CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

---------- BIJLAGE 2 194994 Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 janu_stcrt-2025-2595

06. Raadsinformatiebrieven 20 mei 2025, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven behorend bij de portefeuille van wethouder Snijckers15.979 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Permanent afmeren van woonschip of ander drijvend werk – regeldruk neemt toe Onder de Bgr 2006 gold in het stroomvoerend deel een vergunningplicht voor deze activiteit en in het bergend deel een meldingsplicht. Na inwerkingtreding van de met dit besluit samenhangende wijzigingen van het Bal en de Or geldt in beide delen een vergunningplicht voor deze activiteit. De Minister kan onder voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen voor deze activiteit in de volgende gevallen: – uitbreiden of slopen en vervangen van bestaande woonschepen en andere bestaande drijvende werken; – nieuwe permanent af te meren drijvende werken met een riviergebonden functie. Er worden jaarlijks maximaal 40 aanvragen verwacht voor het verrichten van deze activiteit in wat vroeger het bergend deel was. De tijdsbesteding per aanvraag inclusief de kennismakingstijd wordt ingeschat op 5 uur. Dit komt neer op een administratieve lastenverhoging van ongeveer 200 uur per jaar met bijkomende legeskosten van € 1.127,– en per aanvraag. Dit resulteert (worst-case) in een toename van de regeldruk (administratieve kosten) van € 48.480,– per jaar. Overige niet-riviergebonden activiteiten – regeldruk vervalt Voor niet-riviergebonden activiteiten die niet onder artikel 3 of artikel 5 Bgr 2025 vallen blijft een vergunningplicht gelden.

De Minister verleent geen omgevingsvergunning voor die nietriviergebonden activiteiten. Onder de Bgr 2006 verleende de Minister in het stroomvoerend deel van het rivierbed al geen omgevingsvergunning voor die activiteiten maar in het bergend deel konden die activiteiten nog wel vergund worden. Door deze wijziging vervalt de regeldruk. Gemiddeld verleende de Minister jaarlijks 150 omgevingsvergunningen voor het verrichten van activiteiten in wat voorheen het bergend deel van het rivierbed was. De inschatting is dat de Minister 30 van die activiteiten onder de Bgr 2025 niet meer zou vergunnen. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit een conservatieve inschatting betreft, omdat een deel van de aanvragen in aangepaste vorm

15

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

waarschijnlijk wel vergund zou kunnen worden. De gemiddelde tijdsbesteding per aanvraag wordt ingeschat op 20 uur, inclusief kennismakingstijd. Dit betekent een vermindering van de tijdsbesteding met maximaal 600 uur, ofwel € 10.200,–.

7. Overgangsrecht Om onevenredige gevolgen te voorkomen voorziet dit besluit in overgangsregels. In artikel 8 zijn projecten opgesomd waarvoor Bgr 2006 van toepassing blijft, zoals die gold vóór 1 april 2024, indien de aanvraag wordt ingediend vóór 1 januari 2030. Het gaat om projecten waarvoor vóór publicatie van de WBS-brief: – het (bestemmings)plan is vastgesteld, dat voorziet in realisatie van dat project of een ontwerp van dat plan ter inzage is gelegd; – de vergunning(en) die nodig is voor de realisatie van het project is verleend of het ontwerp van die vergunning(en) ter inzage is gelegd. In de brief aan de Tweede Kamer van 5 oktober 2023 is aangegeven dat dit de criteria zijn op basis waarvan selectie van projecten in de uiterwaarden van de grote rivieren zou plaatsvinden.15 Alle bij de Minister bekende projecten die aan dit criterium voldoen, zijn in dit artikel opgenomen. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat onder een vergevorderd project als bedoeld in artikel 8 alleen de mogelijkheden vallen die vóór publicatie van de WBS-brief in een (ontwerp)bestemmingsplan of (ontwerp)vergunning voor dat project waren opgenomen. Het overgangsrecht van artikel 8 is niet van toepassing op wijzigingen van het project van na publicatie van de WBS-brief. Artikel 9 heeft betrekking op specifieke projecten waarover bestuurlijke afspraken met het Rijk zijn gemaakt.

Gelet op de gewekte verwachtingen worden voor deze projecten nadere maatwerkafspraken gemaakt om de bestuurlijke afspraken gestand te doen. Het gaat dus om projecten of projectdelen die vergunbaar waren onder de Bgr 2006 zoals die luidde op het moment dat de bestuurlijke afspraken werden gemaakt, maar niet meer onder de Bgr 2025. In maatwerkafspraken kunnen afspraken worden gemaakt over de uitvoering van het project(onderdeel). Vervolgens past de Minister die maatwerkafspraken toe die bij de beoordeling van een aanvraag voor dit project(onderdeel). Maatwerkafspraken worden op schrift gesteld en ondertekend door of namens de Minister en daarnaast door de provincie(s) en/of gemeente(n) waar het project(onderdeel) plaatsvindt en/of door de initiatiefnemer(s) van het project(onderdeel). De maatwerkafspraken moeten zoveel als mogelijk aansluiten bij het belang van water en bodem, zoals beschreven in de WBS-brief. Daarnaast worden de afspraken gepubliceerd in de Staatscourant, zodat derden daarvan kennis kunnen nemen. In artikel 10 gaat het om specifieke gebieden die binnen afzienbare termijn niet meer tot het rivierbed zullen behoren.

In de Maasvallei is voor een aantal gebieden die achter een primaire waterkering liggen, afgesproken dat de status rivierbed vervalt als de kering is versterkt of de ‘systeemwerkingsmaatregel’ bij het gebied is gerealiseerd.16 Met het vervallen van de status rivierbed vervalt ook de vergunningplicht en zou de Bgr 2025 niet meer van toepassing zijn. Het is niet wenselijk om in de periode tot aan het vervallen van de rivierbed-status in de gebieden de strengere regels van de Bgr 2025 te laten gelden. Artikel 10 voorziet erin dat voor deze gebieden de Bgr 2006 van kracht blijft zoals die luidde vóór 1 april 2024. Om onder de uitzondering van artikel 10 te vallen moet voor het project dat ziet op de dijkversterking of de systeemwerkingsmaatregel een voorkeursalternatief zijn bepaald of een projectplan of projectbesluit zijn vastgesteld. Het voorkeursalternatief, het projectplan en het projectbesluit geven inzicht in het te realiseren project en de locatie daarvan. Daarmee is voldoende zeker dat het project ‘binnen afzienbare termijn’ uitgevoerd wordt en is het gebied af te bakenen waarvan de status rivierbed komt te vervallen. In artikel 11 zijn projecten en gebieden opgenomen, die waren opgenomen in Bijlage 2 van de Bgr 2006. Op die projecten en gebieden was de Bgr 2006 niet van toepassing.

