17974-BIJLAGE 4 Bedrijventerreinen Maasbracht 3e herziening - compleet
Tekst van het document
nieuwe loods op Veerweg 1-3, voor een interieurbouwwerkplaats; plaatsen van containers onder bepaalde voorwaarden toestaan; uitbreiden gezoneerd industrieterrein met de locaties Industrieweg 9 en 12, zonder dat dit leidt tot een wijziging (vergroting of verkleining) van de buitengrens van de geluidzone. 2.2.1 Logies functies Het pand industrieweg 12-14 is de voormalige bedrijfswoning van de scheepswerf. Met de oprichting van de huidige bedrijfswoning aan de industrieweg 16 is het gebruik van de voormalige bedrijfswoning komen te vervallen. De bedrijfswoning was destijds in twee wooneenheden gesplitst. Het rechterdeel is destijds verkocht en in het verleden (door toepassing van een vrijstelling artikel 19 WRO) omgevormd tot een burgerwoning. Het linkerdeel van het pand heeft nu een kantoorfunctie. De burgerwoning wordt door de scheepswerf aangekocht, waarbij met de huidige bewoner wordt afgesproken dat hij daar als burger mag blijven wonen. Het gehele pand wordt voorzien van de mogelijkheid tot logiesfunctie. Eerst wordt het kantoorgedeelte omgevormd. Nadat de huidige bewoner niet meer in de woning woont zal ook dat deel omgevormd worden naar een logiesfunctie. De logiesfunctie wordt gebruikt voor het tijdelijk huisvesten van schippersgezinnen.
Het gebruik als burgerwoning, door de huidige bewoner, blijft, na vaststelling van dit plan mogelijk onder het zogenoemde persoonsgebonden overgangsrecht.
Figuur 2-8 Toekomstige logiesgebouwen Industrieweg 12 en 14 2.2.2 Nieuwe loods Industrieweg 16 en Veerweg 1-3 Op 29 maart 2016 heeft de scheepswerf een principeverzoek ingediend voor de realisatie van een nieuwe bedrijfsloods op het perceel. De loods paste niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. De loods wordt namelijk op de perceelsgrens gerealiseerd, terwijl in het bestemmingsplan een minimale afstand van 5 meter tot aan de perceelsgrens geldt. Op 1 juli 2016 heeft de gemeente besloten mee te werken aan de realisatie van deze nieuwe loods door middel van de wijziging van het bestemmingsplan. In bijlage 1 is een tekening van de toekomstige loods opgenomen.
13/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
Figuur 2-9 Locatie toekomstige loods Industrieweg 16 Ook aan de Veerweg 1-3 is een nieuwe loods voorzien voor de toekomstige interieurwerkplaats. In de interieurwerkplaats worden interieurstukken gebouwd die onder andere geplaatst worden in schepen. Langs de kade kunnen schepen afgemeerd worden voor het plaatsen van de interieurstukken. Het is niet de bedoeling dat aan deze schepen echte scheepswerfactiviteiten worden uitgevoerd. Incidenteel kan het noodzakelijk blijken om, in verband met het inpasbaarheid van het interieurstuk, kleine en kortdurende metaalbewerkende activiteiten in het schip uit te voeren. Het bouwvlak en de regels van het bestemmingsplan worden afgestemd op deze toekomstige ontwikkeling. In bijlage 1 is een tekening van de toekomstige loods opgenomen.
Figuur 2-10 Locatie toekomstige loods Veerweg 1-3 2.2.3 Bedrijfswoning Industrieweg 18 Op het perceel industrieweg 18 bevindt zich de bedrijfswoning van het bedrijf. De bedrijfswoning is ook als zodanig bestemd in het geldende bestemmingsplan. Echter is de tuin behorende bij de bedrijfswoning niet volledig als zodanig mee bestemd. De voortuin en achtertuin zijn in het originele plan wel meengenomen, maar nu blijkt dat een groter deel van het perceel in gebruik is als tuin behorende bij de woning. Dit betreft het zijperceel, wat niet geschikt is voor de bedrijfsvoering. Dit deel van het perceel is in gebruik als dierenverblijf. Om het huidige gebruik in overeenstemming te brengen met de bestemming is er voor gekozen om dit deel mee te nemen binnen de bestemming van de bedrijfswoning.
14/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
Figuur 2-11 Tuin behorende bij de bedrijfswoning aan de Industrieweg 18 2.2.4 Bedrijfsbestemmingen Scheepswerf De overige gronden van het bedrijf worden specifiek bestemd voor activiteiten die verband houden met de scheepswerfactiviteiten op de locaties Industrieweg 16-18 en Veerweg 4. Alle percelen worden dan ook voorzien van deze specifieke aanduiding, met bijbehorende passende regelingen. Voor de locaties Veerweg 1-3 en industrieweg 9 worden de maximaal toegestane geluidsemissies en de toegestane stikstofdepositie beperkt ten opzichte van de overige percelen. Dit vanwege de daar uitgevoerde bedrijfsactiviteiten, de bescherming van nabijgelegen woningen en de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit wordt specifiek in de planregels vastgelegd (o.a. via de aanduiding 'interieurwerkplaats'). Voor stikstof wordt in de planregels opgenomen dat de emissie van de activiteiten niet mag toenemen ten opzichte van de vergunde situatie op 1 januara 2019 (tenzij de Wet milieubeheer een hogere emissie mogelijk maakt). Voor geluid wordt opgenomen dat de activiteiten van de Veerweg 1-3 en Industrieweg 9 niet mogen leiden tot overschrijding van de zone. Voor de bedrijfsvoering (laden en lossen grote onderdelen) is het noodzakelijk dat het perceel Veerweg 1-3 de beschikking blijft hebben over een torenkraan. De huidige torenkraan is niet opgenomen in het bestemmingsplan.
