CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

---------- BIJLAGE 1 Principeverzoek Osen - Principeverzoek incl. bijlagen

06. Raadsinformatiebrieven 17 september 2024, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven behorend bij de portefeuille van wethouder Snijckers23.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 meter onder het maaiveld (BIJ12, 2017).

15

Een vaste voortplantingsplaats of rustplaats bestaat uit een dassenburcht met hoofdburchten, bijburchten en vluchtpijpen. Hoofdburchten zijn relatief de grootste en het een grootste deel van het jaar in gebruik. Dit is de plek waar meestal de jongen worden geboren. Bijburchten zijn alleen op bepaalde momenten in gebruik, bijvoorbeeld als vluchtplek bij verstoring en de vluchtpijpen liggen verspreid over het territorium die worden gebruikt bij dreiging. Tijdens de veldinventarisatie zijn op twee locaties graafsporen van de das aangetroffen. Op één locatie is een dassenburcht aanwezig. De burcht bestaat uit meerdere pijpen waarvan enkele zijn ingezakt. Aan de graafsporen kon worden herleid dat de das waarschijnlijk in het voorjaar aanwezig is geweest. Recente graafsporen zijn niet aangetroffen. Op een tweede locatie zijn graafsporen gezien, echter door de dichte struiklaag kon niet goed worden bepaald of het een burcht of een enkele dassenpijp betrof.

Figuur 4. Locatie plangebied (rood) (Pdok, z.d.)

Met de voorgenomen nieuwe inrichting treedt er mogelijk een negatief effect op voor de das. Hierop dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Indien er sprake is van aanwezigheid en een negatief effect, zal een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie Limburg op basis van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb.

Foto dassenburcht

16

Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, open of rotsige oevers worden gemeden. De bever kan door middel van het bouwen van dammen en het omknagen van bomen en struiken een grote invloed op zijn leefomgeving hebben (Zoogdiervereniging, z.d.). Waarnemingen 6 januari 2021: Ten noorden van de planlocatie zijn diverse wissels waargenomen van de bever. Daarnaast zijn er ten noorden knaagsporen aangetroffen. Ten oosten, op circa vijftig meter achter de dijk, zijn een groot aantal knaagsporen en een mogelijke burcht waargenomen. Waarnemingen 19 juli 2023: Ten tijde van de inventarisatie was het bladerdek van de begroeiing dusdanig dicht dat knaagsporen niet zichtbaar waren. Wel zijn over de gehele noordelijke oever langs De Slaag meerdere wildwissels van de bever aangetroffen. Tevens zijn er vele mestsporen aanwezig.

Knaagspoor bever (6 januari 2021)

Figuur 5. Locatie plangebied (rood), burcht (blauw), knaagsporen (groen), wissels en latrines (geel) (Pdok, z.d.)

Mogelijke beverburcht (6 januari 2021) 17

Om negatieve effecten op de bever te voorkomen dient er buiten de kwetsbare periode van de bever te worden gewerkt. De kwetsbare periode loopt van mei tot en met september. Worden de werkzaamheden binnen deze periode uitgevoerd of kunnen negatieve effecten niet worden voorkomen, dan dient er een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Limburg op basis van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb. Algemeen voorkomende soorten Konijn Konijnen leven in holen en hebben daarom voorkeur voor zandige bodems. Ze hebben een voorkeur voor halfopen landschappen zoals perken, tuinen en bosranden en mijden vochtige terreinen met moeras, veel en zware klei. Hierin kunnen ze geen holen graven. Ook in open polderlandschappen ontbreekt het konijn, in de duinen is het konijn daarentegen een belangrijke grazer (Zoogdiervereniging, z.d.). In- en uitwaardplaats van de bever

Ten zuiden van de planlocatie zijn in de dijken een groot aantal konijnenholen aanwezig. Tijdens de veldinventarisaties zowel op 6 januari 2021 als op 19 juli 2023 is waargenomen dat deze holen in gebruik zijn. Algemeen voorkomende en door de provincie Limburg vrijgestelde fauna zoals huismuis, huisspitsmuis, haas, konijn, ree en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied voor. Ten aanzien van alle fauna (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden.