Onder de Bgr 2025 is voorzien in een overgangsregeling voor die projecten en projectonderdelen die in die in voorbereiding zijn, maar nog niet zijn afgerond. Voor deze project(onderdelen) kunnen maatwerkafspraken worden gemaakt. Vervolgens past de Minister die maatwerkafspraken toe die bij de beoordeling van een aanvraag voor dit project(onderdeel). Maatwerkafspraken worden op schrift gesteld en ondertekend

15 16

16

Kamerstukken II 2023/24, 27 625, nr. 654. Kamerstukken II 2019/20, 27 625, nr. 504; een systeemwerkingsmaatregel kan bestaan uit het terugleggen van de waterkering (behoud rivierbed) of een maatregel gericht op het behoud van de retentiewerking (waterberging) van een gebied.

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

door of namens de Minister en daarnaast door de provincie(s) en/of gemeente(n) waar het project(onderdeel) plaatsvindt en/of door de initiatiefnemer(s) van het project(onderdeel). De maatwerkafspraken moeten zoveel als mogelijk aansluiten bij het belang van water en bodem, zoals beschreven in de WBS-brief. Daarnaast worden de afspraken gepubliceerd in de Staatscourant, zodat derden daarvan kennis kunnen nemen. Op grond van artikel 12 worden aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van het Bgr 2025, beoordeeld op basis van de Bgr 2006 zoals die gold vóór 1 februari 2025 en dus niet op basis van de Bgr 2025. Dit is de zogeheten ‘ex tunc’-toetsing. Artikel 12 is slechts van toepassing in de gevallen dat de artikelen 7 tot en met 11 niet van toepassing zijn.

8. Advies en consultatie 8.1 Inleiding In november 2022 is in de WBS-brief het nieuwe beleid voor bouwen in het rivierbed aangekondigd. Deze brief is in nauwe afstemming met de andere ministeries en de decentrale overheden tot stand gekomen. Daarnaast hebben natuur- en landbouworganisaties kunnen reageren op de inhoud van de gehele brief en op de afzonderlijke 33 structurerende keuzes, waaronder de keuze om niet meer te bouwen in de uiterwaarden van de grote rivieren. Verder zijn verschillende belanghebbenden betrokken geweest bij het onderzoek in het kader van de actualisatie van de Beleidslijn. Er is gewerkt met een begeleidingscommissie. Aan deze commissie namen vertegenwoordigers deel van een aantal ministeries, de Staf Deltacommissaris, de deltaprogramma’s, de provincies, de Vereniging van Nederlandse riviergemeenten en de rivierwaterschappen. In oktober 2023 zijn de bevindingen, voorstellen en aanbevelingen uit het rapport met de bestuurlijke partners in het Bestuurlijk Overleg Water gedeeld en besproken en is ENW gevraagd advies uit te brengen over het rapport. Bij de bestuurlijke partners was veel steun voor de nieuwe koers en ENW was positief over het rapport. Op basis daarvan heeft een nadere uitwerking plaatsgevonden, waarbij riviergemeenten betrokken zijn. Het besluit is van 11 oktober 2024 tot en met 15 november 2024 geconsulteerd via internetconsultatie.nl.

Daarnaast heeft van 11 oktober 2024 tot en met 11 december 2024 de bestuurlijke consultatie plaatsgevonden. Bij de consultatie is ook ruimte geboden om te reageren op de met dit besluit samenhangende voorstellen tot wijziging van het Bkl, het Bal en de Or en de keuze om artikel 6, onderdeel e, Bgr 2006 per 1 april 2024 te laten vervallen. Verder is op verzoek van de Minister door RWS in juli 2024 een uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd. Ook is het besluit in oktober 2024 ter advisering aangeboden aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR).

8.2 Internetconsultatie, bestuurlijke consultatie en uitvoerbaarheidstoets RWS In totaal zijn 101 reacties ontvangen. Uit de ontvangen reacties blijkt dat burgers, bedrijven en overheden de actualisatie van de Beleidslijn over het algemeen steunen maar nog wel verschillende opmerkingen hebben. Hieronder volgen de belangrijkste opmerkingen en de reactie daarop. Een eerste punt betreft de zorg dat de actualisatie leidt tot een zodanige inperking van de ontwikkelmogelijkheden in het rivierbed dat deze gebieden in feite ‘op slot’ gaan. Dit beeld is onjuist. Ook na de actualisatie blijft er in ruimte voor ontwikkelingen binnen het rivierbed. Zo zijn er delen van het rivierbed waarop de Bgr 2025 niet van toepassing is en waar voor het verrichten van de activiteiten dus geen omgevingsvergunning van de Minister nodig is. Dit was al zo en deze gebieden blijven ongewijzigd. In deze gebieden bepaalt de gemeente wat en hoe er gebouwd mag worden. Daarnaast blijft er ruimte voor riviergebonden functies, zoals scheepswerven en waterrecreatie, evenals voor niet-riviergebonden activiteiten die van groot openbaar belang zijn. Ook activiteiten van grondgebonden agrarische bedrijven, verduurzaming van energievoorzieningen en initiatieven voor duurzame energieopwekking blijven mogelijk binnen de gestelde kaders.