In het bestemmingsplan zal daarom ter plaatse een torenkraan planologisch mogelijk worden gemaakt. De huidige torenkraan wordt, vanwege zijn beperkingen, op termijn vervangen door een nieuwe. Om te voorkomen dat de giek over de bebouwing van het naastgelegen perceel zwaait, wordt een giekvrije zone opgenomen in het bestemmingsplan. In het nu geldende bestemmingsplan geldt een absoluut verbod op het plaatsen van zeecontainers waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit verbod was destijds opgenomen om te voorkomen dat containers met elkaar werden verbonden en zouden dienen als werkplaatsen en personeelskantines. In de praktijk is gebleken dat de scheepswerven behoefte hebben aan het opslaan van materiaal in containers. Daarnaast is door de verruiming van de mogelijkheden voor het vergunningsvrij bouwen gebleken dan veel geplaatste containers vergunningsvrij zijn. Een absoluut verbod op het plaatsen van containers is daarom niet meer werkbaar en wenselijk. Wel worden er nog aanvullende regels opgenomen voor de containers. Containers mogen niet hoger dan 2 containers worden opgestapeld en containers mogen niet meer onderling verbonden worden (doorlassen van containers, zodat een grotere ruimte ontstaat). De werkstroken in het Julianakanaal en in de haven maken ook onderdeel uit van de inrichting en krijgen ook de functieaanduiding werkstrook.
Tevens wordt het mogelijk om in deze werkstrook schepen langer dan 25 meter af te meren in afwachting van werkzaamheden aan 15/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
deze schepen bij de scheepswerf. 2.2.5 Uitbreiding gezoneerd bedrijventerrein De percelen Industrieweg 9 en 12 maken in het geldende bestemmingsplan nog geen onderdeel uit van het huidige gezoneerde bedrijventerrein. Beide percelen zijn inmiddels in eigendom van de scheepswerf en gaan onderdeel uit maken van het bedrijf. Weliswaar worden ter plaatse geen echte scheepswerfactiviteiten uitgeoefend, maar vanwege de onlosmakelijke samenhang die de percelen hebben maken ze milieutechnisch wel onderdeel uit van het bedrijf (één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer). Aangezien de gehele inrichting een geluidgezoneerd bedrijf is zullen ook deze percelen binnen het gezoneerde bedrijventerrein moeten komen te liggen. Uit akoestisch onderzoek (zie paragraaf 4.4 van deze toelichting is gebleken dat dit geen akoestische knelpunten oplevert. Ook zorgt de uitbreiding van het gezoneerde bedrijventerrein niet voor een vergroting van de bijbehorende geluidszone. Voor de (werkstrook bij de) Veerweg 1-3 en Industrieweg 9 wordt vastgelegd dat hier minder geluid mag worden geproduceerd dan op de percelen Industrieweg 16 en 20 en Veerweg 4.
16/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
Hoofdstuk 3 Relevant beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende Rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur; het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen.
Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor Limburg geeft het Rijk in de SVIR wel aan dat het aanpakken van de krimpopgave noodzakelijk is om leegstand en verpaupering te voorkomen. Dit beleid is op regionaal niveau verder uitgewerkt. De juridische doorwerking van de Structuurvisie infrastructuur en Ruimte is opgenomen in het Besluit en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische hoofdstructuur), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.
Geen van deze nationale belangen spelen een (relevante) rol in of rond het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ladder voor duurzame verstedelijking De SVIR introduceert een zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' met als doel een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten die zien op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Met ingang van 1 juli 2017 is de 'ladder' gewijzigd. De oorspronkelijke 3 treden zijn vervallen. De definities zijn niet veranderd en de op basis van de 'oude' ladder uitgezette lijn in de jurisprudentie blijft in stand. De ladder is verankerd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): de 17/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Op basis van het toekomstige bestemmingsplan wordt niet meer bebouwing mogelijk gemaakt dan op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Ook zorgt de nieuwe planologische regeling niet voor een andere of grotere inbreuk op de omgeving. Er is daarom geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing.
Rijksvaarwegen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van een rijksvaarweg of op een vrijwaringszone en dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan (vigerend ten tijde van de inwerkingtreding van de betreffende titel uit het Barro, in dit geval 1 oktober 2012) wordt rekening gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor: de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten; en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. De Maas is ter hoogte van het plangebied een voor het openbaar verkeer van schepen openstaand oppervlaktewaterlichaam in CEMT-klasse Va, waarvoor volgens het Barro een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden van de rijksvaarweg en 50 meter aan weerszijden van de rijksvaarweg binnen een afstand van 300 meter van een vaarwegsplitsing of havenuitvaart moet worden opgenomen, beide gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg zoals opgenomen in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Het bestemmingsplan is in overeenstemming genoemde verplichtingen die voortvloeien uit het Barro.
Grote rivieren: Rivierbed Een bestemmingsplan mag alleen nieuwe bestemmingen - ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan - in een rivierbed aanwijzen in het geval er sprake is van: een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en; een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. De resterende waterstandseffecten of afname van het bergend vermogen dienen in dat geval te worden gecompenseerd. In het plan dient vervolgens te worden vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd. Het plan voorziet niet in de mogelijkheid om nieuwe bestemmingen in het rivierbed mogelijk te maken. Het plan is dan ook in overeenstemming met de hiervoor genoemde verplichtingen uit het Barro.
18/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
3.1.3 Beleidslijn grote rivieren De beleidslijn bevat een afwegingskader waaraan nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren moet voldoen. De toepassing van het afwegingskader waarborgt de veiligheid in het achterland; de ruimte die de rivier nodig heeft bij een maatgevende hoogwatersituatie blijft hiermee behouden. De beleidslijn heeft als doelstelling: de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden; ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk te maken.
Figuur 3-1 Uitsnede kaart Beleidslijn Grote Rivieren Op bovenstaande afbeelding is de kaart die hoort bij de Beleidslijn te zien. Het watergedeelte van het bedrijventerrein en het direct er aan grenzende Julianakanaal is als bergend regime aangewezen, de Maas als stroomvoerend regime. Het water dat door de scheepswerf wordt gebruikt valt onder het gebied dat is aangewezen als bergend regime. Het plangebied zelf ligt grotendeels in het gedeelte waar paragraaf 6 van Hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is. Het betreft delen van de rijkswateren die niet relevant zijn voor de bergings- of afvoercapaciteit, maar wel intensief worden gebruikt. Voor deze gebieden is het ongewenst om de vergunningplicht en de algemene regels voor het gebruik van het waterstaatswerk te laten gelden. Artikel 6.16 Waterbesluit bepaalt daarom dat de regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken niet van toepassing zijn in de gebieden die zijn opgenomen op de kaarten bij de beleidslijn. In die gebieden wordt het gebruik op grond van de Waterwet aan geen enkele beperking onderworpen. De zorgplicht is daar ook niet van toepassing.