Mest bever, herkenbaar aan de vele houtvezels (19 juli 2023)

Effectenbeoordeling Steenmarter, rode eekhoorn, das en bever De ruigte randen rondom het plangebied, zijn potentieel geschikt als vaste rusten verblijfplaats voor bovengenoemde soorten. Met de voorgenomen

18

herinrichting kunnen verblijfplaatsen en het functioneel leefgebied van deze soorten tijdelijk worden verstoord of verdwijnen. Steenmarter: Doordat de steenmarter een dusdanig groot territorium heeft en gewend is aan antropogene activiteiten wordt verstoring op de steenmarter niet verwacht. Daarnaast vinden de werkzaamheden plaats op de agrarische percelen, de houtopstanden met ruigte en rommelhoekjes blijven behouden, de habitat blijft behouden. Negatieve effecten op deze soort worden niet verwacht. Rode eekhoorn: Met de nieuwe inrichting worden geen negatieve effecten op rode eekhoorn verwacht. Struik en boomlaag rondom de planlocatie blijven behouden. Das: Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid of afwezigheid van de das vast te stellen. Indien er sprake is van aanwezigheid en een negatief effect, zal een ontheffing moeten worden aangevraagd. Bever: Om negatieve effecten op de bever te voorkomen dient er buiten de kwetsbare periode van de bever te worden gewerkt. De kwetsbare periode loopt van mei tot en met september. Worden de werkzaamheden binnen deze periode uitgevoerd of kunnen negatieve effecten niet worden voorkomen, dan dient hiervoor een ontheffing te worden aangevraagd.

vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt.

Voor alle bovengenoemde soorten is artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb van toepassing. Algemene soorten Het konijn is in de Wnb aangewezen als een vrijgestelde soort, wel geldt de algemene zorgplicht. Om negatieve effecten te voorkomen is het belangrijk om bij werkzaamheden aan of nabij de dijk buiten de kwetsbare periode van het konijn te werken. Deze loopt van circa januari tot en met juli (Zoogdiervereniging, z.d.).

De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een 19

5.3. Fauna - Vleermuizen Tijdens de veldinventarisatie is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holtes van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2021) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Netwerk Groene Bureaus, 2021) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011). Verblijfplaatsen Met het ontwikkelen van het zonnepark worden er door de initiatiefnemer geen bomen gekapt. Wel is tijdens het veldbezoek geconstateerd dat er in een aantal bomen holtes, takscheuren en los boomschors aanwezig is. Tijdens de inventarisatie op 6 januari 2020 zijn deze vastgelegd. Tijdens de inventarisatie uitgevoerd op 19 juli 2023 waren door de bladbezetting de boomstammen en de boomkronen niet goed zichtbaar.

Vlieg- en migratieroutes zijn veelal rechtlijnige elementen als bosranden, (water) wegen, bospaden en bomenrijen, bij voorkeur in open gebied. Het betreffen rechtlijnige elementen waar vleermuizen zich in een rechtlijnige vlucht snel kunnen verplaatsen. Bij vliegroutes spreken we veelal over het verplaatsen van en naar tijdelijke verblijfplaats en naar foerageergebieden. Migratieroutes bestaan veelal uit grote elementen waarlangs wordt gemitigeerd van zomer naar winter verblijfplaats en visa versa. Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Effectenbeoordeling Op basis van het veldbezoek is de inschatting dat de vleermuizen mogelijk gebruik maken van de bomen, staande op de dijk ten zuiden van het plangebied. Aangezien door de initiatiefnemer geen bomen worden gekapt worden hierop geen negatieve effecten verwacht.