Tijdelijke en periodieke activiteiten en activiteiten van ondergeschikt belang zijn ook nog steeds toelaatbaar. Een tweede punt is de wens van een deel van de respondenten om vast te houden aan twee regimes en om de ‘minder strenge’ regels die golden voor het bergend deel van het rivierbed dus te behouden. Dit is echter niet wenselijk. Uit onderzoek blijkt dat de ‘ja, mits’-benadering in het bergend deel ertoe leidde dat in het rivierbed teveel ruimte werd weggegeven aan niet-riviergebonden activiteiten, zoals grootschalige woningbouw en vakantieparken. Met de verwachte hogere rivierafvoeren en zeespiegelstijging is terughoudendheid noodzakelijk bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed om schade te voorkomen en ruimte te houden voor rivierverruiming en dijkversterking. Waterveiligheids-

17

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

experts hebben dan ook geadviseerd uniforme regels te hanteren voor het gehele beperkingengebied in het rivierbed. Ten derde heeft een deel van de respondenten – waaronder de provincie Limburg, waterschap Limburg en een aantal gemeenten – verzocht om meer gebieden in de Maasvallei die achter een primaire waterkering liggen toe te voegen aan de opsomming in artikel 10 van gebieden waarvoor de Bgr 2006 van kracht blijft zoals die luidde vóór 1 april 2024. Er is voor gekozen om niet in te stemmen met dit verzoek. Deze gebieden voldoen namelijk niet aan het criterium voor opname in artikel 10. Voor het project dat ziet op de dijkversterking of systeemwerkingsmaatregel bij die gebieden is namelijk nog geen projectplan of projectbesluit vastgesteld dan wel een voorkeursalternatief bepaald. Hierdoor is onvoldoende zeker dat het project ‘binnen afzienbare termijn’ uitgevoerd wordt en is niet te bepalen waar de dijk komt te liggen, waardoor onvoldoende duidelijk is welk gebied precies buiten het rivierbed komt te vallen. Daar komt bij dat in het merendeel van deze gebieden systeemwerkingsmaatregelen nodig zijn of de schaderisico’s toenemen bij het toestaan van ontwikkelingen op basis van de Bgr 2006. Dit bevestigt dat strengere regels noodzakelijk zijn zolang de projecten nog niet zijn uitgevoerd. Deze conclusie wordt ondersteund door het advies van ENW uit 2023.

Zoals hiervoor is aangegeven, is voor deze gebieden afgesproken dat de status rivierbed vervalt als de kering is versterkt of de ‘systeemwerkingsmaatregel’ bij het gebied is gerealiseerd.17 Anders dan een aantal respondenten stellen, is daarmee niet de toezegging gedaan dat de regels in de tussentijd hetzelfde zouden blijven. De strengere regels zijn dan ook niet in strijd met eerdere afspraken met het Rijk. Ten vierde geeft RWS aan de wijziging van de Beleidslijn te ondersteunen en dat de wijzigingen uitvoerbaar zijn. Wel geeft RWS een aantal aandachtspunten mee. RWS wijst onder meer op de personele consequenties; de implementatie vraagt tijdelijk extra inzet en het is nog onduidelijk of er structureel meer capaciteit nodig is. Met RWS wordt afgestemd in hoeverre extra capaciteit nodig is. Verder wijst RWS op een mogelijk juridische risico. In de WBS-brief is opgenomen dat de nieuwe koers is om geen nieuwe bebouwing meer toe te staan in het rivierbed. RWS geeft aan dat aan deze koerswijziging geen (kwantitatieve) onderbouwing ten grondslag ligt en dat daardoor onduidelijk is of deze wijziging stand zal houden bij de rechter. Daarbij veronderstelt RWS dat het besluit voorziet in een (vrij absoluut) bouwverbod voor alle niet-riviergebonden activiteiten.

Deze veronderstelling is onjuist; de Bgr 2025 beperkt weliswaar de mogelijkheden om nietriviergebonden activiteiten te verrichten maar van een absoluut bouwverbod is geen sprake. Daarnaast is de inschatting dat de nu beschikbare onderzoeken (zoals de KNMI’23 klimaatscenario’s, de analyse van Deltares van de effecten van die scenario’s op de afvoerregimes van de Rijn en de Maas en het ontwerp programma IRM), de zeer ingrijpende gevolgen als niets extra’s wordt gedaan en de noodzaak om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen, een voldoende deugdelijke onderbouwing vormen voor dit besluit. De andere aandachtspunten uit de uitvoerbaarheidstoets zijn voor zover nodig ook opgepakt. Overige opmerkingen hebben ertoe geleid dat het besluit op enkele punten is aangepast. Zo zijn enkele projecten en gebieden die voldoen aan de vastgestelde criteria toegevoegd aan de overgangsregels in de artikelen 8 tot en met 10. Daarnaast is toegevoegd dat de peildatum voor toepassing van de ‘10%-uitbreidingsregel’ in het deel van het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing was 1 februari 2025 is.

Dit betekent dat in het voormalige bergend deel van het rivierbed de Minister op basis van de Bgr 2025 onder voorwaarden toestemming kan geven voor een uitbreiding van een bestaand bouwwerk met maximaal 10% ten opzichte van het oppervlak en volume dat het bouwwerk had op 1 februari 2025, ongeacht of eerder gebruik is gemaakt van die regel voor de uitbreiding van het bouwwerk (paragraaf 4.3). Verder is verduidelijkt wat moet worden verstaan onder een ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’ en is de voorwaarde geschrapt dat de Minister slechts toestemming kan geven voor een activiteit met een bedrijfseconomisch belang voor een dergelijk bedrijf als dit belang ‘zwaarwegend’ is (artikelsgewijze toelichting bij artikel 5, onderdeel b). Tot slot is er een aantal respondenten die menen dat bepaalde gebieden buiten het toepassingsgebied van de Bgr 2025 behoren te vallen. Het betreft de gebieden Kampereiland, Afgedamde Maas,

17

18

Kamerstukken II 2019/20, 27 625, nr. 504.

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

Hollandse IJssel en Zuid-Hollandse eilanden. Er is voor gekozen om deze gebieden mee te nemen in een vervolgonderzoek naar het toepassingsgebied dat het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in 2025 opstart. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek wordt samen met de betrokken decentrale overheden gekeken of er aanpassingen in het toepassingsgebied van de Bgr 2025 nodig zijn. Met het bovenstaande wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan de geuite zorgen zonder afbreuk te doen aan de beleidsdoelen.