Voor activiteiten in het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing is wordt toestemming gegeven indien er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteiten dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft, er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit en er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteiten dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. In het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt in de regel altijd toestemming gegeven voor de aanleg of wijziging van scheepswerven en specifiek daaraan verbonden bedrijfsactiviteiten. Ook voor een aantal andere riviergebonden activiteiten zoals steenfabrieken, waterkrachtcentrales over overslagbedrijven voor vervoer over het water wordt in de regel toestemming gegeven. Voorwaarden zijn dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft, er geen sprake is van een feitelijk belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit en de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. Resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend 19/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
vermogen moeten duurzaam gecompenseerd worden. 3.1.4 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 22 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld. Het plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid, waaronder waterveiligheid en overstromingsrisicobeheerplannen. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende zes jaar met een vooruitblik richting 2050. In het Nationaal Waterplan staan vijf ambities centraal: Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen; Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics) zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoetwater is; Nederland klimaatbestendig en waterrobuust inrichten. Bijvoorbeeld met verdiepte pleinen in een stad die bij veel regenval volstromen met water; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement en –innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen; Nederlanders leven waterbewust. Schoon, veilig en voldoende water zijn niet vanzelfsprekend.
Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 Het POL2014 vormt een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op klimaatverandering. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', in het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. In POL2014 wordt onderscheid gemaakt tussen 'bebouwd gebied' en 'landelijk gebied'.
Daarbinnen gelden de volgende zones: bebouwd gebied: - stedelijk centrum, - bedrijventerrein, - overig bebouwd gebied landelijk gebied: - goudgroene natuurzone, - zilvergroene natuurzone, 20/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
- bronsgroene landschapszone en - buitengebied.
Figuur 3-2 Kaart zonering Limburg
Het bedrijventerrein Koeweide – Battenweg heeft op de algemene zoneringskaart de aanduiding 'bedrijventerrein'. Het deel van het Julianakanaal waar Tinnemans schepen aanmeert voor werkzaamheden heeft op de algemene zoneringskaart de aanduiding 'buitengebied'. Visie voor midden-Limburg De centrale ambitie voor Midden-Limburg is het behouden en versterken van een voortreffelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven en sluit aan bij die voor Limburg als geheel. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de unieke grensligging tussen België en Duitsland en slim ingespeeld op de demografische ontwikkeling. De centrale strategische ligging van Midden-Limburg in Brainport Zuidoost-Nederland, tussen Greenport Venlo en de campussen in Zuid-Limburg, in combinatie met de uitstekende bereikbaarheid, en het goede woon- en leefklimaat worden optimaal benut. Het behouden en versterken van een voortreffelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven vormt een belangrijke uitdaging in Midden-Limburg. De focus in POL2014 is gericht op de fysiek-ruimtelijke opgaven en keuzen. Uiteraard moet hierbij het menselijk kapitaal als belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat niet worden vergeten. Voor Midden-Limburg (en dit geldt voor geheel Limburg) is er zowel een kwalitatieve als kwantitatieve opgave.
Het verder versterken van de economische structuur met focus op voor de regio krachtige sectoren zijnde maakindustrie, agribusiness, logisitiek, leisure&retail, zorg, het bevorderen van innovaties, het benutten van de cross-overs tussen deze sectoren en andere sectoren zijn belangrijke opgaven voor de regio. In zijn algemeenheid kunnen de bedrijven voldoende uit de voeten met het bestaande aanbod aan vestigingscondities (infrastructuur en werklocaties). Voor het benutten en versterken van de regionale economie, is een goede ruimtelijke infrastructuur belangrijk. De aandachtspunten liggen in het regionaal ontsluiten en het (inter)nationaal verbinden.
21/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
Figuur 3-3 Kaart economie POL2014, aanduiding 'overig bedrijventerrein'
Figuur 3-4 Kaart natuur POL2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg De Omgevingsverordening Limburg 2014 (geactualiseerd einde 2016) bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht. In artikel 4.4. van de Verordening zijn bepalingen opgenomen voor het gebied Roerdalslenk, 22/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
waarin het plangebied ligt. In dit gebied is het verboden de grond dieper dan de Bovenste Brunssumklei te roeren, door bijvoorbeeld het aanleggen van boorputten. Het plangebied ligt in zone II, wat betekent dat een eventuele boorput/bodemenergiesysteem niet dieper dan 30 meter beneden maaiveld mag worden aangelegd. Deze bepaling is vertaald in het geldende bestemmingsplan voor het plangebied en zal in het nieuwe bestemmingsplan onverkort worden overgenomen. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Maasbracht Op 5 juli 2012 heeft de gemeenteraad van Maasgouw de Structuurvisie Maasgouw 2030 vastgesteld. In de structuurvisie is het ruimtelijk beleid van de gemeente Maasgouw per thema behandeld. Vervolgens is er per deelgebied een visie uitgewerkt.
