CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Jaarstukken 2025 versie 1

01. Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Jaarstukken 202531.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Tarief 2024

240 liter minicontainer restafval

265,00

248,50

140 liter minicontainer restafval

250,00

233,50

< 140 liter minicontainer restafval

220,00

203,50

220,00

203,50

Gebruik makend van ondergrondse verzamelcontainer

60

Tarief 2025

Jaarstukken 2025 • Versie 1

(bedragen in €) Ledigingstarief afvalstoffenheffing

Tarief 2025

240 liter minicontainer restafval 140 liter minicontainer restafval 80 liter minicontainer 60 liter minicontainer 40 liter minicontainer Ondergrondse verzamel container

Tarief 2024 12,00 7,00 4,00 3,00 2,00 3,00

12,00 7,00 4,00 3,00 2,00 3,00

Rioolheffing De kosten voor het beheren en in stand houden van het rioolstelsel worden door middel van de rioolheffing verhaald op de eigenaren en gebruikers van een perceel die op dat stelsel zijn aangesloten. De gemeente heeft naast de zorgplicht voor gemeentelijk afval- en hemelwater ook de zorgplicht voor grondwater. De opbrengst van de rioolheffing wordt gebruikt om de voorzieningen, die dienen voor de uitvoering van genoemde zorgplicht, te bekostigen. De tarieven van 2025 zijn ten opzichte van 2024 conform GRP (2022-2026) verhoogd met als uitgangspunt voor 3% het GRP (2022-2026) en 2,3% indexering conform de meicirculaire 2024. (bedragen in €) Rioolheffing

Tarief 2025

Tarief 2024

Eigenaar

139,89

132,76

Gebruiker

155,41

147,49

Eigenaar en gebruiker

295,30

280,25

bij een gebruik boven de 400 t/m 4.800 m³

236,24

224,20

bij een gebruik boven de 4.800 t/m 10.000 m³

206,35

195,84

bij een gebruik boven de 10.000 t/m 20.000 m³

177,46

168,42

bij een gebruik boven de 20.000 m³

147,58

140,06

Hondenbelasting De hondenbelasting is volgens de Gemeentewet een algemene belasting, zonder directe relatie met de te maken kosten. De gemeente kan kiezen voor welk beleidsdoel ze de opbrengst van deze belasting aanwendt. De gemeente heft hondenbelasting voor het houden van een hond. Het bedrag van de aanslag is afhankelijk van het aantal honden. (bedragen in €) Hondenbelasting

61

Tarief 2025

Tarief 2024

Eerste hond

53,00

52,00

Tweede hond

79,00

77,00

E.v. hond boven twee

105,00

103,00

Kennel

264,00

258,00

Jaarstukken 2025 • Versie 1

(Water-)toeristenbelasting De (water-)toeristenbelasting is een algemeen dekkingsmiddel. De belasting is gebaseerd op de gedachte dat door personen die binnen de gemeentegrenzen verblijven en niet zijn ingeschreven in het BRP, maar wel gebruik maken van de (algemene) gemeentelijke voorzieningen, een bijdrage leveren aan deze algemene voorzieningen. De belasting moet dan ook worden gezien als een tegemoetkoming in de kosten van de gemeente voor de instandhouding van die voorzieningen. De belasting wordt verschuldigd voor het houden van verblijf met overnachting tegen vergoeding en wordt geheven van degene die verblijf biedt. Deze is dan op grond van regelgeving bevoegd de belasting te verhalen op de persoon of personen die verblijf houden. Het tarief voor de (water-) toeristenbelasting is voor 2025 verhoogd € 0,25 naar € 2,25 per overnachting. (bedragen in €) (Water-)Toeristenbelasting

Tarief 2025

Per overnachting/ etmaal

Tarief 2024 2,25

2,00

Forensenbelasting De forensenbelasting dient ertoe om mensen die relatief veel in onze gemeente verblijven, maar geen ingezetene zijn van onze gemeente, mee te laten betalen aan gemeentelijke voorzieningen. Het doel is niet om kosten van deze voorzieningen één op één te verhalen, maar juist om een bijdrage te vragen aan het algemene voorzieningenniveau van onze gemeente. (bedragen in €) Forensenbelasting

Tarief 2025

Tarief 2024

WOZ-waarde t/m € 50.000

184,00

180,00

WOZ-waarde boven € 50.000

515,00

503,00

Leges De gemeente heft leges voor de door haar verstrekte diensten, genoemd in de bij de legesverordening behorende tarieventabel. Gemeenten heffen leges om haar taken te bekostigen. De opbrengsten uit de heffing van leges worden gebruikt om de kwaliteit van de verstrekking te waarborgen en om personeels-, huisvesting- en materiaalkosten te dekken. De tarieven onder de € 20,00 zijn afgerond op € 0,05 en de tarieven boven de € 20,00 op hele euro’s. De maximumtarieven voor reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart, rijbewijzen, schriftelijke vertrekkingen uit de Basisregistratie personen, de verklaring omtrent het gedrag en de tarieven voor de speelautomaten zijn wettelijk vastgelegd. Lijkbezorgingsrechten Op basis van deze belastingverordening worden rechten geheven voor het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen en de daarmee samenhangende diensten. Marktgelden Marktgeld is een retributie voor het innemen van een standplaats op een (gewoonlijk periodiek gehouden) markt.

62

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Parkeerbelasting Deze belastingen worden geheven voor het parkeren van motorvoertuigen waar dat alleen tegen betaling is toegestaan. Alleen in de kern Thorn worden parkeerbelastingen geheven. Voor het parkeren op beide parkeerplaatsen in Thorn is het dagtarief voor 2025 gehandhaafd op € 3,00. Kwijtscheldingsbeleid BsGW handelt namens de gemeente alle verzoeken om kwijtschelding en de bezwaar- en beroepszaken af. Kwijtschelding is mogelijk voor de volgende heffingen: • de afvalstoffenheffing voor het vastrecht en ledigingen (met een maximum van € 96). • de hondenbelasting voor de eerste hond. • De rioolheffing voor het gebruikersdeel. De kosten van kwijtschelding worden, op basis van een eerder amendement, niet doorbelast in de tarieven afvalstoffenheffing en rioolheffing. In totaal is er over belastingjaar 2025 voor € 107.156 aan kwijtschelding verleend. Begroot was € 115.000. Onderstaande bedragen zijn de bedragen per 31 december 2025. (bedragen in €) Afvalstoffenheffing

64.493

Hondenbelasting

1.325

Rioolheffing gebruiker Totaal kwijtschelding 2025

41.338 107.156

Bron: Kwartaalrapportage 4e kwartaal 2025 BsGW

Onderstaand overzicht laat de aantallen (en de voorraad) kwijtscheldingsverzoeken en de bezwaaren beroepschriften zien. De vermelde aantallen zijn de aantallen per 31 december 2025 en zullen gedurende het komende jaar kunnen wijzigen op grond van nieuwe en afgehandelde bezwaar- en verzoekschriften over voorgaande jaren. 2025

Kwijtscheldingen

Beroepschriften

Binnengekomen

407

840

23

Afgehandeld

404

833

8

3

7

15

Nog af te handelen Bron: Kwartaalrapportage 4e kwartaal 2025 BsGW

63

Bezwaarschriften

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Belastingopbrengsten 2025

In onderstaand overzicht zijn de gerealiseerde inkomsten gemeentelijke heffingen 2025 afgezet tegen de begroting 2025 en de realisatie 2024. Afwijkingen worden daar waar nodig toegelicht in het programma in de jaarrekening waar het toebehoort. (bedragen in €) Belastingsoort OZB eigenaar woning

Begroting 2025 3.370.000

Rekening 2025 3.370.600

Rekening 2024 3.196.400

OZB eigenaar niet-woning

1.195.500

1.201.300

1.120.000

OZB gebruiker niet-woning

873.800

873.500

920.600

Rioolheffing

3.700.900

3.674.800

3.435.900

Afvalstoffenheffing

3.311.500

3.340.800

3.137.200

Hondenbelasting

125.900

121.200

127.200

(Water)toeristenbelasting*

427.800

241.900

926.900

Forensenbelasting

229.100

251.900

137.000

Leges overig

325.500

337.900

773.900

Bouwleges

504.000

581.800

740.200

Lijkbezorgingsrechten

85.700

90.700

80.800

Marktgelden

8.300

6.800

10.400

Parkeergelden

110.000

116.700

119.000

14.268.000

14.209.300

14.725.500

Totaal

*De opbrengst (Water)toeristenbelasting is aanzienlijk lager dan voorgaande -en komende jaren. Dit is veroorzaakt door de Uitspraak gerechtshof Watertoeristenbelasting 2021. Zie voor nadere toelichting de 2e programmarapportage 2025 en de RIB D/25/212276 Uitspraak gerechtshof watertoeristenbelastingen 2021 en verdere gevolgen.

