CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

152524-BIJLAGE 1 Rapport Toekomstperspectief Clausgebied e.o. (def.)

01. Raadsvergadering 9 juli 2024, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Voorstel tot standpuntbepaling over het onderzoeksrapport Toekomstperspectief Clausgebied en omgeving33.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Diverse AC (wisselstroom) initiatieven Bevoegd gezag

Rijk

Procedure Grondslag

Projectprocedure met projectbesluit Artikel 20a E-wet

Initiatiefnemer Realisatie

TenneT 2028-2034?

VAWOZ (1 of 2 DC in kabel(s) 2 GW) in DRC Bevoegd gezag

Rijk

Procedure

Projectprocedure met projectbesluit

Grondslag

Artikel 20a E-wet

Initiatiefnemer

EZK-VAWOZ

Realisatie

Programma VAWOZ 2031-2040 (afhankelijk van windparken op zee)

DC verbinding (VAWOZ) in DRC naar Clauscentrale

82

Bevoegd gezag

Rijk

Procedure

Projectprocedure met projectbesluit

Grondslag

20a E-wet

Initiatiefnemer

EZK-VAWOZ

Realisatie

Programma VAWOZ 2031-2040 (afhankelijk van windparken op zee)

Converter met ondergrondse verbinding naar AC station Bevoegd gezag

Rijk

Procedure

Projectprocedure met projectbesluit

Grondslag

20a E-wet

Initiatiefnemer

TenneT-VAWOZ

Realisatie

Programma VAWOZ 2031-2040 (afhankelijk van windparken op zee)

18) Voor transformatoren geldt verder dat, indien zij niet in een gesloten gebouw zijn ondergebracht en een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van meer dan 200 MVA hebben, er sprake is van een activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken (“grote lawaaimakers”).[9] Grote lawaaimakers zijn uitsluitend toegestaan op een industrieterrein waarvoor als omgevingswaarden een geluidproductieplafond (“gpp”) is vastgesteld.[10] De gemeente is verplicht om de realisatie van grote lawaaimakers uit te sluiten, behoudens voor zover op een industrieterrein met gpp.[11] Het gevolg van het voorgaande is dat transformatoren, die voldoen aan de wettelijke omschrijving, enkel op een in een omgevingsplan gezoneerd industrieterrein mogen worden gerealiseerd. Verzwaring hoogspanningsnetwerk Maasbracht-Greatheide/Eindhoven Bevoegd gezag

Provincie

Procedure

Projectprocedure met projectbesluit

Grondslag

Artikel 9b, tweede lid, E-wet, art. 5.44b, eerste lid, Omgevingswet

Initiatiefnemer

TenneT

Realisatie

2024-2026

De minister voor Klimaat en Energie (“K&E”) is samen met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (“VRO”) in eerste aanleg bevoegd voor de ruimtelijke inpassing. Er is afgezien van het toepassen van deze bevoegdheid, volgens de minister K&E is er gezien de ligging van het tracé een duidelijk provinciaal ordeningsbelang. Daarbij heeft de Provincie goed overzicht van wat er speelt op lokaal niveau. 4 Elektrolyser 2G

4

Bevoegd gezag

Rijk of gemeente

Procedure

Projectprocedure met projectbesluit, Bopa of wijziging omgevingsplan

Grondslag

Artikel 9b, tweede lid, E-wet; Afdeling 16.3.5 Ow; Artikel 5.55 Ow.

Initiatiefnemer

Privaatrechtelijke partij (mogelijk RWE)

Raadsinformatiebrief gemeente Maasgouw, registratienummer Z/23/033169.

83

Realisatie

Programma VAWOZ 2031-2040 (afhankelijk van windparken op zee)

Afhankelijk van de vraag of een elektrolyser kan worden aangemerkt als een productie-installatie in de zin van de E-wet, is het Rijk bevoegd bij een capaciteitsoverschrijding van 500 MW.[12] Onder de Energiewet zullen grootschalige elektrolyseprojecten vanaf een bepaalde minimale capaciteit nationaal belang worden verklaard. 5 Hiervoor zal het Rijk de projectprocedure kunnen doorlopen.

2

PROJECTPROCEDURE BIJ RIJKS- EN PROVINCIALE BEVOEGDHEDEN

1.1

Algemene bepalingen 19) Het projectbesluit is een instrument voor de waterschappen, de Provincies of de Minister om complexe projecten met een publiek belang mogelijk te maken.[13] Het projectbesluit wordt toegepast bij het realiseren van een project.[14] Dat het moet gaan om projecten met een publiek belang sluit overigens niet uit dat het ook kan gaan om private initiatieven, mits deze samenvallen met het bereiken van publieke doelen voor de fysieke leefomgeving. Het projectbesluit is nieuw onder de Ow en het vervangt onder meer het Rijks- en provinciaal inpassingsplan en de toepassing daarop van de coördinatieregeling uit de Wro.[15] Daartoe wordt ook de E-wet gewijzigd. De E-wet blijft bestaan tot inwerkingtreding van de nieuwe Energiewet. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de inwerkingtreding van de Energiewet en de betekenis daarvan voor de toepassing van de projectprocedure. 20) Definitie van het begrip ‘project’: a. het bouwen van bouwwerken of de totstandkoming van installaties of werken; b. andere activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen, inclusief activiteiten voor de winning van delfstoffen.[16]