Figuur 3-5 Uitsnede Structuurvisie Maasbracht Het beleid rond het thema 'werken' richt zich op transformatie, revitalisering en thematisering van de diverse bedrijventerreinen. Het deelgebied Maasbracht e.o. is één van de regionale economische centra en ligt strategisch op een knooppunt van auto- en vaarwegen. Het is een uitdaging om te zoeken naar mogelijke spin-off van deze ligging en profilering. Een onderscheidend segment is de watergelieerde bedrijvigheid. Op het middelgrote bedrijventerrein “Koeweide-Battenweg” (bruto 50 ha, netto 35 ha) bevinden zich circa 50 bedrijven. Hiervan zijn er circa 8 rechtstreeks bij de scheepsbouw betrokken. Ten aanzien van de ruimtelijke opbouw zijn onder meer de volgende maatregelen noodzakelijk, te weten: Aanpassing van de opbouw van de wegenstructuur naar aanleiding van de verandering van de aansluiting op de rijksweg A2. Deze verandering is mogelijk als gevolg van realisering van de nieuwe verbindingsweg naar de Clauscentrale. Deze weg is ten noorden van Brachterbeek geprojecteerd. Verbeteren van de uitstraling en presentatie van de panden langs de Brouwersstraat. Afronding van het bedrijventerrein aan de noordwestkant. Herontwikkeling van enkele leegstaande gebouwen en percelen in het gebied tussen de Brouwersstraat en de rijksweg A2. 23/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
Aanleg van een opgaand beplantingsscherm langs de oever van de Maas. In functioneel opzicht wordt rekening gehouden met de volgende ontwikkelingen: Bedrijven gericht op de verkoop van schepen kunnen geleidelijk verplaatst worden naar de beoogde botenboulevard op de westelijke rivieroever (Prins Mauritshaven te Wessem). Verplaatsing van logistieke bedrijven naar het bedrijventerrein St. Joost in de gemeente Echt-Susteren. De als gevolg van deze verplaatsing vrijkomende bedrijfsruimten worden bij voorkeur ingevuld met arbeidsintensieve bedrijven. Dit segment benut de strategische ligging ten opzichte van de rijksweg A2 en de kom van Maasbracht ten volle. Ten zuidoosten van het terrein bevindt zich een cluster met woningen. Zeker langs de Brouwerstraat kan de mogelijkheid worden geboden tot vestiging van aan-huis-gebonden bedrijven en -beroepen bij deze woningen. Met het aanbieden van deze woon-werkcombinaties wordt aan een duidelijke behoefte voldaan. Ook wordt ingespeeld op de strategische ligging aan de noordelijke invalsweg van Maasbracht. 3.3.2 Verkeers- en vervoersbeleid Het Gemeentelijk Verkeers- en vervoerbeleid is hoofdzakelijk weergegeven in het “Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan, verkeersbeleid 2015-2025 (vastgesteld in 2015). Het GVVP omschrijft de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer.
De hoofddoelstelling is een bijdrage te leveren aan het bevorderen van de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en (verkeers)leefbaarheid in de gemeente Maasgouw. Specifieke aandacht gaat hierbij uit naar de thema's verkeersveiligheid, autoverkeer, goederenvervoer, langzaam verkeer, parkeren en openbaar vervoer. Het GVVP is tevens het toetsingskader voor toekomstige reconstructie- en nieuwbouwplannen..
Het parkeren dient te voldoen aan het gemeentelijk beleid "Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente Maasgouw" (vastgesteld in 2011) In deze nota zijn de gemeentelijke parkeernormen inzichtelijk gemaakt voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars zodat duidelijk is welke normen gehanteerd worden bij de betreffende bouwaanvraag. Hierdoor zal in de toekomst bij nieuwe ruimtelijke plannen en projecten zoals nieuwbouw, verbouw, uitbreiding of wijziging van functie in een parkeerbehoefte voorzien en waar mogelijk de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. De nota gaat er van uit dat de aanvrager in eerste instantie zelf zorg draagt voor voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
24/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1
Milieueffectrapportage
In dit bestemmingsplan worden de activiteiten van Tinnemans in Maasbracht planologisch geregeld. De activiteiten vallen onder onderdeel D van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage, categorie D32.6: 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor het bouwen, onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte van metalen schepen'. De drempelwaarde is vastgesteld op een productieoppervlak van 50.000 m2 of meer. De drempelwaarde wordt niet overschreden, aangezien dit bestemmingsplan betrekking heeft op een productieoppervlak van circa 20.000 m2 (het gezamenlijke oppervlak van alle locaties dit tot de inrichting behoren en in dit bestemmingsplan planologisch worden geregeld). Conform het Besluit milieueffectrapportage moet voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde liggen, een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Hierbij wordt getoetst aan de criteria in de 'Bijlage III Europese richtlijn milieubeoordeling projecten' om te bepalen of de activiteit kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er is een aanmeldnotitie ingediend bij het bevoegd gezag. Op basis van deze aanmeldnotitie heeft het bevoegd gezag besloten dat geen milieueffectrapportage nodig is. Het besluit is bijgevoegd in bijlage 2. 4.2
Bodem
In het kader van goede ruimtelijke ordening dient in het inpassingsplan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Ter plaatse van de nieuwe loods aan de Industrieweg 16 wordt (in het kader van de Wabo) een bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek voor de Veerweg 1-3 zal pas uitgevoerd worden nadat de bestaande bebouwing is gesloopt. Aangezien de functie van het toekomstige gebouw gelijk is aan de functie van het bestaande gebouw (namelijk een bedrijfsfunctie) wordt vooralsnog aangenomen dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt. Ook voor de burgerwoning en het voormalig kantoor die worden omgezet naar logies wordt aangenomen dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt. Momenteel is de bodemkwaliteit op deze locaties al zodanig dat langdurig verblijf van personen is toegestaan. Bij de functiewijziging vinden geen activiteiten plaats waardoor de bodem ter plaatse verstoord wordt. Voor de Industrieweg 9 en 16 zijn in het verleden bodemonderzoeken uitgevoerd. 4.2.1 Bodemkwaliteit De conclusie van de onderzoeken is dat bij alle deellocaties plaatselijk enkele verhoogde gehalten zijn aangetroffen. Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt dat deze voldoet aan de bestemming 'industrie'. In de periode van 1999 tot 2006 zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd.