Kostendekkendheid

Op grond van de verslaggevingsvoorschriften (BBV) dient in hoofdstuk 4.1 paragraaf Lokale heffingen inzicht te worden gegeven in de kostendekkendheid van de tarieven van de diverse leges en heffingen. Het uitgangspunt is dat de gebruiker betaalt. De gemeenteraad is vrij om de hoogte van het tarief vast te stellen met een kostenonderbouwing als basis, waarbij het Rijk een aantal grenzen heeft gesteld, waaronder een maximale kostendekkendheid van 100%.

Leges

Onderstaand zijn de uitkomsten van het onderzoek naar de kostendekkendheid van de leges gespecificeerd naar de diverse titels (gebaseerd op de jaarcijfers 2025). (bedragen in €) 1. Algemene dienstverlening 1.1 1.2 1.3 1.4 1.7 1.9 1.10 Totaal

64

Burgerlijke stand Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart Rijbewijzen Verstrekkingen in het kader van de basisregistratie persoonsgegevens Overige publiekszaken Bijzondere wetten Diversen

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Kosten

Opbrengsten

Dekking

112.300 268.900 116.700

48.800 153.500 76.900

43% 57% 66%

21.200

12.300

58%

8.400 31.000 5.300

4.200 8.400 3.000

50% 27% 57%

563.800

307.100

54%

(bedragen in €) Dienstverlening en besluiten in het kader van 2. de Omgevingswet 2.2 2.3 2.4 2.7 2.8 2.11 2.12 2.14 Totaal

Kosten

Voorfase Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Aanlegactiviteiten Overige activiteiten Overige tarieven Modaliteiten Teruggaaf

Totale kostendekkendheid hoofdstuk 1 en 2

Opbrengsten

Dekking

94.000 298.500

19.200 582.000

20% 195%

23.100 22.900 151.600 6.000 73.800 2.300 672.200

4.900 8.100 40.000 2.800 19.500 -94.700 581.800

35% 26% 46% 26% -3607% 87%

1.235.900

889.000

72%

21%

(bedragen in €) 3. 3.1 3.2 3.5 3.7 3.8

Dienstverlening vallend onder de Dienstenrichtlijn en niet vallend onder Horeca Seksbedrijven Standplaatsen Campings en recreatieparken, huisvesting arbeidsmigranten en exploiteren kamerverhuurbedrijf Algemene plaatselijke verordening Maasgouw

Totaal

Kosten

Opbrengsten

Dekking

12.600 100 400

5.900 100 200

47% 100% 50%

300

200

67%

2.100 15.000

600 7.000

29% 45%

Conclusie

De kostendekkenheid mag voor het totaal van de leges (titel 1 en 2) maximaal 100% bedragen. De kostendekkendheid leges van de Gemeente Maasgouw is 65% en voldoet daarmee aan de wettelijk gestelde eisen. (bedragen in €) Recapitulatie Hoofdstuk 1,2 en 3 Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet Totaal Hoofstuk 1 en 2 Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder de Dienstenrichtlijn en niet vallend onder hoofdstuk 2 Totaal Legesverordening

65

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Kosten Opbrengsten Dekking 563.700 307.200 54% 672.200

493.000

73%

1.235.900

800.100

65%

15.500 1.251.400

7.000 807.100

45% 65%

Afvalstoffenheffing (bedragen in €) Kosten Afval

Bedrag 2.522.100

Reserves en voorzieningen

237.000

Overhead

240.100

BTW

341.600

Totaal Kosten

3.340.800

Opbrengsten Afvalstoffenheffing

3.340.800

Totaal Opbrengsten

3.340.800 100 %

Kostendekkendheidspercentage

Rioolheffing (bedragen in €) Kosten Riolering

Bedrag 3.636.900

Reserves en voorzieningen

-1.031.700

Overhead

547.400

BTW

522.200

Totaal Kosten

3.674.800

Opbrengsten Rioolheffing

3.674.800

Totaal Opbrengsten

3.674.800 100 %

Kostendekkendheidspercentage

Lijkbezorgingsrechten (bedragen in €)

Totaaloverzicht begraafrechten

Bedrag

Totaal kosten

235.615

Totaal baten

90.721

Kostendekkendheidspercentage

Woonlasten

39%

Voor een beeld van de lokale lastendruk van Maasgouw in vergelijking met andere gemeenten worden de cijfers gebruikt die zijn ontleend aan de “Atlas van de lokale lasten 2025”. Deze atlas wordt elk jaar door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (Coelo), een onafhankelijk onderzoeksinstituut verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, gepubliceerd. De Atlas geeft jaarlijks een overzicht van de heffingen van gemeenten, provincies en waterschappen, waaraan de onderstaande tabellen zijn ontleend. Voor de woonlasten hanteert Coelo een gemiddelde WOZ-waarde van € 382.379. Omdat de definitieve waarde cijfers van onroerende zaken op het moment dat de atlas wordt samengesteld nog niet beschikbaar zijn worden voorlopige cijfers gehanteerd. Deze zijn berekend door de 66

Jaarstukken 2025 • Versie 1

gemiddelde waarde van koopwoningen in 2024 (bron: CBS) te verhogen met behulp van voorlopige cijfers met betrekking tot de waardeontwikkeling binnen de gemeente (bron: de Waarderingskamer). (bedragen in €) Gemiddelde woonlasten eigenaar-bewoner

Eénpersoonshuishouden 2025

Meerpersoonshuishouden 2025

Onroerendezaakbelastingen eigenaar

315

315

Afvalstoffenheffing

283

375

Rioolheffing

295

295

Totaal

893

985

Gemiddelde woonlasten vorig jaar

831

902

7,34%

9,09%

Mutatie lokale lastendruk (bedragen in €) Gemiddelde woonlasten huurder

Eénpersoonshuishouden 2025

Meerpersoonshuishouden 2025

Afvalstoffenheffing

283

375

Rioolheffing

155

155

Totaal

438

530

Gemiddelde woonlasten vorig jaar

392

463

11,73%

14,47%

Mutatie lokale lastendruk Eigenaar-bewoner

Eenpersoonshuishouden

Meerpersoonshuishouden Rangnummer

Maasgouw

893

985

Limburg

966

1.036

Nederland Huurder

964 Eenpersoonshuishouden

1.053 Meerpersoonshuishouden Rangnummer

114

Maasgouw

438

530

Limburg

367

436

23

Nederland

376

480

215

In de kolom rangorde staat welke plaats Maasgouw inneemt ten opzichte van het Limburgs en Nederlands gemiddelde van een meerpersoonshuishouden. Nummer 1 in de rangorde is de goedkoopste gemeente en nummer 346 de duurste.

67

8

Jaarstukken 2025 • Versie 1

4.2 Weerstandsvermogen & risicobeheersing Inleiding

In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing stellen we vast of de financiële positie van Maasgouw robuust genoeg is om onvoorziene tegenvallers op te vangen. Om dat te bepalen zijn twee componenten belangrijk: 1. De risico’s die we als gemeente lopen. Een aantal risico’s zijn afgedekt door verzekeringen af te sluiten en door samen te werken met andere partijen (risicodeling). De risico’s die niet te verzekeren zijn of verbonden zijn aan de maatschappelijke doelen die we als Maasgouw willen realiseren, moeten we in kaart brengen, proberen te verkleinen en goed bewaken. 2. De ‘weerstandscapaciteit’ (buffer) die er is om de resterende risico’s op te vangen. De weerstandscapaciteit zijn de middelen en mogelijkheden die de gemeente heeft om deze niet begrote risico’s te ondervangen. Deze twee begrippen geven in essentie het begrip ‘risicomanagement’ weer. Een aantal risico’s dekken we af met beheersmaatregelen. Voor de overblijvende risico’s geven we inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is om de financiële en niet-financiële gevolgen van risico’s op te vangen. Ook geven we inzicht in de financiële buffer die we daarvoor nodig en beschikbaar hebben. De paragraaf is als volgt opgebouwd: Eerst gaan we in op het bestaand beleid rondom weerstandsvermogen. Daarna wordt de weerstandscapaciteit alsmede de risico’s geïnventariseerd.

Op basis hiervan wordt de weerstandsratio bepaald. Als laatste wordt de financiële positie van de gemeente weergegeven aan de hand van de financiële kengetallen.