2.1

Bevoegdheidsverdeling projectprocedure 21) De bevoegdheidsverdeling tussen Rijk, Provincie en gemeente blijft na inwerkingtreding van de Ow (grotendeels) hetzelfde als nu het geval is: • De minister is bevoegd wanneer het gaat om een project met een nationaal belang.[17] De reden voor de betrokkenheid van de Minister is dat deze beleidsverantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke ordening en daarnaast vanwege zijn verantwoordelijkheid voor het laten functioneren van het stelsel van de omgevingswetgeving.[18] • De betrokken minister(s) kunnen de bevoegdheid tot vaststellen van een projectbesluit delegeren aan gedeputeerde staten (“GS”).[19] • Indien sprake is van een provinciaal belang zijn GS het bevoegd gezag.[20] De bevoegdheid voor projecten van provinciaal belang ligt op basis van het oude recht bij provinciale staten (“PS”) voor een provinciaal inpassingsplan (“PIP”). Onder de Ow zijn GS bevoegd voor een projectbesluit. • Voor het waterschap geldt dat zij bevoegd is wanneer sprake is van het beheer van watersystemen of onderdelen daarvan, dat bij de omgevingsverordening aan het waterschap is

5

84

Zie Hoofdstuk 5.

•

•

toegedeeld. Bovendien heeft een projectbesluit van een waterschap altijd de goedkeuring nodig van GS.[21] Zowel het Rijk als GS kunnen de bevoegdheid ten aanzien van een project terugleggen bij de gemeente.[22] Deze mogelijkheid bestaat als het project naar het oordeel van de minister of GS met toepassing van artikel 5.55 Ow op gemeentelijk niveau sneller kan worden uitgevoerd en de gemeenteraad daarmee instemt. Het genoemde artikel 5.55 Ow regelt de toepassing van de projectprocedure door de gemeente. Verder geeft de Ow de mogelijkheid aan gemeenten om een gelijkwaardige projectprocedure te volgen voor de voorbereiding van regels in het omgevingsplan ter uitvoering van een project met een publiek belang. De gemeenten kunnen de projectprocedure vrijwillig van toepassing verklaren.[23] In dat geval resulteert het doorlopen van de projectprocedure niet in een projectbesluit, maar in het wijzigen van het omgevingsplan voor een project met een publiek belang.[24]

22) Voor enkele gevallen is het nemen van een projectbesluit en daarmee de toepassing van de projectprocedure bij wet verplicht. Dit geldt in ieder geval voor: • De aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, primaire waterkering.[25] • Bepaalde productie-installaties voor opwekking van (duurzame) energie zoals windparken en elektriciteitsinfrastructuur.[26] • De aanleg of uitbreiding van gasinfrastructuur.[27] • De aanleg of uitbreiding van mijnbouwwerken en pijpleidingen.[28] • In de gevallen dat het doorlopen van een projectprocedure niet bij wet is voorgeschreven, kan een initiatiefnemer een aanvraag indienen tot het vaststellen van een projectbesluit. Hierbij is vereist dat het gaat om een project met een publiek belang. Voor het behandelen van deze aanvragen geldt de algemene regeling uit de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) als vertrekpunt. Een afwijzing van de aanvraag betreft een besluit in de zin van de Awb, waar bezwaar en beroep tegen openstaat.[29]

23) De aanwezigheid van een belang kan voorafgaand aan de inzet van de bevoegdheid blijken uit het voornemen van de Provincie of het Rijk tot het realiseren van bepaalde ontwikkelingen – en daarmee uit te voeren projecten – dat is aangekondigd in een beleidsnota, omgevingsvisie of programma.[30] Vereist is dit echter niet. Ook op andere wijzen kan blijken van een nationaal of provinciaal belang.[31] In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de verschillende belangen en bevoegdheden die daaraan zijn gekoppeld. 24) De scheidslijn tussen een provinciaal of nationaal belang is niet altijd duidelijk. Bepaalde maatschappelijke taken worden op verschillende overheidsniveaus uitgewerkt. Zo kan het mogelijk zijn dat aan taken met betrekking tot het energiebeleid zowel een provinciaal als nationaal belang is verbonden. De belangen zijn in die gevallen niet exclusief bepaald, maar vaak complementair.[32] Voor projecten waar zowel een provinciaal als nationaal belang bij betrokken is, is het dan ook mogelijk dat gedeputeerde staten of de minister het bevoegd gezag is voor het projectbesluit.[33] Tot slot is het mogelijk dat in overeenstemming met een andere minister een projectbesluit wordt vastgesteld. In de praktijk zal dus daarover vooraf afstemming moeten plaatsvinden.

25) Een voorbeeld van de bij besluit van toepassing verklaren van de oude rijkscoördinatieregeling betreft het besluit van de Minister van Klimaat en Energie d.d. 20 april 2020, op basis waarvan het landelijk

85

transportnet voor waterstofgas is aangewezen als een Rijksbelang waarvoor, thans, een projectbesluit kan worden vastgesteld.[34] 3.1

Stappen van de projectprocedure 26) Voor het vaststellen van een projectbesluit moet de projectprocedure worden doorlopen. Bij de projectprocedure wordt een aantal stappen doorlopen. Onderstaand volgt eerst een opsomming van de verschillende stappen waarna de stappen één voor één worden toegelicht. De volgende stappen moeten worden doorlopen: a. voornemen, b. verkenning, en c. (optioneel) voorkeursbeslissing. Na de voorkeursbeslissing kan worden overgegaan tot het (ontwerp van een) projectbesluit. Dit wordt hierna niet nader uitgewerkt.