8.3 ATR Het is niet gebruikelijk om over een beleidsregel advies te vragen aan de ATR. Hiervoor is gekozen vanwege de bijzondere situatie dat dit besluit deel uitmaakt van de actualisatie van de Beleidslijn, waarvoor ook een wijziging van het Bkl, het Bal en de Or nodig is. De voorstellen voor die wijzigingen zijn gelijktijdig met dit besluit ter consultatie gelegd via de openbare internetconsultatie en zullen nog voor advies aan de ATR worden voorgelegd. De procesmatige en inhoudelijke samenhang tussen het besluit en die voorstellen heeft aanleiding gegeven om ook dit besluit voor advies aan te bieden aan de ATR. De ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

9. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Ten opzichte van de Bgr 2006 zijn aan dit artikel definities van de begrippen ‘logiesfunctie’, ‘Minister’, ‘periodieke activiteiten’, ‘riviergebonden activiteiten’, ‘tijdelijke activiteiten’ en ‘woonfunctie’ toegevoegd. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.4. Daarnaast zijn in dit artikel de definities van de begrippen ‘toestemming’ en ‘rivierbed’ gewijzigd. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.7.

Artikel 2 Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.7.

Artikel 3 Voor een toelichting op artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt verwezen naar paragraaf 4.3. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is opgenomen dat toestemming wordt verleend voor activiteiten die vanwege de aard en omvang naar het oordeel van de Minister van ondergeschikt belang zijn. In artikel 3, tweede lid, is een opsomming opgenomen van activiteiten die in elk geval van ondergeschikt belang zijn. Er kunnen activiteiten zijn die qua aard en omvang zeer vergelijkbaar zijn met de activiteiten die in deze opsomming staan. Voor die activiteiten heeft onderdeel b een vangnetfunctie; op grond van dit onderdeel kan de Minister toestemming geven voor vergelijkbare activiteiten die niet in de opsomming zijn opgenomen. Voor een toelichting op artikel 3, tweede tot en met vierde lid, wordt verwezen naar paragraaf 4.4. Bij activiteiten van ondergeschikt belang gaat het om activiteiten die algemeen worden beschouwd als een kleine ingreep, die geen belemmering vormen voor toekomstige rivierverruiming en waarvan het effect op waterstanden en bergend vermogen marginaal is. Te denken valt aan kleine bouwwerken zoals overkappingen, boothuizen, rust- of uitkijkpunten voor recreatief gebruik, beplantingen en erfafscheidingen, kleine ophogingen, etc.

Wat betreft de omvang gaat het met name om activiteiten die beperkt groter zijn dan de ondergrens voor de vergunningplicht (30 m_ voor bouwwerken, 50 m` voor ophogingen). Voorbeelden van periodieke activiteiten zijn voorzieningen op campings, kiosken, paviljoenen en evenementen. Bij de beoordeling of een periodieke activiteit toelaatbaar is, wordt onder meer gekeken naar de periode waarin de activiteit plaatsvindt. Hoewel er een hoogwater- of stormseizoen is (doorgaans 1 november tot 1 april), kunnen hoogwater en storm kunnen ook voorkomen in de zomer.

19

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

Met name langs de onbedijkte Maas en in de overgangsgebieden is de responstijd erg kort en kan hoogwater erg snel optreden. Indien een initiatiefnemer niet kan aantonen dat de bij de activiteit behorende objecten die een risico kunnen vormen bij hoogwater, tijdig en in korte tijd verwijderd kunnen worden, dan is het aan de Minister om te beoordelen of de tijdelijke activiteit toelaatbaar is. Eventuele schade aan tijdelijke activiteiten of (bouw)werken zelf als gevolg van hoogwater is voor rekening van degene die de activiteit verricht. Tijdelijke activiteiten zijn in beginsel toegestaan voor een termijn van maximaal vijf jaar, onder de voorwaarde dat de noodzaak van de tijdelijke activiteit in het rivierbed voldoende aannemelijk wordt gemaakt en de tijdelijkheid gegarandeerd wordt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ervoor gekozen is om het woord ‘bebouwing’ te vervangen door ‘bouwwerk’. Het begrip ‘bouwwerk’ is gedefinieerd in de Omgevingswet. Door dit begrip te hanteren wordt meer duidelijkheid gegeven over op welke gevallen de ‘sloop en vervang’-regeling van toepassing is. Overigens werd ‘bebouwing’ bij de toepassing van de beleidsregels in de praktijk al uitgelegd als ‘bouwwerk’. Er is dus geen sprake van een inhoudelijke wijziging.

Artikel 4 Bij de riviergebonden activiteiten geldt een ‘ja, mits’-benadering. Dat wil zeggen dat deze riviergebonden activiteiten zijn toegelaten, wanneer aan specifieke voorwaarden wordt voldaan. Het betreft hier een beperkt aantal nader omschreven activiteiten, die niet buiten het rivierbed verricht kunnen worden. Het betreft een limitatieve opsomming. Ad a. Voorbeelden zijn constructies om de vaargeul in stand te houden, zoals kribben of leidammen, maar ook bruggen, sluizen en waterkeringen. Ad b. Voorbeelden zijn scheepvaartmarkeringen en golfreducerende constructies bij ligplaatsen. Ad d. Een overslagbedrijf is een bedrijf dat als hoofdactiviteit heeft het overzetten van goederen uit een schip op een ander vervoermiddel of omgekeerd. Overslagfaciliteiten zijn toegestaan, indien deze specifiek zijn bedoeld voor de overslag van water naar land of vice versa. Ad e. Dit onderdeel ziet op (scheeps)werven voor de (ver)bouw van schepen voor de beroepsvaart of de recreatievaart en specifiek daaraan verbonden bedrijfsactiviteiten. Bij specifiek aan een scheepswerf verbonden bedrijfsactiviteiten valt te denken aan een bedrijf dat zich bezighoudt met scheepselektrotechniek of scheepsbetimmering. Algemene bedrijven of bedrijfsactiviteiten die een breder doel dienen en niet specifiek verbonden zijn met de scheepswerf, zoals een distributiecentrum, vallen hier niet onder. Ad f.