Foerageergebied Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. In de directe omgeving zijn vele vergelijkbare en meer geschikte locaties aanwezig. Daarnaast blijft tijdens en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Vlieg- en migratieroutes 20

5.4. Fauna - Vogels Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 19 juli 2023, dit is een suboptimale periode voor soortgericht onderzoek op aanwezigheid van beschermde soorten vogels en actieve nestplaatsen van vogelsoorten. Op de agrarische percelen, waar de zonnepanelen komen te staan zijn een groep grauwe ganzen en twee knobbelzwanen waargenomen. In de groenstrook ten zuiden van de planlocatie, nabij de aanlegplaats van de plezierjachten is een juveniel van houtduif op een nest aangetroffen. In de hoogspanningsmast, staande ten westen van het plangebied, zat één aalscholver met gespreide vleugels. Bij de toegang tot de planlocatie, aan de noordoostzijde van het plangebied was een groene specht luid aanwezig.

Aanwezige waargenomen soorten NDFF De afgelopen 5 jaar zijn de volgende vogelsoorten op de agrarische percelen waargenomen en vastgelegd in het NDFF als volgt: Slechtvalk, Visarend, grauwe gans, bergeend, grote Canadese gans en kolgans. Van de grauwe gans, bergeend, grote Canadese gans en kolgans kan worden vastgesteld dat door de jaren heen grote groepen gebruik maken van het gebeid om te foerageren. Voor de slechtvalk en de visarend maakt het plangebied enkel een klein onderdeel van het totale foerageergebied van deze soorten uit. In de randen en de omgeving van het plangebied zijn ruim honderd waarnemingen van vogelsoorten bekend (zie overzicht, bijlage 3). De randen plangebied, waarop geen intensief agrarisch beheer plaatsvindt, bieden mogelijkheden voor nestlocaties. Tijdens de inventarisatie zijn op de planlocatie geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten aangetroffen. In de randen was een nest met een juveniele houtduif aanwezig. Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied en nabije omgeving geen horsten, roekenkolonies of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen.

Groep grauwe ganzen

Juveniele houtduif op nest

Effectenbeoordeling Op de planlocatie zijn geen nesten aangetroffen, wel zijn met name de randen en oevers van het plangebied geschikt als nestplaats voor de knobbelzwaan, grauwe gans, bergeend, grote Canadese gans en de kolgans. Met name de struik- en boomlaag rondom het plangebied en de doorsteek tussen het oostelijke en westelijke deel van het plangebied zijn geschikt om te dienen als nestplaats voor vogelsoorten als benoemd in bijlage 3. Mits er buiten het broedseizoen van vogels wordt gewerkt worden er geen negatieve effecten verwacht. De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden

21

tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van vogels. Indien er sprake is van aanwezigheid en een negatief effect op bovengenoemde soorten, zal een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie Limburg op basis van artikel 3.1, lid 2 en lid 4, van de Wnb. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden een schouw op eventueel aanwezige nestplaatsen van vogels uit te voeren.

Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

Algemene soorten Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wnb een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wnb wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.

5.5. Fauna – Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemene soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied voor. Herkomst is terug te voeren op de noordelijke oever van De Slaag. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Limburg. 22

6. Conclusies 6.1. Omschrijving werkzaamheden Naar aanleiding van hoofdstuk 3.2 is het van belang om een duidelijke afbakening van de werkzaamheden te maken en deze te borgen. Om dit te bewerkstelligen, worden de werkzaamheden hieronder puntsgewijs benoemd: De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd binnen de begrenzing van de planlocatie zoals beschreven in hoofdstuk 3.1.; • Er zal geen sprake zijn van kap van bomen of het slopen van bebouwing die geschikt zijn voor beschermde soorten, zoals vleermuizen; • Er is geen sprake van toename van kunst- en strooilicht tijdens en na de uitvoer van de werkzaamheden; • Er worden geen sloten gedempt; • Op de agrarische percelen worden zonnepanelen geplaatst; • Het plangebied wordt natuurlijk ingericht, mogelijk vinden er graafwerkzaamheden plaats om bestaande oevers te verflauwen, een concreet inrichtingsplan is ten tijde van het opstellen van dit rapport nog niet bekend.

kunnen we ervoor zorgdragen dat de voorgenomen ingreep geen negatieve gevolgen heeft voor de beschermde soorten en hun leefgebieden. Met de voorgenomen ontwikkeling worden op het agrarische perceel zonnepanelen geplaatst en het plangebied wordt landschappelijk ingericht.

