---------- BIJLAGE 2 194994 Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 janu_stcrt-2025-2595
Tekst van het document
STAATSCOURANT
Nr. 2595 31 januari 2025
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 januari 2025, nr. IENW/BSK-2025/15528, tot vaststelling van de Beleidsregels grote rivieren 2025 De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 6.17, eerste lid, 6.29, 6.35, 6.40, 6.54 en 6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving; BESLUIT: Artikel 1 Definitiebepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: a. logiesfunctie: logiesfunctie als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; b. Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat; c. periodieke activiteiten: activiteiten die meerdere jaren achter elkaar uitsluitend in een bepaald deel of bepaalde delen van het jaar plaatsvinden met een maximum van in totaal zeven maanden per jaar; d. rivierbed: de oppervlakte begrensd op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Omgevingsregeling; e. riviergebonden activiteiten: activiteiten als bedoeld in artikel 4; f. tijdelijke activiteiten: activiteiten die gedurende maximaal vijf jaar ononderbroken plaatsvinden; g. toestemming: toestemming vanuit rivierkundig oogpunt nodig voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning; h. woonfunctie: woonfunctie als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 2 Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op de aanvragen voor omgevingsvergunningen, bedoeld in de artikelen 6.17, eerste lid, 6.29, 6.35, 6.40, 6.54 en 6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, die worden verricht in een beperkingengebied in het rivierbed. Artikel 3 Activiteiten 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 6, eerste lid, wordt in elk geval toestemming gegeven voor de volgende activiteiten: a. het slopen en vervangen van een bouwwerk door een bouwwerk van gelijke omvang, tenzij: 1°. de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt naar woonfunctie of logiesfunctie; of 2°. de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt van een functie ten behoeve van een riviergebonden activiteit naar een functie ten behoeve van een niet-riviergebonden activiteit; b. activiteiten die vanwege de aard en omvang naar het oordeel van de Minister van ondergeschikt belang zijn. 2. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn in elk geval: a. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste tien procent van het oppervlak en volume van een bouwwerk, tenzij: 1°. de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt naar woonfunctie of logiesfunctie; of 2°.
de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt van een functie ten behoeve van een riviergebonden activiteit naar een functie ten behoeve van een niet-riviergebonden activiteit. b. het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/s bedraagt; c. het bouwen of in stand houden van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening; 3. Het bouwen van een bouwwerk met een woonfunctie of logiesfunctie is geen activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, tenzij het een eenmalige uitbreiding van ten hoogste tien procent van het oppervlak en volume van een bouwwerk met een woonfunctie of logiesfunctie betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 6, eerste lid, kan toestemming worden gegeven voor
1
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
tijdelijke en periodieke activiteiten. Of toestemming wordt gegeven voor deze activiteiten, hangt af van: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit plaatsvindt; c. de periode waarin de activiteit plaatsvindt; en d. het rivierkundig effect van de activiteit. Artikel 4 Riviergebonden activiteiten Onverminderd het bepaalde in artikel 6, eerste en tweede lid, wordt toestemming gegeven voor de volgende activiteiten: a. de aanleg of wijziging van een waterstaatkundig kunstwerk; b. de aanleg van een voorziening voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- of recreatievaart; c. de bouw of wijziging van een waterkrachtcentrale; d. de vestiging of uitbreiding van een overslagbedrijf of het realiseren van een overslagfaciliteit, als die activiteit is gekoppeld aan vervoer over de rivier; e. de aanleg of wijziging van een scheepswerf voor beroeps- of pleziervaartuigen en specifiek daaraan verbonden activiteiten als bedoeld in artikel 3.144 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. de aanleg, het beheer of de verbetering van natuur; g. de verbetering van de waterkwaliteit; h. de uitbreiding of wijziging van een bestaande steenfabriek; i. de aanleg van een voorziening die onlosmakelijk met waterrecreatie of extensieve uiterwaardrecreatie is verbonden; j. de winning van oppervlaktedelfstoffen; k.
de aanleg van een noodzakelijke voorziening voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed; l. het behoud of herstel van landschappelijke elementen of cultureel erfgoed, in het bijzonder bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten; m. de aanleg van een voorziening voor drinkwaterwinning en aquathermie. Artikel 5 Niet-riviergebonden activiteiten Voor niet-riviergebonden activiteiten wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in artikel 6, sprake is van: a. de aanleg van een voorziening van groot openbaar belang die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; b. een activiteit met een bedrijfseconomisch belang voor een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden verricht; c. verduurzaming van de energievoorziening van een bestaande activiteit in het rivierbed; of d. de aanleg van een voorziening voor elektriciteitsopwekking door zonne- of windenergie die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. Artikel 6 Voorwaarden toestemming 1. Toestemming, als bedoeld in artikel 3, wordt alleen gegeven indien: a. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een veilig en doelmatig gebruik van de rivier gewaarborgd blijft; b.
feitelijke belemmeringen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier worden voorkomen; c. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt; en d. resterende onvermijdbare waterstandsverhoging wordt gecompenseerd. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van toestemming als bedoeld in de artikelen 4 en 5, aanhef en onderdelen a, b en c, met dien verstande dat resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen wordt gecompenseerd en de financiering en tijdige realisering van de compenserende maatregelen gezekerd zijn. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van toestemming als bedoeld in artikel 5, aanhef en onderdeel d, met dien verstande dat de vergunning zal worden verleend voor een bepaalde termijn en resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen wordt gecompenseerd en de financiering en tijdige realisering van de compenserende maatregelen gezekerd zijn.
2
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
Artikel 7 Overgangsrecht vergunning artikel 6.12 Waterbesluit Ten aanzien van een vergunning als bedoeld in artikel 6.12 van het Waterbesluit die vóór 1 juli 2018 onherroepelijk was en waaraan een toestemming ten grondslag ligt als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 juli 2018, blijft dat artikelonderdeel van die beleidsregels van toepassing voor wijzigingen van die vergunning. Artikel 8 Overgangsrecht vergevorderde projecten 1. Dit artikel is van toepassing op de volgende projecten: a. Gebiedsplan Avelingen (gemeente Gorinchem); b. Havengebied als onderdeel van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (gemeenten Venray en Horst aan de Maas); c. Herontwikkeling landgoed Kasteel Oost (gemeente Eijsden-Margraten); d. Herontwikkeling Reuversweerd (gemeente Brummen); e. Merum-Ool-Herten (gemeente Roermond); f. Ossenwaard (gemeente Vijfheerenlanden); g. Realisatie hotel, drijvende dagcreatieve voorziening, paviljoen en lichte horecavoorziening Maasresidence Thorn (gemeente Maasgouw); h. Veerhaven Ochten (gemeente Neder-Betuwe); i. Woningbouwplan Van Appeven (gemeente Roermond); j. Woningbouwproject Waterfront de Veene (gemeente Altena); k. Unilocatie Grevenbicht-Obbicht (gemeente Sittard-Geleen); l. Waterfront Moerdijk (gemeente Moerdijk); m.
projecten bestemmingsplannen De Vesting, Recreatie, Kanaalzicht en Heliushaven (gemeente Voorne aan Zee). 2. De Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 april 2024, blijven van toepassing op aanvragen voor omgevingsvergunningen voor de realisatie van een project genoemd in het eerste lid, die zijn ingediend vóór 1 januari 2030. Artikel 9 Overgangsrecht maatwerkprojecten 1. Dit artikel is van toepassing op de volgende projecten: a. Hoenwaard 2030 (gemeente Hattem); b. Maasdal Velden (gemeente Venlo); c. Oeverlijnen Project Stadswerven (gemeente Dordrecht); d. Ooijen Wanssum (gemeente Venray); e. Rivierklimaatpark IJsselpoort (gemeenten Duiven, Arnhem, Westervoort, Zevenaar en Rheden); f. verlaging Dam Lateraalkanaal (gemeente Roermond); g. Noordwaard (gemeente Altena); h. Veense Put (gemeente Altena); i. Gebiedsontwikkeling Groene Rivier Well (gemeente Bergen). 2. Deze beleidsregel is niet van toepassing op onderdelen van een project genoemd in het eerste lid, indien vóór 1 januari 2035: a. maatwerkafspraken over die onderdelen van het project zijn gemaakt, en b. een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt verstaan onder maatwerkafspraken: schriftelijke afspraken van de Minister met een of meer provincies, gemeenten of initiatiefnemers van een project of een onderdeel daarvan.