1.3.1

Voornemen 27) Ten eerste geeft het bevoegd gezag kennis van zijn voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving. Het bevoegd gezag (dit kan dus de gemeente (wijzigen omgevingsplan) of Rijk/Provincie (projectbesluit) zijn) publiceert het voornemen in het publicatieblad van het desbetreffende bestuursorgaan.[35] Ook wordt aangegeven of de uitgebreide verkenning zal worden doorlopen (uitmondend in een voorkeursbeslissing), of de beperkte verkenning (na het voornemen doorgaan naar het ontwerp van het projectbesluit). 28) Verder worden in het voornemen onder andere de probleemanalyse en opgave en doelstelling en de inrichting van het participatieproces vermeld. Het voornemen kan de start van een breed participatieproces zijn, waarbij het karakter van het voornemen niet is dat het project daadwerkelijk zal worden uitgevoerd. Het gaat er om openbaar kennis te geven van de verkenning van een opgave in de fysieke leefomgeving en aan te geven op welke wijze het publiek wordt betrokken. Bij het voornemen stelt het bevoegd gezag eenieder in de gelegenheid, binnen een door hem bepaalde termijn, mogelijke oplossingen voor de opgave aan te dragen. De ervaring bij recente projecten, zowel op landelijk, regionaal als lokaal niveau, leert dat in toenemende mate burgerinitiatieven bij de besluitvorming worden betrokken.

Daarom is in artikel 5.47, derde lid, van de Ow opgenomen dat het bevoegd gezag zelf een termijn aangeeft waarbinnen oplossingen voor die opgave kunnen worden ingediend. De verwachting is dat doorgaans een standaard termijn van 6 weken zal worden gehanteerd.[36] 29) In het voornemen geeft het bevoegd gezag uitgangspunten voor de redelijkerwijs in beschouwing te nemen oplossingen.[37] 30) In het geval van een privaat initiatief geeft het bevoegd gezag kennis van een voornemen als het voornemens is om medewerking aan het initiatief te verlenen. Via de projectprocedure kan de overheid dan de besluitvorming voor een initiatief van provinciaal of nationaal belang dat door een private initiatiefnemer wordt genomen, stroomlijnen.[38] Het projectbesluit is een ambtshalve besluit waardoor de regie voor alle stappen in de procedure nadrukkelijk bij het bevoegd gezag liggen. Het

86

wordt aangeraden om een duidelijke rolverdeling tussen het bevoegd gezag en de initiatiefnemer te maken. 31) Dat het gaat om een ambtshalve besluit neemt overigens niet weg dat een initiatiefnemer bij het bevoegd gezag een verzoek kan indienen tot het vaststellen van een projectbesluit. Er bestaat hier geen specifieke wettelijke grondslag voor. Bij een verzoek tot vaststelling van een projectbesluit gelden dus geen aanvraagvereisten. De algemene regeling uit de Awb geldt als vertrekpunt bij de behandeling van een verzoek. Bij een afwijzing van een aanvraag om een projectbesluit vast te stellen, is niet afdeling 3.4 Awb van toepassing.[39] 2.3.1

Verkenning 32) Bij de verkenning vergaart het bevoegd gezag kennis en inzichten over de aard van de opgave, de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving en de mogelijke oplossingen voor die opgave.[40] Als de uitgebreide procedure wordt gevolgd dan wordt in het kader van de voorkeursbeslissing de verkenning uitgevoerd. Indien de reguliere voorbereidingsprocedure wordt gevolgd mondt de verkenning uit in het projectbesluit en worden de resultaten opgenomen in de toelichting daarvan. Als voor een project een milieueffectrapport (“MER”) moet worden opgesteld of een m.e.r.-beoordeling moet worden doorlopen, dan kan in de verkenning ook de m.e.r.-procedure worden doorlopen. Los daarvan bepaalt het bevoegd gezag zelf de invulling van de verkenning. De verkenning moet uiteindelijk genoeg informatie opleveren om een projectbesluit te kunnen opstellen. Er is ook geen vaste termijn verbonden aan de duur van de verkenning. 33) Het bevoegd gezag beslist daarbij of de voorgedragen mogelijke oplossingen redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen.[41] De term «redelijkerwijs» is de juridische vertaling van het criterium «kansrijkheid» in de Code Maatschappelijke Participatie. Met deze term wordt aangesloten bij bestaande jurisprudentie inzake «redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven» in de zin van de m.e.r.-regelgeving.

Uit deze jurisprudentie volgt dat alternatieven alleen redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, als hiermee het doel van het project kan worden gehaald en ze geen exorbitante kosten met zich brengen.[42]

3.3.1

Voorkeursbeslissing 34) De voorkeursbeslissing is geen verplichte stap voor het bevoegd gezag, tenzij dit in een specifieke wettelijke regeling is opgenomen. In de meeste gevallen kan het bevoegd gezag zelf bepalen of de voorkeursbeslissing onderdeel uitmaakt van de projectprocedure.[43] In de voorkeursbeslissing geeft het bevoegd gezag aan welke oplossing zijn voorkeur heeft. Daarnaast geeft de voorkeursbeslissing aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organen en bestuursorganen zijn betrokken (participatie). 35) Op de voorbereiding van de voorkeursbeslissing is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) van toepassing. Iedereen kan gedurende zes weken zienswijzen op de ontwerpvoorkeursbeslissing naar voren brengen. 36) Bij de voorbereiding van de voorkeursbeslissing moet in de volgende gevallen een milieueffectrapport voor een plan worden gemaakt: wanneer (i) de voorkeursbeslissing het kader vormt voor een projectbesluit voor een project dat is aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit, (ii) vanwege