De Minister verleent toestemming voor de aanleg, het beheer en de verbetering van natuur. Onder het beheer van natuur worden ook maatregelen voor de inrichting van natuurgebieden verstaan, zoals de aanleg van vogelkijkhutten en wandelpaden. Ad g. Dit onderdeel heeft betrekking op de waterkwaliteit. In het rivierengebied worden veel maatregelen uitgevoerd om de waterkwaliteit te verbeteren. Verbetering van de waterkwaliteit is een riviergebonden activiteit. Ad h. Uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken in het rivierbed wordt als riviergebonden activiteit aangemerkt. De vestiging van een nieuwe steenfabriek niet. Ad i. De Minister verleent toestemming voor de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met waterrecreatie zijn verbonden. Hieronder vallen in ieder geval voorzieningen die verbonden zijn met de recreatie(toer)vaart, zoals bijvoorbeeld jachthavens, losse aanlegplaatsen, bootreparatie- en servicebedrijven en bunkerstations. Daarnaast verleent de Minister toestemming voor de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met extensieve uiterwaardrecreatie zijn verbonden. Met extensieve uiterwaardrecreatie wordt een vorm van dagrecreatie bedoeld die relatief weinig hinder voor natuur en bewoners van het gebied met zich meebrengt en waarvoor nauwelijks voorzieningen aangelegd hoeven te worden. Het betreft primair wandelen en fietsen.

Omvangrijke bouwwerken, zoals bezoekerscentra of bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatie of horecavoorzieningen, zoals hotels, vakantieparken en restaurants, vallen niet onder extensieve uiterwaardrecreatie. Ad k. Voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van gronden in het rivierbed, met name de uiterwaarden, kunnen bouwwerken of activiteiten noodzakelijk zijn die

20

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

vergunningplichtig zijn en daarom getoetst worden aan de Bgr 2025. Te denken valt aan grondverzet, stallen en schuilgelegenheden voor grote grazers en opslagruimtes voor materiaal en materieel. Indien deze voorzieningen noodzakelijk zijn voor het beheer van gronden in het rivierbed, kan voor deze voorzieningen toestemming worden verleend. Ad l. Het rivierengebied wordt gekenmerkt door specifieke landschapselementen. Het behoud en herstel van cultuurhistorische landschapselementen wordt beschouwd als een riviergebonden activiteit. Met cultuurhistorische landschapselementen worden elementen bedoeld zoals houtwallen, heggen, hakhoutbosjes en verdedigingswerken, die van landschappelijke, natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische betekenis zijn en behouden moeten blijven of hersteld moeten worden. In het rivierbed kunnen ook archeologische monumenten aanwezig zijn, in de vorm van bijvoorbeeld scheepswrakken of grafheuvels. Als er activiteiten nodig zijn om de archeologische waarden te behouden en te beschermen, bijvoorbeeld door deze af te dekken met een grondlichaam, kan hiervoor toestemming worden verleend. Ad m. Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.6.

Artikel 5 Voor niet-riviergebonden activiteiten geldt een ‘nee, tenzij’-benadering. Dat wil zeggen dat de Minister voor die activiteiten geen toestemming geeft, tenzij het een activiteit betreft die is opgenomen in dit artikel en aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, is voldaan. Ad a. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient te motiveren dat sprake is van een groot openbaar belang met een zekere maatschappelijke waarde. Dit belang moet naar aard en gewicht voldoende zijn om vergunningverlening voor een niet-riviergebonden activiteit te rechtvaardigen. Bij zuiver individuele belangen is geen sprake van een groot openbaar belang. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het niet zo is dat de Minister voor activiteiten waarvoor hij voorheen op grond van artikel 6, onderdeel e, van de Bgr 2006 toestemming kon geven – zijnde activiteiten die ‘per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie’ – nu zonder meer toestemming geeft op grond van onderdeel a. Onderdeel e is immers geschrapt, omdat die regel niet meer past in de nieuwe koers uit de WBS-brief. Voor de beoordeling of een activiteit van groot openbaar belang is, doet dus niet ter zake of die activiteit meer ruimte voor de rivier oplevert en wordt verricht op een vanuit rivierkundig oogpunt bezien aanvaardbare locatie. Ad b.

Dit onderdeel heeft betrekking op grondgebonden agrarische bedrijven. Dit zijn bedrijven waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Bestaande grondgebonden agrarische bedrijven in het rivierbed zijn vaak nauw verbonden met het rivierbed, in het bijzonder wanneer er ook beheer van buitendijkse gronden wordt uitgevoerd. Die bedrijven voldoen over het algemeen niet aan het vereiste van groot openbaar belang. Toch kan het wenselijk zijn deze bedrijven ontwikkelruimte te bieden, bijvoorbeeld om het bedrijf te kunnen laten voldoen aan agrarische regelgeving (zoals op het gebied van mest, stikstof, CO2 of dierenwelzijn). Voorwaarde daarbij is wel dat er aan de behoefte van die bedrijven aantoonbaar bedrijfseconomische overwegingen ten grondslag liggen en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden verricht. Ontwikkelingen die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van een bedrijf kunnen aangemerkt worden als bedrijfseconomisch belang. Dit onderdeel is niet van toepassing op niet-grondgebonden agrarische bedrijven, zoals intensieve veehouderijen en kastuinbouw. De reden hiervoor is dat het beleidsmatig niet wenselijk is deze bedrijven in het rivierbed ontwikkelruimte te bieden, omdat dit kan leiden tot kapitaalintensivering.

Zoals hiervoor is aangegeven, zorgt dit voor meer schade bij hoogwater en voor hogere kosten bij het nemen van rivierverruimende maatregelen. In afwijking van de regels onder Bgr 2006, is ervoor gekozen om onder de Bgr 2025 bij de uitbreiding van grondgebonden agrarische bedrijven niet meer te toetsen of met die uitbreiding een ‘zwaarwegend’ belang is gemoeid. Dit biedt agrarische ondernemers meer zekerheid en ondersteunt een duurzame voortzetting van hun bedrijfsvoering. Ad c. Verduurzaming van de energievoorziening wordt vanuit het Rijk wenselijk geacht. Het is wenselijk dat in het rivierbed mogelijkheden worden geboden voor de verduurzaming van de energievoorziening van bestaande (bedrijfs)activiteiten, zoals steenfabrieken en delfstofwinning. Energievoorziening kan worden verduurzaamd door gebruik te maken van zonne- en windenergie,

