66844-BIJLAGE 1 Integraal Huisvestingsplan Gemeente Maasgouw
Tekst van het document
Integraal Huisvestingsplan Gemeente Maasgouw
Opdrachtgever Gemeente Maasgouw Datum 19 oktober 2021 Project IHP Maasgouw Referentie 1692101-0019.2.3 Auteur(s) de heer ir. B.G. Verkerk - HEVO B.V. mevrouw ir. M.A.C. Kools - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Statenlaan 8
Postbus 70501
T +31 (0)73 6 409 409
www.hevo.nl
ISO 9001-gecertificeerd
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
5223 LA 's-Hertogenbosch
5201 CB 's-Hertogenbosch
info@hevo.nl
www.rpmbyhevo.nl
Inhoudsopgave Samenvatting
3
1. 1.1. 1.2. 1.3.
Inleiding Doelstelling Aanpak Leeswijzer
6 7 8 8
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.
Aanbod primair onderwijs en partners Basisonderwijs Kinderopvang Sportaccommodaties Multifunctionele accommodaties
9 10 10 10 10
3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7.
Beleidskaders en -ambities Juridische kaders en ontwikkelingen Coalitieprogramma 2018-2022: ‘Samen maken we Maasgouw!’ Bouwsteen 1: Regie Bouwsteen 2: Samenwerking Bouwsteen 3: Vraag en aanbod Bouwsteen 4: Kwaliteit en duurzaamheid Bouwsteen 5: Renovatie of nieuwbouw
11 12 14 15 15 16 17 18
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4.
Inventarisatie en analyse Quickscans Leerlingenprognoses Opheffingsnorm Capaciteitenanalyse
20 21 22 22 23
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5.
Scenario ontwikkeling Scholenlandschap Scenario ontwikkeling in relatie tot bouwstenen Scenario ontwikkeling t.b.v. klimaatakkoord Resumé prioritering en scenario’s Voorstel uitvoeringsprogramma
24 25 25 34 36 37
Referentie: 1692101-0019.2.3.
6. 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.6.
Financiële uitgangspunten en vertaling Kwaliteitsniveau Bijdrage schoolbestuur Financiële doorkijk Financiële vertaling “overige” kosten Investeringskosten en kapitaallasten Bekostigingsmogelijkheden
38 39 41 42 43 44 44
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5. 7.6. 7.7. 7.8.
Randvoorwaarden bij uitvoering Verankering Duurzaamheid Actualisatie van projecten Bouwheerschap Programmamanagement Demarcatie kosten Herijking van het IHP Aanpassingen bij wijzigingen wet- en regelgeving
45 46 46 46 46 47 47 47 47
8. Bijlagen IHP-gemeente Maasgouw BIJLAGE 1: Waardenwijzer BIJLAGE 2: Capaciteitsanalyse BIJLAGE 3: Verkenning bijdrage naar kwaliteit BIJLAGE 4: Financiële vertaling “overige” kosten BIJLAGE 5: Investeringskosten en kapitaallasten
48 49 50 51 52 56
Pagina 2 van 58
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Exploitatie
Onderwijskundig
Totaalscore
School Basisschool “St. Medardus” SBO Op de Tump Basisschool “ ‘t Breerke” Basisschool “Triangel” Basisschool “ St. Martinus” Basisschool “De Maasparel” Brede school “De Sleye” Brede school “De Koningsspil” Brede school “De Toermalijn”
Binnenmilieu
Visie en beleid In het IHP zijn vanuit visie en beleid strategische keuzes gemaakt. Deze zijn verwoord in vijf ‘bouwstenen van beleid’: 1. Regie: het beleid voor onderwijshuisvesting is vormgegeven in het IHP met een looptijd van 20 jaar. Het IHP faciliteert de afstemming tussen investering (gemeente) en gebruik (onderhoud en exploitatie – schoolbesturen); 2. Samenwerking: gemeente en schoolbesturen zetten in op versterking en behouden van de fysieke samenwerking met kindpartners in onderwijsgebouwen om bijvoorbeeld doorlopende leerlijnen te faciliteren en om een kernfunctie te kunnen vervullen; 3. Vraag en aanbod: onderwijs ‘nabij thuis’ vormt een van de uitgangspunten bij de bouwsteen vraag en aanbod. Daarnaast is het van belang om leegstand tegen te gaan en eventuele ruimtetekort op te lossen; 4. Kwaliteit en duurzaamheid: er is aangesloten op de duurzaamheidsambitie van de gemeente Maasgouw. Bij nieuwbouw wordt zoveel mogelijk gestreefd naar het behalen van energieneutrale gebouwen waarbij een goed binnenklimaat en flexibiliteit van belang zijn. Bij renovatie zal bijna energieneutraal worden nagestreefd; 5. Renovatie of nieuwbouw: renovatie is (nog) niet wettelijk geregeld. Middels dit IHP wordt renovatie als volwaardig alternatief gezien voor nieuwbouw.
Tabel S-1 Prioritering op basis van Quickscans
Veiligheid
Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en een financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Maasgouw, samen met de schoolbesturen, investeert in de onderwijshuisvesting. Het IHP vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 2021-2041. Het IHP wordt iedere 4 jaar herijkt. In het jaarlijks te formuleren uitvoeringsprogramma worden projecten nader gedefinieerd alvorens wordt gestart met de realisatie van de projecten.
Bouwkundige Staat
Een gezonde en duurzame toekomst voor het primair onderwijs in de gemeente Maasgouw is het uitgangspunt geweest voor dit Integraal Huisvestingsplan (IHP). Het IHP is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de gemeente en de betreffende schoolbesturen. Door middels het IHP te investeren in onderwijshuisvesting draagt de gemeente samen met de schoolbesturen bij aan een leefomgeving die sociaal, leefbaar, duurzaam, gezond en klimaatbestendig is.
Analyse De gemeente Maasgouw staat op het gebied van onderwijshuisvesting voor een vernieuwings- en investeringsopgave op de middellange termijn. Op basis van diverse analyses is het scholenlandschap in kaart gebracht. Zo zijn de leerlingenprognoses gekoppeld aan de capaciteitsanalyse en zijn er voor alle gebouwen quickscans uitgevoerd. Via de quickscan wordt een schoolgebouw naast bouwkundige staat ook beoordeeld op onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, exploitatie, veiligheid en uitstraling.
Uitstraling
Samenvatting
1 5,5 6,0 5,5 6,0 6,0 6,0 7,0 8,0 8,0
3 4,0 4,0 4,0 4,5 4,0 6,0 7,0 8,0 8,0
1 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 7,0 6,0 7,0 7,0
2 5,0 5,5 5,0 5,0 5,5 6,0 6,0 6,0 6,0
2 5,0 4,0 5,0 5,0 5,0 4,0 7,0 5,0 5,0
3 5,0 6,0 6,0 5,5 7,0 7,0 8,0 8,0 8,0
58,5 61,0 61,5 62,0 66,0 72,0 84,0 85,0 85,0
Uit het bovenstaande figuur kan worden opgemaakt dat de gemeente Maasgouw het scholenlandschap aardig op orde heeft door de projecten die in de afgelopen jaren zijn gerealiseerd. Er is daarmee geen directe noodzaak om gebouwen aan te pakken in de termijn van 0 tot 5 jaar. Het IHP is daarmee geen inhaalopgave en laat zien dat de gemeente zich kan voorbereiden op de vernieuwingsopgave over 5 jaar.