87

de gevolgen van het project voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling moet worden gemaakt of (iii) de voorkeursbeslissing het kader vormt voor een projectbesluit voor een ander project dan in bijlage V bij het Omgevingsbesluit dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben.[44] 37) De voorkeursbeslissing heeft als meerwaarde dat het een abstracte opgave trechtert naar een concreet projectbesluit. De voorkeursbeslissing zal in het algemeen wenselijk zijn als een project meer weerstand oproept in de omgeving, meer gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving en/of bestuurlijk gevoelig ligt. Bij de voorkeursbeslissing gaat het om het uitspreken van een voorkeur door het bestuur. Om dat proces verder niet te verstoren, is het de bedoeling van de wetgever dat het proces in het politiek-bestuurlijke domein blijft en niet in het juridische komt. De voorkeursbeslissing is daarom niet rechtstreeks bindend en beroep is niet mogelijk,[45] terwijl het projectbesluit genomen door het bevoegd gezag dat wel is. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van de voorkeursbeslissing.

38) De voorkeursbeslissing houdt in dat het bevoegde gezag één van de volgende conclusies neemt:[46] a) het bevoegd gezag gaat een project uitvoeren, b) het bevoegd gezag kiest voor een andere oplossing en voert geen project uit, c) het bevoegd gezag combineert de uitvoering van een project of de andere oplossing met de uitvoering van andere projecten of d) het bevoegd gezag werkt geen oplossing uit, de opgave blijft bestaan. 4.1

Coördinatie met andere besluiten 39)

Belangrijk is verder dat met de inwerkingtreding van de Ow ook de Awb wordt gewijzigd. In afdeling 3.5 van de Awb komt een coördinatieregeling die de coördinatieregelingen vervangt uit de diverse wetten die opgaan in de Ow. Onder meer de nu gebruikte coördinatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening (“Wro”) gaat op in de Awb. De coördinatieregeling moet worden toegepast als de Ow dat bepaalt en ook kan het bestuursorgaan de regeling van toepassing verklaren. Zo kan de coördinatieregeling op een projectbesluit van toepassing worden verklaard en is de regeling van toepassing op de voorbereiding van de beslissing van activiteiten waarvoor gelijktijdig een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend.[47] De coördinatieregeling in de Awb bevat daarbij geen bevoegdheid in de plaats te treden, maar die bevoegdheid is voor het projectbesluit wel in de Ow opgenomen.[48] Daarmee komt die bevoegdheid alleen aan het Rijk en de Provincie en niet aan andere overheden toe.[49]

3

PROJECTEN WAARVOOR DE GEMEENTE BEVOEGD IS

1.1

Nieuwe projecten

40) Wanneer een nieuw project strijdig is met het omgevingsplan zijn er twee mogelijkheden. Voor het project kan een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (“Bopa”) worden aangevraagd.[50] De tweede mogelijkheid is het wijzigen van het omgevingsplan.[51] Hierna worden beide procedures kort beschreven.

88

41) Een Bopa betreft een activiteit waarvan i) in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze activiteit zonder vergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan of ii) een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.[52] Op een Bopa is in beginsel de reguliere procedure van toepassing.[53] Gaat het om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving of waarbij verwacht wordt dat verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben, dan kan het college van Burgemeester en Wethouders (“college”) de uitgebreide procedure van toepassing verklaren.[54] Ook kan dit eventueel op verzoek van initiatiefnemer.[55] Het college is het bevoegd gezag voor de beoordeling van het project. De gemeenteraad kan zichzelf in bepaalde gevallen aanwijzen als adviseur, dit geschiedt met een raadsbesluit. Het betreft een bindend advies dat het college in acht moet nemen bij het besluit. Tot slot geldt dat voor de verlening van de omgevingsvergunning ook moet worden voldaan aan de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (“Bkl”). 42)

2.1

Voor een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan geldt de uitgebreide procedure waarbij eerst een ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd.[56] De gemeenteraad is het bevoegd gezag.[57] Bij het nemen van een besluit op de aanvraag tot wijzigen van het omgevingsplan zal de gemeenteraad onder meer beoordelen of het omgevingsplan na wijziging nog steeds een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat en of de wijziging strookt met de doelen van de Ow. De gemeenteraad komt hierbij een grote mate van beleidsruimte toe, wel moet worden voldaan aan de instructieregels van het Rijk en de Provincie.[58] Gemeentelijke projecten van publiek belang

43) Uit bovenstaande volgt dat gemeenten voor de realisatie van nieuwe projecten die strijdig zijn met het omgevingsplan, beschikken over het omgevingsplan en over de omgevingsvergunning voor afwijking van het omgevingsplan. Een gemeente kan het projectbesluit niet inzetten als instrument. De gemeente kan wel de stappen uit de projectprocedure toepassen voor het wijzigen van het omgevingsplan voor een gemeentelijk project van publiek belang.[59] Bij toepassing daarvan dient binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift op een beroep tegen dat omgevingsplan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) beslist te worden.[60] Het gemeentebestuur volgt dan een gelijkwaardige procedure voor de voorbereiding van regels voor in het omgevingsplan.[61] Gaat het om een minder complex project op lokaal niveau, dan zou de gemeente deze kunnen vormgeven via een omgevingsvergunning.[62] De projectprocedure kan niet worden toegepast voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Gedurende de overgangsfase geldt overigens dat een projectbesluit niet het omgevingsplan wijzigt, indien sprake is van strijd met het omgevingsplan geldt het projectbesluit als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.[63] Het nieuwe deel van het omgevingsplan dient in overeenstemming te zijn met de omgevingsvergunning.