Uit het onderzoek uit 1999 blijk dat in de bovengrond matig verhoogde gehaltes minerale olie en licht verhoogde gehaltes PAK voorkomen. De ondergrond is licht verontreinigd met PAK. Het grondwater is sterk verontreinigd met chroom en licht verontreinigd met zink, koper en cadmium. Naar aanleiding van dit onderzoek worden in 2001 enkele boringen opnieuw geplaatst en is het grondwater opnieuw bemonsterd. Uit de analyses blijkt dat alleen de bodem nog licht verontreinigd is met minerale olie. In 2006 blijkt een sterke verontreiniging met zink en een lichte verontreiniging met cadmium, koper, lood en nikkel aanwezig te zijn in de bovengrond. De ondergrond is licht verontreinigd met zink en cadmium en het grondwater met arseen en chroom. De verontreinigingen worden in verband gebracht met de aanwezigheid van slakken. Ter plaatse van de nieuw te bouwen loods aan de Industrieweg 16 is in 2018 een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek asbest uitgevoerd conform NEN 5725 en NEN 5740. Op basis van het vooronderzoek wordt vastgesteld dat er sprake is van voormalige en/of 25/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
huidige (bodem)belasting op de onderzoekslocatie waardoor het vermoeden van (bodem)verontreiniging aanwezig is. Het is de verwachting dat verspreid over de onderzoekslocatie wisselende gehalten aan verontreinigde stoffen (zware metalen, PASK, minerale olie en asbest) voorkomen. De locatie is onderzocht volgens de strategie voor een 'verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig' (bodemverontreinigingen) en volgens de strategie voor 'halfverhardingslagen' (asbest). In de bodem zijn lichte verontreinigingen aangetroffen. De zintuiglijk zwak met ijzer verontreinigde bovengrond bestaat uit klei en is licht verontreinigd met kobalt, lood en zink. De zintuiglijk schone bovengrond bestaat uit zand en is licht verontreinigd met kobalt en plaatselijk licht verontreinigd met PCB. De zintuiglijk schone ondergrond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, lood en zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er geen reden voor een nader bodemonderzoek. Grond die vrijkomt bij de werkzaamheden kan niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.
Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de toplaag alsmede tijdens de werkzaamheden in de bodem zijn geen zintuiglijke verontreinigingen van asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ook in de mengmonsters zijn geen verontreinigingen met hechtgeboden of niet-hechtgeboden asbest aangetoond. Op basis van de onderzoekresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van nader onderzoek asbest in bodem/puin. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Er zijn op basis van de gemeten milieuhygiënische bodemkwaliteit in de grond en het grondwater geen belemmeringen voor de toekomstige ontwikkeling. 4.3
Water
Waterschap Limburg is het bevoegd gezag voor het afkoppelen van regenwater. het beleid van het waterschap is opgenomen in de Keur. De kernpunten uit het beleid van Waterschap Limburg zijn als volgt: Meenemen van de waterbelangen; In bestaand stedleijk gebied wordt gestreeft naar 100% afkoppeling van het verharde oppervlak; Wateropgave oplossen binnen het plangebied; Voorkeursvolgorde waterkwantiteit: hergebruiken, vasthouden (infiltratie), bergen, afvoeren; Voorkeursvolgorde waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden, zuiveren; Verantwoord afkoppelen; Infiltratie en bergingsvoorzieningen dimensioneren op een buit intensiteit van T=100; Rekening houden met hoogteverschillen in de omgeving. Het maaiveld aan de Industrieweg varieert van NAP +24 m tot +25 m. Aan de Veerweg is het maaiveld gelegen op ongeveer NAP +24,1 m. De locaties bevinden zich in bebouwd gebied. Op de bodemkaart van maps.bodemdata.nl worden de locaties aangeduid als bebouwd gebied. Op deze locatie nabij de Maas bestaat de bodemopbouw uit een sterk variërende en soms slecht doorlatende deklaag van zand, klei en leem tot een diepte van circa 2 m-mv en daana grind. Het grondwater bevindt zich op ongeveer 4 m-mv. Op grond van de Keur van Waterschap Limburg zijn alle op 1 april 2019 bestaande oppervlakten in de vorm van woningen, bedrijfsgebouwen, parkeerterreinen, wegen etc.
die verhard zijn, waardoor de neerslag ter plaatse niet in de grond kan infiltreren te beschouwen als bestaand verhad oppervlakte. De verhardingen op de locatie zijn niet gewijzigd sinds 1 april 2019. Op basis van het bestemmingsplan wordt de burgerwoning aan de Industrieweg 12 en het kantoor aan de Industrieweg 14 omgezet naar logies ten behoeve van klanten van Tinnemans 26/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
Floating Solutions. Deze wijziging betreft uitsluitend een interne verbouwing en heeft geen gevolgen voor het verhard oppervlak. Aan de Industrieweg 18 wordt de aanduiding bedrijfswoning verruimd zodat ook de tuin onder deze aanduiding valt. Deze tuin is niet verhard en het is ook niet de bedoeling om deze binnen afzienbare tijd te verharden. Er wordt dus geen extra/nieuwe verharding aangebracht daarom is er geen noodzaak tot het aanleggen van voorzieningen voor de infiltratie van hemelwater. Daarnaast wordt het mogelijk om containers op het bedrijfsterrein te plaatsen voor de opslag van goederen afkomstig uit de schepen waar aan gewerkt wordt. Deze containers zullen alleen gedurende de looptijd van een project in gebruik zijn en worden daarna weer afgevoerd naar de verhuurder. Daarnaast worden deze containers op bestaand verhard oppervlak geplaatst. De containers worden daarom niet beschouwd als nieuw verhard oppervlak. In onderstaand figuur wordt de verharding aan de Veerweg 1-3 getoond.
Figuur 4-1 Bestaande verharding aan de Veerweg 1-3 Aan de Veerweg 1-3 is de groenstrook ten oosten van het bedrijfsgebouw niet verhard, daarnaast is een deel van de kade onverhard. Er zijn kleine groenstroken ten zuiden van de bestaande woning en tegen de zuidelijke perceelsgrens. De kleine groenstrook ten zuiden van de bestaande woning wordt verhard. Het verharde oppervlak neem toe met maximaal 20 m2. In overleg met Tinnemans is besloten om langs de nieuwe loods een groenstrook aan te brengen die minimaal van dezelfde omvang is als het groen dat verdwijnt. Het onverharde oppervlak blijft in de toekomst ten minste gelijk aan de huidige situatie. Om die reden worden geen voorzieningen getroffen voor de opslag en infiltratie van hemelwater. Het hemelwater dat op het dak van het gebouw valt, wordt direct geloosd op het oppervlaktewater. Hiervoor wordt een vergunning aangevraagd bij Rijkswaterstaat. Op deze locatie wordt de torenkraan gelegaliseerd, dit is echter ook een bestaande verharding. Daarnaast is de torenkraan geplaatst op een locatie die altijd al verhard is geweest. Aan de Industrieweg 16 neemt het verhard oppervlak toe als gevolg van de realisatie van de 27/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
loods en bijbehorende verhardingen. In onderstaande afbeelding is de bestaande verharding weergegeven.