Beleid

De in februari 2025 vastgestelde nota Risicomanagement & Weerstandsvermogen 2025 (verder nota R&W) geeft de gehanteerde normen als leidraad voor deze paragraaf. In de nota R&W zijn onder andere kaders gesteld met betrekking tot: • Te onderkennen risico’s; • Rapportage van risico’s in de P&C-documenten. Risico’s met een score groter dan 10 op basis van kans x impact worden nader toegelicht. Daarbij richten we ons niet alleen op de risicosignalering van de interne organisatie, maar ook van de risico’s bij onze verbonden partijen; • Berekening van de incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Daarbij wordt de incidentele weerstandscapaciteit berekend exclusief stille reserves. De structurele weerstandscapaciteit wordt met name bepaald door de onbenutte belastingcapaciteit en de begrotingsruimte; • Het onderscheiden van een incidentele en een structurele weerstandsratio. Er is sprake van een ingebouwde signaleringsfunctie indien de ratio lager is dan 2. Er wordt een ondergrens van 1 gehanteerd. Een inventarisatie van de weerstandscapaciteit Het is relevant om onderscheid te maken tussen incidenteel weerstandsvermogen dat beschikbaar is (om incidentele tegenvallers op te vangen) en weerstandsvermogen met een structureel karakter. Uit de tabellen is te herleiden uit welke componenten dat de incidentele en structurele weerstandscapaciteit zijn opgebouwd.

68

Jaarstukken 2025 • Versie 1

(bedragen in €) Onderdelen Weerstandscapacitei t

Incidenteel/ Structureel

Algemene reserve

Incidenteel

Dit zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken. Het betreft de Algemene reserve per 1 januari 2026.

Bestemmingsreserve vrij aanwendbare deel

Incidenteel

Dit betreft het vrij aanwendbare deel van de reserve ontwikkelingsbedrijf.

Begrotingsruimte

Structureel

Dit is de ruimte die ombuigingen op de korte (en lange) termijn mogelijk maakt.

0

Onvoorziene uitgaven

Structureel

Deze post creëren we om middelen te hebben om nieuwe beleidsinitiatieven (incidenteel of structureel) te bekostigen of om onvoorzienbare, onontkoombare, onuitstelbare tegenvallers op te vangen. Voor incidentele uitgaven is € 25.000 beschikbaar.

25.000

Onbenutte belastingcapaciteit

Structureel

Dit zijn inkomsten die nog niet gemaximeerd of kostendekkend zijn. De tarieven voor de afvalstoffenheffing en rioolheffing zijn al kostendekkend. Dit betreft alleen de onroerende zaakbelastingen.

2.200.000

Vrij aanwendbare deel

Totaal weerstandscapaciteit

69

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Omschrijving 27.796.000

311.000

30.332.000

Inventarisatie risico’s Een risico is een onzekere gebeurtenis met oorzaken, een kans van optreden en gevolgen voor doelstellingen. Hierbij worden de risico’s gekwantificeerd door de kans te vermenigvuldigen met de financiële gevolgen. Deze uitkomst vertaalt zich in de volgende risicomatrix: 1 Risico in €

2

3

4

€ 25.000 <x> €25.000 €100.000

€ 100.000 <x> €500.000

€ 500.000 x> <x> € €1.000.000 1.000.000

x<

Kans

5

5

Zeer groot

80–99 %

5

10

15

20

25

4

Groot

60-80 %

4

8

12

16

20

3

50/50

40–60 %

3

6

9

12

15

2

Klein

20–40 %

2

4

6

8

10

1

Zeer klein

1–20 %

1

2

3

4

5

Aan de risicomatrix is een rapportagestructuur gekoppeld, waarbij het principe is gehanteerd dat risico’s met een score van 10 en hoger via de Planning & Control-cyclus (P&C-cyclus) aan de raad worden gerapporteerd via een toelichting. Voor de risico’s met een lagere score wordt volstaan met benoeming van het risico en het bedrag.

70

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Risico’s (bedragen in €) Omschrijving

Incidenteel (I)/ Structureel (S) I

Kansklasse (B)

Risicoklasse (A)

Risicoscore

3

5

15

Kans x Fin. impact PM

1.

Woonwagenstandplaatsen

2.

Risico’s projecten als gevolg van onvoorziene en kostprijsverhogende omstandigheden

I

5

3

15

PM

3.

Besparingsopgave Hervormingsagenda Jeugd

S

4

3

12

334.600

4.

S

4

3

12

300.000

5.

Risico's van de prijsregelgeving Jeugd en Wmo voor Gemeenten Stagneren van toereikende jeugdhulp

S

4

3

12

200.000

6.

Verbonden partijen

I

4

3

12

126.000

7.

Netwerkcongestie

S

4

3

12

PM

8.

Stikstof

S

4

3

12

PM

9.

Spuitzones

S

4

3

12

PM

10.

Krapte op de arbeidsmarkt

S

3

3

9

PM

11.

S

3

3

9

PM

12.

Uitkering uit het gemeentefonds: de impact van de herijking gemeentefonds alsmede onduidelijkheid beleid van de overheid Rentestijging

S

2

3

6

42.000

13.

Openeindregelingen sociaal domein

S

2

3

6

PM

14.

S

2

3

6

PM

15.

Risico’s grondexploitatieopzetten inzake tegenvallende verkopen, stijging kosten bouw- en woonrijp maken, inschatting plankosten Didam II Arrest

S

1

4

4

PM

16.

Obligatieportefeuille

I

1

3

3

20.000

17.

Fiscale risico’s

S

PM

PM

PM

PM

18.

Juridische risico’s

S

PM

PM

PM

PM

19.

Aansprakelijks risico’s

S

PM

PM

PM

PM

Totaal risico’s

1.022.600

In de programmabegroting 2025 zijn een twintigtal risico’s opgenomen. Tien risico’s zijn vanuit de actualisatie van deze risico’s bij de programmabegroting 2026 vervallen. De actualisatie van de risico’s ten behoeve van de jaarstukken 2025 levert hierin geen ander beeld. Het risico Beheersing werkzaamheden verbonden partijen is bij de jaarrekening 2025 vervallen.

71

Jaarstukken 2025 • Versie 1

De hierboven vermelde risico’s met een score >10 worden hieronder toegelicht: 1. Woonwagenstandplaatsen De raad heeft op 5-10-2021 het Plan van aanpak Woonwagen- en standplaatsenbeleid vastgesteld. Hierin is de ambitie geformuleerd om te zorgen voor voldoende woonwagenstandplaatsen. In totaal gaat het in dit plan over 33 nieuwe standplaatsen. In de begroting 2024 is € 1 miljoen gereserveerd voor realisatie van 10 woonwagenstandplaatsen op bestaande locaties in diverse kernen. Voor de overige 23 standplaatsen zijn de verdiepende raadsvoorstellen om het investeringskrediet beschikbaar te stellen nog niet voorbereid. Conform de prestatieafspraken zijn wij in overleg met Wonen Limburg. Momenteel zijn wij nog in afwachting van input alvorens over te gaan tot het voorbereiden en opstellen van de raadsvoorstellen. Onderdeel van deze raadsvoorstellen wordt eveneens het bijstellen dan wel opnemen van de risicoreservering. Risicoklasse

5 (A)

PM

Kansklasse

3 (B)

50%

15 (A*B)

PM

Kans * Financiële impact

2. Risico’s projecten als gevolg van onvoorziene en kostprijsverhogende omstandigheden. De oorlog in de Golfregio heeft al geleid tot een directe stijging van energiekosten. Afhankelijk van het verloop van deze oorlog heeft deze kostenstijging ook op middellange en lange termijn effect en werkt ze door in alle kosten die een relatie hebben met energiekosten. Risicoklasse

3 (A)

PM

Kansklasse

5 (B)

90%

15 (A*B)

PM

Kans * Financiële impact

3. Besparingsopgave Hervormingsagenda Jeugd In januari 2025 heeft de Deskundigencommissie van Ark (Commissie van Wijzen) haar evaluatierapport en advies aan de minister aangeboden. De conclusie er is flinke bijsturing noodzakelijk, ook financieel. Het risico dat de besparingsopgave niet wordt gehaald is daarmee aanwezig. Het risico wordt ingeschat op maximaal € 478.000. De kans dat dit risico zich voordoet wordt ingeschat op 70%. Risicoklasse

3 (A)

€ 478.000

Kansklasse

4 (B)

70%

12 (A*B)

