CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Raadsbesluit Herziening Algemene subsidieverordening (inclusief de Algemene subsidieverordening Maasgouw en de toelichting daarop)

01. Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Algemene subsidieverordening Maasgouw11.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsvergadering 16-12-2025 BESLUIT Intrekking Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw 2017 en vaststelling Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw De raad van de gemeente Maasgouw, gelet op artikel 149 Gemeentewet gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders BESLUIT: 1. de “Algemene subsidieverordening Maasgouw 2017” in te trekken; 2. de “Algemene subsidieverordening Maasgouw” (zoals hierna weergegeven) vast te stellen.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Maasgouw, d.d. 16-12-2025. De raad voornoemd; De griffier,

De voorzitter,

G.H. Bakkes

D.W.J. Schneider

Z/25/151673

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Maasgouw houdende regels omtrent het verstrekken van subsidies (“Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw”) De raad van de gemeente Maasgouw; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders inzake de Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; BESLUIT: vast te stellen de volgende Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1

Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder: •

• • •

• •

•

• • • • •

algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; boekjaar: de periode waarover de financiële administratie van een organisatie loopt, gelijk aan het kalenderjaar, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit tot subsidieverlening anders is bepaald; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing op de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 betreffende de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel daarvoor in de plaats tredende latere Europese regelgeving; eenmalige subsidie: een subsidie die wordt verleend voor een bijzondere en/of eenmalige activiteit of voor een project met een eenmalig en/of experimenteel karakter.

De activiteiten kunnen een looptijd hebben van langer dan één jaar; Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die is vastgesteld door de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, op grond van de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag over de werking van de Europese Unie.; jaarlijkse subsidie: een subsidie die wordt verstrekt voor de uitvoering van activiteiten gedurende één kalenderjaar of boekjaar, met een terugkerend karakter. Deze subsidie kan jaarlijks worden aangevraagd en toegekend ten behoeve van reguliere, structurele activiteiten van de subsidieontvanger. kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december; meerjarige subsidie: een subsidie die voor een aaneengesloten periode van meerdere jaren wordt verstrekt, doorgaans met het doel om structurele activiteiten of projecten te ondersteunen die een langere looptijd hebben dan één jaar; onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; Verdrag: Verdrag over de werking van de Europese Unie (VWEU); Wet: Algemene wet bestuursrecht.

Z/25/151673

Artikel 2

Bevoegdheid college

1. De raad draagt de bevoegdheid tot het verstrekken van subsidies op grond van deze verordening over aan het college. 2. Het college is bevoegd te besluiten over het verlenen en vaststellen van subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen. Als de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd kan het college slechts subsidie verlenen onder het voorbehoud dat voldoende middelen door de raad ter beschikking worden gesteld. 3. Het college kan bij nadere regels (hierna te noemen: “subsidieregelingen”) bepalen: a. voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt; b. welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen; c. hoe de subsidie wordt berekend; d. op welke wijze en in welke termijnen de subsidie wordt uitbetaald. 4. Het college is bevoegd om bij of krachtens de subsidiebeschikking – zowel bij subsidieverlening als bij directe subsidievaststelling - aanvullende verplichtingen op te leggen aan de subsidieontvanger, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie of noodzakelijk zijn voor een juiste verantwoording of uitvoering daarvan. Deze verplichtingen worden vastgesteld met inachtneming van afdeling 4.2.4 van de Wet.. Artikel 3

Reikwijdte verordening

1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, ten aanzien van activiteiten die passen binnen het door de gemeenteraad vastgestelde beleid, waaronder de programma’s in de programmabegroting. 2. Deze verordening is ook van toepassing op door het college te verstrekken subsidies zoals bedoeld in artikel 4:23, derde lid van de Wet (de zogeheten “buitenwettelijke subsidies”), tenzij het college bij afzonderlijk besluit bepaalt dat deze verordening geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft.

Artikel 4

Europees steunkader

1. Voor zover dit noodzakelijk is om te voldoen aan een toepasselijk Europees steunkader, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening of deze aanvullen. 2. Indien toepassing wordt gegeven aan een Europees steunkader vermeldt de subsidieregeling op welke regeling of welk kader van de Europese Unie de subsidie gebaseerd is. 3. Indien een subsidie onder een Europees steunkader valt, verwijst de subsidiebeschikking naar de toepasselijke bepalingen van dat steunkader, waaronder eventuele verplichtingen voor de subsidieontvanger. 4. Bij toepassing van een Europees steunkader komen uitsluitend die activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidiëring vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5. Indien een subsidie aan ondernemingen wordt verstrekt onder een Europees steunkader, komt een onderneming uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan de voorwaarden van dat steunkader wordt voldaan. Z/25/151673

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEPLAFOND Artikel 5

Subsidieplafond

1.

Het college kan in subsidieregelingen subsidieplafonds vaststellen. Als een subsidieplafond wordt vastgesteld, wordt in de subsidieregeling ook bepaald op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

2.

Het college kan een vastgesteld subsidieplafond verlagen, mits: a.

het plafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betreffende jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en

b.

de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd.

c.

Bij de bekendmaking van een subsidieplafond zoals bedoeld in het tweede lid, vermeldt het college dat het plafond kan worden verlaagd en wat de gevolgen daarvan kunnen zijn voor reeds ingediende aanvragen.

3.

Indien een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, vindt de subsidieverlening plaats onder de voorwaarde dat de raad voldoende middelen beschikbaar stelt. Deze voorwaarde wordt uitdrukkelijk vermeld in de subsidiebeschikking.

4.

Het college kan besluiten een eerder vastgesteld subsidieplafond te verhogen.

5.

Bij verhoging van het subsidieplafond bepaalt het college op welke wijze de extra middelen beschikbaar worden gesteld. In dat kader kan het college: a. verwijzen naar de bestaande subsidieregeling, als het verdeelsysteem ongewijzigd blijft en het aanvraagtijdvak nog open is, of b. een nieuw aanvraagtijdvak en beslistermijn vaststellen, en/of c. de subsidieregeling aanpassen met inbegrip van regels over herhaalde aanvragen door reeds gehonoreerde aanvragers.

