Water – Riviergebonden’. De beoogde bedrijfsactiviteiten zijn geen milieugevoeliger gebruik. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
19
4.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In paragraaf 4.4 is aangetoond dat de verkeersaantrekking van de beoogde verkoop- en verhuurhaven vergelijkbaar is met de huidige woonfunctie. Er zal slechts sprake zijn van twee extra motorvoertuigbewegingen per etmaal. Hierdoor draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De Wet luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van het plan. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Grenswaarden Wlk
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het initiatief. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu –
Hoofdstuk 4
20
RIVM) bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse minder dan 12 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 18 µg/m³ en de concentratie NO2 minder dan 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 4.1.4 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden.
Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Hierin zijn per afzonderlijke milieucategorie verschillende richtafstanden opgenomen die kunnen worden aangehouden tot gevoelige functies teneinde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (vanwege geur, geluid, stof of gevaar). In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. In dit geval kan worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie
Richtafstand tot gevoelige functies in
Richtafstand tot gevoelige
een rustige woonwijk
functies in gemengd gebied
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
De beoogde verkoop- en verhuurhaven die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, vormt een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Daarom dient onderzocht te worden of in de nabij gelegen woningen sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
21
De beoogde activiteiten in de verkoop- en verhuurhaven zijn qua milieu-impact het meest vergelijkbaar met een jachthaven (categorie ‘jachthavens met diverse voorzieningen’). Gezien de kleinschaligheid van het project en de aard van de activiteiten die in het plangebied zullen plaatsvinden, zal de werkelijke milieu-invloed van de verkoop- en verhuurhaven echter kleiner zijn dan die van een jachthaven. Onderstaande toetsing gaat daarom dus uit van de worst-case. En jachthaven betreft een activiteit van milieucategorie 3.1, waarbij een richtafstand wordt geadviseerd van 50 meter voor geluid, 30 meter voor gevaar en 10 meter voor stof en geur. Deze richtafstanden zijn van toepassing op een rustige woonwijk of rustig buitengebied. De omgeving van het plangebied kan echter worden gekenmerkt als een gemengd gebied, omdat hier diverse functies aanwezig zijn, waaronder bedrijven, recreatie en wonen. Op basis van de ligging in gemengd gebied mogen de genoemde richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd naar 30 meter voor geluid, 10 meter voor gevaar en 0 meter voor stof en geur. Aan de richtafstand van 10 meter voor gevaar kan niet worden voldaan, aangezien de dichtstbij gelegen woonboot op 0 meter van het plangebied is gelegen. Gezien de activiteiten die in het plangebied zullen plaatsvinden, is het aspect gevaar echter niet aan de orde.
In het plangebied worden namelijk schepen aangelegd die dienen als showmodel voor de te verkopen en verhuren schepen. Er vinden geen risicovolle activiteiten plaats die gevaar kunnen opleveren voor de directe omgeving. Op basis hiervan wordt de afstand van 0 meter tot de meest dichtbij gelegen woonbestemming voor de woonboot acceptabel geacht. Aan de richtafstand voor geluid kan niet worden voldaan. Om te kunnen bepalen of het woon- en leefklimaat in de naastgelegen woonschepen aanvaardbaar blijft als gevolg van de beoogde activiteiten in het plangebied, heeft K+ een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hieronder kort samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport2. Doel van het onderzoek is te bekijken of de bestemmingswijziging van het plangebied en de beoogde activiteiten nadelige akoestische gevolgen hebben voor de woonboten aan de Waage Naak 21 en verder. Een aantal jaar geleden zijn akoestische onderzoeken uitgevoerd door DvL Milieu&Techniek. De bedrijfsvoering is volgens de opdrachtgever sinds 2001 niet noemenswaardig gewijzigd. In overleg met de gemeente is een nieuw akoestisch model opgesteld uitgaande van de eerdere uitgangspunten. Het plangebied zal met name worden gebruikt als aanlegplaats voor maximaal 25 boten, die dienen als showmodellen van de schepen die verkocht en verhuurd worden.
Daarnaast kan ter plaatse incidenteel overnacht worden door klanten. Zou incidenteel iemand overnachten, dan is deze locatie niet beschermd tegen geluid van buiten en heeft ook geen rechten daartoe. Het bedrijf is niet van plan op de planlocatie bedrijfsactiviteiten te gaan uitvoeren, ook omdat de naastgelegen woning op Waage Naak 19 de eigen bedrijfswoning is.