€ 334.600

Kans * Financiële impact

4. Risico's van de prijsregelgeving Jeugd en Wmo voor Gemeenten Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het inkopen van ondersteuning en zorg op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en de Jeugdwet. Sinds 1 juni 2017 geldt voor de Wmo de AMvB Reële prijs Wmo 2015, waarin is vastgelegd dat gemeenten bij het bepalen van tarieven uit moeten gaan van een reële kostprijs. Vanaf 1 juli 2024 is de AMvB Reële prijzen Jeugdwet van kracht geworden, waarin vergelijkbare verplichtingen gelden voor tarieven in de jeugdhulp. Beide regelingen verplichten gemeenten om reële 72

Jaarstukken 2025 • Versie 1

tarieven te hanteren die zijn gebaseerd op specifieke kostprijselementen, zoals personeelskosten, overheadkosten, cliëntgebonden kosten en indexatie. Daarnaast moeten gemeenten de totstandkoming van deze tarieven aantoonbaar en transparant onderbouwen. In de besluiten van 1 juli 2024 (Staatsblad 2024, 69), zijn de kostprijselementen en transparantie-eisen voor gemeenten verder aangescherpt. Gemeenten dienen hun tarieven te onderbouwen aan de hand van minimaal voorgeschreven kostprijselementen, waaronder personeelskosten, redelijke overhead, cliëntgebonden kosten en indexatie. De AMvB verplicht niet tot hogere tarieven, maar wel tot een transparante onderbouwing van de kostprijs. In de praktijk leidt dit vaak tot hogere tarieven, omdat de voorgeschreven kostprijselementen nu afzonderlijk moeten worden vastgesteld en getoetst. Voor de risico's van de AMvB Jeugd en Wmo voor gemeenten hebben we inmiddels al extra middelen opgenomen in de begroting voor 2026. De gevolgen van de kostprijsonderzoeken, die met ingang van 2027 tot uiting komen in de tarieven, zullen worden verwerkt in de begroting voor 2027. Hierdoor wordt ook het risico kleiner dat een aanbieder in 2025 nog bezwaar maakt tegen de geldende tarieven. Risico's voor gemeenten: • Stijgende lasten: Sinds juli 2024 zijn de tarieven voor Wmo en Jeugdhulp gestegen door inwerkingtreding van de AMvB's.

Dit leidt tot hogere lasten voor gemeenten, los van afgesproken indexaties. • Hogere tarieven bij nieuwe overeenkomsten: bij nieuwe overeenkomsten of aanbestedingen zullen de tarieven waarschijnlijk hoger uitvallen vanwege verplichte toepassing van reële tarieven. • Juridische gevolgen: gemeenten moeten hun tarieven goed onderbouwen. Onzorgvuldigheid kan leiden tot juridische procedures. • Druk van zorgaanbieders: zorgaanbieders kunnen hogere tarieven eisen o.b.v. de AMvB's, wat extra financiële druk op gemeenten legt. • Bij verlenging van bestaande contracten: Het juridische kader verplicht gemeenten om bij verlenging opnieuw te beoordelen of het tarief reëel is, zelfs als het oorspronkelijke contract al voldeed aan de AMvB. Dit geldt als een nieuw ijkmoment voor de tarieven en kan leiden tot aanvullende aanpassingen. Risicoklasse

4 (A)

€ 600.000

Kansklasse

3 (B)

50%

12 (A*B)

€ 300.000

Kans * Financiële impact

5. Stagneren van toereikende jeugdhulp Om uiteenlopende oorzaken komen er steeds meer situaties voor dat aanbieders financieel in de problemen (dreigen te) komen. Hierdoor staat toereikende jeugdhulp (jeugdhulpplicht) onder druk. Het risico bestaat dat de gemeenten als verantwoordelijke samen met de instanties binnen het landschap moet ingrijpen. Dit met het oog op continuïteit van zorg zodat jeugdigen en hun ouders/wettelijke vertegenwoordigers passende jeugdhulp krijgen. Deze problematiek binnen het jeugdzorglandschap brengt een financieel risico mee. Hoewel het financiële risico lastig is in te schatten, wordt dit op basis van recente gebeurtenissen ingeschat op € 500.000 met kans klasse 4 (70%).

73

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Risicoklasse

4 (A)

€ 500.000

Kansklasse

3 (B)

40%

12 (A*B)

€ 200.000

Kans * Financiële impact

6. Verbonden partijen In hoofdstuk 4.6 paragraaf Verbonden partijen worden de potentiële risico’s van de gemeenschappelijke regelingen afgezet tegen het weerstandsvermogen. Bij SC MER, Veiligheidsregio Noord- en Midden Limburg en de MGR is het weerstandsvermogen ontoereikend voor respectievelijk € 104.000, € 20.000 en € 56.000 (aandeel Maasgouw). Risicoklasse

3 (A)

€ 180.000

Kansklasse

4 (B)

70%

12 (A*B)

€ 126.000

Kans * Financiële impact

7. Netwerkcongestie Economische groei, woningbouw en digitalisering van de maatschappij leiden tot een aanzienlijke groei van de vraag naar elektriciteit. Daarnaast is er sprake van een sterke groei van de opwekking van duurzame energie door middel van bijvoorbeeld zonnepanelen en windmolens. Door deze ontwikkelingen staat de capaciteit van het elektriciteitsnet in Nederland onder druk. Bij netcongestie kan de netbeheerder de vraag naar en het aanbod van transport van elektriciteit niet (volledig) verzorgen, doordat de capaciteit van het elektriciteitsnet ontoereikend is. Een groot deel van Nederland heeft inmiddels met netcongestie te maken. Diverse partijen in de vastgoedsector, van de projectontwikkelaar tot de eindgebruiker, lopen het risico geconfronteerd te worden met een situatie waarin niet kan worden voldaan aan hun vraag naar transport van elektriciteit. Het gevolg hiervan is onder meer dat vastgoedprojecten vertraging oplopen, omdat panden niet op korte termijn aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnet. Deze vertraging kan mogelijk ook leiden tot hogere lasten (onder meer doordat aannemers een hogere risico-opslag calculeren). Enexis verdubbelt de komende jaren het aantal transformatorhuisjes in de gemeenten. Enexis heeft daarom de gemeenten verzocht rekening te houden met de potentiële verkoop van snippergroen aan Enexis.

Deze ‘ruimte’ hebben ze nodig in de (nabije) toekomst voor transformatiehuisjes (trafo’s). Risicoklasse

3 (A)

PM

Kansklasse

4 (B)

70%

12 (A*B)

PM

Kans * Financiële impact

8. Stikstof Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de ‘Bouwvrijstelling Stikstof’ niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Daarom mag deze bouwvrijstelling niet gebruikt worden bij bouwprojecten. Met de bouwvrijstelling had het kabinet aangegeven dat de stikstofuitstoot, die bij de bouw vrijkomt, tijdelijk is en daarom losgekoppeld moet worden van de gebruiksfase. De Raad van State vindt dit niet juist, omdat het niet is uit te sluiten dat de 74

Jaarstukken 2025 • Versie 1

natuur hierdoor schade oploopt. Hoewel de bouwvrijstelling daarmee van tafel is, betekent dat niet dat er nu een algehele bouwstop geldt. Net als in de situatie vóórdat de bouwvrijstelling werd ingevoerd, moet per project onderzoek worden gedaan naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof (zowel in de bouw- alsook de gebruiksfase). Dit betekent voor projecten, die nog een planologische procedure moeten doorlopen, een verzwaring in het aantonen van de uitvoerbaarheid voor wat betreft het aspect stikstofuitstoot. Mogelijke oplossingen zijn daarbij het maken van een ‘Passende Beoordeling’ en ‘Ecologische Onderbouwing’ (met mogelijk aanvullende maatregelen) of de bouw van een project spreiden over een langere realisatieperiode. Het project ‘Linne Zuidoost’ is een voorbeeld van een project, waarin ontwikkelaar en gemeente een oplossing hebben gevonden voor de stikstofproblematiek door het temporiseren van de plannen. Risicoklasse

3 (A)

PM

Kansklasse

4 (B)

70%

12 (A*B)

PM

Kans * Financiële impact

9. Spuitzones Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit is de reden dat er afstand gehouden moet worden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van akkerbouw. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift (verwaaien van gewasbeschermingsmiddelen) over het algemeen een afstand van 50 meter als aanvaardbaar aangehouden. In de praktijk betekent dit meestal het aanhouden van een spuitvrije zone van 50 meter rondom de bestemming wonen. De gebruiksmogelijkheden van de agrarische percelen nemen daardoor af met als gevolg dat de economische waarde afneemt. Deze afname moet worden gecompenseerd door het project. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat het (financiële) risico te groot wordt om over te gaan tot ontwikkeling naar wonen. Risicoklasse