Pagina 3 van 58
Scenario ontwikkeling Voor de gebouwen met een vervangingsopgave in de komende 20 jaar zijn scenario’s ontwikkeld. Daarbij is, aanvullend op de quickscanscore, ook rekening gehouden met de ruimtebehoefte van de scholen en de capaciteit van de gebouwen. De scenario’s gaan uit van solitaire vervangingsopgaven (nieuwbouw of renovatie). Qua prioritering en tijdspad leidt dit tot de volgende lijst (prioritering).
Financiën Op basis van de scenario en CO2 doorrekening is een financiële doorrekening gemaakt. Daarbij is het verschil benoemd ten opzichte van het wettelijk kader, “Basiskwaliteit” en “Extra kwaliteit”. De gemeente en schoolbesturen streven met “ Basiskwaliteit” een minimale gezamenlijke ambitie na. Het aandeel van de gemeente blijft is bij Basis- of Extra kwaliteit gelijk, waarbij het schoolbestuur minimaal 5% zal bijdragen. Tabel S-2 Financiële doorrekening “Basiskwaliteit” 5-10 Nieuwbouw
Figuur S-1 Uitkomst scenario ontwikkeling renovatie/ nieuwbouw
Bij de scenario ontwikkeling is tevens de kwaliteitsambitie (BENG/ENG) benoemd en meegenomen in de CO2 doorrekening en daarmee de vergelijking met de Klimaatdoelstellingen zoals verwoord in het Klimaatakkoord. Hieruit hebben we kunnen afleiden dat de doelstellingen worden gehaald wanneer het aardgasvrij renoveren van de overige locaties (na 20 jaar) wordt uitgevoerd vóór 2050.
Opgave Basisschool St. Medardus SBO Op de Tump Basisschool ‘t Breerke Basisschool De Triangel TOTAAL 5-10 JAAR
Gem. lln. 10 jaar 114 132 193 287 114
m2 - RBM 10 jaar 771 1.223 1.169 1.642 3990
Totale Kosten "Basis" € 2.224.000,00 € 3.526.000,00 € 3.159.000,00 € 4.437.000,00 € 13.346.000,00
Opgave Basisschool St. Martinus TOTAAL 10-20 JAAR
lln. 2031 119 119
m2 - RBM 2031 542 542
Totale Kosten "Basis" € 2.297.000,00 € 2.297.000,00
TOTAAL
232
1.376
lln. 2031 143 229 218 129 590
m2 - RBM 10 jaar 819 1.337 1327 748 3.482
10-20 Nieuwbouw
€
15.643.000,00
Buiten scope IHP Opgave Basisschool De Maasparel Brede school De Toermalijn Brede school De Sleye Brede school De Koningsspil
Legenda *Uitgangspunt is nieuwbouw
Figuur S-2 Uitkomsten CO2-reductie analyses
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 4 van 58
Het exacte projectbudget en daarmee de kostenverdeling wordt in een haalbaarheidsonderzoek vastgelegd. Daarbij bestaat de mogelijkheid om als schoolbestuur aanvullend bij te dragen aan extra kwaliteit.
Figuur S-3 Kwaliteitsniveaus en kostenverdeling
Randvoorwaarden bij uitvoering Het IHP is een strategisch beleidskader dat fungeert als toetsingskader voor de verschillende projecten. Binnen het IHP is stilgestaan bij de vervolgstappen die nodig zijn om de projecten in uitvoering te brengen. Op tactisch niveau betekent dat er wordt gestart met de inrichting van het proces en de organisatie tussen de gemeente en schoolbesturen en op operationeel niveau wordt gestart met het haalbaarheidsonderzoek en het vaststellen van de projectkaders. Na goedkeuring van het IHP, ligt de regiefunctie van het uitvoeringsprogramma bij het College. In overleg met de schoolbesturen wordt verkend op welke wijze de projecten tot uitvoering wordt gebracht en wie het bouwheerschap draagt. Jaarlijkse monitoring van de kaders en programma management binnen het OGOO is daarmee belangrijk.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 5 van 58
1. Inleiding
Hoofdstuk 1 Inleiding Er wordt gestart met een algehele toelichting op de doelstelling van het Integrale Huisvestingsplan (hierna: IHP) en een toelichting op de wijze hoe het IHP is opgesteld.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 6 van 58
De gemeente Maasgouw heeft in samenwerking met de schoolbesturen een Integraal Huisvestingsplan (IHP) opgesteld. Onderwijshuisvesting is een fundamentele schakel voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het IHP geeft inzicht in het huidige scholenlandschap en de vervangingsopgave om het scholenlandschap te verbeteren. De gemeente zorgt samen met de schoolbesturen voor de huisvesting van het onderwijs. De gemeente draag verantwoordelijkheid voor de vernieuwingsopgave van verouderde schoolgebouwen en de schoolbesturen zorgen voor de invulling van het onderwijs en voor de exploitatie van de huisvesting. Vanuit de gedeelde belangen en de vraagstelling vanuit de gemeente is toegewerkt naar een aanpak om te komen tot een gedragen IHP passend bij de ambities van de gemeente en schoolbesturen. Door middels het IHP te investeren in onderwijshuisvesting draagt de gemeente samen met de schoolbesturen bij aan een leefomgeving die sociaal, leefbaar, duurzaam, gezond en klimaatbestendig is. Het duurzaamheidsbegrip wordt in dit IHP breder getrokken dan alleen energiebesparing. Er wordt ingezet op gezonde, toekomstbestendige, multifunctionele en énergieneutrale schoolgebouwen. Het IHP heeft een strategisch karakter, waarbij vanuit visie en beleid strategische keuzes zijn gemaakt. Er is een beleid ontwikkeld dat verder reikt dan de huidige weten regelgeving.
De gemeente en schoolbesturen hebben hiermee zicht op de benodigde toekomstige investeringen in onderwijshuisvesting. Door nu een strategisch IHP te ontwikkelen spelen gemeente en schoolbesturen bovendien in op, onder andere, de volgende nationale ontwikkelingen: • De mogelijke wettelijke status van IHP’s en renovatie (naar aanleiding van het wetsvoorstel van VNG, VO-raad en PO-raad); • De duurzaamheidsambities die voortvloeien uit de afspraken uit het Klimaatakkoord; • De druk die is ontstaan op de bekostiging van onderwijshuisvesting; • De mogelijke wettelijke verankering van kindcentra en de introductie van een basistoegangsrecht.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
1.1. Doelstelling Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Maasgouw, samen met de schoolbesturen, investeert in onderwijshuisvesting. Het IHP vormt daarmee het koersdocument waarin ambities binnen deze kaders geprojecteerd zijn. Middels kostenkengetallen wordt in dit document in beeld gebracht voor welke opgave de gemeente Maasgouw op het gebied van onderwijshuisvesting staat. In tegenstelling tot de werkwijze (uitsluitend) op basis van de verordening, wordt in het IHP uitgegaan van een proactief onderwijshuisvestingsbeleid. In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht wenst in te vullen. Het IHP: • Stelt de gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn strategische keuzes te maken en proactief beleid te voeren; • Biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings-)beleid kan worden afgestemd; • Vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 2021-2041. Het IHP wordt elke 4 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment.
Figuur 1-1 Termijnen Integraal Huisvestingsplan
Pagina 7 van 58
1.2. Aanpak
1.3. Leeswijzer
Het voorliggend IHP is in vier stappen tot stand gekomen, zoals aangegeven in Figuur 1-2. Tijdens meerdere overleggen zijn de stappen doorlopen met zowel een afvaardiging van de gemeente als schoolbesturen. De scholen zelf zijn tijdens de analysefase betrokken geweest.