HOOFSTUK 3 AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE Artikel 6

Bij aanvraag in te dienen gegevens

1. Een aanvraag voor subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als daarvoor een aanvraagformulier is vastgesteld wordt de aanvraag daarmee ingediend. Als geen gebruik wordt gemaakt van het vastgestelde aanvraagformulier, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gekregen om het verzuim binnen een redelijke termijn te herstellen. 2. Bij de aanvraag worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. de beoogde doelen en resultaten van de activiteiten en een toelichting op hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

Z/25/151673

c.

een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van de activiteiten, met daarin een opgave van andere subsidies, vergoedingen of bijdragen die zijn of zullen worden ontvangen voor dezelfde activiteiten.

3. Indien de aanvrager een rechtspersoon is of een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid, wordt bij de aanvraag ook overgelegd: a. de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag (voor zover van toepassing); b. als het de eerste subsidieaanvraag bij de gemeente Maasgouw betreft: een exemplaar van de oprichtingsakte of statuten, en het meest recente jaarverslag, de jaarrekening of balans. 4. Indien de aanvrager een onderneming is, worden bij de aanvraag bovendien verstrekt: a. een opgave van ontvangen of aangevraagde overheidssteun ten aanzien van de betrokken activiteiten; b. een verklaring inzage de-minimissteun zoals bedoeld in de toepasselijke Europese verordening, indien van toepassing. 5. Het college kan bepalen dat bepaalde in dit artikel genoemde gegevens niet hoeven te worden overgelegd, of aanvullende gegevens verlangen, voor zover dit noodzakelijk is voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag. Artikel 7

Aanvraagtermijn

1. Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie die per kalenderjaar of meerjarig wordt verstrekt wordt ingediend uiterlijk 1 juni van het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft. 2. Een aanvraag voor een subsidie die per boekjaar of meerjarig wordt ingediend uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van het boekjaar, als dit afwijkt van het kalenderjaar. 3. Een aanvraag voor een begrotingssubsidie wordt ingediend uiterlijk 1 maart van het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft. 4. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie of andere subsidie dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt ingediend uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft. 5. Het college kan voor bij subsidieregeling aan te wijzen subsidies andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag. 6. Het college kan besluiten een aanvraag die na afloop van de termijn is ingediend, alsnog in behandeling te nemen, als daartoe naar het oordeel van het college voldoende aanleiding bestaat en de vertraging de inhoudelijke beoordeling niet belemmert. Artikel 8

Beslistermijn

1.

Het college beslist op een aanvraag voor een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij in de subsidieregeling anders is bepaald.

2.

Het college beslist op een aanvraag voor een subsidie per kalenderjaar uiterlijk 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend, tenzij in de subsidieregeling anders is bepaald.

Z/25/151673

3.

Het college beslist op een aanvraag voor een meerjarige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij in de subsidieregeling anders is bepaald.

4.

Het college beslist op een aanvraag voor een subsidie per boekjaar dat afwijkt van een kalenderjaar, binnen dertien weken na ontvangst van de volledige aanvraag is ingediend.

5.

Het college kan de in het eerste tot en met het vierde lid genoemde beslistermijnen eenmalig verdagen met ten hoogste 13 weken. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk en tijdig op de hoogte gesteld onder vermelding van de reden van de verdaging en de nieuwe beslistermijn.

6.

Het college kan bij subsidieregeling een andere termijn vaststellen dan genoemd in het eerste tot en met het vierde lid.

7.

Voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Wet (buitenwettelijke subsidies), beslist het college binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij het college uiterlijk binnen die termijn een andere redelijke beslistermijn heeft vastgesteld.

8.

Indien de aanvraag onvolledig is, wordt de beslistermijn opgeschort met ingang van de dag na verzending van het verzoek van het college tot aanvulling van de aanvraag. De opschorting eindigt op de dag waarop de gevraagde gegevens zijn ontvangen of de gestelde aanvullingstermijn ongebruikt is verstreken.

9.

Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een definitief besluit heeft genomen.

Z/25/151673

HOOFDSTUK 4 WEIGERING VAN DE SUBSIDIE Artikel 9

Weigeringsgronden

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval: a. indien de Europese Commissie op grond van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt. b. indien ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering van eerder verleende steun uitstaat, op grond van een beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een toepasselijk Europees steunkader omdat: a. de aanvrager een ondernemer in moeilijkheden is zoals bedoeld in dat steunkader of b. de subsidie geen aantoonbaar stimulerend effect heeft zoals vereist in dat steunkader. 3. Onverminderd het eerste en het tweede lid kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a. indien de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; b. indien niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor zij wordt gevraagd; c.

indien de aanvraag niet voldoet aan de vereisten die bij of krachtens deze verordening of een subsidieregeling zijn gesteld; d. indien de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; e. indien subsidieverstrekking niet is toegestaan zolang geen goedkeuring is verkregen van de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid van het Verdrag; f. in de bij de toepasselijke subsidieregeling bepaalde gevallen. HOOFDSTUK 5 VERLENING VAN DE SUBSIDIE Artikel 10

Verlening subsidie

1.

Indien de wijze van verantwoording niet bij subsidieregeling is bepaald, vermeldt het college in het besluit tot subsidieverlening op welke wijze de subsidie moet worden verantwoord.

2.

Het college kan aan het besluit tot subsidieverlening of, indien geen subsidieverlening plaatsvindt, aan het besluit tot subsidievaststelling, verplichtingen verbinden met betrekking tot: a. b. c. d. e.

Z/25/151673

het beheer en de besteding van de subsidie; de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten; de doelstellingen, resultaten en verslaglegging; het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van stukken; andere voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een rechtmatige en doelmatige besteding van de subsidie.