2
K+ Adviesgroep bv, Akoestisch onderzoek Van Kessel Yachting, Waage Naak 17 te Wessem, rapportnummer M17 651.401.2, 2 december 2020
Hoofdstuk 4
22
Uit de modellering blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingniveaus en de maximale niveaus niet leiden tot overschrijdingen van de geluideisen uit het Activiteitenbesluit. De activiteiten op het huidige bedrijfsterrein blijven mogelijk na aanschaf van Waage Naak 20. Gezien de onderzoeksresultaten zal in de naastgelegen woonschepen sprake blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er voor het initiatief geen belemmeringen. 4.1.5 Externe veiligheid De beoogde verkoop- en verhuurhaven betreft geen (beperkt) kwetsbaar object volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het te realiseren kantoor is wel een beperkt kwetsbaar object volgens het Bevi. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze activiteiten minder gevoelig zijn dan de huidige woonfunctie. Indien er sprake is van de ontwikkeling of uitbreiding van een (beperkt) kwetsbaar object, dienen de risico’s te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De normen en regelingen hiervoor staan beschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet worden bekeken of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Risicovolle bedrijvigheid Uit de Risicokaart blijkt dat op circa 280 meter ten zuidoosten van het plangebied een bovengrondse propaantank aanwezig is aan de Waage Naak 38. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de tank is 20 meter en reikt hiermee niet tot het plangebied. Gezien de tussenliggende afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de propaantank. Op circa 560 meter ten oosten van het plangebied ligt een LPG-tankstation aan de Maasdijk 1. Het invloedsgebied van deze inrichting is 150 meter. Het plangebied ligt, gezien de grotere tussenliggende afstand, niet binnen het invloedsgebied van dit tankstation.
Hoofdstuk 4
23
Voor het overige zijn er geen risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied gelegen. Vanuit het Bevi zijn er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (zwarte pijl)
Buisleidingen Uit de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Vanuit het Bevb bestaan er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over water Het plangebied ligt op circa 1,3 kilometer van het midden van de vaarweg van het Julianakanaal, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien deze afstand en de aard van de stoffen die over het Julianakanaal worden vervoerd, ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze waterweg. De stof met de grootste effectafstand die over het Julianakanaal wordt vervoerd is ammoniak (categorie GT3). Deze heeft een maximale effectafstand van 560 meter en reikt daarmee niet tot het plangebied. Vanuit de ligging ten opzichte van deze vaarweg zijn er daardoor geen belemmeringen.
Hoofdstuk 4
24
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van een transportroute over de weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op circa 1,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied ligt de rijksweg A2, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over de A2 vindt transport van diverse gevaarlijke stoffen plaats. De stofcategorie met grootste effectafstand die over de A2 wordt vervoerd, betreft de categorie ‘zeer toxische vloeistoffen’ (LT2). Deze stofcategorie heeft een maximale effectafstand van 880 meter. Het plangebied ligt gezien de grotere tussenliggende afstand niet binnen het invloedsgebied van de A2. Vanuit de ligging ten opzichte van deze weg zijn er daardoor geen belemmeringen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor In de wijde omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over spoorwegen. Verantwoording groepsrisico Het groepsrisico hoeft voor dit plan niet verantwoord te worden. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van een risicovolle inrichting of transportroute. De invloedsgebieden van in de verdere omgeving gelegen inrichtingen en transportassen reiken evenmin tot het plangebied.