Artikel 10 Overgangsrecht anticipatie wijziging rivierbed 1. Dit artikel is van toepassing op de volgende gebieden: a. Gebied achter dijktraject 54-1 Ottersum-Mook (Lob van Gennep) (gemeenten Mook en Middelaar en Gennep); b. Gebied achter dijktraject 57-1 Nieuw-Bergen (gemeente Bergen); c. Gebied achter dijktraject 60-1 Well (gemeente Bergen); d. Gebied achter dijktraject 65-1 Arcen (gemeente Venlo); e. Gebied achter dijktraject 68-1 Venlo, deel Steyl-Maashoek (gemeente Venlo); f. Gebied achter dijktraject 70-1 Baarlo (gemeenten Venlo en Peel en Maas); g. Gebied achter dijktraject 71-1 Belfeld (gemeente Venlo); h. Gebied achter dijktraject 75-1 Buggenum (gemeente Leudal); i. Gebied achter dijktraject 76-1 Roerdelta (gemeente Roermond);
3
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
j. Gebied achter dijktraject 76-2 Roermond Alexanderhaven (gemeente Roermond); k. Gebied achter dijktraject 79-1 Thorn Wessem (gemeente Maasgouw). 2. De Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 april 2024, zijn van toepassing op aanvragen voor omgevingsvergunningen voor gebieden genoemd in het eerste lid. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing vanaf het moment dat de in het eerste lid genoemde gebieden geen onderdeel meer uitmaken van het rivierbed. Artikel 11 Overgangsrecht maatwerk voormalige bijlage 2 projecten 1. Dit artikel is van toepassing op de volgende projecten: a. Afronding Op de Konie (gemeente Maasgouw); b. Resterende project(delen) van Noordoevers Hendrik-Ido-Ambacht (gemeente Hendrik-IdoAmbacht); c. Resterende project(delen) van Noordoevers Zwijndrecht (gemeente Zwijndrecht); d. Resterende project(delen) van Projecten uitvoeringscontract Hollandsche IJssel (gemeenten Ouderkerk aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel, Capelle aan den IJssel en Gouda); e. Resterende project(delen) van Uitwerkingsplan Antoniapolder (gemeente Hendrik-IdoAmbacht). 2. Deze beleidsregels zijn niet van toepassing op onderdelen van een project genoemd in het eerste lid, indien vóór 1 januari 2030: a. maatwerkafspraken over die onderdelen van het project zijn gemaakt, en b.
een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt verstaan onder maatwerkafspraken: schriftelijke afspraken van de Minister met een of meer provincies, gemeenten of initiatiefnemers van een project of een onderdeel daarvan. Artikel 12. Overgangsrecht aanvragen ingediend vóór 1 februari 2025 De Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 februari 2025, blijven van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 februari 2025 waarop de artikelen 7 tot en met 11 niet van toepassing zijn. Artikel 13. Intrekking De Beleidsregels grote rivieren worden ingetrokken. Artikel 14. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2025. Artikel 15. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels grote rivieren 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, B. Madlener
4
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
TOELICHTING 1. Doel beleidsregel In de hoofdstukken 6 en 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is bepaald voor welke beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk een vergunningplicht geldt. Voor die activiteiten is een zogeheten ‘omgevingsvergunning wateractiviteit’ nodig. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Minister) is het bevoegd gezag voor die omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk. Het rivierbed van de grote rivieren (rivierbed) maakt deel uit van waterstaatswerken die bij het Rijk in beheer zijn. In deze beleidsregel geeft de Minister aan hoe hij een aanvraag om een omgevingsvergunning beoordeelt voor een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, die wordt verricht in het rivierbed. De reikwijdte van deze beleidsregel is beperkt tot een beoordeling van de activiteit vanuit rivierkundig opzicht. De Minister moet de aanvraag om een omgevingsvergunning afwijzen als hij vanuit rivierkundig oogpunt geen toestemming kan geven voor de activiteit. Als de Minister deze toestemming wel kan geven, betekent dit niet dat hij de omgevingsvergunning ook moet verlenen.
De beoordeling vanuit rivierkundig opzicht maakt deel uit van een breder toetsingskader (beoordelingsregels) waaraan de Minister de aanvraag toetst. Alle toepasselijke beoordelingsregels zijn opgenomen in artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
2. Achtergrond In 1996 is de Beleidslijn ruimte voor de rivier (hierna: beleidslijn) tot stand gekomen. De beleidslijn bevatte een kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid van nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren. In 1997 is deze beleidslijn gewijzigd. In 2006 is de beleidslijn opnieuw herzien en is de naam ervan veranderd in Beleidslijn grote rivieren (Beleidslijn). Doel van de Beleidslijn is dat toen en in de toekomst voldoende ruimte in het rivierbed zou blijven voor waterberging en waterafvoer en dat zou worden voorkomen dat nieuwe activiteiten of objecten in het rivierbed toekomstige verruiming van de rivier duurder of onmogelijk zou maken. De Beleidslijn is vastgelegd in een beleidsbrief, die de hoofdlijnen van het beleid schetst (Beleidsbrief). Dit beleid werkt door via een beleidsregel en regelgeving onder de Omgevingswet. In 2006 zijn de Beleidsregels grote rivieren (Bgr 2006) vastgesteld. Met de Bgr 2006 gaf de Minister aan hoe hij zou omgaan met de bevoegdheid tot verlening van een vergunning voor bepaalde activiteiten in het rivierbed. Meer specifiek bevatten de Bgr 2006 regels over of en, zo ja, onder welke voorwaarden de Minister het verrichtten van een activiteit vanuit rivierkundig oogpunt toelaatbaar achtte.
Die beoordeling maakte deel uit van het toetsingskader voor de verlening van de omgevingsvergunning; als de Minister vanuit rivierkundig oogpunt geen toestemming kon geven voor de activiteit leidde dat tot weigering van de omgevingsvergunning. Na 2006 is de Beleidsregel meerdere keren gewijzigd. Het betrof veelal relatief kleine aanpassingen. In 2022 hebben de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (Staatssecretaris) aangegeven geen nieuwe bebouwing meer toe te staan in het rivierbed. Deze keuze was aanleiding om de Beleidslijn te wijzigen en de Bgr 2006 te vervangen door een nieuwe regeling met de naam ‘Beleidsregels grote rivieren 2025’ (Bgr 2025). De Bgr 2025 is deels een voortzetting en deels een wijziging van de Bgr 2006. In de hoofdstukken 4 tot en met 7 wordt ingegaan op de wijzigingen en op het overgangsrecht. Voor zover de Bgr 2025 de Bgr 2006 niet wijzigt, is in deze toelichting aangesloten bij de toelichting op die regels uit de Bgr 2006.