Figuur 4-2 Bestaande verharding Industrieweg 16 Op dit perceel is een oppervlakte van ongeveer 1.570 m2 niet verhard. In de toekomst wordt dit oppervlakte volledig verhard door de bouw van een nieuwe loods. De loods wordt voorzien van een dak zonder uitlogende materialen. De locatie betreft van categorie 5 bedrijventerrein. Het hele terrein van Tinnemans Floating Solutions is nodig voor he tuitvoeren van de bedrijfsactiviteiten. Er is geen gruimt voor oppervlakkige waterbergingsvoorzieneningen. De niet bebouwde ruimte is verhard omdat daar wordt gereden met zwaar materieel of er worden zware materialen opgeslagen. Dat betekent dat waterdoorlatende bestratingen en kwetsbare kratten onder bestrating niet mogelijk zijn. Bovendien is de van nature aanwezige bodem slecht doorlatend en is er sprake van een betrekkelijk hoge natuurlijke grondwaterstand. Aan de verhanderingstoestand wordt nauwelijks iets gewijzigd dus het realiseren van holle ruimte onder verhardingen zou met zich meebrengen dat bestratingen eerst moeten worden opgenomen oif weggebroken en dan weer hersteld. Het hemelwater dat op het dak van het gebouw valt, wordt daarom direct geloosd op het oppervlaktewater. Hiervoor wordt een vergunning aangevraagd bij Rijkswaterstaat. Uit de watertoets blijkt dat voor het plan de normale watertoetsprocedure 28/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
doorlopen moet worden. 4.4
Bedrijven en milieuzonering
Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging in het kader van de ruimtelijke onderbouwing wordt aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. 4.4.1 Beoordelingssystematiek VNG-publicatie De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in situaties waar woningen en bedrijven op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van de versie uit 2009. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen heeft als doel het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zo veel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt op basis van de in de publicatie opgenomen richtafstanden. Deze richtafstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met 1 stap worden verlaagd. Als voorbeeld: een richtafstand van 50 meter voor een rustige woonwijk wordt voor het gemengde gebied verkleind tot 30 meter. Indien woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden, kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstanden.
4.4.2 Beoordeling - Stap 1 De milieucategorieën en daarbij horende richtafstanden worden voor verschillende type bedrijven vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Gezien de bedrijvigheid in de omgeving van het plan, is in voorliggende situatie sprake van een 'gemengd gebied'. In dat geval kunnen de richtafstanden met één stap worden verkleind. In tabel 4-1 worden de richtafstanden voor het omgevingstype gemengd gebied weergegeven. Tabel 4-1 Richtafstanden gemengd gebied Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand [m] gemengd gebied 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
De inrichting van Tinnemans Floating Solutions is gelegen aan de Veerweg 1-3, Veerweg 4, Industrieweg 9, Industrieweg 16- 20. Omdat alle locaties behoren tot dezeflde inrichting hebben ze op papier de milieucategorie die hoort bij de zwaarste activiteiten (in dit geval de scheepswerf). In het bestemmingsplan worden voor de Industrieweg 9 en de Veerweg 1-3 echter beperkingen opgenomen om de milieubelasting als gevolg van geluid te beperken tot een lagere milieucategorie. Verder worden een burgerwoning en een kantoor aan de Industrieweg 12 en 14 omgezet naar de functie logies. Aan de Industrieweg 16-20 en Veerweg 4 is de scheepswerf gevestigd. Een scheepsbouw- en 29/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
reparatiebedrijf voor metalen schemen groter dan 25 meter behoort tot milieucategorie 5.1. Aan de industrieweg 9 vinden diverse metaalbewerkende activiteiten inpandig plaats. De activiteiten ter plaatse zijn vergelijkbaar met de activiteiten in een constructiewerkplaats voor het vervaardigen en de reparatie van producten van metaal behorende tot milieucategorie 3.2. Aan de Veerweg 1-3 wordt een interieurwerkplaats gerealiseerd, de activiteiten hier zijn te vergelijken met een timmerwerkfabriek voor het vervaardigen van overige artikelen van hout van milieucategorie 3.2. Op basis van de VNG-publicatie gelden de volgende richtafstanden voor de activiteiten van Tinnemans. Tabel 4-2 Richtafstanden voor de activiteiten bij Tinnemans Floating Solutions SBI-2008 Omschrijving Categorie Richtafstand [m] voor code geur stof geluid 301, 3315 Scheepsbouw- en 5.1 50 50 300 reparatiebedrijven voor metalen schepen >= 25 m 251, 331 Constructiewerkplaats in gesloten 3.2 10 10 50 gebouw 162 Timmerwerkfabriek, vervaardigen 3.2 0 10 50 overige artikelen van hout
gevaar 30
10 0
Ten aanzien van het aspect geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten op de omgeving, zie ook paragraaf 4.5 en bijlage 4. De inrichtingen zijn gelegen op het gezoneerd industrieterrein of gaan deel uitmaken van het gezoneerde industrieterrein. De toelaatbare geluidbelastingen op de woningen in de omgeving van het industrieterrein en bedrijfswoningen op het industrieterrein wijzigt niet, de bedrijven moeten inpasbaar zijn binnen de beschikbare geluidruimte. In het zonebeheersplan is een afweziging gemaakt over de toelaatbaarheid van de geluidbelasting als gevolg van het gehele gezoneerde industrieterrein op de gevels van woningen in de omgeving en bedrijfswoningen op het industrieterrein. De milieuhygiënische kwaliteit als gevolg van geluid is dus op een hogere schaal afgewogen en aanvaardbaar beoordeeld. Voor de constructiewerkplaats aan de Industrieweg 9 en de interieurwerkplaats aan de Veerweg 1-3 geldt dat de richtafstand voor de overige aspecten 0 of 10 meter bedraagt. Binnen deze afstand zijn geen woningen van derden gelegen. Voor de scheepswerf gelden voor de overige milieuaspecten richtafstanden van 30 tot 50 meter. De afstand van de grens van de inrichting tot de meest nabij gelegen woning van derden aan de Industrieweg 5 bedraagt 35 meter. De richtafstand voor het aspect gevaar wordt daarmee gerespecteerd.