44) Bij een project van publiek belang moet gedacht worden aan grootschalige of complexe projecten als de aanleg of reconstructie van een rondweg of binnenstedelijke transitie. Het kan daarbij zowel gaan om projecten met een publiek belang die op initiatief van het gemeentebestuur worden genomen, als voor private initiatieven met een publiek belang.[64] Het publieke belang kan te vinden zijn in een omgevingsvisie, of in een programma, maar het publiek belang kan ook op een andere wijze blijken. 45) In onderhavig geval zijn onder meer de drempels uit de E-wet van belang om te bepalen of sprake is van een nationaal of provinciaal belang. In het volgende hoofdstuk worden verschillende projecten

89

beschreven waarvoor in beginsel de gemeente bevoegd is. Indien wordt voldaan aan de drempels, geldt dat de Provincie of het Rijk bevoegd is. 4

DREMPELS ELEKTRICITEITSWET 1998

46) De E-wet benoemde onder oud recht projecten waarvoor het Rijk dan wel de Provincie bevoegd was en besluitvorming moest coördineren. Onder de Ow geschiedt de besluitvorming door middel van een projectbesluit via een projectprocedure. De gevallen waarin op basis van de E-wet besluitvorming door middel van een projectbesluit plaatsvindt onder de Ow, wijken niet af van de gevallen waarin de besluitvorming door middel van een coördinatieregeling plaatsvond onder het oude recht. De drempels blijven hetzelfde. 1.1

2.1

Hoogspanningsnetwerk

47)

Het Rijk dient een projectbesluit vast te stellen voor de uitbreiding van het landelijk hoogspanningsnet voor het transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 220 kV of hoger en die als zodanig worden bedreven, inclusief de aansluitingen op dat net.[65] Aansluiting op het net betekent met andere woorden dat het net zich uitstrekt van de poort van een elektriciteitscentrale tot en met de meter of een elektriciteit verbruikende installatie van een afnemer.[66]

48)

Voor verbindingen van 110 kV en 150 kV waarbij sprake is van provinciaal belang kan de Provincie via een projectbesluit een hoogspanningsverbinding op een locatie toelaten.[67] Voor het toelaten van hoogspanningsverbindingen van 110 kV en 150 kV is de gemeente het bevoegd gezag. De netten van 110 kV en 150 kV vervullen over het algemeen een regionale functie.[68] Aanleg of uitbreiding van productie-installaties

49) Het Rijk dient een projectbesluit vast te stellen bij de aanleg en uitbreiding van een productieinstallatie met een capaciteit van ten minste 500 MW, indien het een installatie betreft voor de opwekking van andere dan duurzame elektriciteit. Hieronder valt ook de aansluiting van die installatie op een net.[69] Voorgaande geldt ook voor de uitbreiding van een bestaande productie-installatie, indien door die uitbreiding de capaciteit wordt vergroot tot ten minste 500 MW.[70] Gaat het om een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit, niet zijnde windenergie, dan is het Rijk bevoegd bij een capaciteit van ten minste 50 MW. [71] Als er sprake is van een zonnepark met een vermogen van ten minste 50 MW, dan heeft het Rijk tot dusver altijd de bevoegdheid daarvoor bij de gemeente gelaten. 6 50) Voor windenergie geldt een drempel van 100 MW, waarbij het Rijk bevoegd gezag is.[72] Gaat het om een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, dan zijn Gedeputeerde Staten (“GS”) bevoegd.[73] Bij minder dan 5 MW is de gemeente bevoegd. 7 Onder de Energiewet verschuift de bevoegdheidsverdeling, zie hoofdstuk 5. Onder de Energiewet verschuiven de bevoegdheden: gemeente (15 MW), GS (15-100 MW) en het Rijk (100 MW), zie hoofdstuk 5. 6 7

90

3.1

Waterstof

51) Naast de E-wet, volgt ook uit de Gaswet wanneer de coördinatieregeling dient te worden toegepast. De Gaswet is van toepassing op ‘gasvormige stoffen die in hoofdzaak bestaan uit methaan of een andere stof die vanwege haar eigenschappen aan methaan gelijkwaardig is’.[74] Waterstof valt hier niet onder. Daarom is bij apart besluit bepaald dat de rijkcoördinatieregeling ook van toepassing is op het landelijk transportnet voor waterstofgas.[75] Hieronder wordt verstaan ‘de met elkaar verbonden leidingen of hulpmiddelen bestemd of gebruikt voor het op nationaal of landsgrensoverschrijdend niveau transporteren van waterstofgas, met inbegrip van hulpmiddelen en installaties waarmee ondersteunende diensten voor dat transport worden verricht’. Voorgaande geldt enkel voor het transport en niet voor de opslag of opwekking van waterstof. 52) Onder de Ow wijzigt bovenstaande niet. Waterstof valt nog steeds niet onder de Gaswet en het Besluit toepassing coördinatieregeling op waterstofgas kan niet meer worden toegepast. De aanleg van het landelijk transportnet voor waterstof is dus niet meer voorgeschreven door middel van een projectbesluit.