5
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
3. Aanleiding Belang water en bodem Bij brief van 25 november 2022 aan de Tweede Kamer hebben de Minister en Staatssecretaris het belang van water en de bodem bij besluitvorming over ruimtelijke ordening benadrukt en in dat kader aangegeven geen nieuwe bebouwing meer toe te staan in het rivierbed, waaronder de uiterwaarden (WBS-brief).1 In de WBS-brief is vermeld dat de Beleidslijn hiertoe wordt geëvalueerd en aangescherpt. Deze nieuwe koers om geen nieuwe bebouwing meer toe te staan in het rivierbed is nader uitgewerkt in een brief aan de Tweede Kamer van 5 oktober 2023.2 Deze brief bevat een redeneerlijn over hoe het Rijk wil omgaan met nieuwe en lopende buitendijkse projecten in onder andere de uiterwaarden in het rivierengebied. Hiermee worden projecten bedoeld op gronden die zijn gelegen aan de rivierzijde van een dijk. De redeneerlijn benadrukt de noodzaak van meer ruimte voor waterberging en waterafvoer in de toekomst. Buitendijkse plannen mogen het waterbergend vermogen en de afvoercapaciteit van de rivieren niet aantasten, toekomstige rivierbeheermaatregelen niet belemmeren en het risico op overstromingsschade niet vergroten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat activiteiten die binnendijks mogelijk zijn ook binnendijks moeten plaatsvinden, zoals woningbouw en andere activiteiten die niet watergebonden zijn.
De ruimte voor watergebonden activiteiten zoals havens en watergerelateerde bedrijven blijft wel behouden. Daarnaast blijven gebruikers van uiterwaarden zelf verantwoordelijk voor schade door hoog- of laagwater, net als voorheen. Met deze nieuwe koers geeft het Rijk invulling aan het principe van ‘niet afwentelen’3, zoals benoemd in WBS-brief en in de Nationale Omgevingsvisie4 en volgt het Rijk het advies van het College van Rijksadviseurs (Cra) van 28 maart 2023.5 In dat advies geeft het Cra aan dat het voorbereiden van grote veranderingen in het water(veiligheids)systeem veel tijd kost. Het advies van het Cra is dan ook om voor de kortere termijn bouwstenen te benutten waarmee we ‘tijd kopen’ en om uit te gaan van het voorzorgbeginsel. Dit betekent onder meer dat het niet verstandig is om ruimte in het rivierbed weg te geven die in de nabije toekomst weer nodig kan blijken te zijn. Deze nieuwe koers is ook in lijn met de aanbevelingen van de Deltacommissaris voor woningbouw en klimaatadaptatie.6 Beleidstafel wateroverlast en hoogwater Naar aanleiding van de wateroverlast en het hoogwater in Limburg in de zomer van 2021 is door de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater (Beleidstafel) onderzocht hoe Nederland zich beter kan voorbereiden op een periode van extreme neerslag. Door de Beleidstafel is onder meer geadviseerd de Beleidslijn aan te passen.
In het eindrapport van de Beleidstafel staat hierover: ‘Actualiseer de Beleidslijn grote rivieren, zodat het risico op schade door hoogwater en wateroverlast niet toe-, maar afneemt, zowel op gebiedsniveau als over het totaal van de rivier.’7 Extremer weer Op 9 oktober 2023 publiceerde het KNMI de nieuwste klimaatscenario’s voor Nederland. Deze nieuwe scenario’s laten zien dat we te maken krijgen met een toename van de gemiddelde temperatuur, drogere zomers en nattere winters.8 Tegelijk nemen de weersextremen toe en kunnen er in de zomer zwaardere buien voorkomen. Daarom is het belangrijk om in het beleid meer dan tot nu toe rekening te houden met extremen. Worstcasescenario’s zijn door het veranderende klimaat vanzelfsprekender geworden en maken het noodzakelijk daar nog beter op voor te bereiden. Hogere rivierafvoeren en zeespiegelstijging Deltares heeft in samenwerking met Rijkswaterstaat en het KNMI een analyse gemaakt van de effecten
1 2 3
4 5
6
7
8
6
Kamerstukken II 2022/23, 27 625, nr. 592. Kamerstukken II 2023/24, 27 625, nr. 654. Dit principe houdt in dat bij de uitwerking van de WBS-brief er geen afwenteling van risico’s en kosten plaatsvindt op toekomstige generaties, op andere gebieden of functies dan wel van privaat naar publiek. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Nationale Omgevingsvisie, september 2020. Brief van College van Rijksadviseurs aan Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, PBL-verkenning, 28 maart 2023, briefkenmerk 5732065. Deltacommissaris, briefadvies woningbouw en klimaatadaptatie, 1 september 2021 en Deltacommissaris, ‘Spoor 2’ briefadvies woningbouw en klimaatadaptatie, 3 december 2021. Kamerstukken II 2022/23, 32 698, nr. 74 en Eindadvies Beleidstafel wateroverlast en hoogwater, ‘Voorkomen kan niet, voorbereiden wel’, 19 december 2022. KNMI, KNMI’23 klimaatscenario’s voor Nederland, 9 oktober 2023.
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
van de KNMI’23 scenario’s op de afvoerregimes van de Rijn en de Maas.9 Hoewel de prognoses voor extreem hoogwater/piekafvoeren nog moeten komen, is nu al duidelijk dat de gemiddelde winter- en voorjaarsafvoeren van de Rijn en de Maas toenemen. De prognose van alle gematigde en hoge scenario’s voor toekomstige uitstoot van broeikasgassen wijzen op een toename van de maximale jaarafvoeren in 2100. De ruimte voor het riviersysteem is daarvoor ontoereikend. Dat blijkt ook uit het ontwerp programma Integraal Riviermanagement (IRM).10 Uit dit programma komt naar voren dat de nu beschikbare ruimte in het rivierbed op sommige riviertrajecten in de Rijn en de Maas al onvoldoende is voor de huidige opgaven. Die opgaven bestaan uit het opvangen van hogere piekafvoeren door vergroting van de afvoer- en bergingscapaciteit, de compensatieopgave voor natuur, de waterkwaliteit, buitendijkse dijkversterking en riviergebonden ontwikkelingen. Opgeteld is het ruimtebeslag voor deze opgaven groter dan in het huidige rivierbed gerealiseerd kan worden. Naast de toenemende rivierafvoeren heeft ook de toenemende zeespiegelstijging gevolgen voor de waterstanden in onze rivieren. Wanneer de zeespiegel stijgt, kunnen de rivieren minder goed water afvoeren. Dit zorgt voor hogere waterstanden; niet alleen bij de monding, maar ook verder stroomopwaarts.
Bij hoge rivierafvoeren neemt daardoor het risico op hoogwater en wateroverlast in het rivierbed nog meer toe. Eindrapport actualisatie Beleidslijn Volgend op de WBS-brief, de gedeeltelijke uitwerking daarvan in de brief aan de Tweede Kamer van 5 oktober 2023 en het eindadvies van de Beleidstafel is in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderzoek gedaan naar welke aanpassingen in de Beleidslijn nodig zijn om uitvoering te geven aan de WBS-brief. Op 27 september 2023 is het eindrapport gepubliceerd.11 Op 11 oktober 2023 heeft de Minister in het Bestuurlijk Overleg Water aangegeven dat de Beleidslijn wordt geactualiseerd, waarbij de adviezen uit het eindrapport worden overgenomen.12 In de kern houdt dit in dat: – er één regime komt voor het rivierbed. Dit betekent dat het bestaande onderscheid tussen het ‘bergend’ regime en het ‘stroomvoerend’ regime komt te vervallen; – in dit regime nieuwe niet-riviergebonden bebouwing niet is toegestaan. De uitzonderingen die bestonden voor het huidige stroomvoerend regime blijven wel gelden, behalve de regel dat de Minister niet-riviergebonden activiteiten in het stroomvoerend regime kon vergunnen als deze activiteiten ‘per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie’ (artikel 6, onderdeel e, van de Bgr 2006).