In hoofdstuk 2 wordt het aanbod van onderwijs en andere onderwijspartners in de gemeente Maasgouw uiteengezet. Hoofdstuk 3 gaat in op de beleidskaders, beleidsambities en de bouwstenen van beleid, die de kaders van het IHP vormen. Hoofdstuk 4 omschrijft inventarisatie en analyses t.b.v. voorliggend IHP. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 het scholenlandschap en de scenario-ontwikkeling besproken. Hoofdstuk 6 voorziet de scenario’s uit hoofdstuk 5 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In hoofdstuk 7 zijn de randvoorwaarden bij uitvoering van het IHP vermeld.
Figuur 1-2 Werkwijze IHP
De verschillende stappen staan hieronder kort toegelicht: 1. Visievorming: om te komen tot een gezamenlijke visie en beleidsuitgangspunten is in een bijeenkomst met alle schoolbesturen die actief zijn in de gemeente Maasgouw gesproken over de toekomst van onderwijshuisvesting. De uitkomsten zijn vastgelegd in de ‘Bouwstenennotitie gemeente Maasgouw’. 2. Analyse: voor iedere school in de gemeente Maasgouw is een capaciteitsanalyse en kwaliteitsanalyse middels een quickscan uitgevoerd. Op basis van deze gegevens is het scholenbestand van de onderwijshuisvesting in de gemeente Maasgouw in kaart gebracht. 3. Scenario’s: op basis van de bouwstenen en de integrale beoordeling van het gebouwenbestand zijn door de gemeente en de schoolbesturen samen scenario’s ontwikkeld. 4. Financiën: in overleg met schoolbesturen en gemeente is bepaald wat de prioritering van de voorkeursscenario’s moet worden en voor welk kwaliteitsniveau wordt gekozen voor de (ver)nieuwbouwprojecten. Op basis van deze keuzes is een meerjaren investeringsplanning opgesteld.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 8 van 58
2. Aanbod primair onderwijs en partners
Hoofdstuk 2 Aanbod primair onderwijs (en partners) Dit hoofdstuk beschrijft het aanbod in het speciaal- en basisonderwijs en andere (onderwijs-) partners in de gemeente Maasgouw.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 9 van 58
2.1. Basisonderwijs
2.3. Sportaccommodaties
Het scholenlandschap van de gemeente Maasgouw voor het primair onderwijs (PO) is verdeeld over de kernen aanwezig. Er zijn verschillen in denominatie, onderwijsconcepten en omvang. Er zijn twee schoolbesturen voor PO en een schoolbestuur voor speciaal basisonderwijs (SBO) gevestigd in Maasgouw. Gezamenlijk hebben de schoolbesturen negen scholen en verzorgen ze het PO voor circa 1460 leerlingen.
In de gemeente Maasgouw zijn diverse sportaccommodaties aanwezig. De meeste sportaccommodaties zijn niet nabij een school gevestigd. De scholen, waarbij de sportaccommodatie niet nabij de school is, bereiken de dichtstbijzijnde accommodatie ofwel lopend of met passend vervoer.
Tabel 2-1 Overzicht primair onderwijs gemeente Maasgouw Leerlingen Schoolbestuur Scholen Locaties aantal 2020* Wijzers in Onderwijs 7 7 1.117 INNOVO 1 1 223 SPOLT 1 1 122 Totaal
9
9
Leerlingen 2020 (%) 76% 15% 8%
1.462
100%
*Telling oktober 2020 (DUO)
2.2. Kinderopvang In Tabel 2-2 is te zien welke aanbieders van opvang er zijn in de verschillende kernen en/of zij ook gezamenlijk met een school zijn gehuisvest. Tabel 2-2 Overzicht kinderopvang gemeente Maasgouw Dorp
Aanbieder
Maasbracht Heel
Prokino KRMD Robbedoes
Kinderopvang/ peuteropvang Ja Ja Ja
Ja Ja Ja
Gehuisvest met een school Ja Ja Ja
Beegden
Robbedoes
Ja
Ja
Ja
Stevensweert
Ut Kerreraad
Ja
Ja
Ja
Wessem
Thornerkwartier
Ja
Ja
Ja
Thorn Linne
Thornerkwartier KRMD
Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
BSO
Tabel 2-3 Overzicht sportaccommodaties gemeente Maasgouw Dorp
Stichting
Gymzaal
Maasbracht Heel
Menswel Menswel SPOLT
Andreashal Sporthal Reutsdael Op De Tump
Gehuisvest nabij school Nee Ja Ja
Beegden
Menswel
Sportzaal Beegden
Ja
Stevensweert
Menswel
Sportzaal De Werken
Nee
Wessem
Menswel
Sportzaal De Tump
Nee
Thorn Linne
Sportzaal Linne
Sportzaal Linne
Nee
2.4. Multifunctionele accommodaties In de gemeente Maasgouw zijn drie scholen gelegen in een multifunctionele accommodatie (MFA). Naast de scholen zijn er in deze gebouwen diverse andere (onderwijs)partners aanwezig. Hieronder is een overzicht van de gebruikers en faciliteiten van de drie MFA’s. Tabel 2-4 Gebruikers van MFA’s in gemeente Maasgouw MFA De Hoeksteen (Maasbracht)
MFA De Sleye (Heel)
MFA De Wieken (Thorn)
Basisschool De Toermalijn Kinderopvang Prokino Kantoor Wijzers in Onderwijs
Basisschool De Sleye Kinderopvang Robbedoes Bibliotheek Ontmoetingsruimte (met horeca) Sporthal Reutsdael Ruimtes voor muziekles en oefentherapie
Basisschool Koningsspil Kinderopvang Thornerkwartier Kinderbibliotheek
PSW Junior Consultatiebureau GGD Jeugdbibliotheek
Jeugdwerk Thorn Cultuurorganisatie Myouthic
Podotherapeut
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 10 van 58
3. Beleidskaders en ambities
Hoofdstuk 3 Beleidskaders en -ambities Dit hoofdstuk gaat in op de juridische kaders en relevante ontwikkelingen, waaronder de wettelijke taak van de gemeente en schoolbesturen. Vervolgens is in gezamenlijkheid het beleidsrijke kader bepaald. Gemeente en schoolbesturen hebben daarvoor een aantal “bouwstenen”. De bouwstenen geven inzicht in de visie ten aanzien van het onderwijs en de huisvesting (o.a. ambitie en kwaliteit) én wordt benoemd welke afspraken hierover worden gemaakt (o.a. regie, vraag & aanbod).
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 11 van 58
3.1. Juridische kaders en ontwikkelingen 3.1.1 Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO), voor zover dat van toepassing is in de gemeente. De voorzieningen in de huisvesting (waarvoor de gemeente verantwoordelijk is) zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen.
3.1.2 Verordening De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het Primair Onderwijs (artikel 102), de Wet op de Expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het Voortgezet Onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen. De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken.
In de gemeente Maasgouw zijn tevens drie MFA’s aanwezig. Bij deze gebouwen berust het eigendom bij de gemeente. Het schoolbestuur betaalt de vergoeding voor de materiele instandhouding door aan de gemeente.