21

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

maar ook door productie van energie uit andere hernieuwbare energiebronnen, zoals biomassa, bodemwarmte of diverse vormen van biogas. Ad d. De Minister kan toestemming verlenen voor de aanleg van een voorziening voor elektriciteitsopwekking door zonne- of windenergie. Voor deze niet-riviergebonden activiteiten kan toestemming worden verleend, omdat deze vormen van energieopwekking een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het behalen van de beleidsdoelstellingen van het Rijk voor duurzame energie. Bovendien vereisen deze activiteiten alleen zeer beperkt aanvullende voorzieningen in het rivierbed, zoals gebouwen, installaties en opslagfaciliteiten. Daarbij geldt als belangrijke beperking dat de zonneparken en windmolens niet redelijkerwijs buiten het rivierbed gerealiseerd kunnen worden. Dat is een waarborg om te voorkomen dat het rivierbed wordt volgebouwd met zonneparken en windmolens.

Artikel 6 Eerste lid Ad a. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient bij zijn aanvraag te onderbouwen dat de activiteit zodanig gesitueerd en verricht wordt dat de veiligheid gewaarborgd blijft. De activiteit mag bijvoorbeeld niet leiden tot een verhoogd risico op aantasting van dijken. Om dit te kunnen beoordelen, moet in de aanvraag worden aangegeven wat de gevolgen van de activiteit zijn voor de veiligheid. Daarvoor moeten kenmerken van de (situering en uitvoering van de) activiteit worden opgenomen in de aanvraag, zodat kan worden nagegaan of er een veiligheidsrisico is. Ad b. Er zijn riviertrajecten waar de ruimte beperkt is. Het is belangrijk om de ruimte die dan nog beschikbaar is te reserveren voor rivierverruiming, dijkversterking en (compensatieruimte voor) riviergebonden activiteiten. Hiermee wordt voorkomen dat in de toekomst rivierverruiming onmogelijk of zeer kostbaar wordt en riviergebonden activiteiten moeten worden geweigerd, omdat de beschikbare ruimte is opgevuld door overige activiteiten. Een goede rivierkundige onderbouwing per aanvraag en locatie waarin is aangegeven waarom er al dan niet sprake is van een feitelijke belemmering, vormt voldoende basis om een aanvraag aan dit criterium te kunnen toetsen. Ad c.

Deze voorwaarde is gericht op het optimaliseren van de vormgeving van bestaande plannen, om zo min mogelijk waterstandsverhoging te veroorzaken. Er moet eerst gezocht worden naar een goede situering en uitvoering voordat gezocht wordt naar compensatie. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ervoor gekozen is om in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, steeds het woord ‘rivier’ te gebruiken. Dit betreft geen inhoudelijke wijziging maar is alleen bedoeld om te verduidelijken dat hetzelfde bedoeld wordt. Ad d. Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.7.

Tweede lid Indien er sprake is van een resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of afname van bergend vermogen, is compensatie verplicht. Voor sommige ingrepen kan op basis van een ‘expert judgement’ beoordeeld worden of de ingreep zal leiden tot een waterstandsverhoging of afname van bergend vermogen. De financiering en tijdige realisering van de maatregelen met betrekking de resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen dient gewaarborgd te zijn.

Derde lid Het derde lid stelt een aanvullende voorwaarde voor de mogelijkheid die geboden wordt voor opwekking van zonne- en windenergie, bedoeld in artikel 5, onderdeel d. Voor windmolens in het rivierbed geldt conform artikel 8 van de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk al dat alleen een omgevingsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend. Dit principe geldt nu ook voor zonneparken. Een omgevingsvergunning kan alleen voor bepaalde tijd worden verleend, waardoor de ingenomen ruimte niet permanent wordt onttrokken aan het rivierbed. De ruimte komt na het aflopen van de termijn weer vrij voor rivierverruiming of een riviergebonden activiteit. De Minister kan in de omgevingsvergunning een financiële zekerheidstelling opnemen om te

22

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

garanderen dat de vergunninghouder de zonneparken en windturbines aan het einde van de termijn zal ontmantelen en verwijderen. Daarnaast kan de Minister in de vergunning de voorwaarde opnemen dat de activiteit binnen een bepaalde periode ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Dit om reservering van schaarse ruimte te voorkomen en ondoelmatigheid tegen te gaan die zou kunnen ontstaan bij ‘slapende’ vergunningen.

Artikel 7 Dit artikel voorziet in overgangsrecht dat ook al in de Bgr 2006 was opgenomen. Tot 1 juli 2018 stond in artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Bgr 2006 dat de Minister toestemming kon geven voor activiteiten voor rivierbeheer of rivierruiming. Met ingang van 1 juli 2018 is deze regel vervallen (Stcrt. 2018, 36070). Dergelijke activiteiten worden namelijk doorgaans door of vanwege de beheerder uitgevoerd en waren op grond van het Waterbesluit (oud) vrijgesteld van de vergunningplicht. Dit onderdeel b was voor rivierbeheer- en verruiming door de beheerder zelf dus overbodig. In de gevallen waarin werkzaamheden aan de rivierzijde van waterkeringen niet door of namens de beheerder worden uitgevoerd en er wel een watervergunning is vereist, kan gebruikgemaakt worden van een andere grond voor toestemming uit de Bgr 2025. Vergunningen die zijn verleend met een toestemming als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Bgr 2006 zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de wijziging op 1 juli 2018, worden door deze wijziging niet getroffen; de grondslag daarvoor ontvalt niet als gevolg van deze wijziging. Wel is het mogelijk dat een wijziging van de vergunning noodzakelijk is.

In die gevallen zou voor de wijziging geen toestemming meer gegeven kunnen worden voor activiteiten voor rivierbeheer of -verruiming op grond van artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Bgr 2025. Er zou weliswaar toestemming kunnen worden verleend op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Bgr 2025, maar dat zou tot gevolg hebben dat vanwege het daarop van toepassing zijnde artikel 6, tweede lid, de resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen duurzaam moeten worden gecompenseerd. Bij een toestemming onder de Bgr 2006, zoals die luidde voor de wijziging per 1 juli 2018, was dat niet nodig. Daarom is in het artikel 7 bepaald dat artikel 3, onderdeel b, zoals dat luidde voor die wijziging, blijft gelden voor wijzigingen van de vergunningen die op grond van de daarin bedoelde toestemming zijn verleend.