Deze regel komt te vervallen, omdat dit niet meer past in de nieuwe koers uit de WBS-brief. Weliswaar verzekert de regel dat bij die activiteiten op de korte termijn ruimte voor de rivier wordt gecreëerd, maar deze activiteiten kunnen op lange termijn op die locaties een belemmerende werking hebben voor toekomstige rivierverruiming. Vervolgens is het eindrapport voorgelegd aan de waterveiligheid- en rivierexperts van het Expertise Netwerk Waterveiligheid (ENW). In algemene zin concludeert ENW dat het eindrapport een goede studie bevat van het functioneren van de huidige Beleidslijn en de aanpassingen die nodig zijn in de toekomst.13 Voor de lange termijn acht ENW nader onderzoek nodig, onder meer naar de in de toekomst benodigde ruimte voor afvoer- en bergingscapaciteit. Gefaseerde actualisatie Beleidslijn Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om de actualisatie in een aantal stappen uit te voeren. De reden hiervoor is dat het wenselijk is om snel duidelijkheid te bieden aan belanghebbenden. Daarom worden eerst de Bgr 2006 en de Beleidsbrief gewijzigd en zal vervolgens aanpassing plaatsvinden van de relevante regelgeving onder de Omgevingswet. Wijziging van de Bgr 2006 en de Beleidsbrief kan namelijk sneller dan aanpassing van die regelgeving. De eerste stap in deze actualisatie is in 2024 gezet.
Per 1 april 2024 is artikel 6, onderdeel e, van de Bgr 2006 vervallen en is een aantal wijzigingen in de Bgr 2006 doorgevoerd in verband met inwerkingtre-
9
Deltares, Implications of de KNMI’23 climate scenario’s for de discharge of the Rhine and Meuse, 11209265-002-ZWS-003, 7 december 2023. Kamerstukken II 2023/24, 31 710, nr. 84. 11 TwynstraGudde en Sweco, Eindrapport Actualisatie Beleidslijn grote rivieren, 27 september 2023. 12 Het Bestuurlijk Overleg Water (BO Water) is het bestuurlijk overleg dat de Minister viermaal per jaar voert met de bestuurders van de waterschappen, provincies, gemeenten, drinkwaterbedrijven, Rijkswaterstaat, de Regionale Bestuurlijke Overleggen (RBO’s), het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de Deltacommissaris. 13 Expertise Netwerk Waterveiligheid, Advies actualisatie Beleidslijn grote rivieren, 23 november 2023. 10
7
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
ding van de Omgevingswet. Het schrappen van artikel 6, onderdeel e, was noodzakelijk en had spoed. Uit de praktijk bleek namelijk dat de Minister aanvragen bleef ontvangen voor ontwikkelingen die onder dit onderdeel vielen, terwijl die ontwikkelingen gelet op de WBS-brief en de nieuwste klimaatscenario’s onwenselijk waren geworden. Het vervangen van de Bgr 2006 door de Bgr 2025 en wijziging van de Beleidsbrief is de tweede stap. De derde en laatste stap is de wijziging van het Bkl, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling (Or). Het Bkl bevat regels over welke activiteiten gemeenten kunnen toelaten in een omgevingsplan dat van toepassing is op het rivierbed en onder welke voorwaarden. Het Bal regelt voor welke activiteiten een vergunningplicht geldt en de Or bevat regels over de begrenzing van het rivierbed. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid is het van belang de regels uit de Bgr 2025, het Bkl, het Bal en de Or met elkaar in lijn te brengen. Het streven is dat de wijzigingen van het Bkl, het Bal en de Or begin 2026 in werking treden.
4. Wijzigingen 4.1 Inleiding Met dit besluit worden verschillende wijzigingen aangebracht ten opzichte van de Bgr 2006. Deze wijzigingen houden verband met of hebben betrekking op: – de keuze voor één regime; – het aanscherpen van de voorwaarden voor het uitbreiden of het slopen en vervangen van bouwwerken; – het verduidelijken van de regels over activiteiten van ondergeschikt belang; – het verduidelijken van de regels over tijdelijke en periodieke activiteiten; – het uitbreiden van de opsomming van riviergebonden activiteiten met drinkwaterwinning en aquathermie; – de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
4.2 Wijzigingen in verband met keuze voor één regime Het onderscheid tussen een bergend en een stroomvoerend regime werd gemaakt om verschillende functies van delen van het rivierbed tijdens hoogwatersituaties te kunnen benadrukken: stroomvoerend regime voor gebieden die relevant waren voor de waterafvoer en bergend regime voor gebieden die met name relevant waren voor waterberging. Dit onderscheid was bedoeld om adequaat te kunnen reageren op variërende rivierkundige omstandigheden en de waterveiligheid te verbeteren door de juiste activiteiten op de juiste plaatsen toe te staan. In het deel van het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing was, gold dat een omgevingsplan naast een aantal kleine, tijdelijke of voor het rivierbed noodzakelijke activiteiten ook andere activiteiten kon toelaten, onder de voorwaarde dat een afname van het bergend vermogen van de rivier als gevolg van die andere activiteiten werd gecompenseerd. In het deel van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing was, gold dat een omgevingsplan naast de hiervoor genoemde kleine, tijdelijke en noodzakelijke activiteiten alleen die activiteiten kon toelaten die waren opgenomen in artikel 5.46 Bkl en onder de voorwaarde dat een waterstandsverhoging van de rivier als gevolg van die activiteiten werd gecompenseerd.
Vanwege extremer weer, hogere rivierafvoeren en zeespiegelstijging is het nodig om terughoudend te zijn met het toestaan van ontwikkelingen in het rivierbed en dus ook in het deel waarop het bergend regime van toepassing was. Daarnaast blijkt het onderscheid tussen bergend en stroomvoerend in de praktijk moeilijk te maken vanwege de complexe (rivierkundige) rol van gebieden tijdens hoogwater. Daarom geldt nu één regime voor alle beperkingengebieden met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover gelegen in het rivierbed (hierna: beperkingengebieden in het rivierbed). In dit regime gelden grotendeels dezelfde regels als die golden in het stroomvoerend regime. In verband met de keuze voor één regime zijn alle verwijzingen naar het bergend en stroomvoerend regime geschrapt en zijn alle regels voor het bergend regime komen te vervallen.
8
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
4.3 Aanscherpen voorwaarden voor het uitbreiden of het slopen en vervangen van bouwwerken Op grond van artikel 3 Bgr 2006 gaf de Minister onder voorwaarden toestemming voor een (eenmalige) uitbreiding van ten hoogste tien procent van de bestaande bebouwing en voor het slopen en vervangen van bebouwing door bebouwing van gelijke omvang. Deze regel was met name relevant in het deel van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing was; in het bergend deel kon de Minister onder voorwaarden wel (meermaals) toestemming geven voor een uitbreiding van meer dan tien procent. In de in hoofdstuk 3 genoemde redeneerlijn is aangegeven dat de inzet is dat wat binnendijks kan worden gerealiseerd, ook binnendijks zou moeten worden gerealiseerd. Ter uitvoering hiervan zijn in artikel 3 Bgr 2025 extra voorwaarden gesteld aan het uitbreiden en het slopen en vervangen in het gebied dat onder het toepassingsbereik van de beleidsregels valt. De Minister geeft geen toestemming meer voor de ‘10%-uitbreiding’ en ‘slopen en vervangen’ indien die activiteiten gepaard zouden gaan met een wijziging van de gebruiksfunctie van het bouwwerk van riviergebonden naar niet-riviergebonden.