3.1.4 Huidig stelsel In de huidige rolverdeling is de gemeente verantwoordelijk voor o.a. nieuwbouw en constructiefouten en schoolbesturen voor o.a. onderhoud en exploitatie. Echter vertoont deze rolverdeling enkele tekortkomingen. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven te beperken. Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente. In de praktijk is dit niet aan de orde, maar in zekere zin geeft het stelsel wel een verkeerde impuls. Daarbij komt dat een aantal zaken, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in het Bouwbesluit en maatschappelijk wenselijke voorzieningen waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie niet geregeld zijn.
3.1.3 Eigendom Schoolbesturen hebben het juridisch eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw, valt het gebouw in juridisch eigendom terug aan de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in medegebruik (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel of verhuren (commerciële partij). In alle gevallen dient de gemeente daar toestemming voor te geven. Figuur 3-1 Huidig stelsel financiering onderwijshuisvesting
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 12 van 58
3.1.5 Wetsvoorstel stelselwijziging
3.1.6 Verhoging normbedragen VNG
Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG een gezamenlijk voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. Het voorstel is formeel aan de minister aangeboden en positief ontvangen en wacht op goedgekeurd door de Tweede Kamer.
In maart 2018 heeft de VNG geadviseerd om de normbedragen voor nieuwbouw e.d. te verhogen met 40%. De aangekondigde verhogingen in de normbedragen gelden vanaf 2019. De reden hiervoor is dat de jaarlijkse indexering van de normbedragen over de afgelopen jaren de werkelijke prijsontwikkelingen in de markt niet goed blijkt te hebben gevolgd. Daarnaast is per 1 januari 2021 de wijziging met betrekking tot BENG uit het Bouwbesluit in werking getreden. De verplichting van BENG heeft ook gevolgen voor de kosten van onderwijshuisvesting. Hierdoor heeft de VNG de normbedragen bij de Model Verordening voorziening huisvesting onderwijs eenmalig extra opgehoogd met 9,6%. De verhoging van de normbedragen heeft (nog) geen invloed gehad op de beschikbare middelen voor onderwijshuisvesting in het gemeentefonds. De Rijksoverheid is een Interdepartementaal Beleidsonderzoek gestart waarbij wordt onderzocht welke opgaven er liggen op het gebied van onderwijshuisvesting (BENG, veroudering, verduurzamingsopgave, etc.) en hoe hieraan voldaan kan worden.
Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Belangrijke elementen uit het voorstel zijn: • De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma, met een doorkijk tot ten minste het 16e jaar. • De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar. • Het investeringsverbod voor het PO en SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het Voortgezet Onderwijs. PO- en SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren.
• De concretisering van het Huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
3.1.7 Energie en klimaatakkoord In het klimaatakkoord is vastgelegd dat de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten, behorende bij de klimaatopgave, dienen door te rekenen naar een CO2arme gebouwenvoorraad. HEVO heeft deze doorrekening -in opdracht van PO-raad en de VO-raad- uitgevoerd. Deze doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouw gebonden CO2-productie. Anderzijds richt de doorrekening zich op de kosteneffectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast. Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om: • Te komen tot een gebouw gebonden CO2-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van de situatie in 1990, hetgeen overeenkomt met 44% ten opzichte van de situatie in 2017. • Te komen tot een gebouw gebonden CO2-reductie van 95% in 2050 ten opzichte van de situatie in 1990. Medio 2021 is de Europese Klimaatwet aangescherpt. Nederland werkt nu dus nationaal aan 49% minder uitstoot. Nederland wil, als andere landen meedoen, de Europese doelstelling verhogen. Niet 40% minder uitstoot van broeikasgassen in 2030, maar 55 %. Dit is nationaal nog niet verankerd, daarmee houden we vast aan de 49%.
Pagina 13 van 58
Dit betekent dat ten opzichte van de huidige CO2-uitstoot, representatief gesteld voor referentiejaar 2017, het einddoel per 2050 gesteld wordt op 94,5% CO2-reductie ten opzichte van dat referentiejaar. Het doel voor 2030, 44% reductie ten opzichte van 2017, is door het rijk als doelstelling geformuleerd. Op basis van de verhoudingen voor de doelstelling per 2030 is de doelstelling per 2050 ten opzichte van 2017 bepaald. Een resumé van de bovenstaande percentages is te zien in Tabel 3-1 Doelstellingen Klimaatakkoord.
•
•
• Tabel 3-1 Doelstellingen Klimaatakkoord Doelstelling Referentiejaar 1990 CO2-reductie 2030 49,0% CO2-productie 2030 51,0% CO2-reductie 2050 95,0% CO2-productie 2050 5,0%
Referentiejaar 2017 44,0% 56,0% 94,5% 5,5%
•
• Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin geboden wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim. Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen.
3.2. Coalitieprogramma 2018-2022: ‘Samen maken we Maasgouw!’ In het coalitieprogramma van de gemeente Maasgouw is er aandacht voor duurzame ontwikkeling binnen het sociaal, fysiek en economisch domein. Op hoofdlijnen zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: • Zorg voor elkaar: de gemeente Maasgouw streeft naar een samenleving die een goede sociale cohesie en verbondenheid kent, waar zorg voor elkaar geregeld wordt in een hecht netwerk. • Opvoeding: de gemeente ondersteunt door de instandhouding van scholen in de kernen de opvoeding van kinderen. Er wordt tevens verkend hoe de gemeente scholen kan stimuleren op gezond eten en voldoende beweging. • Sport: in de gemeente worden inwoners gestimuleerd om zoveel mogelijk te gaan sporten. De gemeente voert hiervoor een accommodatiebeleid uit.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
•
Culturele rijkdom: het samen beleven van cultuur zorgt voor verbondenheid aan de dorpskern en draagt bij aan een sterk saamhorigheidsgevoel in de kernen. In het beleid is extra aandacht gegeven voor jongerencultuur. Woningmarkt: de gemeente streeft naar een aanbod van woningen en bouwmogelijkheden die zoveel als mogelijk aansluiten bij de behoeften van de woningzoekenden. In de komende jaren zullen er ruim 400 woningen gebouwd worden. Gebruik van gebouwen: in de gemeente staan veel gebouwen leeg. Er wordt vanuit de gemeente gestreefd naar een duurzame ontwikkeling van deze gebouwen. Beheer openbare ruimte: inwoners worden betrokken bij het beheer en onderhoud van hun eigen buurt of zelfs van natuurgebieden. In de komende jaren zullen de inwoners meer gestimuleerd en ondersteund worden hierbij door de gemeente. Duurzaamheid: de transitie naar duurzame energie en aanpassingen die nodig zijn vanwege het veranderende klimaat staan op de agenda. Naast de transitie wil de gemeente inwoners vooral ook bewust laten worden van hun energieconsumptie. Vestigingsklimaat: middels een regionaal verband wil de gemeente een gunstig vestigingsklimaat realiseren voor bedrijven.
De uitgangspunten die een directe relatie met onderwijs en onderwijshuisvesting hebben, zijn ‘Zorg voor elkaar’, ‘Opvoeding’ en ‘Duurzaamheid’. Daarnaast wordt er in het coalitieprogramma gesproken over de instandhouding van dorpskernen. Het zoveel mogelijk in stand houden van lokale voorzieningen, waaronder scholen, is daarvan een belangrijk onderdeel.
Pagina 14 van 58
3.3. Bouwsteen 1: Regie
4.
Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen met elkaar samenwerken op het gebied van onderwijshuisvesting. 1.
2.
3.