Vanwege het aspect externe veiligheid bestaan er hierdoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.6
Wet geurhinder en veehouderij
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder veehouderijen in werking getreden. In deze wet zijn normen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan een agrarisch bedrijf waarin vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde ‘omgekeerde werking’). Het beoogde kantoor betreft een geurgevoelig object, waardoor toetsing aan geurhinder noodzakelijk is. Binnen de gemeente Maasgouw is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Maasgouw 2008’ van toepassing, zoals deze op 10 juli 2008 in werking is getreden. Voor onder andere het plangebied is overeenkomstig artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstandsmaat van 100 meter opgenomen. Binnen het plangebied en in de nabijheid bevinden zich geen veehouderijen die stank- of geuroverlast tot gevolg kunnen hebben. Er wordt voldaan aan de geurnormering conform de Wet geurhinder en veehouderijen en de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Maasgouw 2008. Ten aanzien van geurhinder bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
25
4.2 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Grensmaas’, bevindt zich op circa 1 kilometer ten zuiden van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een verkoop- en verhuurhaven betreft, aansluitend op bestaande bedrijven en binnen een bestaande haven, is een significante toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs uitgesloten. In de bestaande situatie mag de planlocatie reeds worden gebruikt voor woondoeleinden in de vorm van één woonschip.
Zoals in paragraaf 4.4 wordt beschreven is het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de huidige woonfunctie vergelijkbaar met het toekomstige aantal verkeersbewegingen van de verkoop- en verhuurhaven. De aanlegplaatsen (maximaal 25 stuks) zullen worden gebruikt om showmodellen te tonen van de schepen die verkocht en verhuurd worden. Er is geen sprake van een toename aan scheepvaartbewegingen met pleziervaartuigen ten opzichte van de bestaande situatie. Als gevolg van weg- en scheepsverkeer is er kortom geen sprake van een toename van de stikstofuitstoot in de gebruiksfase. Voor het overige vinden in het plangebied geen activiteiten plaats waarbij stikstof wordt uitgestoten. In de aanlegfase is evenmin sprake van stikstofuitstoot, omdat er niet tot nauwelijks aanleg- en bouwwerkzaamheden zijn voorzien. De aanlegsteigers ten behoeve van de verkoop- en verhuurhaven zijn al aanwezig in het plangebied en hoeven dus niet meer gerealiseerd te worden. Qua bebouwing wordt uitsluitend een houten kantoor met een oppervlakte van maximaal 10 m 2 gerealiseerd. Dit wordt geplaatst op de bestaande fundering van het voormalige tuinhuisje. Deze werkzaamheden zijn zo beperkt, dat hierbij geen significante uitstoot van stikstof plaatsvindt.
Aangezien de stikstofuitstoot als gevolg van de voorliggende ontwikkeling niet toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie, is er ook geen sprake van een toename van stikstofdepositie op het in de omgeving gelegen Natura 2000-gebied ‘Grensmaas’. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 12 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Hoofdstuk 4
26
Wat betreft de aanwezigheid van beschermde soorten bestaat het plangebied grotendeels uit water, dat deel uitmaakt van een bestaande haven. Op de kade is groen aanwezig, dat grotendeels behouden blijft. Eventueel aanwezige soorten zullen hier dan ook niet worden verstoord. Gezien het huidige gebruik van het plangebied als aanlegplaats voor een woonschip is ook niet aannemelijk dat essentieel leefgebied van beschermde soorten verloren gaat. Daarnaast wordt ook niet verwacht dat beschermde soorten worden verstoord als gevolg van de werkzaamheden in de realisatiefase, omdat het plangebied geen essentieel leefgebied voor beschermde soorten bevat en er nauwelijks aanleg- en realisatiewerkzaamheden plaatsvinden, zoals hierboven is beschreven. Een onderzoek naar beschermde soorten in het plangebied wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Ten behoeve van eventueel aanwezige individuen dient wel de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Bij de eventuele verwijdering van groen dient daarnaast rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Conclusie Vanuit het aspect ecologie (gebiedsbescherming en soortenbescherming) bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast.
Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn
Hoofdstuk 4
27
problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater.
Grondwater Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermings- of waterwingebied. Wel ligt de locatie in de Roerdalslenk (zone III). In paragraaf 2.2 is hier reeds nader op ingegaan. Het is in het gebied Roerdalslenk verboden: Een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei; Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter dient vier weken op voorhand schriftelijk gemeld te worden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Aangezien geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt deze ligging geen belemmering. Oppervlaktewater In het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt hierin ook niet voorzien. Wel maakt het plangebied deel uit van de Prins Mauritshaven. De beoogde watergebonden activiteiten in het plangebied (verkoop- en verhuurhaven) zijn passend binnen deze haven. Op een afstand van circa 830 meter ten zuiden van het plangebied ligt de Maas. Het plangebied ligt hierdoor binnen de Maasvallei.