Wel staat in eerder genoemd besluit dat het wenselijk is dat het Rijk ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van de verschillende deelprojecten van het landelijke transportnet voor waterstofgas projectbesluiten vaststelt.[76] Onder de Ow is ook niet meer vereist dat de toepassing van de projectprocedure vooraf is besloten. Indien sprake is van een publiek belang kan toestemming worden verleend voor de toepassing van de projectprocedure.[77] Door het vervallen van het vereiste dat vooraf tot toepassing van de projectprocedure wordt besloten geldt dit niet alleen voor het transport, maar ook voor de ombouw van de centrale. Het Kabinetsaanpak Klimaatbeleid kan als basis dienen voor de motivering dat sprake is van een publiek belang.[78] Hieruit volgt onder meer dat ‘infrastructuur voor het transport van waterstofgas een cruciale rol kan spelen in onze economie en in een CO2-vrij energie- en grondstoffensysteem en dat daarom de ontwikkeling van deze landelijke infrastructuur van nationaal belang is'.[79] 53) Het is dus op dit moment aannemelijk dat het Rijk de bevoegdheid ten aanzien van het landelijk transportnetwerk houdt. Verder is de verwachting dat de gemeenten bevoegd zijn voor de ruimtelijke inpassing van concrete projecten. 5

DREMPELS ENERGIEWET Er is op dit moment een wetsvoorstel aanhangig bij de Tweede Kamer voor een nieuwe Energiewet. Het wetsvoorstel beoogt de huidige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 te vervangen. Met de komst van de Energiewet zullen de bevoegdheidsverdelingen en drempels voor energieprojecten wijzigen. Hierna worden de belangrijkste wijzigingen beschreven.

5.1

Combinatie van energieprojecten Als een energieproject één van de werken omvat die zijn opgenomen in artikel 6.1, eerste lid, en artikel 6.2, eerste lid, dan is de hoofdregel dat vanwege het nationale belang de Minister in overeenstemming met de Minister van BZK dan wel vanwege het provinciale belang GS van de Provincie daarvoor het instrument projectbesluit hanteert. Ook andere activiteiten kunnen onderdeel zijn van een dergelijk project. Een project kan derhalve ook een combinatie van een wind- en een zonnepark zijn. Ook kan een project in de zin van de Omgevingswet bestaan uit een combinatie van een productie-installatie en de daarvoor benodigde aanpassingen aan transportinfrastructuur. Dit geldt ook voor transportinfrastructuren op het spanningsniveau 110/150kV. Ook een windpark met

91

een capaciteit van meer dan 100 MW kan derhalve in één project gecombineerd worden met bijvoorbeeld een klein zonnepark of de benodigde transportinfrastructuur. In gevallen waarin meerdere bestuursorganen als bevoegd gezag voor het projectbesluit zouden zijn aan te wijzen, bepaalt artikel 5.44a van de Omgevingswet bij wie de bevoegdheid ligt om het projectbesluit vast te stellen. De Energiewet bevat derhalve geen afzonderlijke bevoegdheidsregeling voor een gecombineerd wind- en zonproject, combinaties van opwek en transport-infrastructuur en infrastructuren voor transport op het spanningsniveau 110/150kV. 5.2

Waterstof – Grootschalige elektrolyse In het wetsvoorstel voor de Energiewet zullen bepaalde grootschalige installaties voor elektrolyse worden aangemerkt als van nationaal belang, waarvoor het Rijk een projectbesluit kan vaststellen. Onder welke gevallen sprake is van een nationaal belang wordt vastgesteld in een nadere regeling, waarin onder meer de minimale capaciteit zal worden opgenomen. Hoewel de Minister onder de Ow ook een projectprocedure kan starten zonder deze wettelijke aanduiding, geeft deze wijziging op voorhand zekerheid over de te volgen procedure bij dit type projecten. 8

5.3

Aanleg of uitbreiding van installaties voor productie, opslag, conversie of verbruik van elektriciteit Het wetsvoorstel beoogt voorts om voor zonneparken en windparken (tot 100 MW) een grotere bevoegdheid bij decentrale overheden te leggen en de rol van het Rijk te beperken. 9 Zonneparken groter dan 100 MW blijven van Rijksbelang. De bevoegdheid van de gemeente voor zonneparken blijft in de wet gelijk (tot 50 MW). 10 Ten aanzien van windparken is geconcludeerd dat het, vanwege de toegenomen grootte van windturbines, logisch is de bevoegdheid van gemeenten te verruimen, namelijk van 5 MW naar 15 MW. 11

5.4

Grootschalige (systeem)batterijen Opslagsystemen voor batterijen met een vermogen groter dan 100 MW zullen naar verwachting ook van nationaal belang worden aangemerkt, vanwege hun functie voor het balanceren van het nationale elektriciteitsnetwerk. 12 Vorenstaande is nog niet doorgevoerd in het wetsvoorstel Energiewet, maar wel in het Programma Energiehoofdstructuur (“PEH”).

6

BELEID EN REGELS

54) Indien gewenst kunnen de ontwikkelrichtingen beleidsmatig worden ingepast op provinciaal of gemeentelijk niveau. Een omgevingsprogramma of -visie is bindend voor het bestuursorgaan die het heeft opgesteld (“zelfbindend”) en kan worden gebruikt voor beleidsontwikkeling.[80] Het kan de betrokken gemeente, Provincie en het Rijk in onderhavig geval helpen om de doelstellingen voor het ECM te bereiken. Hierna volgt een korte beschrijving van deze instrumenten van de Ow.

Kamerstukken II 2023/24, 36 378, nr. 11; PEH Uitvoeringsagenda, maart 2024. Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, p. 25. 10 Artikel 6.1; Artikel 6.2, Wetsvoorstel Energiewet. 11 Artikel 6.2, Wetsvoorstel Energiewet 12 Programma Energiehoofdstructuur (PEH), maart 2024, p. 13. 8

9

92

55) Het valt buiten de reikwijdte van onze huidige advisering om aan te geven op welke wijze de betrokken overheden gebruik dienen te maken van deze instrumenten. Dit is namelijk ook nog afhankelijk van de uitkomst van de politiek-bestuurlijke besluitvorming over het ECM binnen de overheidsorganen.