Wijzigingen in de hierboven beschreven werkzaamheden of uitvoeringsplannen kunnen van invloed zijn op de beschermde soorten die in het gebied voorkomen en hun leefgebieden op grotere schaal. In dit geval kan het noodzakelijk zijn om advies in te winnen en de conclusies zoals beschreven in hoofdstuk 6.2 en 6.3 te wijzigen. Als professionals is het onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de werkzaamheden worden uitgevoerd met inachtneming van de relevante wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van flora en fauna. Door een duidelijke afbakening van de werkzaamheden te maken en deze te borgen, 23

6.2. Overzicht beschermde gebieden Gebiedsbescherming Natura 2000 - stikstofgevoeligheid Overige onderdelen NNN

Aanwezigheid habitat/ soorten Zilvergroene zone

Effecten mogelijk mogelijk

Aanbevelingen AERIUS-berekening afstemming bevoegd gezag

Mits

6.3. Overzicht beschermde soorten Soortengroepen Flora – beschermde soorten Beschermde en monumentale bomen Zoogdieren – beschermde soorten Steenmarter Rode eekhoorn Das Bever

Aanwezigheid niet niet

Effecten geen geen

Aanbevelingen geen geen

mogelijk mogelijk aanwezig mogelijk

geen geen mogelijk mogelijk

Vleermuizen – verblijfplaatsen Vleermuizen – vliegroute/foerageergebied Zoogdieren – vrijgestelde soorten Vogels – jaarrond beschermde nesten Vogels – algemene broedvogels Amfibieën/vissen – beschermde soorten Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten Reptielen/ongewervelden – besch. soort Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort

mogelijk mogelijk mogelijk

mogelijk beperkt beperkt

geen geen nader onderzoek nader onderzoek, mits geen zorgplicht zorgplicht

mogelijk niet mogelijk niet mogelijk

beperkt geen beperkt geen beperkt

zorgplicht geen zorgplicht geen zorgplicht

Gewerkt wordt buiten de kwetsbare periode beperkt met licht- en trillingsbelasting wordt omgegaan

Schouw op nestplaatsen/nestactiviteiten

24

6.3. Advies en aanbevelingen Gebiedsbescherming • N2000: Wijziging beleidsvoering: Voer een AERIUS-berekening uit om te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling/inrichting negatieve effecten op N2000-gebied plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstofdepositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan nul Mol/ha/jaar is kan een vergunning worden verleend. •

Flora •

NNN (Zilvergroene zone): De planlocatie ligt binnen de begrenzing van het NNN. Raadpleeg bevoegd gezag, onderzoek of de activiteiten de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN aantasten. De bescherming van de NNN is juridisch vastgelegd in het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente. Als de geschetste realisatie overeenkomt met de bestemming dan zijn er geen beperkingen. Als voor de ontwikkeling een afwijking van het bestemmingsplan nodig is, dan is afstemming met de provincie nodig.

en struiken en de ontwikkeling van natuurlijke moeras- en oeverbegroeiing (BIJ12, 2017). Is het niet mogelijk buiten de kwetsbare periode van de bever te werken dan dient nader onderzoek op de bever uitgevoerd te worden. Aangenomen kan worden dat er geen bevers in het gebied aanwezig zijn als er geen actieve beversporen zijn aangetroffen bij twee inventarisatieronden, uitgevoerd door een beverdeskundige in een potentieel geschikt gebied. Eén van deze veldbezoeken moet in het bladerloze seizoen, bij voorkeur maart – april, plaatsvinden en de andere enkele maanden later in het begin van de zomer; •

Das: Onderzoek naar aanwezigheid/afwezigheid bestaat uit drie veldinventarisaties gericht op dassen onder goede omstandigheden en voldoende verspreid over het jaar uitgevoerd (september t/m mei) in combinatie met bureau-onderzoek. Mogelijk moet er een ontheffing bij bevoegd gezag worden aangevraagd (Zoogdiervereniging, z.d.);

•

Konijn (zorgplicht): Werkzaamheden aan en nabij de dijken ten zuiden van de planlocatie dienen, om negatieve effecten te voorkomen, buiten de kwetsbare periode van het konijn plaats te vinden, deze loopt van circa januari tot en met juli (Zoogdiervereniging, z.d.).

Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig.

Fauna Zoogdieren: • Bever: Werk, om negatieve effecten te voorkomen, buiten de kwetsbare periode van de bever. Deze loopt van mei tot en met september. Daarnaast dient er rekening te worden gehouden met de inrichting van het landschap. Denk hierbij aan het tijdig aanleggen van eetbare bomen

Vogels: • Voer maximaal één week voorafgaand aan de werkzaamheden een schouw uit op aanwezigheid nesten en/of nestactiviteiten; •

Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen; 25

•

Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;

Zorgplicht • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen, dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en moet contact worden opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.

26

7. Kwaliteitsborging en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies BV hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.

27

8. Bibliografie BIJ12. (2017, Juli). Kennisdocument Bever. Opgeroepen op 14 augustus 2023, van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-001-Kennisdocument-Bever1.0.pdf BIJ12. (2017, Juli 1). Kennisdocument Das. Opgeroepen op 11 augustus 2023, van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-003-Kennisdocument-Das1.0.pdf BIJ12. (z.d.). Vergunning aanvragen of niet? Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-ennatura2000/vergunningen-en-toestemmingsbesluiten/vergunningaanvragen-of-niet/ Gemeente Maasgouw. (2023). Bomenbeleid. Opgeroepen op 11 augustus 2023, van https://www.gemeentemaasgouw.nl/wonenleven/bomenbeleid_44493/ Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Tirion Natuur. KNMI. (z.d.). Weerstation. Opgeroepen op 19 juni 2023, van https://www.knmi.nl/nederland-nu/weer/waarnemingen Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://www.natura2000.nl/gebieden/limburg Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). N2000-gebieden. Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://www.natura2000.nl/gebieden Natuurgegevens Provincie Limburg. (2023, januari 1). Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://natuurgegevensprovincielimburg.nl/s2020/pub/kilo_fvd3/BLOK1 057.HTM NDFF. (z.d.). Nationale Databank Flora en Fauna.

Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul#1 Netwerk Groene Bureaus. (2021, januari 1). Vleermuisprotocol 2021. Opgeroepen op 14 augustus 2023, van

https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2021, juli 1). Wet Natuurbescherming. Opgeroepen op 10 augustus 15, 2023, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://app.pdok.nl/viewer/?origin=pdoknl Provincie Limburg. (2009, Juli 10). Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://www.limburg.nl/onderwerpen/natuur-enlandschap/landschapskader/ Provincie Limburg. (2017, april 25). Provinciaal blad van Limburg. Opgeroepen op 11 augustus 2023, van https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb2017-1845.html Provincie Limburg. (z.d.). Atlas Limburg. Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default Provincie Noord- Brabant. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortenbescherming. Raad van State. (2022, november 2). Bouwvrijstelling stikstof van tafel, maar geen algehele bouwstop. Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://www.raadvanstate.nl/@133608/bouwvrijstelling-stikstof-vantafel/ Rijksoverheid. (z.d.). Natuur Netwerk Nederland. Opgeroepen op 10 augustus 2023, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-enbiodiversiteit Zoogdiervereniging. (z.d.). Bever.

Opgeroepen op 14 augustus 2023, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bever Zoogdiervereniging. (z.d.). Das. Opgehaald van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/das Zoogdiervereniging. (z.d.). Eekhoorn. Opgeroepen op 11 augustus 2023, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn 28

Zoogdiervereniging. (z.d.). Konijn. Opgeroepen op 14 augustus 2023, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/konijn Zoogdiervereniging. (z.d.). Konijn. Opgeroepen op 12 Januari 2021, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/konijn Zoogdiervereniging. (z.d.). Steenmarter. Opgeroepen op 11 augustus 2023, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter

29

Bijlage BIJLAGE 1: Wettelijk kader Wet natuurbescherming Soortbescherming De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing (Overheid, 2021). Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.

Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1).

Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • Bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • Bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • Bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • Bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen: Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4).

Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen 30

of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan

bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt, een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepaling van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt.

Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden.

31

Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitat; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten; 4.

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing

of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 13. in het algemeen belang.

Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvgb) aan bij het bevoegd gezag

32

Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd (Overheid, 2021).

33

BIJLAGE 2: Waarnemingen Japanse duizendknoop

34

35

36

BIJLAGE 3: Vogelsoorten rondom de planlocatie en de directe omgeving

Aalscholver Appelvink Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomkruiper Boomvalk Bosrietzanger Bosuil Braamsluiper Buizerd Ekster Fitis Fuut Gaspieper Gekraagde roodstaart Gierzwaluw Grasmus Grauwe gans Groene specht Groenling Grote bonte specht Grote Canadese gans Grote gele kwikstaart Grote lijster Grote zilverreiger

Havik Heggenmus Houtduif Huismus IJsvogel Kerkuil Kievit Kleien karekiet Kleine plevier Kneu Knobbel knobbelzwaan Koekoek Koolmees Krakeend Kramsvogel Matkop Meerkoet Merel Nachtegaal Oeverzwaluw Ooievaar Paapje Pimpelmees Pontische meeuw Putter Ransuil

Rietzanger Ringmus Roodborst Roodborsttapuit Scholekster Slechtvalk Sperwer Spotvogel Staartmees Steenuil Tjiftjaf Torenvalk Tuinfluiter Veldleeuwerik Vink Visarend Visdief Vuurgoudhaan Wespendief Wielewaal Wilde eend Winterkoning Wulp Zanglijster Zwart kop Zwarte kraai 37

Zwarte roodstaart

38

LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Heel - gemeente Maasgouw

COLOFON

Door: LabelTIEN Bosrandweg 1a 7722 KB Dalfsen Telefoonnummer 06 555 72 233 E-mail info@labeltien.nl Internet www.labeltien.nl Project 01.053.21 Auteur ing. L. Grote Gansey - landschapsontwerper Datum laatst gewijzigd 6 maart 2024

Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of LabelTIEN 2

INHOUD

1. 1.1. 1.2.

Introductie Opgave Uitgangspunten

5 5 5

2. 2.1. 2.2. 2.3.

Vigerend beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

6 6 8 10

3. 3.1. 3.2. 3.3.

Visie Identiteit van het verleden Landschappelijke opbouw Visie

14 14 17 18

3

afbeelding 1. Topografische ligging zonnepark contour zonnepark (rood)

4

1. INTRODUCTIE 1.1. Opgave Greenbuddies is voornemens een zonnepark te realiseren in het buitengebied ten zuiden van Heel - gemeente Maasgouw. Het zonnepark bestaat uit een veldopstelling van zonnepanelen met bijbehorende infrastructuur. Hiermee kan een bijdrage worden geleverd aan de duurzaamheidsdoelstellingenvan gemeente Maasgouw. Momenteel wordt het ontwikkelingsplan verder uitgewerkt. Onderdeel van de benodigde bescheiden vormt het landschappelijke inventarisatie en visie. LabelTIEN staat met uitgebreide kennis van actueel beleid en het landschap, waarin het zonnepark is gelegen, opdrachtgevers bij met een landschappelijke inpassing. Per definitie wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt advies gegeven, passend bij het landschap en passend binnen het beleid van gemeente en provincie. LabelTIEN varieert in het geven van aanwijzingen ten aanzien van de uitstraling van het zonnepark, tot ruimtelijke inpassing, ontwerp en beplantingsplan van een zonnepark. De kenmerken van het omliggende landschap vormt de inspiratie voor de visie en/of inpassing van een zonnepark. Hierbij gaat het om een eigentijdse invulling, passend bij nieuwe functies, rekening houdend met oorspronkelijke cultuurhistorische waarden.