Een wijziging die blijft binnen de niet-riviergebonden functie is onder voorwaarden wel toelaatbaar, tenzij het een wijziging naar een woonfunctie of logiesfunctie betreft als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; het toevoegen van nieuwe woon- en logiesfuncties in het rivierbed is namelijk onwenselijk. Dit heeft drie redenen. Ten eerste kan hoogwater aanzienlijke materiële schade veroorzaken aan (recreatie)woningen. Het rivierbed is van origine bedoeld voor het bergen en afvoeren van water. De bewoners en gebruikers van het rivierbed zijn dan ook zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om de gevolgen van een overstroming te beperken en dragen zelf het risico voor schade als gevolg van overstromingen. Voor een gebruiker van het rivierbed bestaat bij een overstroming in beginsel geen recht op een tegemoetkoming op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen.14 Dit kan de financiële lasten voor bewoners bij calamiteiten enorm verhogen. Verzekeringen voor woningen in risicogebieden zoals het rivierbed zijn vaak duur of moeilijk af te sluiten, waardoor de financiële druk toeneemt. Ten tweede vergroot een toename van bewoning in het rivierbed de complexiteit en risico’s van evacuaties bij hoogwater.
In crisissituaties moeten niet alleen meer bewoners worden gewaarschuwd, maar moeten ook infrastructuur en transportmiddelen toereikend zijn voor evacuatie. Ten derde zorgen woon- en logiesfuncties voor kapitaalintensivering; niet alleen vanwege de functies zelf maar ook vanwege bijvoorbeeld de voor die functies benodigde infrastructuur. Dit zorgt voor meer schade bij hoogwater en voor hogere kosten bij het nemen van rivierverruimende maatregelen. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat voor de ’10%-uitbreiding’ werd teruggekeken naar 12 mei 1997, de datum van inwerkingtreding van de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier. Dit betekende dat als het oppervlak en het volume van een bestaand bouwwerk in het deel van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing was na die datum was uitgebreid met 10%, dit niet nogmaals mogelijk was. Voor delen van het rivierbed die na 12 mei 1997 onder het stroomvoerend regime waren gebracht, gold als referentiedatum het moment waarop dat gebied onder dat regime is gebracht. Voor het deel van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing was, zullen de regels van de Bgr 2025 op dezelfde wijze toegepast blijven worden. Dat betekent dat als na de referentiedatum al gebruik is gemaakt van de uitbreidingsmogelijkheid van 10%, dat niet nogmaals mogelijk is.
Dit is anders in het deel van het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing was. Zoals hiervoor is aangegeven, kon de Minister op basis van de Bgr 2006 in het bergend deel (meermaals) toestemming geven voor een uitbreiding van meer dan 10% van een bestaand bouwwerk, mits aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid, van de Bgr 2006 werd voldaan. De Bgr 2025 perkt die mogelijkheid in; ook in het voormalige bergend deel kan een bestaand bouwwerk nu slechts met maximaal 10% worden uitgebreid. Deze beperking gold eerder niet in dit deel. Om te voorkomen dat deze inperking tot onevenredige gevolgen leidt, is ervoor gekozen om voor dit deel de referentiedatum voor de uitbreidingsmogelijkheid op te schuiven naar de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Dit betekent dat in het voormalige bergend deel van het rivierbed de Minister op basis van de Bgr 2025 toestemming kan geven voor een uitbreiding van een bestaand bouwwerk met ten hoogste 10% ten opzichte van het oppervlak en volume dat het bouwwerk had op 1 februari 2025, ongeacht of eerder gebruik is gemaakt van die regel voor de uitbreiding van het bouwwerk. Daarbij moet wel worden
14
9
Nationaal Water Programma 2022–2027, p. 67.
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, en artikel 6, eerste lid.
4.4 Verduidelijken regels over activiteiten van ondergeschikt belang Zoals hiervoor is aangegeven, is het toepassingsbereik van de Bgr 2025 beperkt tot aanvragen voor omgevingsvergunningen voor activiteiten die worden verricht in een beperkingengebied in het rivierbed. Een deel van de vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten zijn ‘activiteiten van ondergeschikt belang’; activiteiten die vanwege de aard en omvang naar oordeel van de Minister vanuit rivierkundig oogpunt niet significant zijn. In artikel 3, tweede lid, van de Bgr 2006 was een opsomming opgenomen van activiteiten van ondergeschikt belang. Doel daarvan was om duidelijk te maken voor welke activiteiten van ondergeschikt belang in elk geval toestemming werd verleend. Er waren vier redenen om deze opsomming van activiteiten aan te passen. De eerste reden was dat de opsomming categorieën van activiteiten bevatte die niet of zelden vergunningplichtig zijn en waarop de Bgr 2025 dus niet van toepassing is. Een voorbeeld is het plaatsen (bouwen) van bouwwerken als informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, speeltoestellen, et cetera. Voor deze activiteiten geldt pas een vergunningplicht als de oppervlakte van het bouwwerk meer dan 30 m2 is. Dit zal zelden het geval zijn en daarom zijn die activiteiten niet meer opgenomen.
In de gevallen waarin die activiteit wel vergunningplichtig is, zal van geval tot geval in het kader van de beslissing op de aanvraag, worden beoordeeld of de activiteit van ondergeschikt belang is. De tweede reden was dat de omschrijving van bepaalde activiteiten afweek van die in het Bal, terwijl het dezelfde activiteiten betreft. De derde reden was dat bepaalde activiteiten zo ruim waren omschreven dat niet helder was wat onder die activiteiten viel. De vierde en laatste reden is dat de Minister op grond van artikel 3, onderdeel a, Bgr 2006 toestemming verleende voor een (eenmalige) uitbreiding van ten hoogste tien procent van de bestaande bebouwing. Bij nader inzien is die activiteit te beschouwen als activiteit van ondergeschikt belang en daarom is het logischer om deze activiteit in artikel 3, tweede lid, Bgr 2025 op te nemen. Om bovenstaande redenen is ervoor gekozen uit de opsomming van activiteiten van ondergeschikt belang in artikel 3, tweede lid, Bgr 2006 de categorieën van activiteiten te schrappen waarvoor geen of alleen bij hoge uitzondering een vergunningplicht geldt, de omschrijving van de activiteiten aan te passen aan die in het Bal, onnodige zinsdelen te schrappen en de ‘10%-uitbreidingsregel’ aan de opsomming toe te voegen.
Verder is een derde lid toegevoegd om duidelijk te maken dat het bouwen van een bouwwerk met een woonfunctie of logiesfunctie geen activiteit van ondergeschikt belang is. Op grond van de Omgevingswet wordt onder het ‘bouwen van een bouwwerk’ verstaan het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. Dit betekent dat ook de verandering van een bestaand bouwwerk die gepaard gaat met een wijzing naar woonfunctie of logiesfunctie niet wordt aangemerkt als activiteit van ondergeschikt belang, tenzij het gaat om een (eenmalige) uitbreiding van tien procent van een bouwwerk dat al een woonfunctie of logiesfunctie heeft. Verandering of (eenmalige) uitbreiding van een bouwwerk met behoud van de bestaande gebruiksfunctie is namelijk wel mogelijk, ongeacht de gebruiksfunctie.