Artikel 11

Betaling en bevoorschotting

1. Indien geen voorschot wordt verstrekt, vindt betaling plaats na de subsidievaststelling. 2. Indien de subsidie wordt verleend voor activiteiten die vooraf financiering vereisen en het subsidiebedrag meer dan € 5.000 bedraagt, verstrekt het college een voorschot. De hoogte en wijze van betalen van het voorschot worden vastgelegd in de subsidieverleningsbeschikking. 3. Indien het subsidiebedrag meer dan € 50.000 bedraagt, wordt het voorschot in beginsel in termijnen betaald, tenzij bij subsidieregeling of in de subsidieverleningsbeschikking anders is bepaald. Ook in dit geval geldt dat de gesubsidieerde activiteiten voorafgaande financiering behoeven. 4. Het college kan afwijken van de in het tweede en derde lid bedoelde bepalingen indien de aard of omstandigheden van de subsidie dat rechtvaardigen. HOOFDSTUK 6 VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER Artikel 12

Meldingsplicht

1. De subsidieontvanger meldt het onverwijld schriftelijk aan het college indien aannemelijk is dat: één of meer van de gesubsidieerde activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden uitgevoerd of b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. a.

2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over: besluiten of procedures gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de subsidieontvanger; b. relevante wijzigingen in de financiële of organisatorische verhouding met derden; a.

c.

omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat verplichtingen verbonden aan de subsidie niet (volledig) kunnen worden nagekomen;

d.

wijziging van de statuten voor zover die betrekking hebben op de rechtsvorm, het doel of de samenstelling van het bestuur van de subsidieontvanger.

Artikel 13

Vergoeding vermogensvorming

1. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking voor subsidies van ten minste € 50.000 en ten hoogste € 125.000 kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, een vergoeding is verschuldigd aan burgemeester en wethouders indien zich een situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 4:41 lid 2 van de Wet. 2. Bij subsidies van meer dan € 125.000 is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, in de in artikel 4:41 lid 2 van de Wet bedoelde gevallen, een vergoeding verschuldigd aan het college. 3. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de economische waarde van de zaken en overige vermogensbestanddelen – waaronder een eventuele egalisatiereserve – op het moment waarop de vergoeding verschuldigd wordt.

Z/25/151673

4. De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag, waarmee subsidiering door de gemeente heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding tot de andere middelen die daaraan hebben bijgedragen. 5. Het college kan, indien daartoe aanleiding bestaat, de vergoeding in afwijking van het derde en vierde lid op een lager bedrag vaststellen. Artikel 14

Egalisatiereserve

1. Bij subsidieverlening kan worden bepaald dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve vormt zoals bedoeld in artikel 4:72 van de Wet, als het een subsidie betreft die: a. per kalenderjaar of boekjaar wordt verstrekt aan een rechtspersoon en b. een bedrag van € 50.000 of meer per jaar bedraagt. 2. De subsidieontvanger die niet aan de in het eerste lid genoemde criteria voldoet, kan het college verzoeken om een egalisatiereserve te mogen vormen. Het college beslist hierover bij beschikking. 3. Bij de vaststelling van de subsidie beoordeelt het college of en zo ja welk deel van het niet-bestede subsidiebedrag kan worden toegevoegd aan de egalisatiereserve, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:72 lid 2 van de Wet. Toevoeging is slechts toegestaan voor zover het nietbestede bedrag niet uitgaat boven het bedrag van de voor het desbetreffende kalender- of boekjaar verleende subsidie. HOOFDSTUK 7 VERANTWOORDING EN VASTELLING VAN DE SUBSIDIE Artikel 15

Verantwoording en vaststelling eenmalige subsidies tot €50.000

1. Eenmalige subsidies tot €5.000 worden ambtshalve vastgesteld. Bij de subsidieregeling of in de verleningsbeschikking wordt bepaald dat, op welke manier en binnen welke termijn de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. De ambtshalve vaststelling vindt plaats binnen dertien weken nadat de gevraagde informatie volledig is verstrekt. 2. Bij eenmalige subsidies tussen de €5.000 en €50.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in. 3. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 4. Bij subsidieregeling of in de verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de verantwoording op een andere manier plaatsvindt dan in het derde lid is bepaald. 5. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd. Artikel 16

Verantwoording en vaststelling jaarlijkse en meerjarige subsidies tot €50.000

1. Jaarlijkse of meerjarige subsidies tot € 15.000 worden door het college direct vastgesteld. 2. Bij jaarlijkse of meerjarige subsidie tussen de €15.000 en €50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college. Deze aanvraag wordt ingediend vóór 1 juni van het jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de activiteiten zijn verricht. Z/25/151673

3. De aanvraag tot vaststelling bevat een financieel verslag en een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht. 4. Het college kan bepalen dat andere termijnen als ook andere, of minder dan, de in deze artikelen bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd. Artikel 17

Verantwoording subsidies > € 50.000

1. Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a. in geval van een subsidie die per kalenderjaar dan wel per boekjaar wordt verstrekt, vóór 1 juni van het jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de activiteiten zijn verricht. b. in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. De aanvraag bevat: a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; b. een financieel verslag of jaarrekening met een overzicht van de uitgaven en inkomsten van de gesubsidieerde activiteiten; c. een balans van het betreffende subsidietijdvak met toelichting en d. een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant. 3. Het college kan bepalen dat andere termijnen als ook andere, of minder dan, de in deze artikelen bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd. Artikel 18

Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

1. Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze. 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities. 3. Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Artikel 19

Vaststelling subsidie

1. Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de volledig ingediende aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald. 2. Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling. 3. Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen.

Z/25/151673

4. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde termijn is ontvangen, gaat het college zes weken na een eenmalig rappel over tot ambtshalve vaststelling.