1.2. Uitgangspunten Dit plan bestaat uit een plankaart van het landschap. Er wordt duidelijk gemaakt waar en hoe investeringen in het landschap vorm krijgen en hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd na inpassing. Middels een korte onderbouwing op basis van een analyse van het landschap, het toetsen van beleid en het analyseren van de streekeigen kenmerken worden handvaten gepresenteerd die fungeren als leidraad voor een inpassingsplan. De visie zou moeten aansluiten op het beleid en de streekeigen kenmerken van het landschap.

5

2.VIGEREND BELEID 2.1. Rijksbeleid 2.1.1 Omgevingswet De Omgevingswet bevat de kaders van het recht voor de fysieke leefomgeving. In vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling werkt de wetgever de Omgevingswet uit. In het Besluit activiteiten leefomgeving stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving burgers, bedrijven en overheid. Energietransitie Energietransitie betekent dat de energie steeds meer gehaald moet worden uit hernieuwbare bronnen en dat het gebruik van fossiele brandstoffen worden verminderd om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. De instrumenten van de Omgevingswet bieden overheden handvatten om deze maatschappelijke opgave aan te pakken.

•

leefomgeving. De NOVI geeft richting aan de omgevingsvisie van provincies en gemeenten; de Regionale Energiestrategieën (RESsen) voor de regio.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) staan verplichte instructies die de gemeente in het omgevingsplan moet doorvoeren. Gemeenten moeten voldoende ruimte reserveren in het omgevingsplan voor de opwekking en transport van energie (artikel 5.157 tot en met 5.129, Bkl). In de omgevingsregeling is de exacte begrenzing aangegeven die de gemeente kan overnemen. Gemeenten kunnen naast de verplichte locaties ook zelf locaties voor energieopwekking aanwezing in het omgevingsplan. Of ruimte reserveren voor distributienetwerken voor energie of warmte. Deze locaties kunnen volgen uit de RES. Zo kan het omgevingsplan het realiseren en gebruiken van een zonnepark juridisch toestaan in een bepaalde wijk. Het instrument omgevingsplan waarin de omgevingswaarden zijn vastgesteld, biedt mogelijkheden om regels op te stellen die meer sturend zijn. Door het naar eigen inzicht opnemen van omgevingswaarden, verplicht de gemeente zichzelf om aan deze waarden te voldoen.

De overheden baseren zich in die omgevingsvisie op verschillende akkoorden: • het Klimaatakkoord van 2019, dat een Nederlandse uitwerking is van internationale klimaatafspraken van Parijs in 2015; • de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waarin het Rijk haar ambities over de overgang naar duurzame energiebronnen heeft uitgewerkt. Energietransitie is daarbij 1 van de prioriteiten. In de NOVI staan afwegingsprincipes die helpen bij het maken van keuzes voor de inrichting van de fysieke 6

2.1.2. Nationale omgevingsvisie Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Een duurzaam en economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Effectenbeoordeling Met de ontwikkeling van een EOS-project op agrarische perceel zijn geen nationale belangen in het geding. De ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten van de NOVI. 2.1.3. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ten behoeve van de bescherming van de verwezenlijking van de nationale belangen, worden in het Besluit ruimtelijke ordening algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als de provincie en gemeenten. Het gaat om de volgende onderwerpen: • Rijksvaarwegen; • Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; • Elektriciteitsvoorziening; • Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer gevaarlijke stoffen; • Natuurnetwerk Nederland; • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; • IJsselmeergebied. Effectenbeoordeling Het plangebied ligt niet in de invloedssfeer van één van bovengenoemde nationale gelangen. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met het nationaal belang zoals beschreven in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. In de afwegingsprincipes met betrekking tot de energietransitie zijn de volgende aspecten opgenomen: • Voorkeur voor grootschalige clustering; • Kenmerken en identiteit van een gebied staat centraal; • Afwentelen naar tijd wordt voorkomen.