3 (A)

PM

Kansklasse

4 (B)

70%

12 (A*B)

PM

Kans * Financiële impact

Weerstandsratio Op basis van zowel de benodigde als de beschikbare weerstandscapaciteit kan men het weerstandsvermogen berekenen: beschikbare weerstandscapaciteit / benodigde weerstandscapaciteit. Hierbij wordt het onderscheid doorgetrokken tussen het incidentele weerstandsvermogen en het structurele weerstandsvermogen: (bedragen x € 1.000)

75

Beschikbare weerstandscapaciteit

Structureel 2.225

Incidenteel 28.107

Totaal 30.332

Benodigde weerstandscapaciteit

877

1.023

Ratio weerstandsvermogen

2,53

146 22 192,5

Jaarstukken 2025 • Versie 1

29,7

In de Nota R&W worden kwalificaties aangeduid voor de hoogte van de weerstandsratio. Ratio weerstandsvermogen A B C D E F

Kwalificatie ≥ 2,0 ≥ 1,4 en < 2,0 ≥ 1,0 en < 1,4 ≥ 0,8 en < 1,0 ≥ 0,5 en < 0,8 < 0,5

Toelichting Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende

Conclusie

Op basis van bovenstaande weergave kan de conclusie getrokken worden dat onze weerstandscapaciteit uitstekend is. Hierbij dient aangemerkt te worden dat een aantal genoemde risico’s nog niet financieel vertaald zijn. Het blijven volgen van de ontwikkelingen met structurele impact is noodzakelijk. Hierbij kan gedacht worden aan het volgen van de ontwikkelingen op het gebied van algemene uitkering, nieuwe opgaven, ingeboekte besparingen en indexering. Voor projecten dient voorafgaand een adequate risico inschatting gemaakt te worden.

Financiële kengetallen

In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de volgende financiële kengetallen: • Netto schuldquote (gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen) • Solvabiliteitsratio • Grondexploitatie • Structurele exploitatieruimte • Belastingcapaciteit Deze kengetallen vergroten het inzicht van de raad in de financiële positie van Maasgouw. Daarnaast bieden deze kengetallen de mogelijkheid om onze gemeente te vergelijken met andere gemeenten of het landelijk gemiddelde. Beoordeling kengetallen Uit de beschrijving van de verschillende kengetallen (zie hierna) blijkt dat een afzonderlijk kengetal nog weinig zegt over hoe de financiële positie moet worden beoordeeld. De kengetallen zullen altijd in samenhang moeten worden bezien, omdat ze alleen gezamenlijk en in hun onderlinge verhouding een goed beeld kunnen geven van de financiële positie van een gemeente. Voor de beoordeling van de financiële positie is het belangrijk dat zowel naar de balans als naar de exploitatie wordt gekeken. In de kengetallen ‘structurele exploitatieruimte’ en ‘belastingcapaciteit’ komt tot uitdrukking of de gemeente over voldoende structurele baten beschikt, en welke mogelijkheid er is om de structurele baten op korte termijn te vergroten. De kengetallen ‘netto schuldquote’ en ‘netto schuldquote gecorrigeerd’ voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio en grondexploitatie hebben betrekking op de balans.

Het opnemen van deze kengetallen in de begroting en het jaarverslag is wettelijk voorgeschreven. Volgens de ‘Regeling vaststelling wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in begroting en jaarverslag provincies en gemeenten’ van 15 juli 2025 berekend en presenteert de gemeente de financiële kengetallen. De signaleringswaarden per kengetallen komen voort uit het Gemeentelijk Toezichtskamer (GTK). 76

Jaarstukken 2025 • Versie 1

BBV kengetallen signaleringswaarden Netto Schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd Solvabiliteitsratio Grondexploitatie Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit

Categorie A ‘Minst risicovol’ <90% <90% >50% <20% >0% <95%

Categorie B ‘Neutraal’ 90-130% 90-130% 20-50% 20-35% 0% 95-105%

Categorie C ‘Meest risicovol’ >130% >130% <20% >35% <0% >105%

Op Findo (Financiering Decentrale Overheden) van de Rijksoverheid zijn de financiële kengetallen van alle Nederlandse gemeenten opgenomen. Deze kengetallen zijn gebaseerd op de begrotingscijfers 2025 zoals die door het Ministerie van BZK zijn verzameld. Toepassing van de berekeningen betreffende de financiële kengetallen leidt tot de volgende uitkomsten inclusief categorisering uit het Gemeentelijk Toezichtkamer (GTK) voor de gemeente Maasgouw: Financiële kengetallen Netto schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd Solvabiliteitsratio Grondexploitatie Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit

Jaarrekening 2024 53,2% 45,3% 44,2% 0,6% 5,5% 90,7%

Begroting 2025 72,8% 63,9% 40,7% 1,7% 2,3% 89,7%

Jaarrekening 2025 50,9% 43,6% 45,0% 0,6% 1,8% 93,4%

Onderstaand volgt een nadere uitwerking en toelichting per kengetal. Netto Schuldquote (gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen) Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft zodoende een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Een uitkomst van 90% of lager is ‘veilig’. De realisatiecijfers van 2025 wijken voor Maasgouw beperkt af ten opzichte van 2024. Solvabiliteitsratio Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid van de gemeente. De mate van weerbaarheid geeft in combinatie met de andere kengetallen een indicatie over de financiële positie van een gemeente. De solvabiliteitsratio drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen (eigen en vreemd vermogen). Het eigen vermogen bestaat uit de algemene reserve, bestemmingsreserves en het resultaat. Een uitkomst van 50% is ‘veilig’. Uit Findo blijkt dat de Maasgouwse solvabiliteit onder de veilige score zit, maar nog steeds hoger in vergelijking met overige gemeenten. De realisatiecijfers van 2025 zijn voor Maasgouw nagenoeg ongewijzigd ten opzichte van 2024.

Kengetal Grondexploitatie De grondexploitatie kan een forse impact kan hebben op de financiële positie van een gemeente. Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (boekwaarde van de grondexploitatie) is ten opzichte van de totale baten exclusief mutaties reserves. 77

Jaarstukken 2025 • Versie 1

De gemeente Maasgouw steekt hierbij gunstig af ten opzichte van een gemiddeld percentage. Het risico voor Maasgouw is dus nihil. Structurele exploitatieruimte Voor de beoordeling van het structurele en reële evenwicht van de begroting wordt onderscheid gemaakt tussen de structurele en incidentele lasten. Bij incidentele baten en lasten gaat het om eenmalige zaken die zich gedurende maximaal drie jaar voordoen. De relevantie van dit kengetal voor de beoordeling van de financiële positie schuilt erin dat het van belang is om te weten welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. De structurele ruimte fluctueert. Voor 2025 is er op realisatiebasis sprake van een waarde van 1,8%. De structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Belastingcapaciteit De OZB is de belangrijkste eigen belastinginkomsten van een gemeente. De ruimte die een gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Onder de woonlasten worden verstaan de OZB, de rioolheffing en afvalstoffenheffing voor een woning met gemiddelde WOZ-waarde in de gemeente. De reden dat tevens wordt gekeken naar de riool- en afvalstoffenheffing is dat deze heffing maximaal kostendekkend mag zijn.

In het geval dat de heffing lager dan kostendekkend wordt vastgesteld is er sprake van belastingcapaciteit die niet wordt benut. Door de verhoging van de onroerende zaakbelasting wordt de onbenutte belastingcapaciteit kleiner. Ondanks de verhoging is de woonlastendruk in de gemeente Maasgouw nog steeds lager dan het landelijk gemiddelde. Conclusie In zijn algemeenheid kan geconcludeerd worden dat de uitkomsten van de financiële kengetallen als ‘minst risicovol’ gekwalificeerd kunnen worden. Aandacht wordt gevraagd voor de structurele exploitatieruimte. Zeker in het licht van de financiële opgaves waarvoor de gemeente staat.

78

Jaarstukken 2025 • Versie 1

4.3 Onderhoud & kapitaalgoederen Inleiding In deze paragraaf lichten we de belangrijkste onderwerpen in het beheer van de openbare ruimte van de gemeente toe, gebaseerd op de volgende beheerplannen: • • • • • •

Beleidskaders Wegen en Groen 2023-2026 (20 december 2022); GRP 2022-2026 (5 oktober 2021); Beleidsplan onderhoud Civieltechnische Kunstwerken 2025-2029 (17 december 2024); Beleidsplan onderhoud Nautische Voorzieningen 2025-2029 (17 december 2024); Beleidsplan Openbare Verlichting 2024-2028 (19 december 2023); Beleidsplan Onderhoud gemeentelijke gebouwen 2021-2024 (15 december 2020), doorlopend in 2025.