HOOFDSTUK 8 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 20

Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen een artikel of artikelen van deze verordening, met uitzondering van de artikelen 2, 3, 4 en 9 van deze verordening, alsmede de op deze verordening gebaseerde subsidieregelingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 21

Slotbepalingen

1. De Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw 2017 wordt ingetrokken. 2. Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend vóór deze datum zijn de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw 2017 van toepassing. 3. Deelverordeningen die zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw 2017, gelden tevens als deelverordening op grond van artikel 2, derde lid, van de Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw. 4. Deze verordening treedt in werking de dag na de bekendmaking ervan. 5. Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw.

Z/25/151673

Toelichting Algemene subsidieverordening gemeente Maasgouw A. Algemene toelichting De Algemene subsidieverordening (hierna: Asv) is gebaseerd op een modelverordening die de VNG heeft opgesteld vanuit haar adviserende functie om het subsidiebeleid van gemeenten te stroomlijnen en te actualiseren. De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent in Titel 4.2 een uitgebreide regeling voor subsidieverstrekking door bestuursorganen. Deze regeling in de Awb biedt gemeenten een bepaalde mate van vrijheid bij de invulling van hun lokale subsidiebeleid. Hoofdstuk 1 De Algemene subsidieverordening en de subsidieregelingen Het juridisch kader voor de verstrekking van subsidies wordt in eerste instantie gevormd door Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht. De bepalingen in Titel 4.2 van de Awb vormen het wettelijke kader waarbinnen bestuursorganen subsidies kunnen verstrekken. Sommige subsidiebepalingen uit de Awb bieden de mogelijkheid eigen regels te stellen en andere bepalingen hebben een dwingend karakter. Daar waar een lokale overheid eigen regels wenst te stellen, kan zij dit doen in een verordening. De raad van de gemeente Maasgouw heeft het landelijke wettelijke kader voor subsidieverstrekking aangevuld en gepreciseerd in de Algemene subsidieverordening. In de Algemene subsidieverordening staat het algemeen subsidieproces opgenomen.

Artikel 4:23 lid 1 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan uitsluitend subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Wil een gemeente voor bepaalde, concrete activiteiten subsidie kunnen verstrekken, dan moet zij daartoe dus een wettelijk voorschrift in het leven roepen. Dat kan door het vaststellen van een verordening of door het vaststellen van nadere regels bij een verordening: een verordening en nadere regels bij een verordening worden aangemerkt als wettelijke voorschriften. Voor Maasgouw geldt dat het college (daartoe aangewezen door de raad) nadere regels kan vaststellen bij de Algemene subsidieverordening. In die nadere regels (“subsidieregelingen” genoemd”) wordt vastgelegd voor welke concrete activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Deze subsidieregelingen vormen dus het vereiste wettelijke voorschrift zoals bedoeld in artikel 4:23 lid 1 Awb. De Algemene subsidieverordening geldt dus niet als het vereiste wettelijk voorschrift: daarin wordt immers uitsluitend het subsidieproces beschreven en niet de concrete subsidiabele activiteiten. In de praktijk wordt nogal eens subsidies verstrekt op basis van beleidsregels of beleidsnota’s. Echter: een beleidsregel of beleidsnota is geen wettelijk voorschrift en kan dus niet dienen als een wettelijke grondslag voor subsidieverstrekking.

Hoofdstuk 2 Het subsidiebegrip Om de subsidietitel uit de Awb op een juiste wijze toe te passen, is het van belang dat helder is wat er onder subsidie wordt verstaan. Het begrip subsidie wordt omschreven in artikel 4:21, eerste lid Awb. Voldoet een geldverstrekking aan de daar genoemde voorwaarden, dan is het een subsidie, hoe ook genaamd. Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die aan de volgende kenmerken voldoen: a. het betreft een aanspraak op financiële middelen, b. die door een bestuursorgaan worden verstrekt, c. met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, d. anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. In de praktijk kan het voorkomen, dat er afwijkende termen worden gebruikt, zoals bijdrage, uitkering of vergoeding, terwijl het in feite een subsidie betreft. De gekozen benaming is voor de toepasselijkheid van de subsidietitel niet van belang, ze is gewoon van toepassing als aan de voorwaarden is voldaan.

Z/25/151673

Soorten subsidie Er zijn drie soorten subsidies: eenmalige subsidies, jaarlijkse subsidies en meerjarige subsidies. De definities van de soorten subsidies zijn opgenomen in artikel 1 van de Algemene subsidieverordening. Een nadere toelichting op de definities is terug te vinden in ‘’de artikelsgewijze toelichting van artikel 1: definities’’. B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Begripsomschrijvingen In dit artikel worden enkele begrippen verduidelijkt, die in de verordening worden gehanteerd. Een aantal definities behoeft een nadere toelichting. De toelichting is hieronder te vinden. De definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren subsidieregelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken. Subsidie: er is in de Asv geen definitie opgenomen van het begrip “subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen.

Zie CBb 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:317 en CBb 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:237. Algemene groepsvrijstellingsverordening: voldoet een steunmaatregel (een subsidie is een steunmaatregel) aan de vijf cumulatieve staatssteuncriteria, dan moet deze maatregel volgens de Europese staatssteunregels worden aangemeld bij de Europese Commissie. Een gemeente (en provincie en waterschap) kan onderzoeken of de steun mogelijk vrijgesteld kan worden van deze aanmeldplicht. In de Algemene groepsvrijstellingsverordening is een aantal categorieën opgenomen dat is vrijgesteld van deze aanmeldingsplicht. De-minimisverordening: steun die op basis van een de-minimisverordening wordt verleend, voldoet niet aan het vijfde staatsteuncriterium: ‘de maatregel vervalst de mededinging (in potentie) en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU’. Volgens de Europese Commissie heeft steun die verstrekt wordt op basis van een de-minimisverordening namelijk maar beperkt effect op het handelsverkeer tussen lidstaten. De-minimissteun vormt daarom geen staatssteun en is dan ook vrijgesteld van de aanmeldingsplicht bij de Europese commissie. Als de steunmaatregel van een decentrale overheid (bijvoorbeeld een subsidie) aan alle voorwaarden van een de-minimisverordening voldoet, is de steun dus toegestaan en kan die gewoon worden verstrekt.