Artikel 8 Voor een algemene toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 7. Om onduidelijkheid te voorkomen over welke projecten onder dit artikel vallen, is hieronder per project het besluit vermeld dat in dat project voorziet. a. Gebiedsplan Avelingen (gemeente Gorinchem) Gebiedsplan Avelingen op basis van bestemmingsplan Bedrijventerrein Avelingen en Schelluinsestraat, vastgesteld op 23 juni 2010 (NL.IMRO.0512.BP2010300000000104-4001). b. Havengebied als onderdeel van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (gemeenten Venray en Horst aan de Maas) Havengebied als onderdeel van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum op basis van Provinciaal inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, vastgesteld op 15 december 2017. c. Herontwikkeling landgoed Kasteel Oost (gemeente Eijsden-Margraten) Herontwikkeling landgoed Kasteel Oost op basis van bestemmingsplan Kasteel Oost, vastgesteld op 12 december 2017 (NL.IMRO.1903.BPRECR14003-VG01). d. Herontwikkeling Reuversweerd (gemeente Brummen) Herontwikkeling buitenplaats Reuversweerd en herstel en herinrichting landgoed met woningbouw op basis van bestemmingsplan Dijkverlegging Cortenoever, vastgesteld op 30 mei 2013 (NL.IMRO.0213.BPBG700004-va01). e.

Woningbouwplan Marktstraat-Merumerbroekweg (gemeente Roermond) Woningbouwplan op basis van bestemmingsplan Marktstraat-Merumerbroekweg, vastgesteld op 26 september 2013 (NL.IMRO.0957.BP00000208-VG01). f. Ossenwaard (gemeente Vijfheerenlanden) Ossenwaard op basis van bestemmingsplan Eiland Ossenwaard, vastgesteld op 11 november 2014 (NL.IMRO.0620.bp0008-VG01). g. Realisatie hotel, drijvende dagcreatieve voorziening, paviljoen en lichte horecavoorziening Maasresidence Thorn (gemeente Maasgouw) Realisatie hotel, drijvende dagcreatieve voorziening, paviljoen en lichte horecavoorziening op basis van bestemmingsplan Maasresidence Thorn, vastgesteld op 11 februari 2015 (NL.IMRO.1641.BPL060-VG01). h. Veerhaven Ochten (gemeente Nederbetuwe) Veerhaven Ochten op basis van het ontwerp inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Veerhaven

23

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

Ochten, ontwerp ter inzage gelegd op 7 september 2022 (NL.IMRO.9925.IPVeerhavenOchten-ont1). Woningbouwplan Van Appeven (gemeente Roermond) Woningbouwplan Van Appeven op basis van bestemmingsplan Groeneweg Maasstraat, vastgesteld op 7 juli 2022 (NL.IMRO.0957.BP00000317-VG01). j. Woningbouwproject Waterfront de Veene (gemeente Altena) Woningbouwproject Waterfront de Veene op basis van bestemmingsplan Waterfront De Veen, vastgesteld op 23 juni 2015 (NL.IMRO.0738.BP6011-GV01). k. Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (gemeente Sittard-Geleen) Unilocatie Grevenbicht-Obbicht op basis van bestemmingsplan Grevenbicht-Obbicht, vastgesteld op 7 oktober 2021 (NL.IMRO.1883.BPunilocatieGO-VA01). l. Waterfront Moerdijk (gemeente Moerdijk) Waterfront Moerdijk op basis van bestemmingsplan Den Bels 2021, vastgesteld op 2 maart 2023 (NL.IMRO.1709.BPMDDenBels2021-BP40). m.

projecten bestemmingsplannen De Vesting, Recreatie, Kanaalzicht en Heliushaven (gemeente Voorne aan Zee) Projecten op basis van bestemmingsplan De Vesting, vastgesteld op 20 december 2012 (NL.IMRO.0530.BPDeVesting2011-VG01), bestemmingsplan Recreatie, vastgesteld op 12 juni 2014 (NL.IMRO.0530.BPRecreatie2011-VG03) en laatstelijk gewijzigd bij gerechtelijke uitspraak van 1 juli 2015 (NL.IMRO.0530.BPRecreatie2011-GU01), bestemmingsplan Kanaalzicht, vastgesteld op 30 maart 2015 (NL.IMRO.0530.BPKanaalzicht2012-vg02) en bestemmingsplan Heliushaven, vastgesteld op 22 maart 2012 (NL.IMRO.0530.BPHeliushaven-Vg01). i.

Artikel 9 Voor een algemene toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 7. Om onduidelijkheid te voorkomen over welke projecten onder dit artikel vallen, is hieronder per project het besluit vermeld dat in dat project voorziet of aangegeven welke afspraken aan het project ten grondslag liggen. a. Hoenwaard 2030 (gemeente Hattem) Voorkeursalternatief binnen Gebiedsplan Hoenwaard 2030 (tien activiteiten/locaties), vastgesteld op 12 november 2021. b. Maasdal Velden (gemeente Venlo) Woningbouwplan op basis van afspraken met het Rijk (brief van 27 juni 2012). c. Oeverlijnen Project Stadswerven (gemeente Dordrecht) Gebruik overcompensatie project Stadswerven voor renovatieprojecten historische kades Dordrecht, op basis van afspraken met het Rijk (brieven 7 mei 2020 en 10 februari 2023). d. Ooijen Wanssum (gemeente Venray) Ooijen Wanssum op basis van regeling Ontwikkelingsruimte gebiedsontwikkeling OoijenWanssum, vastgesteld op 30 januari 2018 (Provinciaal blad Limburg 2018, 2062). e. Rivierklimaatpark IJsselpoort (gemeenten Duiven, Arnhem, Westervoort, Zevenaar en Rheden) Rivierklimaatpark IJsselpoort op basis van Samenwerkingsovereenkomst, vastgesteld op 21 februari 2021 (Stcrt. 2021, 11990). f. Verlaging Dam Lateraalkanaal (gemeente Roermond) Verlaging Dam Lateraalkanaal op basis van afspraken BO MIRT 25/26 november 2020. g.