1.1

Omgevingsvisie

56)

Als een bestuursorgaan grotere gebiedsontwikkelingen wil initiëren, kan dat beginnen met de omgevingsvisie. Daarin kunnen op grond van een integrale beschouwing keuzes op hoofdlijnen worden gemaakt over de wenselijke ontwikkelrichting van diverse delen van het grondgebied. Het betreft een beleidsdocument met de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, de bescherming, het beheer en het behoud van het grondgebied van een bestuursorgaan en de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid.[81]

57) De omgevingsvisie is een samenhangend strategisch plan over de gewenste ontwikkelingen van de fysieke leefomgeving in bestuursgebied van een bestuursorgaan. Het betreft een politiek-bestuurlijk document dat alleen het vaststellende orgaan zelf bindt. De visievorming op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, verkeer en vervoer, water, milieu, natuur, gebruik van natuurlijke hulpbronnen en cultureel erfgoed wordt in de omgevingsvisie samengevoegd en verbonden. De Ow schrijft voor dat het Rijk en de Provincies elk één omgevingsvisie vaststellen; voor gemeenten is de toepassing momenteel vrijwillig. Aan gemeenten wordt een overgangstermijn gegeven voor het vaststellen van de omgevingsvisie. De verplichting voor gemeenten om een omgevingsvisie te hebben, gaat op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gelden.[82] Het instrument komt in de plaats van de onder het voorheen geldende recht gebiedsdekkende structuurvisies, de relevante delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoerplannen, strategische gedeelten van nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen. 2.1

Omgevingsprogramma

58) Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma’s een belangrijke rol. Het betreft een uitwerking van het te voeren beleid of de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud, of maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken, voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving.[83] Het kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt. Het Rijk of een Provincie kan in een programma ook andere bestuursorganen betrekken. Verder is het mogelijk dat een programma wordt vastgesteld door meer dan één bestuursorgaan. Het is dus mogelijk om in onderhavig geval met de betrokken gemeente, Provincie en het Rijk één programma vast te stellen ten behoeve van ECM.

59) In een omgevingsvisie of programma kan tot slot worden aangekondigd dat een projectbesluit wordt voorbereid, of dat een omgevingsplan of omgevingsverordening wordt gewijzigd. Er is echter geen juridische koppeling tussen de omgevingsvisie en een programma, een projectbesluit of wijziging van decentrale regelgeving. Het is niet zo dat een omgevingsvisie moet worden aangepast als een programma wordt gewijzigd of dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma kan worden opgesteld of andere instrumenten kunnen worden ingezet

93

3.1

Omgevingsverordening

60) Een juridische uitwerking van de plannen en ambities uit een omgevingsprogramma of -visie kunnen vervolgens worden vastgelegd in een omgevingsverordening. Een omgevingsverordening betreft een verordening van de Provincie die de regels bevat over de fysieke leefomgeving.[84] Een omgevingsverordening kan zowel instructieregels als algemene regels bevatten. Een omgevingsverordening omvat drie soorten regels. Ten eerste regels die gericht zijn tot burgers en bedrijven, zoals algemene regels en vergunningstelsels. Ten tweede regels die gericht zijn tot het uitvoerend bestuur, zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor vergunningaanvragen. Ten derde – en daarin verschilt het van het omgevingsplan en de waterschapsverordening – omvat het instructieregels over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. 61)

7

Bij het vaststellen van bovenstaande instrumenten dient rekening te worden gehouden met het feit dat er een mer(beoordelings)plicht geldt voor plannen en programma’s die kaderstellend zijn.[85]

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

62) In dit onderdeel van de advisering wordt op hoofdlijnen ingegaan op de mogelijke toepasbaarheid van de regelgeving voor een milieueffectrapportage (“m.e.r.”) op de verschillende besluiten voor het ECM. Daarbij wordt per ontwikkelrichting een eerste indicatie gegeven van de mogelijke m.e.r.verplichtingen. Welke verplichtingen daadwerkelijk bestaan is afhankelijk van (i) het voorliggende besluit en (ii) de desbetreffende activiteit. Dit vereist dan ook een nadere analyse op het moment dat concrete besluitvorming van start gaat. 1.1

Kort juridisch kader

63) De m.e.r.-regelgeving wordt sinds 1 januari jl. geregeld in de Ow. Het Omgevingsbesluit (“Ob”) beschrijft welke projecten mer-(beoordings)plichtig zijn. In de m.e.r.-regelgeving wordt onderscheid gemaakt naar een milieueffectrapport voor plannen en programma’s (“plan-MER”) of voor vergunningverlening (“project-MER”). 64) Een plan-MER is verplicht bij een plan indien: • de vaststelling, de procedure van vaststelling en het bevoegd gezag daarvoor bij wet is geregeld;[86] en • het plan kaderstellend is voor specifieke projecten.[87] 65) Uit de Ow volgt dat een kaderstellende omgevingsvisie, omgevingsprogramma, omgevingsplan en een voorkeursbeslissing in het kader van een projectbesluitprocedure plan-MER-plichtig zijn, omdat de procedure en vaststelling bij wet zijn geregeld. Vorenstaande geldt ook indien het vrijwillig wordt opgesteld (bijvoorbeeld voor een programma). 66) Verder is een plan-MER-plicht aanwezig als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor op grond van een Passende beoordeling nodig is.