Eenmalige subsidie: een eenmalige subsidie is een subsidie die is bedoeld voor activiteiten met een bijzonder en/of eenmalig karakter. De activiteit heeft een specifiek doel, aanleiding of concept en komt niet herhaaldelijk voor. Het kan hierbij ook gaan vernieuwende, innovatieve of pilotactiviteiten (projecten met een experimenteel karakter). De eenmaligheid zit niet per se in de duur van het project, maar juist in de unieke opzet. Ook projecten die meerdere jaren duren kunnen onder de definitie vallen, mits ze niet structureel terugkeren. De activiteit waarvoor de subsidie wordt verleend kan dus langer dan één jaar duren. Europees steunkader: het Europees steunkader zijn regels die door de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie zijn vastgesteld voor het toestaan van overheidssteun aan ondernemingen en onder welke voorwaarden dit moet gebeuren.

Z/25/151673

Meerjarige subsidie: hieronder vallen ook de subsidies die tweejaarlijks worden verleend en vastgesteld. Het gaat hierbij immers om activiteiten die voor een aaneengesloten periode van meerdere jaren (twee jaar) worden verleend en vastgesteld. Artikel 2 Bevoegdheid college Met dit artikel heeft het college de bevoegdheid gekregen om: 1. te beslissen over het verstrekken van subsidies. Onder ‘verstrekken’ wordt verstaan het verlenen en vaststellen of het direct vaststellen van de subsidie. Bij het verlenen en vaststellen van de subsidie dient wel rekening gehouden te worden met de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen. Als de begroting nog niet is vastgesteld (en er formeel dus nog geen financiële ruimte is voor het verlenen van de subsidie) kan het college de subsidie slechts verlenen met het voorbehoud dat er voldoende middelen door de raad beschikbaar worden gesteld (ook wel een ‘begrotingsvoorbehoud’ genoemd). Dit ‘begrotingsvoorbehoud’ wordt opgenomen in de subsidiebeschikking. De subsidie wordt in dat geval verleend onder de opschortende of ontbindende voorwaarde dat de raad daarvoor geld beschikbaar zal stellen. Met een opschortende voorwaarde wordt bedoeld dat de subsidieverlening pas werking krijgt als de begroting is vastgesteld of goedgekeurd.

Met een ontbindende voorwaarde wordt bedoeld de subsidie komt te vervallen als uiteindelijk door de raad niet voldoende financiële middelen beschikbaar zijn gesteld. Een opschortende voorwaarde wordt vaak opgenomen als er niet al voorschotten hoeven te worden betaald. Een ontbindende voorwaarde kan worden opgenomen als er wel al voorschotten moeten worden verleend. In dit laatste geval moet de beschikking tot subsidieverlening namelijk al meteen haar werking krijgen. 2. het vaststellen van nadere regels (hierna: subsidieregelingen) Het college kan subsidieregelingen vaststellen en daarin bepalen voor welke activiteiten een subsidie wordt verstrekt, welke doelgroep in aanmerking komt voor de subsidie, hoe de subsidie wordt berekend en op welke wijze en in welke termijnen de subsidiebedragen worden uitbetaald. Deze subsidieregelingen (en, zoals hiervoor al werd opgemerkt, niet de Algemene subsidieverordening), vormen de grondslag voor het verstrekken van de subsidies. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. Voor zover het college geen gebruik maakt van de bevoegdheid om subsidieregelingen vast te stellen is het slechts in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken.

Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb bestaan er vier uitzonderingen op de hoofdregel dat subsidie uitsluitend kan worden verstrekt op basis van een wettelijk voorschrift: a. spoedeisende subsidieverstrekking (vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift op nationaal niveau); b. Europese subsidie; c. subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden); d. incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen en mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt). Artikel 3 Reikwijdte verordening In het eerste lid wordt aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidie kan worden verstrekt. Daarbij wordt verwezen naar programma’s in de programmabegroting. Deze programma’s zijn bijvoorbeeld: • algemeen bestuur en bedrijfsvoering; • dienstverlening; • sociaal domein; • beheer openbare ruimte, infra en vastgoed; • leefomgeving, wonen en economie; Z/25/151673

•

gebiedsontwikkeling.

In het tweede lid is de Algemene subsidieverordening ook van toepassing verklaard op de buitenwettelijke subsidies (artikel 4:23 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht), tenzij het college bepaalt dat deze verordening geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft voor deze subsidies. Door deze bepaling op te nemen in de Asv, wordt duidelijk dat de procedures, voorwaarden en kaders uit de Asv ook gelden voor de verstrekking van buitenwettelijke subsidies. Buitenwettelijke subsidies zijn subsidies die niet op basis van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling, worden verstrekt. De Algemene wet bestuursrecht noemt in artikel 4:23, derde lid, vier uitzonderingen waarbij verstrekking toch mogelijk is (deze staan allen opgesomd onder de toelichting op artikel 2). Voor de gemeentelijke praktijk zijn de uitzonderingen genoemd onder sub c en d van het derde lid van artikel 4:23 Awb vooral relevant: (sub c) Begrotingssubsidie: wanneer een bepaalde activiteit wordt uitgevoerd door één of een beperkt aantal ontvangers, hoeft er niet speciaal voor hen een subsidieregeling in het leven te worden geroepen. Wel moet de naam van de ontvanger en het maximale subsidiebedrag in de begroting (of de toelichting daarop) worden opgenomen.