Uit de beheerprogramma’s van geconcludeerd worden dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud.

Beleidsplannen ‘Onderhoud gemeentelijke gebouwen’ en ‘Onderhoud civiele kunstwerken’ In december 2020 is het beleidsplan Onderhoud gemeentelijke gebouwen 2021-2024 vastgesteld. Dit loopt door in 2025. Op 30 september 2025 is het nieuwe beleidsplan Onderhoud gemeentelijke gebouwen 2026-2030 vastgesteld. Het beleidsplanonderhoud civieltechnische kunstwerken en onderhoud nautische voorzieningen 2025-2029 is op 17 december 2024 vastgesteld. De kosten van groot onderhoud gemeentelijke gebouwen en bruggen zijn opgenomen in de betreffende onderhoudsplannen en worden gefinancierd uit de bijbehorende voorzieningen. Kwaliteitsniveau onderhoud gebouwen In de vastgoedwereld wordt gebruik gemaakt van een zespunt-schaalverdeling volgens conditiemeting Stichting Bouw Research (SBR), voor het bepalen van het onderhoudsniveau van een gebouw: 1. Uitstekende onderhoudstoestand: het object dient in nieuwstaat te worden gehouden; 2. Goede onderhoudstoestand: het object dient in goede conditie te worden gehouden; 3. Redelijke onderhoudstoestand: het object dient in redelijke conditie te worden gehouden; 4. Matige onderhoudstoestand: het object dient in matige conditie te worden gehouden; 5. Slechte onderhoudstoestand: er wordt alleen onderhoud uitgevoerd als er problemen zijn; 6. Zeer slechte onderhoudstoestand: het gebouw kan beter worden gesloopt.

Voor de meeste operationele objecten van de gemeente is onderhoudsniveau 2 of 3 van toepassing. Bij niveau 3 mag enige veroudering worden geaccepteerd, dit mag echter nooit het gebruik beperken. Op dit moment wordt het onderhoud aan de gemeentelijke gebouwen uitgevoerd naar minimaal niveau 3, basiskwaliteit; sober en doelmatig.

79

Jaarstukken 2025 • Versie 1

(bedragen in €) Voorzieningen Voorziening Groot onderhoud gemeentelijke gebouwen Stand beschikbare voorziening

1-1-2025

storting 2025*

1.352.300

uitname 2025

835.200

656.900

31-12-2025

1.530.600

* Dit is inclusief € 57.700 SPUK bijdrage 2025.

In 2025 is € 777.500 gestort in de voorziening Groot onderhoud gemeentelijke gebouwen. Ook is de SPUK sport bijdrage van € 57.700 ten gunste van de voorziening verantwoord. Er is in 2025 € 656.900 ten laste van de voorziening verantwoord. De voorziening Groot onderhoud gemeentelijke gebouwen bedraagt per 31 december 2025 ca. € 1.500.000. Bij de begroting 2026 is rekening gehouden dat er in de voorziening groot onderhoud gemeentelijke gebouwen ten minste € 1.000.000 resteert per 31 december 2025. Hierdoor kon de jaarlijkse storting (2026-2030) in de voorziening met € 200.000 per jaar verlaagd worden. Naast het overschot van € 1.000.000 resteert nog een bedrag van ca. € 530.000, welk bedrag in de voorziening beschikbaar blijft voor uitgaven 2026, zoals vermeld in de 2e Prorap 2025. (bedragen in €) Voorziening Groot onderhoud schoolgebouwen

1-1-2025

storting 2025

uitname 2025

Stand beschikbare voorziening

134.300

62.200

113.000

vrijval voorziening 83.500

31-12-2025

-

In 2025 is € 62.200 gestort in de voorziening Groot onderhoud schoolgebouwen. Er is in 2025 € 113.000 ten laste van de voorziening groot onderhoud schoolgebouwen verantwoord. De voorziening Groot onderhoud schoolgebouwen bedraagt per 31 dec. 2025 € 83.500. Dit overschot van € 83.500 over de planperiode 2021-2025 is in 2025 vrijgevallen ten gunste van de exploitatie. Op 30 september 2025 is het 'Beleidsplan Onderhoud gebouwen 2026-2030' vastgesteld. In dit beleidsplan is opgenomen dat de voorziening 'Groot onderhoud schoolgebouwen' samengevoegd wordt met de voorziening 'Groot onderhoud gemeentelijke gebouwen'. Vanaf 2026 zijn voldoende middelen beschikbaar in de (nieuwe) Voorziening 'Onderhoud (school)gebouwen' voor uitgaven 2026-2030 van schoolgebouwen.

80

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Kwaliteitsniveau onderhoud civiele kunstwerken en nautische voorzieningen

De conditiescore NEN wordt gebruikt om de kwaliteit van de civiele kunstwerken en nautische voorzieningen te meten. De meetmethode leidt tot een getal dat de kwaliteit per bouwdeel aangeeft; de ‘conditiescore’. De scores zoals deze tijdens de inspecties toebedeeld zijn, zijn navolgend weergegeven:

Voorop staat dat de constructieve en de gebruiksveiligheid van de kunstwerken niet in het geding mogen zijn of komen. Periodiek beoordelen van de toestand is dus een noodzakelijke voorwaarde om op tijd te kunnen anticiperen. Zowel voor wat betreft de uitvoering als de daarvoor benodigde financiële middelen. Onze kunstwerken worden onderhouden op onderhoudsniveau 3, redelijke conditie (plaatselijk enige veroudering). Maar voor de meeste objecten is onderhoudsniveau 2 (goede conditie) en 3 van toepassing. (bedragen in €) Voorziening Groot onderhoud civiele kunstwerken/ nautische voorzieningen

1-1-2025

Stand beschikbare voorziening

182.400

storting 2025 144.500

uitname 2025

31-12-2025

61.600

265.300

Op basis van het 'Beleidsplan onderhoud civiele kunstwerken 2025-2029' en het 'Beleidsplan onderhoud nautische voorzieningen 2025-2029' zou er in 2025 aan groot onderhoud € 86.600 worden uitgegeven. Er is in 2025 € 61.600 ten laste van de voorziening verantwoord. Het restant van € 25.000 blijft in de voorziening beschikbaar voor uitgaven in 2026.

Beleidskaders Wegen en Groen

De beheerplannen Wegen en Groen 2023-2026 hebben een looptijd tot en met 2026. Kwaliteitsniveau onderhoud wegen We hebben voor 2023-2026 gekozen voor het ambitieniveau B, conform de CROW-richtlijn.

81

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Kwaliteitsniveau onderhoud groen De dorpskern, begraafplaatsen, sportvelden, toeristische hotspots en rotondes worden beheerd op CROW beeldkwaliteitsniveau A. Zowel woonwijken als bedrijventerreinen en buitengebieden worden beheerd op CROW beeldkwaliteitsniveau B. Gerealiseerd resultaat: De werkzaamheden zijn conform beheerplan uitgevoerd.

GRP 2022-2026 en Waterketenplan 2022-2026 In het Waterketenplan zijn de gezamenlijke ambities voor de toekomst van de waterketen en de route om de ambities te bereiken beschreven. Het plan beschrijft een aantal concrete projecten en aandachtsgebieden voor de planperiode: het actieprogramma. Ten slotte legt het plan vast hoe de samenwerking vorm wordt gegeven. Het Waterketenplan is in 2020 vernieuwd en in het voorjaar 2021 vastgesteld door Waterpanel Noord. In het waterketenplan is nadrukkelijk gekeken naar de effecten van klimaatverandering. Niet alleen het effect van hevigere buien, maar ook hittestress, droogte en overstromingsgevaar komt aan bod. De lokale uitvoeringsagenda klimaatadaptatie is in de raad van oktober 2021 vastgesteld. Parallel aan het opstellen van het Waterketenplan zijn voor alle gemeenten individuele gemeentelijke rioleringsplannen opgesteld. Het GRP geeft inhoud aan de gemeentelijke watertaken voor afvalwater, hemelwater en grondwater. De investeringen uit het GRP zijn opgenomen in het JIP/MIP. Het GRP 2022-2026 is in de raad van oktober 2021 vastgesteld. Kwaliteitsniveau Riolering Als gemeente zijn we verantwoordelijk voor een goede invulling van onze gemeentelijke Watertaken, zoals in de Wet milieubeheer is aangegeven.