4.5 Verduidelijken regels over tijdelijke en periodieke activiteiten Artikel 3 Bgr 2006 bepaalde dat de Minister onder voorwaarden toestemming gaf voor tijdelijke activiteiten. In het eindrapport is geconstateerd dat in de praktijk verwarring is over wat onder ‘tijdelijk’ moet worden verstaan, waar de toestemming voor een activiteit van afhangt en hoe de Minister kan verzekeren dat een activiteit alleen tijdelijk plaatsvindt. Om meer duidelijkheid te geven op deze punten zijn twee wijzigingen doorgevoerd. Allereerst is de keuze gemaakt om in de Bgr 2025 onderscheid te maken tussen ‘tijdelijke activiteiten’ en ‘periodieke activiteiten’ en in de begripsbepaling een definitie voor beide begrippen op te nemen. Met ‘tijdelijke activiteiten’ worden activiteiten bedoeld die gedurende maximaal vijf jaar ononderbroken plaatsvinden. Die termijn is opgenomen om te verzekeren dat de Minister deze activiteiten voor maximaal vijf jaar zal vergunnen. Dit sluit niet uit dat de Minister na die periode opnieuw een vergunning kan verlenen voor die activiteit, maar daarover zal de Minister dan in het kader van een nieuwe vergunningaanvraag op dat moment een afweging maken en die vergunning kan dan opnieuw voor maximaal vijf jaar worden verleend.
10
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
Onder ‘periodieke activiteiten’ worden activiteiten verstaan die meerdere jaren achter elkaar uitsluitend in een bepaald deel of bepaalde delen van het jaar plaatsvinden met een maximum van in totaal zeven maanden per jaar. Het is wenselijk om te voorkomen dat periodieke activiteiten voor vrijwel het hele jaar vergund worden en daardoor alsnog een permanent karakter krijgen. Vandaar dat een maximale termijn van zeven maanden per jaar is opgenomen; deze termijn wordt in de praktijk al gehanteerd en is gebaseerd op de lengte van de periode buiten het traditionele hoogwaterseizoen (van 1 april tot 1 november). Het verschil tussen beide typen activiteiten is dat de Minister periodieke activiteiten voor onbepaalde tijd kan vergunnen (zij het voor een maximale periode per jaar) en tijdelijke activiteiten niet. De reden voor dit verschil is dat een periodieke activiteit kan plaatsvinden op een locatie en in een periode waarin geen veranderende omstandigheden te verwachten zijn, bijvoorbeeld campings waar bepaalde voorzieningen alleen buiten het hoogwaterseizoen aanwezig zijn. In dat geval is een vergunning voor onbepaalde tijd mogelijk.
Ook is in de Bgr 2025 verduidelijkt welke omstandigheden de Minister in elk geval betrekt bij het bepalen of hij toestemming geeft voor tijdelijke en periodieke activiteiten en – indien vergunningverlening mogelijk is – voor hoe lang hij de vergunning verleent.
4.6 Uitbreiding opsomming riviergebonden activiteiten met aanleg voorzieningen voor drinkwaterwinning en aquathermie In artikel 5 van de Bgr 2006 waren riviergebonden activiteiten opgenomen waarvoor de Minister onder voorwaarden toestemming kon geven. Door drinkwaterbedrijven is verzocht om de aanleg van voorzieningen voor drinkwaterwinning aan deze opsomming toe te voegen. Daarnaast hebben gemeenten en provincies verzocht om aquathermie op te nemen. Onder aquathermie wordt verstaan het gebruik van warmte-energie uit oppervlaktewater voor duurzame verwarming en koeling van gebouwen. Hiertegen bestaan geen bezwaren; in het rivierbed is en blijft ruimte voor riviergebonden activiteiten en het benutten van rivierwater voor drinkwater en energieproductie valt daaronder.
4.7 Wijzigingen in verband met Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Bgr 2006 was gebaseerd op en bevatte verwijzingen naar regels uit de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn die regels komen te vervallen en vervangen door regels onder de Omgevingswet. Dit was reden om de Bgr 2006 aan te passen aan het stelsel van de Omgevingswet en op de juiste wijze daarnaar te verwijzen. Na die laatste wijziging van de Bgr 2006 is geconstateerd dat nog vier aanpassingen nodig zijn in verband met de inwerkingtreding van het stelsel Omgevingswet. De eerste aanpassing betreft het opnemen van een verwijzing naar de artikelen uit het Bal waarop deze beleidsregels betrekking hebben. De Bgr 2025 bevat beleidsregels over hoe de Minister omgaat met de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor activiteiten in een beperkingengebied in het rivierbed waarvoor op basis van het Bal een vergunningplicht geldt. De Bgr 2025 is niet van toepassing op de delen van het rivierbed die zijn gelegen buiten het beperkingengebied. Deze gebieden worden ook wel aangeduid als ‘vrijgestelde gebieden’. In de artikelen 6.17, eerste lid, 6.29, 6.35, 6.40, 6.54 en 6.58 van het Bal zijn de gevallen aangewezen waarvoor de bedoelde vergunningplicht geldt.
Daarom is ervoor gekozen in de aanhef van de Bgr 2025 en in de definitie van het begrip ‘toestemming’ een verwijzing naar deze artikelen op te nemen. De tweede aanpassing betreft het toepassingsgebied van de beleidsregels. In artikel 2a Bgr 2006 stond dat de beleidsregels van toepassing waren op de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, voor zover aangegeven in bijlage 1. Voor het bepalen van het toepassingsgebied zijn kaarten bij de beleidsregels echter niet meer nodig. In de Or is namelijk de geometrische begrenzing van het rivierbed vastgelegd. Door in artikel 2 te bepalen dat de Bgr 2025 van toepassing is op activiteiten in beperkingengebieden in het rivierbed en daarbij te verwijzen naar de geometrische begrenzing in de Or, is aanpassing van de Bgr 2025 niet meer nodig bij een wijziging van die beperkingengebieden en is het niet nodig om bijlage 1 bij de Bgr 2006 op te nemen in de Bgr 2025. De derde aanpassing heeft betrekking op de voorwaarden die de Minister stelt voor het geven van toestemming. Deze voorwaarden sluiten grotendeels aan op de specifieke zorgplicht die op grond van artikel 6.6 Bal geldt voor degene die activiteiten uitvoert in het beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.
Eén van die voorwaarden is de situering en uitvoering van de activiteit zodanig is dat een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het
11
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt. Maar op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 6.6 Bal is degene die de activiteit verricht ook verplicht de resterende onvermijdbare waterstandsverhoging te compenseren. Deze voorwaarde is toegevoegd in de Bgr 2025 (artikel 6, eerste lid, onderdeel d). Het ligt voor de hand dat de Minister dit aspect ook betrekt bij de beoordeling van de aanvraag om de omgevingsvergunning. Zo kan worden voorkomen dat de Minister voor een activiteit toestemming geeft in een geval waarbij op voorhand duidelijk is dat de aanvrager de resterende vermijdbare waterstandsverhoging niet zal kunnen compenseren. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat op basis van artikel 6.6 Bal nog meer plichten rusten op degene die de activiteit uitvoert. Het is niet wenselijk al deze plichten als voorwaarden in artikel 6 op te nemen. De Bgr 2025 heeft namelijk uitsluitend betrekking op de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig oogpunt en een deel van de plichten in artikel 6.6 ziet daar niet op. Voor de andere plichten – zoals dat het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar moet blijven voor het bevoegd gezag – geldt dat het voldoende is als die een plaats krijgen in de vergunningvoorschriften.