7

2.2. Provinciaal beleid 2.2.1. Provinciaal Omgevingsvisie Limburg Uitdagingen op het gebied van gezondheid en veiligheid, veranderingen in de samenleving als gevolg van demografische ontwikkelingen en individualisering, de relatie tussen overheid en samenleving, ontwikkelingen met betrekking tot het klimaat, de aanstaande energietransitie, een landbouwtransitie, digitalisering en de circulaire economie. Dat zijn de vraagstukken waar Limburg voor staat. In de Omgevingsvisie Limburg laat de provincie Limburg zien welke richting ze willen geven aan toekomstbestendige ontwikkelingen en hoe ze daarbij steeds de balans zoeken tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.

Energie De energietransitie is van economisch belang door de afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen en de afhankelijkheid van internationale energieleveranciers. Energiebesparing, de toelevering van duurzaam opgewekte energie, gebruik van secundaire grondstoffen en het benutten van de restwarmte zijn onderdelen van de aanpak. Het plangebied ligt in het ‘uitsluitingsgebied geothermie en windturbines’

Veranderingen in de demografie en het klimaat, trends als individualisering en globalisering, maar ook technologische innovaties maken dat de Limburgse samenleving, de fysieke leefomgeving en de economie de komende decennia blijven veranderen. Ook grote transities zullen leiden tot grote veranderingen van de fysieke leefomgeving. Bovengenoemde trends en ontwikkelingen bieden onze provincie kansen maar stelt de provincie ook voor diverse uitdagingen. Dit is onderverdeeld in een drietal hoofdopgaven: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; 3. Klimaatadaptatie en energietransitie.

afbeelding 2. Uitsnede kaartbeeld Energie bron: provincie Noord-Brabant

8

Voor de ruimtelijke inpassing van zonne-energie hanteert de provincie de Limburgse zonneladder. Het gaat zowel om de juiste locatie als om de juiste ruimtelijke inpassing van die locatie. De zonneladder is als volgt:

afbeelding 3. De Limburgse Zonneladder bron: provincie Noord-Brabant

Water – Rivier- en beekdalen De Maas en omliggende gebieden hebben functies als recreatiegebied, als vervoerscorridor, als bron voor drinkwater en als verbindingszone voor flora en fauna. Bij de ruimtelijke inrichting dient men rekening te houden met het veranderde weer, met droogte en met wateroverlast. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gekeken naar de gevolgen hiervan op droogte en wateroverlast en het watersysteem. Het landschap ligt in het landelijk gebied - groenblauwe mantel en Maasdal.

afbeelding 4. Uitsnede kaartbeeld 'Water - Rivier - beekdalen' bron: provincie Noord-Brabant

Natuur en landschap Voor het behouden en herstellen van natuur en biodiversiteit is ruimte en robuustheid nodig. Daarmee concurreert natuur met de toenemende ruimtevraag vanuit andere functies zoals landbouw, wonen, energieopwekking, economie en recreatie. De meeste Limburgse natuurgebieden, waaronder de Natura 2000-gebieden, vormen samen het Natuurnetwerk Limburg - het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het landelijk gebied onderscheiden we daarnaast de groenblauwe mantel en het buitengebied. Voor het behoud van de kwaliteiten in het Natuurnetwerk Limburg en vooral de daartoe behorende Natura 2000-gebieden, is het van belang dat de abiotiekop orde wordt gebracht. Dat kan door inrichting en beheer binnen de natuurgebieden, het voldoende robuust maken van het Natuurnetwerk Limburg en door goede overgangen naar de omliggende gebieden. De focus ligt daarbij op Limburgs meest bijzondere landschappen; de groenblauwe mantel inclusief het Maasdal, de verbrede Nationale Parken De Meinweg, De Maasduinen en De Groote Peel en het Nationaal Landschap Zuid-Limburg inclusief de stad-landzones.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=7dd9266e-f08e-46f4-981b-086108b45b8d