Daarnaast volgt uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 3.17) dat de gemeente er zorg voor draagt dat een openbaar vuilwaterriool zo wordt ontworpen, gebouwd en onderhouden dat: a) het zoveel mogelijk berekend is op de eigenschappen, samenstelling en hoeveelheid van het afvalwater; b) lekkage zoveel mogelijk wordt voorkomen; c) het aantal overstortingen zo beperkt is als voor een doelmatig beheer van afvalwater mogelijk is. We zorgen ervoor dat de riolering aan bovenstaande zaken voldoet. (bedragen in €) Riolering (exploitatie)

82

Primitieve raming 2025

Raming 2025 ná wijziging

Realisatie 2025

Verschil raming/ realisatie 2025

Totaal lasten excl. BTW

4.332.200

4.353.900

4.184.300

169.600

BTW

544.300

544.300

522.200

22.100

Opbrengsten rioolheffing

-3.617.700

-3.700.900

-3.674.800

-26.100

Mutatie voorziening

-1.258.800

-1.197.300

-1.031.700

-165.600

Totaal

-

-

-

-

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Reconstructies wegen/ riolering (algemeen)

De reconstructieprojecten uit 2025 zijn toegelicht onder het hoofdstuk 2.4 Beheer openbare ruimte, infra en vastgoed.

Beleidskader Openbare Verlichting

Kapitaallasten lichtmasten Doordat het areaal van lichtmasten langzaam veroudert zijn de komende beleidsperiode een relatief groot aantal masten aan vervanging toe. Daarnaast zullen jaarlijks een aantal lichtmasten vervangen moeten worden als gevolg van afkeur na stabiliteitsmetingen. Gerealiseerd resultaat: werkzaamheden zijn gereed met uitzondering van restpunten. Slimme verlichting in het buitengebied In 2025 stond gepland om de openbare verlichting in het buitengebied om te vormen tot slimme verlichting door deze te voorzien van connectiviteit/ telemetrie. Gerealiseerd resultaat: Er zijn nog geen werkzaamheden uitgevoerd in 2025. Kwaliteitsniveau onderhoud Openbare Verlichting Voor de Openbare Verlichting is aansluiting gezocht bij de systematiek ‘Kwaliteitscatalogus 2018 CROW’ die we algemeen toepassen in onze Openbare Ruimte. Algemeen geldt dat met betrekking tot de definitie van ‘schoon, heel en veilig’ voor beeldkwaliteit B is gekozen.

Vervangen tractie wijkteam

Gerealiseerd resultaat: De Volkswagen Crafter en Transporter zijn aanbesteed en de levering staat gepland voor het vierde kwartaal van 2026. De gazonmaaier en het maaidek zijn inmiddels geleverd Robotmaaiers op grasvelden sportparken Gerealiseerd resultaat: dit is toegelicht onder het hoofdstuk 2.4 Beheer openbare ruimte, infra en vastgoed.

Laadpalen gemeenteloodsen

Gerealiseerd resultaat: dit is toegelicht onder het hoofdstuk 2.4 Beheer openbare ruimte, infra en vastgoed.

Hondenspeelveldjes

Gerealiseerd resultaat: De hondenspeelplek in Thorn is gerealiseerd. Voor de aanleg van de hondenspeelplek in Linne loopt momenteel het vergunningsproces. De hondenspeelplekken voor Panheel en Ohé en Laak worden in 2026 opgepakt, mede vanwege de vertraging die is ontstaan bij de projecten in Thorn en Linne.

Bluswatervoorzieningen

Gerealiseerd resultaat: In overleg met de brandweer is vastgesteld dat het niet nodig is om extra bluswatervoorzieningen aan te leggen.

Vervangen kunstgras voetbal Linne

Gerealiseerd resultaat: Werkzaamheden zijn naar alle tevredenheid afgerond.

83

Jaarstukken 2025 • Versie 1

4.4 Financiering De financieringsparagraaf geeft op basis van het BBV inzicht in: • de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille; • de rentelasten; • de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend; • de financieringsbehoefte; • de ontwikkeling van het EMU-saldo. In het kader van de Wet Fido (Financiering decentrale overheden) wordt in deze paragraaf ook inzicht verschaft in de kasgeldlimiet en de renterisiconorm.

Beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille

Het Treasurystatuut bevat de “beleidsmatige infrastructuur” van de treasuryfunctie vastgelegd in de vorm van uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten. Op 2 juni 2020 is het geactualiseerde Treasurystatuut vastgesteld door de raad van de gemeente Maasgouw. Onderstaand wordt toegelicht op welke wijze de gemeente Maasgouw het risicobeheer van de financieringsportefeuille beheerst.

Renterisicobeheer

Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente. Zoals vermeld in het Treasurystatuut wordt het renterisico onder meer beheerst door het tussentijds monitoren van de renterisiconorm en de kasgeldlimiet. Renterisiconorm Een belangrijk uitgangspunt van de Wet Fido is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld. Het renterisico met betrekking tot de renterisiconorm gaat over de contractuele renteherzieningen en de aflossingen op de vaste schuld. Het renterisico wordt verkleind door aflossingen in de tijd te spreiden. Het renterisico wordt in een jaar getoetst aan de renterisiconorm. Deze wordt berekend door een vastgesteld percentage (20% voor gemeenten) te vermenigvuldigen met het begrotingstotaal. Het renterisico wordt gestuurd door bij het aantrekken van nieuwe langlopende financieringen rekening te houden met de vervaldata en renteherzieningen van de bestaande schuld. Zoals uit onderstaande tabel blijkt, blijft Maasgouw ruimschoots onder de gestelde renterisiconorm. (bedragen in €) Renterisiconorm 1

2

3 4 (5a) = (4>3) (5b) = (3>4) (4a) (4b) (4) = (4a x 4b)

84

Renteherziening leningen o/g Renteherziening leningen u/g Saldo Aflossing leningen o/g Aflossing leningen u/g Saldo Renterisico (saldo 1+2) Renterisiconorm Ruimte onder renterisiconorm Overschrijding renterisiconorm Begrotingstotaal Percentage regeling Renterisiconorm

Jaarstukken 2025 • Versie 1

1.874.500 1.227.700 646.800 646.800 15.692.700 15.045.900 78.463.400 20% 15.692.700

Kasgeldlimiet Het ‘rood’ staan is voor gemeenten aan regels en richtlijnen gebonden. Hiermee beoogt de wetgever te voorkomen dat lagere overheden uitsluitend kortlopende leningen afsluiten. Het aantrekken van leningen met een kortlopende rentevaste periode is aantrekkelijk, wanneer de rente hierop erg laag is. Maar het renterisico (van een stijgende rente in het geval van herfinanciering) is daarmee in verhouding hoog. Om dit risico te beperken, mogen gemeenten maximaal 8,5% van het jaarlijkse begrotingstotaal gebruiken voor kortlopende leningen. Onderstaand is het verloop van de kasgeldlimiet over 2025 toegelicht. (bedragen in €) Kasgeldlimiet

Realisatie 1e kwartaal 2025

Realisatie 2de Realisatie 3de Realisatie 4de kwartaal 2025 kwartaal 2025 kwartaal 2025

1

Vlottende schuld

838.000

2.500.000

-

-

2

Vlottende middelen

240.300

537.000

463.500

470.600

3

Netto vlottende schuld (1-2)

597.700

1.963.000

-463.500

-470.600

4

Kasgeldlimiet

6.669.400

6.669.400

6.669.400

6.669.400

(5a) = (4>3)

Ruimte onder kasgeldlimiet Overschrijding kasgeldlimiet

6.071.700

4.706.400

7.132.900

7.140.000

78.463.400

78.463.400

78.463.400

78.463.400

8,5%

8,5%

8,5%

8,5%

6.669.400

6.669.400

6.669.400

6.669.400

(5b) = (3>4)

(4a)

Berekening kasgeldlimiet: Begrotingstotaal

(4b)

Percentage regeling

(4) = (4a x 4b)

Kasgeldlimiet

Valutarisicobeheer

Valutarisico is het risico dat de waarde van een positie wordt beïnvloed door veranderingen in valutakoersen. De gemeente Maasgouw verricht geen transacties met ‘niet-Eurolanden’. Daarom is het valutarisico niet aan de orde.