(sub d) Incidentele subsidie: deze uitzondering is opgenomen om spontaan ingediende subsidieaanvragen, waarvoor geen subsidieregeling is opgesteld, toch te kunnen honoreren. Deze subsidies mogen voor een tijdvak van maximaal vier jaar worden verstrekt. Artikel 4 Europees steunkader Het Europees steunkader bevat verschillende regels van de Europese Unie die bepalen wanneer en hoe overheden subsidies mogen geven. Soms wil een gemeente een subsidie geven voor een project dat of activiteit die onder zo’n Europees steunkader valt. In dat geval moet de gemeente zich aan die Europese regels houden. Soms zijn de Europese regels anders dan de regels in deze gemeentelijke verordening. Om een subsidie in overeenstemming te brengen met het toepasselijke Europese steunkader, dient de subsidieregeling inhoudelijk te worden afgestemd op de voorwaarden en vereisten van dat specifieke kader. Dit kan betekenen dat wordt afgeweken van bepalingen in de Algemene subsidieverordening, of dat aanvullende bepalingen worden opgenomen om aan de Europese staatssteunregels te voldoen. Het eerste lid verleent het college de bevoegdheid om dergelijke afwijkingen of aanvullingen door te voeren, zodat de subsidieregeling juridisch houdbaar en in lijn met het betreffende Europese steunkader is.

Het tweede en derde lid geven uitvoering aan de eis van de Europese Commissie dat subsidieregelingen en -beschikkingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een Europees steunkader, het toepasselijk kader uitdrukkelijk moeten vermelden. Het vierde en vijfde lid geven aan dat de gemeente alleen subsidie mag geven als het past binnen de regels van het betreffende Europese steunkader. Bijvoorbeeld: de gemeente wil een subsidie verstrekken in het kader van steun aan culturele en erfgoedinitiatieven. Om in aanmerking te komen voor vrijstelling van aanmelding bij de Europese Commissie, dient de subsidie te voldoen aan de voorwaarden en bepalingen uit de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV). In de AGVV staat bijvoorbeeld voor steun aan culturele en erfgoedinitiatieven dat er specifieke kosten, zoals bouw, modernisering of instandhouding van cultuurvoorzieningen, verplaatsing en bescherming van erfgoed en kosten voor tentoonstellingen, opvoeringen, festivals in aanmerking komen. In de AGVV staat daarnaast ook hoe hoog het steunbedrag mag zijn. De gemeente moet dus bij het verstrekken van steun rekening houden met deze voorwaarden.

Z/25/151673

Artikel 5 Subsidieplafond In dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in een subsidieregeling een subsidieplafond vast te stellen. Een subsidieplafond is het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van een bepaalde, met name genoemde subsidie die op basis van een bepaald wettelijk voorschrift wordt verstrekt. Een subsidieplafond is iets anders dan de vermelding op de begroting dat er voor een bepaald beleidsterrein een bepaald bedrag beschikbaar is voor subsidies. Dit bedrag op de begroting kan uiteraard wel de basis zijn voor vaststelling van een subsidieplafond. Daarbij wordt voor de volledigheid nog opgemerkt dat de vermelding van de naam van een subsidieontvanger op de begroting met daarbij het maximale subsidiebedrag (ook wel een begrotingssubsidie) ook niet hetzelfde is als een subsidieplafond. Bij het vaststellen van een subsidieplafond wordt ook bepaald op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld (dit volgt mede uit artikel 4:26 van de Algemene wet bestuursrecht). Als dit niet (juist) geregeld is, kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag hebben ingediend vóór bekendmaking van het plafond (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb).

Er zijn verschillende manieren voor de verdeling van het beschikbare bedrag, bijvoorbeeld: het wie-het-eerst-komt-het-eerstmaalt-systeem, het tendersysteem (waarbij aanvragen op kwaliteit worden beoordeeld en tegen elkaar afgewogen) of een loting. Verlaging van het subsidieplafond In dit artikel wordt verwezen naar de mogelijkheid om een subsidieplafond te verlagen. Hierbij worden ook de voorwaarden voor het verlagen van het subsidieplafond opgenomen. De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan: 1) aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd, 2) verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting, en 3) de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond. Verhoging van het subsidieplafond Verhoging van het subsidieplafond is niet geregeld in de Awb, maar is ook mogelijk. Er kan bijvoorbeeld tijdens het subsidietijdvak extra geld beschikbaar komen. Ook een hoger subsidieplafond moet worden bekendgemaakt vanwege de transparantie en om alle mogelijke gegadigden een gelijke kans te geven.

Het gevolg van een verhoogd plafond is dat er meer aanvragen gehonoreerd kunnen worden dan oorspronkelijk gedacht, maar dit hangt ook samen met de manier van verdelen. Als er is gekozen voor een verdeelsysteem waarbij aanvragen tegen elkaar worden afgewogen (tendersysteem), dan hangt het af van de fase waarin het proces verkeert of een verhoging van het plafond nog uitvoerbaar is. Het mag er uiteraard niet toe leiden dat het afwegingsproces niet meer eerlijk en transparant verloopt. Als er sprake is van een tendersysteem en het aanvraagtijdvak is al gesloten, dan lijkt het meest simpel om een nieuwe aanvraagronde open te stellen door het nieuwe subsidieplafond bekend te maken met verwijzing naar de bijbehorende verordening. Zo nodig zullen daarbij dan ook nieuwe aanvraag- en beslistermijnen bekend moeten worden gemaakt. Uiteraard zal intussen over de aanvragen in de eerste ronde beslist moeten worden met inachtneming van de beslistermijnen die daarop betrekking hadden en met inachtneming van het oorspronkelijke subsidieplafond. Ook zal de subsidieregeling moeten worden aangepast om uit te sluiten dat aanvragers die al in de eerste ronde een subsidie kregen, een tweede keer kunnen meedingen.