Volgens het POL2014 moet bij ontwikkelingen in de Maasvallei
Hoofdstuk 4
28
rekening gehouden worden met de hoofdfuncties van de rivier (afvoer van water en ijs, scheepvaart, drinkwatervoorziening, waterrecreatie en aquatische ecologie) en ook de hoofdfuncties van het gebied (agrarisch, natuur, wonen, werken, oeverrecreatie e.d.). De voorgenomen ontwikkeling van een verkoop- en verhuurhaven heeft geen invloed op het functioneren van de Maas. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. Op circa 12 meter ten westen van het plangebied ligt een grondwaterafhankelijk natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Middels dit initiatief wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op dit natuurgebied. Afvalwater Indien in het kantoor sprake is van afvalwater, zal dit worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Ter hoogte van het plangebied is reeds een riool aanwezig. Voor elke nieuwe aansluiting op het gemeentelijk riool zal een aansluitvergunning worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Hemelwater De beoogde ontwikkeling mag geen aanvullende regenwaterbelasting op de gemeentelijke riolering tot gevolg hebben. Regenwater dient dan ook in principe op eigen terrein geïnfiltreerd te worden.
Uitgangspunt voor de bergingsberekening van een voorziening is conform de Keur van het Waterschap Limburg minimaal 100 mm waterberging per vierkante meter verhardingsoppervlak (bijvoorbeeld 100 mm x 100 m² = 10 m³). Het streven is er hierbij op gericht dat alle verharding (daken, terras, opritten, e.d..) wordt aangesloten op de infiltratievoorziening. In het plangebied wordt slechts op zeer beperkte schaal bebouwing mogelijk gemaakt, namelijk een kantoor met een maximale oppervlakte van 10 m 2. Omdat het plangebied grotendeels uit water bestaat, is er voldoende ruimte om het hemelwater van deze bebouwing te kunnen bergen binnen het plangebied. Vergunningplicht Indien voor het realiseren van het kantoor een afgraving van meer dan 50 cm nodig is, dient hiervoor een vergunning te worden afgegeven. Het Waterschap Limburg is daarvoor het bevoegde gezag. Aangezien het kantoor op het maaiveld wordt geplaatst en de bovengenoemde diepte daarbij niet wordt overschreden, geldt voor deze ontwikkeling geen vergunningplicht. Conclusie Bij de voorgenomen ontwikkeling bestaan naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Er zijn daarom geen negatieve consequenties te verwachten ten aanzien van de waterhuishouding.
Hoofdstuk 4
29
4.4 Verkeerskundige aspecten Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Waage Naak. De verkeersgeneratie van de verkoop- en verhuurhaven zal vergelijkbaar zijn met die van een jachthaven. Volgens de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381) zullen voor een jachthaven met 100 ligplaatsen in de rest van de bebouwde kom circa 26,6 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. De voorliggende verkoop- en verhuurhaven krijgt maximaal 25 ligplaatsen. De verkeersgeneratie hiervan zal circa 6,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedragen. Dit is redelijk vergelijkbaar met de huidige woonfunctie. In de CROW-publicatie wordt voor een gemiddelde woning uitgegaan van 5 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Waage Naak en omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om dit beperkte aantal verkeersbewegingen te kunnen opvangen. Problemen met betrekking tot de verkeersafwikkeling of de verkeersveiligheid zijn dan ook niet te verwachten. Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Maasgouw is vastgelegd in de nota ‘Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente Maasgouw’. In deze nota staat aangegeven dat parkeren in eerste instantie zoveel mogelijk dient te geschieden op eigen terrein. Voor een (verkoop- en verhuur)haven of jachthaven zijn geen parkeernormen genoemd in het gemeentelijk parkeerbeleid.
Uitgaande van een verkeersaantrekkende werking van 6,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal, wordt verwacht dat met 3 à 4 parkeerplaatsen kan worden volstaan. Aan de straatzijde is naast het te realiseren kantoor voldoende ruimte om te voorzien in deze parkeerplaatsen. Daarnaast is op het terrein van Van Kessel Yachting voldoende ruimte om indien nodig te voorzien in aanvullende parkeergelegenheid. Vanuit het aspect parkeren bestaan er kortom geen belemmeringen.