Kredietrisicobeheer

Kredietrisico is het risico dat de tegenpartij van een positie niet aan haar verplichtingen kan voldoen waardoor de gemeente verlies lijdt. In het Treasurystatuut is opgenomen onder welke voorwaarden de gemeente middelen mag uitzetten en garanties mag verstrekken. De uitzettingen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente Maasgouw zijn vastgelegd in de staat van gewaarborgde geldleningen. Voor 2025 voorzien we geen veranderingen in het aantal uitzettingen. Het debiteurenrisico valt ook onder het kredietrisicobeheer. Hierover voeren we elk jaar een beoordeling van de openstaande posten uit. Bij het uitzetten van middelen uit hoofde van liquiditeitenbeheer zijn de risico’s in sterke mate beperkt door de verankering van het schatkistbankieren in de Wet Fido. Schatkistbankieren houdt in dat tegoeden verplicht worden aangehouden in de Nederlandse schatkist. Uitgezonderd hierop zijn de middelen onder het drempelbedrag (voor 2025 € 1.569.000). 85

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Gedurende 2025 is het drempelbedrag niet overschreden. Voor de middelen die zijn uitgezonderd van het schatkistbankieren geldt dat uitzettingen uitsluitend plaatsvinden bij instellingen die voldoen aan de zeer strenge ratingeisen zoals gesteld in de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (RUDDO). Zie hoofdstuk 5.5 Toelichtingen op de balans.

Liquiditeitsrisicobeheer

Het liquiditeitsrisico is het risico van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjarig investeringsprogramma (MIP) waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen. Op dit moment is de gemeente voldoende liquide. Rente- en aflossingsverplichtingen van lopende geldleningen kunnen worden betaald zonder herfinanciering. Verder is van belang om binnen de exploitatie te zorgen voor een zo goed mogelijke afstemming van de inkomstenstromen met de uitgaven.

Koersrisicobeheer

Het koersrisico is het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen. Onze vermogensbeheerder A.S.R. houdt de samenstelling van de obligatieportefeuille en de daarbij behorende risico’s constant in de gaten. Maandelijks wordt gerapporteerd over de status en de voortgang. De aankoopwaarde van de obligatieportefeuille in 2009 bedroeg € 37,6 miljoen. Sindsdien zijn een aantal obligaties terugbetaald (in totaal 80%). Van de nu nog lopende obligaties bedroeg de initiële aankoopprijs per 31 december 2025 € 3,8 miljoen. Door afschrijvingen en aflossing is de boekwaarde per 31 december 2025 € 3,3 miljoen. De ontwikkeling van de obligatieportefeuille is in de tabel weergegeven. (bedragen in €) Obligatieportefeuille, waardering per Nominale waarde per 1 januari Aflossingen in boekjaar

2022 9.240.000 400.000

2023 8.840.000 1.220.000

2024 7.620.000 3.300.000

2025 4.320.000 1.100.000

1 2

Nominale waarde per 31 december

8.840.000

7.620.000

4.320.000

3.220.000

3=1-2

Aankoopwaarde per 1 januari

10.653.600

10.247.700

8.448.400

4.779.600

4

Aankoopwaarde per 31 december

10.247.700

8.448.400

4.779.600

3.766.200

5

Afschrijvingen m.b.t. lopende obligaties Cumulatief afschrijving tot boekjaar

1.125.500

681.400

389.600

417.400

6

93.800

52.400

27.800

27.800

7

1.219.300

733.800

417.400

445.200

8=6+7

9.028.400 2022

7.714.600 2023

4.362.200 2024

3.321.000 2025

=5-8

523.100

500.200

323.200

191.400

10

400

-1.100

-

86.600

11

Afschrijving in boekjaar

94.300

93.800

-52.400

-27.800

12

Beheers provisie

-24.100

-25.300

17.700

10.100

13

Netto rendement over boekjaar

405.100

380.000

253.100

240.100

14 = 10 + 11 + 12 + 13

Afschrijving in boekjaar (op nog lopende obligaties) Cumulatieve afschrijving tot en met boekjaar Boekwaarde 31 december Obligatieportefeuille, rente over Aan het jaar toegerekende rente Gerealiseerd koersresultaat

86

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Jaarrendement op de 4,12% 4,23% 3,95% 5,93% obligatieportefeuille Het bovenstaande percentuele rendement van de obligatieportefeuille is uitgedrukt als het "Netto rendement over boekjaar" gedeeld door de "gemiddelde aankoopwaarde" van de portefeuille van het betreffende boekjaar (na afschrijving).

Het rendement in 2025 bedroeg 5,93% (na aftrek van de beheerprovisie). De obligatieportefeuille is in het verleden samengesteld aan de hand van strenge randvoorwaarden ten aanzien van rating, spreiding qua looptijd, land en sector van belegging. Een resultante van de aflossingen van bestaande obligatieleningen is dat deze obligatieportefeuille als geheel niet meer volledig aan alle voorwaarden voldoet. Zo is als voorwaarde gesteld dat minimaal 50% van de obligaties een AAA-rating heeft en dat maximaal 50% van de portefeuille bestaat uit obligaties met een rating van AA. Lagere ratings zijn in beginsel niet toegestaan. Uit het onderstaande overzicht van de vermogensbeheerder blijkt dat de huidige ratings niet in overeenstemming zijn met de eerder gestelde randvoorwaarden. Vastrentende waarde Rating * € 1.000 AA A Eindtotaal

31-12-24 Portefeuille waarde 2.041 2.862 4.903

% van de portefeuille 41,5% 58,4% 100,00%

De portefeuille valt echter onder het overgangsrecht in het kader van de Ruddo. Maasgouw is niet verplicht om de obligatieportefeuille aan te passen. We zien daartoe ook geen aanleiding omdat: • niet actief geswitcht mag worden; • het risico beperkt is; • de obligatieportefeuille steeds kleiner wordt, waardoor optimale spreiding niet meer te realiseren is; • er weinig keuze is in vergelijking met de huidige rendementsverwachting;

Financieringspositie

In het kader van een prudent financieel beleid is het wenselijk om langlopende investeringen zoveel als mogelijk te financieren uit langlopende financieringsmiddelen. Voor het bekostigen van geactiveerde uitgaven staan interne en externe financieringsmiddelen ter beschikking. De interne financieringsmiddelen bestaan uit de reserves en de voorzieningen. De opgenomen geldleningen kwalificeren als externe financieringsmiddelen. De financieringspositie van de gemeente Maasgouw wordt bepaald door: • het saldo van het totaalbedrag van de nog niet afgeschreven investeringen enerzijds; en • het totaalbedrag van de vaste financieringsmiddelen anderzijds. Is het bedrag van de financieringsmiddelen (reserves, voorzieningen en vaste geldleningen) lager dan het totaalbedrag van de geactiveerde uitgaven, dan is er sprake van een financieringstekort. Is het bedrag van de financieringsmiddelen hoger dan het totaalbedrag van de geactiveerde uitgaven, dan is er sprake van een financieringsoverschot.

87

Jaarstukken 2025 • Versie 1

Uit het onderstaande blijkt dat er in 2025 sprake was van een financieringsoverschot van bijna € 3,1 miljoen. (bedragen in €) Financieringspositie Totaal vaste activa Voorraden Financieringsoverschot

122.263.500 Eigen vermogen

65.579.800

548.300 Voorzieningen

7.657.000

3.118.400 Vaste schulden

52.693.400

125.930.200

125.930.200

Voor een nadere toelichting bij het eigen vermogen, de voorzieningen en de vaste schulden wordt verwezen naar de toelichting bij de jaarrekening 2025.

EMU-saldo

Het begrotingssaldo van een land geeft weer of dat land een overschot of een tekort heeft bij zijn overheidsuitgaven. Als de uitgaven in een bepaald jaar groter zijn dan de inkomsten, is er in dat jaar sprake van een tekort en groeit de staatsschuld. Het begrotingssaldo geeft dus een indicatie van de staat waarin het ‘huishoudboekje’ van de overheid in een bepaald jaar verkeert. Om precies te zijn is het EMU-saldo het vorderingensaldo van de totale overheid. Dit betekent dat niet alleen de financiën van de Rijksoverheid meetellen voor het EMU-saldo, maar ook die van de decentrale overheden om te voorkomen dat de overheidsfinanciën van EMU-landen ontsporen, is in het Stabiliteits- en Groeipact afgesproken dat het EMU-tekort maximaal 3% van het BBP mag bedragen. Tabel EMU-saldo jaarrekening 2025 (bedragen in €) Omschrijving

Volgens jaarrekening 2024 1. Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit 2.950.600 reserves (zie BBV, artikel 17c)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=753709d1-b0cf-4f95-913e-20d85042da1f