Als het gaat om een verdeelsysteem volgens 'wie het eerst komt het eerst maalt' en het plafond is nog niet bereikt, dan kan het nieuwe subsidieplafond bekendgemaakt worden waardoor er meer aanvragen gehonoreerd kunnen worden dan eerder was voorzien. Als er al subsidies geweigerd waren omdat het Z/25/151673

plafond was bereikt, kan er ook een nieuw plafond bekend gemaakt worden; daarbij moet dan vermeld worden dat er opnieuw aangevraagd kan worden, met verwijzing naar de desbetreffende subsidieregeling. Degenen die in eerste instantie geweigerd waren, kunnen dan opnieuw aanvragen. De kans bestaat uiteraard dat er aanvragers zijn die ook al bij de 'eerste ronde' subsidie hebben ontvangen. Om dit uit te sluiten zal er een nieuwe subsidieregeling moeten worden vastgesteld. Als voor een bepaalde activiteit is te voorzien dat er lopende het jaar het plafond kan worden verhoogd, dan is het beste om de desbetreffende subsidieregeling daarop in te richten. Het is bij een tendersysteem bijvoorbeeld goed mogelijk om te bepalen dat er in een jaar twee aanvraagtijdvakken zijn met elk een eigen plafond. Artikel 6 Bij aanvraag in te dienen gegevens In het eerste lid is opgenomen dat een subsidie schriftelijk moet worden aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders. Met “schriftelijk” wordt niet alleen bedoeld dat je een papieren brief stuurt. Een digitale aanvraag via e-mail of een online formulier valt hier ook onder. Als er een officieel aanvraagformulier is vastgesteld, moet dat gebruikt worden. Wordt aan die eis niet voldaan, dan mag de gemeente de aanvraag buiten behandeling stellen.

Dit mag echter pas nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld om het verzuim binnen een redelijke termijn te herstellen (artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht). Bij het verzoek om het verzuim binnen een redelijke termijn te herstellen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15, eerst lid aanhef en onder a, Algemene wet bestuursrecht). Dit moet worden medegedeeld aan de aanvrager. Het tweede lid geeft aan welke gegevens in elk geval moeten worden verstrekt. Dit geldt voor zowel natuurlijke personen, rechtspersonen, een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid en een onderneming. In de leden drie en vier wordt aangegeven welke gegevens een rechtspersoon, een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid en een onderneming óók moet aanleveren. Deze gegevens worden dus aangeleverd aanvullend op de gegevens zoals opgenomen in het tweede lid van dit artikel. Bij elke aanvraag moeten de gegevens genoemd in het tweede lid worden aangeleverd, bij aanvragen door een rechtspersoon of een organisatie zonder rechtspersoonlijk moeten de documenten zoals opgenomen in het tweede en het derde lid worden aangeleverd en bij een aanvraag door een onderneming moeten de documenten zoals opgenomen in het tweede, derde en vierde lid aangeleverd worden.

Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Daarom is een tweetal extra aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste: om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (tweede lid, onder d, sub 1°). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede: om subsidie onder een de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden (tweede lid, onder d, sub 2°). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring moet het college controleren of verlening van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening. In dit artikel wordt gesproken van zowel een “rechtspersoon”, als een “organisatie zonder rechtspersoonlijkheid” als een “onderneming”.

Het verschil tussen deze drie begrippen kan als volgt worden geduid: een onderneming is een eenheid die, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, een economische activiteit uitoefent door het aanbieden van goederen of diensten op een markt.

Z/25/151673

een rechtspersoon is een juridische entiteit die zelfstandig rechten en verplichtingen heeft, los van de natuurlijke personen die erachter staan. Dit betekent dat de rechtspersoon zelf contracten kan afsluiten, bezittingen kan hebben en aansprakelijk is voor schulden. De bestuurders of aandeelhouders zijn in principe niet persoonlijk aansprakelijk voor de verplichtingen van de rechtspersoon, tenzij er sprake is van wanbeheer. Voorbeelden van rechtspersonen zijn een naamloze vennootschap (NV), een besloten vennootschap (BV), een stichting en een vereniging. een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid is een juridische constructie waarbij er geen sprake is van een zelfstandige juridische entiteit. Dit betekent dat de onderneming en de eigenaar(s) juridisch gezien één en dezelfde zijn. De eigenaar is persoonlijk aansprakelijk voor alle verplichtingen en schulden van de onderneming. Er is dus geen scheiding tussen privévermogen en ondernemingsvermogen. Voorbeelden hiervan zijn een eenmanszaak, een maatschap, een vennootschap onder firma (VOF) en een commanditaire vennootschap (CV). Artikel 7 Aanvraagtermijn Hier worden de termijnen genoemd, waarbinnen aanvragen voor subsidie moeten worden ingediend bij het college. In dit artikel wordt slechts een uiterste indiendatum genoemd voor jaarlijkse en meerjarige subsidies.

Voor eenmalige subsidies en andere subsidies (bijvoorbeeld een incidentele subsidie zoals bedoeld in artikel 4:23 lid 3 sub d Awb) geldt dat de aanvraag moet zijn ingediend dertien weken voorafgaand aan de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het derde lid van dit artikel ziet op de aanvraagtermijn voor begrotingssubsidies (artikel 4:23 lid 3 sub c Awb). De aanvraag voor dergelijke subsidies moet zijn ingediend uiterlijk 1 maart van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Deze ruimere termijn heeft te maken met de procedure die moet worden doorlopen voor een begrotingssubsidie: op grond van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2025: 3399) worden begrotingssubsidies aangemerkt als “schaarse subsidies” waarvoor de gemeente mededingingsruimte moet bieden. In het vijfde lid is de mogelijkheid voor het college opgenomen om alsnog een te laat ingediende aanvraag in behandeling te nemen. Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om soepel om te gaan met een termijnoverschrijding. Dat is geen plicht maar een bevoegdheid. De optie is bedoeld voor (bijvoorbeeld) kleine termijnoverschrijdingen (een dag of enkele dagen te laat), overmacht situaties (ziekte, technische storing), situaties waarin de aanvraag inhoudelijk goed is en tijdige besluitvorming nog mogelijk is.