De richtafstand voor het aspect geur en stof wordt niet gerespecteerd. Op 35 meter afstand van de woning is echter het kantoorgebouw van Tinnemans gelegen, de werkelijke scheepsbouwactivtiteiten vinden op grotere afstand plaats. Wanneer wordt gekeken naar de locatie waar activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden die geur of stof kunnen veroorzaken dan is deze afstand minimaal 75 meter. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan alleen mogelijk gemaakt dat op deze locatie een bedrijfshal op de grens van de inrichting wordt gebouwd. Activiteiten die nu buiten plaatsvinden zullen in de toekomst inpandig worden uitgevoerd waardoor eventuele hinderzal afnemen. Aangezien hier sprake is van een reeds bestaande situatie die alleen ten gunste van de woning zal wijzigen en de werkelijke afstand tot de activiteiten veel groter is dan de richtafstand, wordt een nader onderzoek naar de aspecten geur en gevaar niet noodzakelijk geacht. Tot slot blijven over de burgerwoning en het kantoor dat de functie logies krijgen. In de directe omgeving van de toekomstige logiesgebouwen zijn alleen bedrijven van milieucategorie 2 toegestaan, de richtafstand van 10 meter vanaf de grens van de inrichting tot het logiesgebouw wordt overal gerespecteerd. Ook de afstand tot overige milieucategoriën is zodanig dat de richtafstand wordt gerespecteerd.
Omdat logiesgebouwen niet geluidgevoelig zijn in de zin van 30/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
de Wet geluidhinder vormen de gebouwen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van nabij gelegen bedrijven. Dit in tegenstelling tot de huidige burgerwoning die wel geluidgevoelig is. 4.4.3 Conclusie Voor de geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van Tinnemans geldt dat dit wordt bepaald door de beschikbare geluidruimte in het zonebeheersplan. In dat plan is op het niveau van het gehele industrieterrein een afwegingen gemaakt over de toelaatbaarheid van de geluidbelasting op woningen gelegen op en buiten het industrieterrein. Het woon- en leefklimaat als gevolg van geluid wordt daarmee acceptabel geacht. Voor de constructiewerkplaats en de interieurwerkplaats geldt dat de overige richtafstanden worden gerespecteerd. Voor de scheepswerf wordt de richtafstand voor het aspect gevaar eveneens gerespecteerd. De richtafstand oor de aspecten geur en stof worden overschreden wanneer wordt gekeken naar de afstand tot de grens van de inrichting. Wanneer echter wordt gekeken naar de locatie waar de werkelijke activiteiten plaatsvinden dan wordt de richtafstand ruim gerespecteerd. Verder is op deze locatie sprake van een reeds bestaande situatie waarvan de milieubelasting in de toekomst af zal nemen omdat meer activiteiten binnen uitgevoerd gaan worden. De milieuhygiënische situatie ter plaatse zal niet verslechteren.
Voor de logiesgebouwen geldt dat de richtafstanden ten opzichte van de omliggende bedrijven wordt gerespecteerd, er is daarmee sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Ze vormen tevens geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven. 4.5
Geluid
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) gelden geluidzones langs onder meer bestaande wegen en rond grote bestaande industrieterreinen. In de Wgh is bepaald dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen wordt overschreden, kan op grond van de Wgh onder voorwaarden een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag. Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Ook moet het geluid in een geluidgevoelige bestemming aan een bepaald maximum voldoen. Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een besluit hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Verder dient, in geval van een besluit hogere waarde, de binnenwaarde te worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen.
Het bevoegd gezag kan beleidsregels formuleren die worden gehanteerd bij besluitvorming over het toelaten van hogere waarden. Ook in het het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met geluid. Een deel van het bestaande industrieterrein is een terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele teerein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtinen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken (zo genoemde gezoneerde industrieterreinen conform de Wgh). Deze inrichtingen staan genoemd in onderdeel D van Bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht. Het bovenstaande betekent dat het industrieterrein een industrieterrein is in de zin van artikel 1 Wet geluidhinder. Rond dit industrieterrein is daarom een geluidzone vastgesteld zoals bedoeld in artikel 54 Wet geluidhinder in samenhang met artikel 41 Wet geluidhinder. Op de vastgestelde zonegrens mag de geluidbelasting van alle op het industrieterrein gevestigde bedrijven tezamen niet meer bedragen dan 50 dB(A). Dit plan maakt de uitbreiding van dit geluidgezoneerde industrieterrein mogelijk. De locatie Industrieweg 31/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
9 wordt aan het gezoneerde industrieterrein toegevoegd. Met de geplande uitbreiding wijzigt niet alleen de grens van het industrieterrein maar ook de ligging van de geluidzone (binnengrens). De buitenste zonegrens van het gezoneerde industrieterrein wijzigt niet. In opdracht van Tinnemans Floating Solutions is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de omgeving als gevolg van de inrichting van Tinnemans gelegen aan de Veerweg 1-3, Veerweg 4, Industrieweg 9, Industrieweg 16- 20. Per locatie is een toetsingskader opgesteld en vervolgens de geluidsbelasting als gevolg van de betreffende locatie inzichtelijk gemaakt. Voor de Industrieweg 16-20, Veerweg 4 geldt dat ten opzichte van het vastgestelde toetsingskader in het algemeen sprake is van een afname van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Bij de eigen bedrijfswoning is wel sprake van een toename van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, de geluidbelasting op de eigen bedrijfswoning wordt echter niet beoordeeld. Ook de toekomstige logieswoningen zijn niet geluidgevoelig. Bij één zonebewakingspunten neemt de geluidbelasting beperkt toe. De maximale geluidbelasting is ter plaatse van woningen van derden lager dan 70 dB(A) in de dagperiode en wordt toelaatbaar geacht.