De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie op schoolgebouwen. De gemeente is onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud, aanpassing en de exploitatie van schoolgebouwen. De schoolbesturen zijn bovendien verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod en de kwaliteit daarvan. In het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) of bestuurlijk overleg vindt de afstemming van deze verantwoordelijkheden plaats door middel van gezamenlijk overleg (minimaal 2-jaarlijks). Deze samenwerking overstijgt de samenwerking op basis van de verordening onderwijshuisvesting. Voor het onderwijshuisvestingsbeleid wordt daarom in eerste instantie voor alle betrokken partijen het IHP leidend, voordat er wordt teruggevallen op de verordening. Deze wijze van samenwerking dient, in afwachting van de wettelijke regeling, juridisch vastgelegd te worden. In het geval dat huisvestingsvraagstukken een regionaal karakter hebben vindt, indien noodzakelijk, afstemming plaats met het regionale OOGO en/of het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs. Het IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG om het IHP in de wetgeving te verankeren. Met het vaststellen van het IHP worden tevens de financiële middelen voor de komende 0-4 jaar vastgesteld.
Het IHP geldt voor een periode van 20 jaar en wordt om de 4 jaar geactualiseerd op basis van onder andere leerlingenprognose en nieuwe inzichten vanuit (landelijk) beleid. Ieder jaar wordt in het OOGO de voortgang van het IHP besproken. De prognose van DUO uit 2021 (op basis van de oktobertelling van 2020) vormt het uitgangspunt voor het IHP voor de voorspelling van de leerlingenontwikkeling. In het IHP volgen we deze prognose tot circa 2031 en gaat daarmee uit van een lichte stabiele groei. De sterke toename na 2031 wordt vooralsnog niet herkend. De schoolbesturen geven te kennen dat de (arbeids-) migratie vanuit Nederland (o.a. stedelijk gebied), Duitsland en Oost-Europa zeker een effect kan hebben op de leerlingenprognose. Na vaststelling van het IHP is het van belang dat de leerlingenprognose tweejaarlijks wordt herijkt.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Vanwege de onzekerheid in de voorspelling van de leerlingenontwikkeling en veranderende omstandigheden in het onderwijsveld wordt -bij aanvang van ieder project (haalbaarheidsstudie)- getoetst aan de uitgangspunten en randvoorwaarden van het IHP.
3.4. Bouwsteen 2: Samenwerking Deze bouwsteen omschrijft de samenwerkingsmogelijkheden tussen het onderwijs onderling en overige partners die raakvlakken hebben met het onderwijs. 1.
Samenwerking betekent dat scholen gebouwen delen, met elkaar of met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, buurtvoorzieningen). Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren omdat men elkaar ook daadwerkelijk tegenkomt en biedt exploitatievoordelen (door bijvoorbeeld het delen van ruimten). Het onderwijs staat daarbij centraal en daarmee is een gebouwelijke samenwerking geen verplichting, maar een verkenning.
2.
Samenwerking tussen PO en SBO draagt bij aan het speerpunt dat kinderen de gemeente niet uit hoeven om passend onderwijs te krijgen. De samenwerking tussen het SBO en PO werkt goed en is voornamelijk op inhoudelijke gebied. Het SBO is niet alleen binnen de gemeente van belang maar draagt bij aan het regionale scholenlandschap.
3.
Schoolbesturen en kinderopvang zetten in op het behouden, versterken en waar nodig uitbreiden van samenwerking tussen het PO en kinderopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang. Dit worden ook wel de onderwijs- en kindpartners genoemd: a. De samenwerking richt zich op de afstemming van de pedagogiek en didactiek van beide partijen. b. De samenwerking tussen onderwijs- en kindpartners kan verschillende vormen aannemen. Er zijn verschillende manieren van integratie tussen onderwijs en kinderopvang. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de specifieke situatie. Gezamenlijke huisvesting is in sommige situaties een pre maar geen voorwaarde. Pagina 15 van 58
c.
4.
5.
6.
ofwel ‘verhuur’ ofwel ‘medegebruik’ toegepast. Voorwaarde voor medegebruik is dat het bij medegebruik gaat om het gebruik door (uit de openbare kas bekostigd) onderwijs of voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. In het geval van verhuur geldt een marktconforme huur. De marktconforme huur sluit aan bij de Wet Markt en Overheid en bestaat in basis uit een gebruiksvergoeding (de extra kosten die de verantwoordelijke voor onderhoud en exploitatie maakt als gevolg van de verhuur (ofwel exploitatiekosten)) en een vergoeding voor investeringslasten (de jaarlijkse lasten die het gevolg zijn van het realiseren van de voorziening, bestaande uit rente en afschrijving, die kan worden verhoogd met een deel van de kosten van verzekering van het gebouw en de kosten van onroerendezaakbelasting). De vergoeding voor de investeringslasten gaat naar de investerende partij (tenzij dit uiteraard de kinderopvang of maatschappelijke partij zelf is).
Door de afname van het leerlingenaantal en vanuit politieke wenselijkheid is in veel bestaande gebouwen ruimte ontstaan voor onderwijs- en kindpartners. Het is van belang dat ook in nieuwe situaties (na nieuwbouw/renovatie) er ruimte beschikbaar blijft voor onderwijs- en kindpartners.
Schoolbesturen en gemeente streven naar samenwerking met overige maatschappelijke partners (bibliotheek, jeugdzorg, sportorganisaties, dorpshuis etc.): a. Er wordt tegemoetgekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de kern. Deze functie kan per kern en per school anders worden ingevuld. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie. b. Scholen en (maatschappelijke) partners dragen bij aan de dorpskernontwikkeling. c. Andersom kan de school ook gebruik maken van de maatschappelijke voorzieningen die in de kern aanwezig zijn. In de gemeente Maasgouw zijn drie multifunctionele accommodaties (MFA’s) gerealiseerd waar scholen onderdeel van zijn. Naast de scholen zitten er in deze gebouwen ook diverse kind- en zorgpartners en eventuele sportaccommodaties. De toegevoegde waarde van een dergelijke (gebouwelijke) samenwerking wordt door de betrokken partijen gewaardeerd. De gebouwen dienen tevens optimaal gebruikt te worden. Multifunctioneel gebruik leidt tot een hogere bezetting en daarmee een duurzaam gebruik van de gebouwen. Samenwerking met verschillende typen gebouwgebruikers onder één dak vergroot de flexibiliteit – als de ene gebruiker minder ruimte nodig heeft, kan de andere gebruiker deze ruimte wellicht gaan huren.
Op die manier kan zo veel mogelijk leegstand intern worden opgevangen. Dit vraagt wel om aandacht over afspraken ten aanzien van; beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen. Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Het is belangrijk om hier al bij planvorming over na te denken. Indien ruimten in schoolgebouwen in gebruik worden gegeven aan partijen anders dan het onderwijs (kinderopvang en/of andere maatschappelijke partijen) wordt
Referentie: 1692101-0019.2.3.
3.5. Bouwsteen 3: Vraag en aanbod Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsoplossingen. 1.
2.
3.