Tot slot zijn taalkundige aanpassingen nodig om te borgen dat de regels in de Bgr 2025 congruent zijn met de daarmee samenhangende regels in het Bal, het Bkl en de Or. Een voorbeeld hiervan is dat de omschrijving van riviergebonden activiteiten in artikel 4 Bgr 2025 is aangepast aan artikel 5.46 Bkl, dat de activiteiten bevat die het omgevingsplan onder voorwaarden kan toelaten in het rivierbed.
5. Gevolgen 5.1 Gevolgen van wijzigingen in verband met keuze voor één regime Onder de Bgr 2025 zijn de mogelijkheden beperkt om niet-riviergebonden activiteiten te verrichten in wat voorheen het bergend deel van rivierbed was. Tegelijk betekent de beperking van de ontwikkelruimte niet dat er niks meer kan in het rivierbed. In het deel van het rivierbed waarop de Bgr 2025 van toepassing is blijft een ‘ja, mits’-benadering gelden voor riviergebonden activiteiten. Ook blijven de 10%-uitbreidingsregel voor bestaande bouwwerken en de regeling voor slopen en vervangen bestaan. Daarnaast kan de Minister nog steeds toestemming geven voor het verrichten van niet-riviergebonden activiteiten in de delen van het rivierbed waarop de Bgr 2025 van toepassing is.
Hiervoor moet aan de voorwaarden uit artikel 6 Bgr 2025 worden voldaan (die al golden op grond van het Bgr 2006) en het moet gaan om één van de volgende gevallen: – Een groot openbaar belang en de activiteit kan redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; – Een bedrijfseconomisch belang voor een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf en de activiteit kan redelijkerwijs niet buiten het rivierbed worden gerealiseerd; – Verduurzaming van de energievoorziening van een bestaande activiteit in het rivierbed; – Opwekking van zonne-of windenergie en de activiteit kan redelijkerwijs niet buiten het rivierbed worden gerealiseerd. Hierdoor blijft er ruimte voor een kwaliteitsimpuls en leidt de Bgr 2025 niet tot onevenredige gevolgen. Tegenover een beperking van de ontwikkelruimte staat het maatschappelijke belang dat er voldoende afvoer- en bergingscapaciteit voor de grote rivieren beschikbaar blijft. De keuze voor één regime maakt de uitvoering voor Rijkswaterstaat als vergunningverlener naar verwachting eenvoudiger dan voorheen het geval was. Het werken met één regime is vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid daarom ook niet bezwaarlijk.
5.2 Gevolgen van aanscherpen voorwaarden voor uitbreiden of slopen en vervangen bouwwerken De mogelijkheden om bouwwerken eenmalig uit te breiden dan wel te slopen en te vervangen door bouwwerken van gelijke omvang, blijft bestaan. Wel maakt de Bgr 2025 duidelijk in welke gevallen de Minister geen toestemming geeft voor deze activiteiten. Hiermee is aangesloten bij vaste gedragslijnen die de Minister al volgde bij zijn beoordeling of voor deze activiteiten toestemming kon worden verleend, zoals opgenomen in de Handreiking Beleidslijn
12
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
grote rivieren, versie 2019 (Handreiking). De Handreiking is opgesteld door Rijkswaterstaat en bevat een praktische toelichting op de Beleidslijn. De Handreiking heeft geen juridische status, maar is een hulpmiddel voor de uitvoeringspraktijk. Uit de Handreiking volgt dat de Minister geen toestemming geeft voor het uitbreiden en het slopen en vervangen als dit gepaard gaat met een wijziging naar woonfunctie. Daarnaast verleende de Minister onder het stroomvoerend regime al geen toestemming voor het slopen en vervangen van een bouwwerk als de gebruiksfunctie daarvan wijzigde van een riviergebonden functie naar een nietriviergebonden functie. Andersom was wel toegestaan; het volume en de oppervlakte van een bouwwerk met een niet-riviergebonden functie mag wel benut worden om een riviergebonden functie te realiseren of te vergroten. Een voorbeeld is dat op de plek waar voorheen een horecagelegenheid bij een haven zat een bootreparatiebedrijf komt. In het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is ervoor gekozen om in de Bgr 2025 de voorwaarden voor het slopen en vervangen van bouwwerken te verduidelijken. De gevolgen hiervan zijn beperkt, omdat de opgenomen voorwaarden in de praktijk al zo werden toegepast.
Onder de Bgr 2025 geldt de voorwaarde die al onder de Bgr 2006 gold, dat bij vervanging geen wijziging van riviergebonden functie naar niet-riviergebonden functie mag plaatsvinden, ook niet in het voormalige bergend deel van het rivierbed. Dit is het gevolg van de keuze voor één regime in het rivierbed. Een verschil is dat een wijziging naar woon- of logiesfunctie onder de Bgr 2025 niet meer is toegestaan. In paragraaf 4.3 is de motivering voor deze wijziging opgenomen. Behoud van de bestaande gebruiksfunctie blijft wel toegestaan bij sloop en vervanging of (eenmalige) uitbreiding, ongeacht welke functie het betreft.
5.3 Gevolgen van verduidelijken regels over activiteiten van ondergeschikt belang Dit besluit brengt geen verandering in dat de Minister toestemming kan verlenen voor activiteiten die hij van ondergeschikt belang acht. Verduidelijkt is alleen welke criteria de Minister betrekt bij de beoordeling of een activiteit van ondergeschikt belang is; dit hangt af van de aard en omvang van de activiteit.
5.4 Gevolgen van verduidelijken regels over tijdelijke en periodieke activiteiten De mogelijkheid om tijdelijke en periodieke activiteiten te verrichten blijft bestaan. De wijzigingen in de regels zijn alleen bedoeld om te verduidelijken wat onder tijdelijke en periodieke activiteiten wordt verstaan en welke omstandigheden de Minister in elk geval betrekt bij de beoordeling of hij toestemming verleent voor deze activiteiten. De gevolgen hiervan zijn beperkt, omdat de wijzigingen nauw aansluiten bij de vaste gedragslijn die de Minister al volgde bij de beoordeling of voor dit type activiteiten toestemming kan worden verleend en, zo ja, voor hoe lang. Uit de Handreiking volgt dat de toelaatbaarheid en toegestane duur van periodieke activiteiten afhangt van de aard van de activiteit, het rivierkundige effect, de locatie en wanneer de activiteit plaatsvindt. Daarnaast is in de Handreiking aangegeven dat tijdelijke activiteiten in beginsel zijn toegestaan voor een periode van maximaal vijf jaar, mits de initiatiefnemer voldoende aannemelijk maakt dat dat er sprake is van een noodzaak voor het realiseren van een tijdelijke activiteit in het rivierbed. Omwille van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is ervoor gekozen om de vaste gedragslijn zoals beschreven in de Handreiking in de Bgr 2025 op te nemen.
5.5 Gevolgen van uitbreiden opsomming riviergebonden activiteiten met aanleg voorzieningen voor drinkwaterwinning en aquathermie Het gevolg van de toevoeging van de aanleg van voorzieningen voor drinkwaterwinning en aquathermie aan de opsomming van riviergebonden activiteiten is dat duidelijk is dat de Minister toestemming kan geven voor deze activiteiten als aan de voorwaarden van artikel 6, eerste en tweede lid, is voldaan.