Omdat de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein wordt de geluidbelasting als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting niet afzonderlijk beoordeeld. Voor de Industrieweg 9 geldt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 38 dB(A) bedraagt ter plaatse van de meest nabij gelegen woning van derden. Overige nabijgelegen woonbebouwing is niet geluidgevoelig omdat deze wordt aangemerkt als logiesfunctie of is een bedrijfswoning behorende bij de inrichting. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is ruim lager dan de gebruikelijke grenswaarde van 50 dB(A) in de dagperiode. De maximale geluidbelasting is ter plaatse van woningen van derden lager dan 70 dB(A) in de dagperiode. De geluidbelasting als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) in de dagperiode. Alle geluidbelastingen worden toelaatbaar geacht. Bij de Veerweg 1-3 is sprake van een afname van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten opzichte van het gehanteerde toetsingskader. De maximale geluidbelasting is ter plaatse van woningen van derden lager dan 70 dB(A) in de dagperiode en wordt toelaatbaar geacht. De oude bedrijfswoning wordt afgebroken. Omdat de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein wordt de geluidbelasting als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting niet afzonderlijk beoordeeld.
Door het bevoegd gezag is aangegeven dat de gehele inrichting inpasbaar is binnen de zone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor de locatie Industrieweg 9 en de locatie Veerweg 1-3 met een akoestisch onderzoek aangetoond dat de geluidbelasting als gevolg van de werkelijke activiteiten voldoet aan de geluidbelasting die is toegestaan op basis van de milieucategorie. De geluidbelasting ter plaatse van de logiesverblijven wordt acceptabel geacht omdat de verblijven vaak gebruikt zullen worden door personen die er gedurende de dagperiode niet verblijven. In de avond- en nachtperiode is de geluidbelasting naar verwachting aanzienlijk lager omdat op het bedrijventerrein weinig bedrijven aanwezig zijn waar (semi-)continue wordt gewerkt. De wijzigingen binnen de inrichting leiden niet tot een hogere geluidbelasting dan momenteel reed is toegestaan op de woningen binnen de vastgestelde zone. De volledige inrichting is inpasbaar binnen de zone en leidt niet tot een overschrijding van de zone. De totale inrichting heeft geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 4.
32/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
4.6
Luchtkwaliteit
In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. De bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd. kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
(voorschrift 3A.1) woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). Uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN kaarten 2020) blijkt dat de concentratie stikstofoxiden (NO2) in de gemeente Maasgouw ten hoogste 22 µg/m3 bedraagt. Daarmee wordt ruim voldaan aan de in Nederland geldende grenswaarde van 40 µg/m3. De concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 18 µg/m3 waarmee eveneens ruim wordt voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 µg/m3. Voor fijn stof (PM2,5) bedraagt de concentratie ten hoogste 12 µg/m3 waarmee ruim wordt voldaan aan de grenswaarde van 25 µg/m3. Het is niet de verwachting dat de emissie van luchtverontreinigende stoffen in de toekomst toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Het is bijvoorbeeld niet de verwachting dat het verkeer van en naar de inrichting in de toekomst zal toenemen. Voor zover zich veranderingen binnen de inrichting voordoen, hebben deze naar verwachting een positieve invloed op de emissie van luchtverontreinigende stoffen. Wanneer bijvoorbeeld voertuigen worden vervangen, zullen deze vervangen worden door nieuwere modellen met een lagere emissie. Ook de nieuwe loods, waardoor meer activiteiten inpandig worden uitgevoerd, heeft naar verwachting een positieve invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
Zowel in de huidige situatie als voor de toekomst is het de verwachting dat de concentraties verontreinigende stoffen ruim onder de van toepassing zijnde grenswaarden blijven.
33/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021
4.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). Dit heet het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt.Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht in geval van een toename, waarbij de oriëntatiewaarde moet worden gezien als richtlijn. Op onderstaande afbeelding is te zien dat in de omgeving van het plangebied geen gevaarlijke inrichtingen aanwezig zijn, met een relevante invloed op het plangebied. De activiteiten van de inrichting zelf zijn ook niet te beschouwen als risicovol in de zin van de regelgeving over externe veiligheid. Wel is op korte afstand van de inrichting een buisleiding gelegen. Over de A2 in het oosten en de Maas in het westen vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze transportroutes zijn onderdeel van het Basisnet.
Figuur 4-3 Uitsnede risicokaart Voor de reeds bestaande activiteiten heeft de afweging van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico reeds plaatsgevonden. De aard en locatie van deze activiteiten wijzigt niet, waardoor de aanvragen geen gevolgen hebben voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Ook zal de functiewijziging van de burgerwoning en het voormalige kantoor naar logies geen gevolgen hebben voor het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. De personendichtheid zal door deze functiewijziging niet ingrijpend wijzigen en de logiesverblijven vormen geen nieuwe risicobron. De nieuwe bedrijfshal aan de Industrieweg 16 is een beperkt kwetsbaar object. De hal wordt niet gerealiseerd binnen een plaatsgebonden risico contour van een van de nabij gelegen bronnen. Het groepsrisico ter plaatse is laag en wijzigt niet als gevolg van de bouw van de nieuwe bedrijfshal. Het aantal medewerkers neemt niet toe als gevolg van de bouw van de hal. Uit de Kwantitatieve Risicoanalyse Bestemmingsplan bedrijventerreinen Maasbracht blijkt dat voor leiding Z-540-01 van de N.V. Nederlandse Gasunie geldt dat de maximale overschrijdingsfactor van het tracé gelijk is aan 0,054 x de oriëntatiewaarde. Deze maatgevende kilometer is echter gelegen buiten het toenmalige plangebied van het bestemmingsplan 34/44 - vastgesteld - NL.IMRO.1641.BPL083-VG01 - 1 juni 2021