Het streven is goede spreiding van onderwijsaanbod over de kernen van Maasgouw, waarbij de voorwaarde is dat de kwaliteit van onderwijs geborgd is. Scholen zijn belangrijk voor de leefbaarheid in de kernen, met als ambitie om het onderwijs “thuis nabij” te organiseren. De kwaliteit van het onderwijs is daarin leidend. Het is daarmee niet de eis dat in elke kern een school moet zijn. De afstand voor een kind tot de school moet in verhouding zijn. Het huidige scholenlandschap laat zien dat deze verhoudingen in voldoende mate aanwezig zijn. Het onderwijs in de gemeente Maasgouw is verdeeld over de verschillende kernen. Behoud van een kwalitatief aanbod in onderwijs én kinderopvang in de afzonderlijke kernen is een belangrijke voorwaarde. Het streven is om voor ieder kind een school nabij huis te hebben, ongeacht of hier door ouders ook daadwerkelijk voor gekozen wordt. Het streven is een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. Daarbij gaat het direct ook om het voorkomen van leegstand en ruimtetekorten bij scholen. Daarvoor zijn een aantal instrumenten geformuleerd. De keuze van het toe te
Pagina 16 van 58
passen instrument zal altijd in samenspraak tussen de gemeente en schoolbesturen gemaakt worden. Er is sprake van maatwerk. a. Wanneer meerdere gebruikers in één gebouw zijn gehuisvest kunnen er onderlinge volumeafspraken worden gemaakt. In het geval van twee scholen in één schoolgebouw gaat het bijvoorbeeld om het maken van afspraken over zogeheten ‘wissellokalen’. Het is belangrijk om bij de ontwikkeling van een nieuw schoolgebouw naar de indeling te kijken omdat de mogelijkheid bestaat dat bepaalde (groeps-)ruimten na verloop van tijd wisselen van gebruiker. b. In het geval van multifunctionele accommodaties (MFA) waar scholen, kinderopvang partners en/of maatschappelijke partners gebruik van maken, is het ook mogelijk om volumeafspraken te maken voor een verandering in de ruimtevraag in de toekomst. Het is ook in dit geval belangrijk om op voorhand duidelijke afspraken te maken over welke ruimten voor gemeenschappelijk gebruik zijn en welke ruimten (onder bepaalde voorwaarden) kunnen wisselen van gebruiker in de toekomst. c. Verhuur van ruimten kan, na toestemming van de gemeente, een oplossing zijn voor een ruimteoverschot. Ook afstoten van leegstand kan een mogelijkheid zijn. d. Gebruik maken van (gedeeltelijk) leegstaande panden welke niet tot de onderwijshuisvestingvoorraad behoren is een mogelijkheid om incidenteel, niet-structureel, ruimtetekort op te lossen.
Denk aan dorpshuizen of andere maatschappelijke voorzieningen. In het geval van structureel ruimtetekort gaat de gemeente na of er een geschikte voorziening in de dorpskern is om het ruimtetekort op te lossen (bijvoorbeeld leegstand in een andere school). Ook worden oplossingen zoals een noodunit of aanbouw onderzocht. Het kiezen van de oplossing gebeurt altijd in samenspraak tussen schoolbesturen en gemeente. 4.
Er is tevens vanuit het coalitie programma aandacht voor de relatie met sport, bewegen en cultuur. Dit gaat enerzijds over de afstand tot en de bereikbaarheid van gymzalen en voorzieningen binnen Maasgouw, maar anderzijds ook over hoe de inrichting van een gebouw, het speelterrein (groen) en de directe omgeving beweging kunnen stimuleren. De school kan gebruik maken van de faciliteiten uit de kern, maar kan eventueel ook een functie voor de kern vervullen op het gebied van sport, bewegen en cultuur.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
3.6. Bouwsteen 4: Kwaliteit en duurzaamheid Deze bouwsteen geeft aan welke kwaliteitsambities de gemeente en schoolbesturen nastreven op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. 1.
Gemeente en schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke, gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op het onderwijs én op het leefklimaat voor de toekomstige generaties.
2.
Het IHP streeft, bij nieuwbouw, naar het realiseren van energieneutrale gebouwen (ENG) die tevens aardgasvrij zijn. Bij renovatie is het streven om bijna energieneutrale gebouwen (BENG) te realiseren; dit dient per situatie bekeken te worden, met een gezonde balans tussen kwaliteit, duurzaamheid en de (financiële) middelen (kosten-batenanalyse). Per locatie dient in aanvullende onderzoeken, zoals een haalbaarheidsstudie, toegewerkt te worden naar een optimale balans tussen de diverse criteria passend bij het schoolgebouw en de omgeving.
3.
Gemeente en schoolbesturen willen duurzaamheid breder definiëren dan alleen energiebesparing en CO2-reductie: duurzaamheid gaat ook over goed onderwijs, een gezond leer- en leefklimaat, een gezonde financiële exploitatie, circulariteit en toekomstbestendigheid. Deze thema’s hebben een hogere prioriteit dan alleen energiebesparing. a. Ten aanzien van goed onderwijs gaat het om onderwijskundige functionaliteit: nieuwe en gerenoveerde schoolgebouwen dienen onderwijsconcepten goed te faciliteren. Het gebouw dient aan te sluiten bij het onderwijsconcept van de school. Daarnaast dienen ook andere functies in samenhang met onderwijs goed gefaciliteerd te worden. Denk hierbij aan kinderopvang, jeugdzorg en eventueel andere sociaal-culturele faciliteiten. b. Ten aanzien van gezondheid wordt rekening gehouden met de Frisse Scholen-thema’s (naast energie): lucht, temperatuur, licht en geluid om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor de Frisse Scholen thema’s wordt gekozen voor een slimme mix van eisen per subonderdeel, waarbij in sommige gevallen klasse A de beste keuze is, maar in andere gevallen klasse C of niveau bouwbesluit ook goede kwaliteit
Pagina 17 van 58
c.
d.
levert. Hierbij wordt het kwaliteitskader van HEVO aangehouden, wat is gebaseerd op een optimale prijs-kwaliteit verhouding. Ten aanzien van circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, herbruikbare materialen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen. Ten aanzien van toekomstbestendigheid wordt ingezet op maximale flexibiliteit (o.a. het vermijden van dragende binnenwanden) om ervoor te zorgen dat de schoolgebouwen in de toekomst ook andere onderwijsconcepten kunnen faciliteren. Hierbij gaat het zowel om interne flexibiliteit, als ook om transformatiemogelijkheden van het vastgoed. Het definitieve kwaliteitsniveau en de verdeling van de kosten worden nader geconcretiseerd binnen de budgettaire kaders.
4.
Naast bouwkundige kwaliteit van schoolgebouwen is er in het IHP expliciet aandacht voor andere (strategische) kaders voor vastgoedbeleid: onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, exploitatie en uitstraling.
5.
Duurzaamheidsprincipes worden toegepast bij nieuwbouw/renovatie van schoolgebouwen. Daarbij bieden de principes van Trias Energetica houvast om hierin een realistische afweging te maken tussen ambitie en budget: a. Voorkomen van onnodig energieverbruik (bijvoorbeeld isolatie). b. Gebruik van duurzame energiebronnen (bijvoorbeeld zonnepanelen). c. Indien nodig, efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld gas).
duurzaamheidsmaatregelen af te stemmen op het moment van nieuwbouw/renovatie en te koppelen aan terugverdientijden. 8.
Schoolgebouwen dienen veilig en integraal toegankelijk te zijn. De school moet bereikbaar zijn en de verkeersituatie om de school moet veilig zijn. Daarnaast moet het gebouw toegankelijk zijn voor al haar mogelijke bezoekers.
9.