5.6 Gevolgen van wijzigingen in verband met Omgevingswet De wijzigingen van de grondslag en het toepassingsbereik van de Bgr 2025 en de taalkundige aanpassingen van de beleidsregels aan het Bal en het Bkl hebben geen praktische gevolgen. De toevoeging aan artikel 6 dat de Minister alleen toestemming geeft voor activiteiten als de resterende onvermijdbare waterstandsverhoging wordt gecompenseerd, heeft tot gevolg dat de Minister
13
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
bij de beoordeling van een aanvraag moet betrekken of de aangevraagde activiteit leidt tot een onvermijdbare waterstandsverhoging en, zo ja, of degene die de activiteit wil verrichten die waterstandsverhoging kan compenseren. Als dat laatste niet het geval is, zal de Minister geen toestemming verlenen. Deze toevoeging zal tot meer werk leiden bij de beoordeling van een vergunningaanvraag maar kan werk in het kader van handhaving voorkomen. De Minister beoordeelt namelijk vooraf of degene die de activiteit verricht, zal kunnen voldoen aan de zorgplicht op basis van artikel 6.6, tweede lid, onderdeel d, Bal heeft.
5.7 Nadeelcompensatie Als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak op grond van de Omgevingswet schade veroorzaakt, kan het bestuursorgaan verplicht zijn die schade te vergoeden. De schadeoorzaken voor nadeelcompensatie onder de Omgevingswet zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 Omgevingswet. Dit besluit voorziet in het opnieuw vaststellen van een beleidsregel. Dit is geen schadeoorzaak als genoemd in artikel 15.1 Omgevingswet. De weigering van een omgevingsvergunning kan wel een schadeoorzaak zijn als genoemd in artikel 15.1 Omgevingswet. Wanneer de Minister naar aanleiding van dit besluit een omgevingsvergunning weigert, kan eenieder die vindt dat hij daardoor schade lijdt een aanvraag om schadevergoeding indienen.
6. Regeldruk Met dit besluit worden verschillende wijzigingen aangebracht ten opzichte van de Bgr 2006. Een deel van deze wijzigingen heeft gevolgen voor de regeldruk. Hieronder wordt voor de verschillende activiteiten die onder de reikwijdte van de besluit vallen toegelicht of er veranderingen zijn in de regeldruk. Riviergebonden activiteiten (artikel 4) en niet-riviergebonden activiteiten (artikel 3 en 5) – regeldruk neemt deels toe Voor deze typen activiteiten blijft een vergunningplicht gelden. Een initiatiefnemer voor een dergelijke activiteit moet over het algemeen dezelfde moeite doen voor verlening van een omgevingsvergunning voor die activiteit als dat onder de Bgr 2006 het geval was. Een klein verschil is dat er in de Bgr 2006 binnen het bergend regime geen onderscheid werd gemaakt tussen riviergebonden en niet-riviergebonden activiteiten. Een initiatiefnemer voor een activiteit in het (voormalige) bergend deel van het rivierbed hoefde in de aanvraag dus niet aan te geven of die activiteit riviergebonden of niet-riviergebonden was. Onder de Bgr 2025 moet dat wel. Om te kunnen beoordelen of de Minister de omgevingsvergunning kan verlenen moet de initiatiefnemer in de aanvraag voortaan aangeven of het gaat om een riviergebonden activiteit (die valt onder artikel 4) of een niet-riviergebonden activiteit (die valt onder artikel 3 of artikel 5).
Dit is nodig voor de beoordeling van de aanvraag. Deze extra administratieve last is voor activiteiten die vallen onder artikel 3 of 4 zodanig beperkt dat dit de regeldruk materieel niet wijzigt. Dit is anders in het geval het een aanvraag betreft voor een niet-riviergebonden activiteit in het (voormalige) bergend deel waarvan de initiatiefnemer meent dat die valt onder artikel 5. Onder de Bgr 2025 moet de initiatiefnemer voor die activiteit aantonen dat een situatie als bedoeld in dat artikel aan de orde is, bijvoorbeeld dat er met die activiteit een groot openbaar belang is gediend en niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. Onder de Bgr 2006 hoefde dit niet. Hierdoor neemt de regeldruk toe. Er worden jaarlijks maximaal circa 15 aanvragen verwacht in het (voormalige) bergend deel voor het verrichten van niet-riviergebonden activiteiten als bedoeld in artikel 5. Ingeschat wordt dat tijdsbesteding per aanvraag door deze wijziging toeneemt met 10 uur. Dit komt neer op een administratieve lastenverhoging van ongeveer 150 uur per jaar. Dit resulteert in een toename van de regeldruk (administratieve kosten) van € 2.550,- per jaar. Over het geheel genomen geldt dat voor bovenstaande typen activiteiten de regeldruk slechts beperkt wijzigt. Voor specifieke activiteiten ligt dit anders. Hieronder wordt daarop nader ingegaan.
14
Staatscourant 2025 nr. 2595
31 januari 2025
Uitbreiden of slopen en vervangen van bouwwerk – regeldruk vervalt deels Voor deze activiteiten blijft een vergunningplicht gelden. De Minister verleent geen omgevingsvergunning meer voor dit type activiteiten als daarbij de gebruiksfunctie van het bouwwerk zou wijzigen van een functie ten behoeve van een riviergebonden activiteit naar een niet-riviergebonden activiteit of zou wijzigen naar een woon- of logiesfunctie. Voor die gevallen vervalt de regeldruk. Hierbij moet worden opgemerkt dat in de praktijk al geen vergunning werd verleend voor uitbreiding of sloop en vervanging in combinatie met functieverandering naar een woonfunctie of van een riviergebonden naar niet-riviergebonden functie (zie Handreiking Beleidslijn grote rivieren 2019, bijlage 2). Het opnemen van deze restrictie in de beleidsregel leidt naar verwachting dan ook niet tot een significante materiële afname van de regeldruk. Voor de overige gevallen wijzigt de regeldruk niet. Om te kunnen beoordelen of de Minister de omgevingsvergunning kan verlenen moet een initiatiefnemer in de aanvraag voortaan wel aangeven of en in hoeverre de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt. Deze extra administratieve last is echter zodanig beperkt dat dit de regeldruk voor die gevallen materieel niet wijzigt.
Aanleg voorzieningen voor drinkwaterwinning en aquathermie – regeldruk neemt af Voor deze activiteiten blijft een vergunningplicht gelden. Het toevoegen van deze activiteiten aan de opsomming van riviergebonden activiteiten maakt het voor de initiatiefnemer wel eenvoudiger om in het (voormalige) stroomvoerend deel een omgevingsvergunning voor die activiteiten te krijgen. Onder de Bgr 2006 kon de Minister in het stroomvoerend regime slechts een omgevingsvergunning verlenen voor die activiteiten als de initiatiefnemer in de aanvraag aantoonde dat sprake was van een geval als bedoeld in artikel 6 Bgr 2006, zoals dat er een groot openbaar belang en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd of dat het ging verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed. Onder de Bgr 2025 hoeft de initiatiefnemer dit niet meer aan te tonen, nu deze activiteiten daarin zijn aangemerkt als riviergebonden activiteiten. Hierdoor neemt de regeldruk af. Er worden jaarlijks maximaal 5 aanvragen verwacht voor het verrichten van deze activiteit. Ingeschat wordt dat tijdsbesteding per aanvraag door deze wijziging afneemt met 10 uur. Dit komt neer op een administratieve lastenverlaging van ongeveer 50 uur per jaar. Dit resulteert in een afname van de regeldruk (administratieve kosten) van € 850,– per jaar.