De bepaling biedt ruimte voor maatwerk bij kleinere organisaties/individuen die minder vertrouwd zijn met formele procedures. In de beschikking wordt aangegeven dat gebruik is gemaakt van dit artikellid. Artikel 8 Beslistermijn Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. In de regel wordt een termijn van acht tot dertien weken redelijk geacht. In dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen de beslistermijn voor eenmalige, jaarlijkse, meerjarige en buitenwettelijke subsidies. Uitgangspunt moet zijn, dat afhandelen binnen 13 weken de maximale termijn is, in principe wordt de aanvraag zo servicegericht en dus zo snel mogelijk afgehandeld. Het is mogelijk om de genoemde beslistermijnen éénmalig te verlengen met maximaal 13 weken. De aanvrager dient hierover tijdig worden geïnformeerd. Met ‘tijdig’ wordt bedoeld in ieder geval voor het verlopen van de genoemde beslistermijnen in lid één tot en met lid vier.

Z/25/151673

Als een aanvraag niet volledig is (denk hierbij aan het niet volledig invullen van het vastgestelde aanvraagformulier of het niet volledig aanleveren van alle gevraagde documenten) dan dient de aanvrager de mogelijkheid te krijgen om de aanvraag aan te vullen. Als de aanvrager verzocht wordt om de aanvraag aan te vullen, kan de beslistermijn opgeschort worden. Dit betekent dat de beslistermijn gepauzeerd wordt. De opschorting is vanaf de dag na de verzending van het verzoek en eindigt op het moment dat de gevraagde gegevens zijn ontvangen óf de gestelde termijn voor de aanvulling is verstreken zonder dat de (volledige) gegevens zijn aangeleverd. Als de termijn voor het aanvullen van de aanvraag is verstreken en de gevraagde documenten niet zijn aangeleverd, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. Als een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, dan dient dit besluit tot buiten behandeling stelling binnen vier weken nadat de aanvraag onvolledig is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, aan de aanvrager bekend gemaakt te worden. Artikel 9 Weigeringsgronden In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.

Artikel 9, eerste lid, sub a In het eerste lid, sub a van artikel 9 wordt bepaald dat een subsidie geweigerd moet worden wanneer de Europese Commissie heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt. Dit is een absolute weigeringsgrond. Met ‘onverenigbaar met de interne markt’ wordt bedoeld, wanneer bijvoorbeeld een subsidie direct de werking van de Europese interne markt verstoort of ondermijnt. Dit is het geval wanneer door het nemen van financiële maatregelen (bijvoorbeeld subsidiëring) bepaalde voordelen worden toegekend aan bepaalde ondernemingen die concurreren in de EU-interne markt en daardoor mededinging op de interne markt wordt verstoord. Dergelijke voordelen kunnen leiden tot staatssteun. Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure (=een procedure waarbij een steun verlenende overheidsorganisatie de Europese Commissie op de hoogte stelt van een steunmaatregel. De steun hoeft dan niet gemeld te worden). Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).

Artikel 9, eerste lid, sub b Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Hoewel sommige Europese regels dit verbod beperken tot specifieke soorten steun, zorgt de gekozen formulering in deze Asv bewust voor een bredere toepassing: het college weigert in dat geval elke vorm van subsidie. Artikel 9, tweede lid Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een ‘onderneming in moeilijkheden’ wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart. Z/25/151673

Artikel 9, derde lid In het derde lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Dit volgt uit het feit dat dit lid een ‘kan’ bepaling betreft. Onderdelen a, c en d spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. De beoordeling in verband hiermee kan per geval verschillen. Zij kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de balans, begroting en/of jaarrekening van de subsidieaanvrager. Onder e is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet eerder is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is voorgelegd aan de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie aanmelden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd. Tenslotte geeft onderdeel f het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit op grond van artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Een bepaling daarover in de (model-)ASV (2013) is daarvoor niet nodig, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun voortvloeit. Een subsidie kan ook (geweigerd en) ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van de Wet Bibob. Intrekkings-, wijzigings- en terugvorderingsgronden In artikel 9 worden enkel de weigeringsgronden verder uitgewerkt. De intrekkings-, wijzigings- en de terugvorderingsgronden zijn geregeld in artikel 4:48 tot en met 4:50 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Een subsidie die nog niet is vastgesteld kan na de verlening worden ingetrokken in de gevallen die staan genoemd in artikel 4:48, eerste lid, van de Awb. Deze intrekking of wijziging heeft terugwerkende kracht, dat betekent dat eventueel verleende voorschotten kunnen worden teruggevorderd. Bij subsidievaststelling ontstaat de verplichting tot betalen. Als een subsidie eenmaal is vastgesteld, is het moeilijker om die beschikking terug te draaien dan wanneer er alleen nog is verleend. In artikel 4:49 eerste lid, van de Awb is geregeld in welke gevallen het bestuursorgaan een vastgestelde subsidie kan intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger kan wijzingen.

Z/25/151673

In artikel 4:50 van de Awb is bepaald in welke gevallen een verleende subsidie vóór vaststelling kan worden ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger kan worden gewijzigd. Artikel 10 Verlening subsidie In het eerste lid wordt bepaald dat het college in het besluit tot subsidieverlening aangeeft op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie moet verantwoorden. Door deze verplichting al in de verleningsbeschikking vast te leggen, is voor de subsidieontvanger vanaf het begin duidelijk aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij moet voldoen. Dit draagt bij aan transparantie en voorkomt onduidelijkheid achteraf over de verantwoordingseisen. De regels over de verantwoording van de subsidie zijn ook opgenomen in artikel 15, 16 en 17 van deze verordening. In de verleningsbeschikking kan hiervan worden afgeweken. Het tweede lid biedt het college de bevoegdheid om aan de subsidieontvanger aanvullende verplichtingen op te leggen. Deze verplichtingen kunnen worden opgenomen in (een bijlage bij) het besluit tot subsidieverlening of, als geen subsidieverlening plaatsvindt, in het besluit tot subsidievaststelling. Een bijlage is overzichtelijk en draagt bij aan een klantvriendelijke uitvoering van het subsidieproces.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=c7ee37b2-dbab-43eb-9f1f-6b5dace0a862