Investeringen in duurzaamheid dienen gerelateerd te worden aan de gehele levenscyclus van gebouwen. Daarbij is een afstemming tussen de verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbesturen van belang. Liever gezamenlijk goed investeren in deugdelijke maatregelen dan nadelige gevolgen te ondervinden in bijvoorbeeld exploitatie en onderhoud tijdens de levensduur van een gebouw. Dit valt samen met de principes van TCO: inzetten op betaalbare investeringen die zich laten terugverdienen in de exploitatie.
De scholen en schoolgebouwen hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid en voorbeeldfunctie naar leerlingen, hun familie en de kern.
10. Schoolbesturen en gemeente verkennen tijdens het IHP-traject de principes van Total Cost of Ownership (TCO). Bij TCO dragen schoolbesturen mogelijk bij aan een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze investering komt de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede, waardoor een investering aan de voorkant een besparing kan opleveren tijdens het gebruik van het gebouw. Een integrale afweging tussen investering en onderhouds- en exploitatiekosten is daarbij van belang. Schoolbesturen maken voor hun bijdrage gebruik van de vergoeding voor materiële instandhouding die zij ontvangen van het rijk. Met de schoolbesturen wordt verkend of- en op welke manier TCO een plek kan krijgen in het IHP. In het IHP wordt rekening gehouden met het op dit moment nog geldende investeringsverbod voor het PO en de (exploitatie) tekorten die zij (net als de gemeente) ervaren in de bekostiging.
6.
3.7. Bouwsteen 5: Renovatie of nieuwbouw
Het is van belang dat de duurzaamheid op projectniveau intensief wordt afgestemd op de mogelijkheden in de kern en omgeving. Daarbij is te denken aan restgebruik van warmte, aansluiten op warmtenet of het toevoegen van extra zonnepanelen voor het leveren van energie aan omliggende woningen.
Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen de afweging tussen renovatie en vervangende nieuwbouw kunnen maken. 1.
7.
Het IHP geeft de schoolbesturen inzicht in de vervangingstermijn van hun gebouwen. Schoolbesturen zijn door het IHP in staat om onderhoud en
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw, schoolbesturen zijn in alle situaties verantwoordelijk voor het goed onderhouden en exploiteren van gebouwen. Renovatie (lees: vernieuwbouw) is wettelijk nog niet geregeld.
Pagina 18 van 58
Renovatie kan een duurzamere oplossing zijn dan nieuwbouw. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG. a. Renovatie wordt opgenomen als voorziening. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (onder andere artikel 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie toe te passen. b. Renovatie (vernieuwbouw) is daarbij een integrale levensduurverlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar, maar bij voorkeur 40 jaar, wordt verlengd. Dit betekent dat vernieuwbouw alleen een overweging is wanneer aangetoond kan worden dat de betreffende school en het schoolbestuur weer ten minste 25 jaar op een goede en betaalbare manier met het gebouw vooruit kunnen. In specifieke situaties kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, als een tijdelijke oplossing noodzakelijk is, maar in principe zou renovatie gelijkwaardig aan nieuwbouw moeten zijn. c.
Uitgangspunt bij renovatie is dat de aanpassingen die leiden tot een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar1 voor rekening komen van de gemeente, waarbij op basis van Total Cost of Ownership (TCO) en vanuit de MJOP een investeringsbijdrage van het schoolbestuur aan de dekking van de renovatie kan worden toegevoegd (hierover volgt nadere afstemming in de werkgroepen Financiën). 2.
3.
Bij investeringsopgaven in het kader van het IHP wordt de mogelijkheid van renovatie onderzocht. Daarbij wordt beoogd om de gedefinieerde duurzaamheidseisen (BENG, gasvrij en streven richting ENG) en kwaliteitseisen, in het bijzonder op gebied van binnenklimaat (gemiddeld Frisse Scholen klasse B), zoveel mogelijk te realiseren. Dit wordt in de afweging nieuwbouw of renovatie inzichtelijk gemaakt. Per situatie wordt een afweging gemaakt (bijvoorbeeld in een haalbaarheidsonderzoek) of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is voor de
1 In het concretiseringsvoorstel van de PO-VO Raad en VNG is opgenomen: ‘Renovatie is een grootschalige en
betreffende school. Daarbij worden onder andere de volgende aspecten meegenomen in de afweging (willekeurige volgorde): a. Er wordt rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit van de gebouwen. Past de huisvesting bij de onderwijsvisie, nu en in de toekomst? Is de huisvesting voldoende flexibel aanpasbaar voor gebruik in de toekomst? Is het mogelijk om middels renovatie ervoor te zorgen dat de huisvesting weer past bij de onderwijsvisie? Dan is renovatie een goede optie. b. Er wordt rekening gehouden met een goede bezetting van gebouwen. Er wordt (bij voorkeur) niet gerenoveerd voor een schoolgebouw waar sprake is van significant ruimtetekort of ruimteoverschot, tenzij de eventuele overmaat kan worden toebedeeld aan andere gebouwgebruikers. c. Er wordt rekening gehouden met de culturele en maatschappelijke waarde en de stedenbouwkundige uitstraling in samenhang met de omgeving. d. Er wordt rekening gehouden met mogelijkheden om de gestelde duurzaamheidsambities (zie bouwsteen 4) te bereiken. e. De kosten en mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting worden meegenomen in de afweging voor nieuwbouw of renovatie. f. De toekomstige exploitatie- en onderhoudslasten worden meegenomen als afweging voor nieuwbouw of renovatie. g. De levensduur van het gebouw wordt gekoppeld aan de leerlingenprognose en scenario ontwikkeling. h.
Er wordt rekening gehouden met de bouwtechnische staat van het schoolgebouw – is renovatie een (financieel) haalbare en aantrekkelijke optie? i. Er wordt gekeken naar de meerjarenplanning van andere scholen en dorpsfuncties die wellicht nieuwbouw gaan krijgen – dan is gezamenlijke huisvesting in die nieuwbouw een interessante optie. In dat geval kan in samenspraak gekozen worden om enkele jaren te overbruggen en daarna over te gaan tot gezamenlijke nieuwbouw. Het IHP geeft de schoolbesturen en de gemeente inzicht in de vervangingstermijn van hun gebouwen. Schoolbesturen zijn door het IHP in staat om onderhoud en duurzaamheidsmaatregelen af te stemmen op het moment van nieuwbouw of renovatie. Gemeenten kunnen in hun meerjarenbegroting rekening houden met de vervanging van onderwijsgebouwen en daardoor financieel voorsorteren op de komende uitgaven/investeringen.
integrale aanpak van een bestaand schoolgebouw waarmee de levensduur verlengd wordt met ten minste 25 jaar en het gebouw (weer) voldoet aan de functionele eisen en kwaliteitseisen zoals geformuleerd in het IHP (en ten minste aan vigerende eisen van het Bouwbesluit).’
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 19 van 58
4. Inventarisatie en analyse
Hoofdstuk 4 Inventarisatie en analyses Om de prioritering te bepalen van de mogelijke vervangingsopgave zijn alle scholen in de gemeente Maasgouw geanalyseerd. De schoolgebouwen zijn beoordeeld op basis van de objectieve QuickScan methodiek. Daarnaast zijn de leerlingenprognose en capaciteitsanalyse gebruikt om de huidige en toekomstige situatie in beeld te krijgen.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Pagina 20 van 58
Referentie: 1692101-0019.2.3.