Noordwaard (gemeente Altena) Noordwaard op basis van het rijksinpassingsplan Noordwaard, vastgesteld op 27 augustus 2010 (NL.IMRO.0000.RIPNOORDWAARD-VA04) en laatstelijk gewijzigd op 19 december 2017 (NL.IMRO.0870.00BP1134RiNrdherz1-VA01). h. Veense Put (gemeente Altena) Veense Put op basis van afspraken tussen het Rijk en de gemeente Altena (brieven van 15 oktober 2024 en 22 november 2024). i. Gebiedsontwikkeling Groene Rivier Well (gemeente Bergen) Gebiedsontwikkeling Groene Rivier Well op basis van de bestuursovereenkomst Planuitwerkingsfase Gebiedsontwikkeling Groene Rivier Well (Stcrt. 2023, 8526). Voor dit project geldt dat uitsluitend maatwerkafspraken gemaakt kunnen over de opstallen die door de gemeente Bergen zijn aangekocht bij Elsteren op basis van afspraken BO MIRT 20/21 november 2019 en over de opstallen bij De Kamp die door de dijkteruglegging in het kader van het project buitendijks komen te liggen.

Artikel 10 Voor een algemene toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 7. Om onduidelijkheid te voorkomen over welke gebieden onder dit artikel vallen, is hieronder kort omschreven welk gebied het betreft. Daarnaast zijn kaarten van de gebieden opgenomen. Hierbij is met groen aangegeven waar de waterkeringen lopen en is met rood gemarkeerd welk gebied onder de overgangsbepaling als bedoeld in artikel 10 valt.

24

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

Bij een aantal kaarten is een voorbehoud op zijn plaats. Voor een deel van de gebieden geldt dat nog geen projectplan of projectbesluit voor de dijkversterking of systeemwerkingsmaatregel is vastgesteld. In die gevallen is de contour van het gebied dat onder de overgangsbepaling valt gebaseerd op het bestuurlijk voorkeursalternatief voor die dijkversterking of maatregel. Het definitieve besluit voor die projecten kan afwijken van het voorkeursalternatief en dit kan gevolgen hebben voor welk gebied onder de overgangsbepaling valt. Voor bovenstaande gevallen zijn de kaarten dan ook slechts indicatief bedoeld. a. Gebied achter dijktraject 54-1 Ottersum-Mook (Lob van Gennep) (gemeenten Mook en Middelaar en Gennep) Gebied achter dijktraject 54-1 Ottersum-Mook (Lob van Gennep) op basis van bestuurlijk voorkeursalternatief (Kamerstukken II 2021/22, 32 698, nr. 65).

b. Gebied achter dijktraject 57.1 Nieuw-Bergen (gemeente Bergen) Gebied achter dijktraject 57.1 Nieuw-Bergen op basis van projectplan, vastgesteld op 9 december 2021 en goedgekeurd op 21 december 2021 (Provinciaal blad Limburg 2022, 2380).

25

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

c. Gebied achter dijktraject 60-1 Well (gemeente Bergen) Gebied achter dijktraject 60-1 Well op basis van bestuurlijk voorkeursalternatief (Kamerstukken II 2022/23, 32 698, nr. 76).

d. Gebied achter dijktraject 65-1 Arcen (gemeente Venlo) Gebied achter dijktraject 65-1 Arcen op basis van projectplan, vastgesteld op 25 juni 2024 en goedgekeurd op 10 september 2024 (Provinciaal blad Limburg 2024, 17091).

26

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

e. Gebied achter dijktraject 68-1 Venlo, deel Steyl-Maashoek (gemeente Venlo) Gebied achter het deel Steyl-Maashoek van dijktraject 68-1 Venlo op basis van projectplan, vastgesteld op 15 maart 2022 en goedgekeurd op 26 april 2022 (Waterschapsblad Limburg 2022. 5423).

f.

27

Gebied achter dijktraject 70-1 Baarlo (gemeenten Venlo en Peel en Maas) Gebied achter dijktraject 70-1 Baarlo op basis van bestuurlijk voorkeursalternatief als onderdeel van het Programma Baarlo-Hout-Blerick (Stcrt. 2023, 15942).

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

g. Gebied achter dijktraject 71-1 Belfeld (gemeente Venlo) Gebied achter dijktraject 71-1 Belfeld op basis van projectplan, vastgesteld op 10 november 2022 en goedgekeurd op 7 februari 2023 (Waterschapsblad Limburg 2023, 2673).

h. Gebied achter dijktraject 75-1 Buggenum (gemeente Leudal) Gebied achter dijktraject 75-1 Buggenum op basis van ontwerp projectbesluit, ter inzage gelegd op 26 oktober 2024 (Waterschapsblad Limburg 2024, 22660).

28

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

29

i.

Gebied achter dijktraject 76-1 Roerdelta (gemeente Roermond) Gebied achter dijktraject 76-1 Roerdelta op basis van bestuurlijk voorkeursalternatief (WLDOC455785749-998 en WLDOC-1037746042-10994).

j.

Gebied achter dijktraject 76-2 Roermond Willem-Alexanderhaven (gemeente Roermond) Gebied achter dijktraject 76-2 Roermond Willem-Alexanderhaven voor deel dat binnen het projectplan valt, zoals vastgesteld op 30 augustus 2022 en goedgekeurd op 13 december 2022 (Waterschapsblad Limburg 2023, 7387).

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

k. Gebied achter dijktraject 79-1 Thorn Wessem (gemeente Maasgouw) Gebied achter dijktraject 79-1 Thorn Wessem op basis van bestuurlijk voorkeursalternatief (Kamerstukken II 2019/20, 27 625, nr. 504).

Artikel 11 Voor een algemene toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 7. Voor de projecten en gebieden als bedoeld in dit artikel is het niet nodig geacht om te concretiseren welke projecten en gebieden het betreft, omdat die al in bijlage 2 bij de Bgr 2006 stonden en bekend zijn in de uitvoeringspraktijk.

Artikel 12 Voor een algemene toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 7. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, B. Madlener

30

Staatscourant 2025 nr. 2595

31 januari 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=591e31c8-b823-4cfc-b9f8-57967d6148df