In Tabel 4-1 zijn de QuickScan scores van de schoolgebouwen in de gemeente Maasgouw weergegeven. Op basis van deze scores en het bijbehorende advies voor de termijn waarbinnen renovatie of nieuwbouw zou moeten worden uitgevoerd geven een eerste prioritering. Uit de tabel is af te lezen dat er 4 schoolgebouwen zijn waarvoor binnen een termijn van 5-10 jaar geadviseerd wordt om te renoveren of nieuw te bouwen. In die periode staat de gemeente Maasgouw dus voor een grote vervangingsopgave.
Onderwijskundig
Totaalscore
Bouwjaar 1969 1982 1975 1990 1969 1972* (2013 renovatie) 2006 2013 2014
Exploitatie
Tabel 4-1 Quickscanscores gemeente Maasgouw
Binnenmilieu
School Basisschool “St. Medardus” SBO Op de Tump Basisschool “ ‘t Breerke” Basisschool “Triangel” Basisschool “ St. Martinus” Basisschool “De Maasparel” Brede school “De Sleye” Brede school “De Koningsspil” Brede school “De Toermalijn”
4.1.1 QuickScan scores
Veiligheid
Op basis van de door HEVO ontwikkelde en frequent toegepaste methodiek is elk gebouw op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score. In BIJLAGE 1: Waardenwijzer is de Waardewijzer van de criteria opgenomen. Voor zes gebouwen is dit zowel via een bureaustudie als locatiebezoek gedaan. Voor de andere drie scholen is de beoordeling alleen via een bureaustudie gedaan vanwege hun jonge leeftijd. De totaalscore geeft op uniforme wijze richting aan de mate van urgentie tot een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit: • Bij <57 punten: binnen 0-5 jaar (rood) • Bij 57-63 punten: binnen 5-10 jaar (oranje) • Bij 63-69 punten: binnen 10-20 jaar (lichtgroen) • Bij >69 punten: na 20 jaar (donkergroen)
De quickscanscores zijn input voor de scenario-ontwikkeling. Bij het besluit tot nieuwbouw/renovatie wordt bij de scenario-ontwikkeling ook gekeken naar andere belangrijke afwegingscriteria.
Bouwkundige Staat
Voor het ontwikkelen van scenario’s is een integraal inzicht in de bestaande huisvestingssituatie van de scholen een belangrijk uitgangspunt. Dit inzicht geeft richting aan de prioritering en toekomstperspectieven van de scholen in de gemeente. Voor het IHP is het niet alleen de vraag of een pand een goed gebouw is, maar of het pand een goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom gekeken naar meer dan alleen de bouwkundige staat. Er is ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, exploitatie, veiligheid en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn kaders voor strategisch vastgoedbeleid.
Uitstraling
4.1. Quickscans
1 5,5 6,0 5,5 6,0 6,0 6,0 7,0 8,0 8,0
3 4,0 4,0 4,0 4,5 4,0 6,0 7,0 8,0 8,0
1 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 7,0 6,0 7,0 7,0
2 5,0 5,5 5,0 5,0 5,5 6,0 6,0 6,0 6,0
2 5,0 4,0 5,0 5,0 5,0 4,0 7,0 5,0 5,0
3 5,0 6,0 6,0 5,5 7,0 7,0 8,0 8,0 8,0
58,5 61,0 61,5 62,0 66,0 72,0 84,0 85,0 85,0
Pagina 21 van 58
4.2. Leerlingenprognoses Figuur 4-1 visualiseert de leerlingenprognoses van het primair onderwijs in de gemeente Maasgouw. De prognose van DUO (2021, op basis van oktobertelling 2020) vormt het uitgangspunt voor het IHP voor de voorspelling van de leerlingenontwikkeling. In het IHP volgen we deze prognose tot circa 2031, vanwege de niet-herkenbare toename. Op basis van ervaring en verwachting van schoolbesturen is hier wel enige nuance van toepassing, bijvoorbeeld met betrekking tot een toename van inwoners uit WestNederland, Duitsland en Oost-Europa en enkele woningbouwontwikkelingen in de gemeente. Voor de periode na vaststelling van het IHP is het advies dat er zo snel mogelijk een prognose wordt opgesteld die specifiek de situatie in Maasgouw in beeld brengt. Deze nieuwe prognose zal worden gebruikt in haalbaarheidsonderzoeken op projectniveau en bij de herijking van het IHP.
Leerlingenaantal per school 300 250 200 150 100 50 0
Figuur 4-2 Leerlingenaantal per school gemeente Maasgouw (oktobertelling 2020)
In Figuur 4-2 zijn de leerlingaantallen per school te zien. De drie grootste scholen bij gemeente Maasgouw zijn de Sleye, Triangel en Toermalijn (gemiddeld 230 leerlingen per school). Daartegenover staan ook twee kleinere scholen waarbij het aantal leerlingen minder dan 100 is, namelijk bij de Sint Medardus en Sint Martinus.
4.3. Opheffingsnorm
Figuur 4-1 Leerlingenprognose gemeente Maasgouw (DUO, 2021)
In Figuur 4-2 is het huidige leerlingenaantal per school te zien. De leerlingenprognose van het SO is deels afhankelijk van regionale afspraken. Het tweejaarlijks monitoren van de leerlingenprognose voor PO en SO is in het OOGO noodzakelijk.
Referentie: 1692101-0019.2.3.
Naast de leerlingenprognose is de opheffingsnorm van belang bij de bepaling van scenario’s. Een school komt voor bekostiging in aanmerking als het leerlingenaantal gelijk is aan of boven de opheffingsnorm zit van de gemeente waarin deze gevestigd is. De bekostiging wordt beëindigd als het leerlingenaantal gedurende drie achtereenvolgende schooljaren minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm. De Wet op het Primair Onderwijs kent enkele uitzonderingen op de hierboven genoemde regel inzake beëindiging bekostiging. De opheffingsnorm in Maasgouw is 83. Er zijn in de gemeente Maasgouw geen scholen onder de opheffingsnorm. Daarmee is de opheffingsnorm op dit moment geen onderdeel van de afwegingscriteria.
Pagina 22 van 58
4.4. Capaciteitenanalyse Als onderdeel van de quickscans is ook de capaciteit van de schoolgebouwen geanalyseerd. De capaciteitsanalyse (BIJLAGE 2: Capaciteitsanalyse) maakt het ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van een school wordt bepaald door de leerlingentelling en prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de VVHO). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de bruto vloeroppervlakte (BVO). Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor exploitatie en onderhoud. Schoolbesturen ontvangen een vergoeding voor materiële instandhouding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal vierkante meters in een schoolgebouw. Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente. Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur) dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de VVHO) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten, waarmee kan worden verwezen naar leegstand. De ruimtebehoefte voor schoolgebouwen waarmee in de vervangingsopgave wordt gerekend, is gebaseerd op het geprognosticeerde leerlingaantal in 2031.
Op basis van dit leerlingaantal kan voor ieder schoolgebouw de normatieve ruimtebehoefte worden berekend via de volgende berekening: Normatieve ruimtebehoefte (BVO) = aantal leerlingen * 5,03 + 200 In deze berekening is 5,03 het aantal vierkante meters BVO waar een school per kind recht op heeft, daarbovenop krijgt iedere school eenmaal een ‘vaste voet’ van 200 m2 toebedeeld. Voor speciaal basisonderwijs is de berekening anders. Daar is het aantal vierkante meters per leerling 7,35. De capaciteitsanalyse per school is terug te vinden in BIJLAGE 2: Capaciteitsanalyse.