94

67) Als sprake is van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging van een plan of programma, dan kan een plan-m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.[89] 68) Een project-MER is verplicht bij een project als: • het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, en • de omvang van het project de drempelwaarde van kolom 2 overschrijdt, en • er een besluit als genoemd in kolom 4 vereist is. 69) Een project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt als: • het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, en • de omvang van het project de drempelwaarden van kolom 2 niet overschrijdt, en • in kolom 3 een mer-beoordelingsplicht is aangegeven, en • er een besluit als genoemd in kolom 4 nodig is. 70) In hoofdstuk 5 is reeds benoemd dat bij het vaststellen en inzetten van beschikbare instrumenten rekening dient te worden gehouden met het feit dat er eventueel een plan-MER of plan-m.e.r.beoordelingsplicht geldt voor plannen en programma’s. 2.1

Projecten binnen ontwikkelrichtingen

1.3.1

Waterstofnetwerk

71) Wat betreft de milieu-aspecten die betrokken zijn bij het transport van waterstof is door de minister reeds in najaar van 2023 aangekondigd dat nader onderzoek plaatsvindt dat betrokken en ingepast (toegepast) gaat worden bij de totstandkoming van de MER voor de DRC. 72) Voor de ombouw van de Clauscentrale tot waterstof geldt dat het vervaardigen van waterstof middels elektrolyse wordt gezien als een chemisch proces.[90] Er zijn 3 aangewezen categorieën projecten die van toepassing zouden kunnen zijn voor productie van waterstof: • Categorie F5: behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën; • Categorie I3: installaties voor de opslag van aardolie of petrochemische of chemische producten. • Categorie F3: geïntegreerde chemische installatie. 73) Waterstof kan mogelijk als chemische industrie worden aangemerkt, omdat grondstoffen of producten worden gemaakt of bewerkt door middel van een chemisch proces. Categorie F5 is in een dergelijk geval van toepassing. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie, behorend tot de chemische industrie, bestemd voor de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën is m.e.r.-beoordelingsplichtig.[91] Er geldt geen directe MER-plicht. 74) Voor Categorie I3 geldt dat de opslag van waterstof valt onder het opslaan van chemische producten.

De drempelwaarde voor een milieueffectrapport is een opslagcapaciteit van 200.000 ton. 75) Voorts is er sprake van een Seveso-inrichting of installatie, indien bij de productie meer dan 5 ton waterstof aanwezig is.[92] Bij meer dan 50 ton is er sprake van een hogedrempelinrichting. 76) Voor de elektrolyse-installatie geldt dat waarschijnlijk geen sprake is van een geïntegreerde chemische installatie. In de rechtspraak is dit nog niet ter sprake gekomen. Wel bestaat er

95

rechtspraak over de vraag wat valt onder een ‘geïntegreerde chemische installatie’. Uit Europese rechtspraak volgt dat hiervan sprake is indien met elkaar verbonden productie-eenheden, functioneel één productie-eenheid vormen.[93] Uit nationale rechtspraak volgt dit ook uit enkele uitspraken, hierin wordt gesteld dat “enkelvoudige chemische productieprocessen waarbij er naast het productieproces alleen nog een voor- en/of nabehandeling plaatsvindt” niet worden aangemerkt als een geïntegreerde chemische installatie.[94] 77) Een elektrolyse-installatie betreft een relatief eenvoudige procesinstallatie. Het proces bestaat niet uit stappen die zodanig op zichzelf staan dat kan worden gesproken van verscheidene eenheden.[95] Waardoor gesteld zou kunnen worden dat geen sprake is van een geïntegreerde chemische installatie.

2.3.1

Elektriciteitsinfrastructuur wisselstroom (AC) en gelijkstroom (DC)

78) Er geldt een MER-plicht voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding van: • een spanning van 220 kV of meer; en • een lengte van meer dan 15 km.[96] Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van bovengrondse hoogspanningsleidingen onder deze grenzen geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht.[97]

3.3.1

Carbon Capture and Storage Route

79) De aanleg, wijziging of uitbreiding van buisleidingen voor het transport van gas, olie of chemicaliën kan m.e.r.-plichtig zijn. Het project omvat mogelijk ook andere activiteiten die een m.e.r.(beoordelings)plicht kennen, zoals de werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.[98] 80) Het gaat specifiek om buisleidingen voor: a. het transport van gas, olie of chemicaliën; b. het transport van kooldioxide stromen voor geologische opslag, met inbegrip van de pompstations; of c. stoom of warm water.

81) Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van buisleidingen zoals bedoeld onder a of b, geldt een merplicht indien er sprake is van een: • een diameter van meer dan 0,8 m; en • een lengte van meer dan 40 km.[99]

82) Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van buisleidingen onder deze grenzen, of voor stoom of warm water, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht.[100]

96

4.3.1

Onafhankelijke elementen RWE terrein (batterij en zon)

83) Batterijen zijn niet expliciet opgenomen als activiteit in het Ob, er geldt voor batterijen op zichzelf geen m.e.r-beoordelingsplicht.

84) De oprichting van een zonnepark is niet expliciet opgenomen als activiteit in het Ob. In de rechtspraak is bevestigd dat een zonnepark niet valt onder thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water (categorie C1), of een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11).[101] Er geldt dus geen m.e.r.-beoordelingsplicht voor zonneparken op basis van deze categorieën. 85) Wel bestaat discussie of naar nationaal recht sprake is van een landinrichtingsproject.[102] Een landinrichtingsproject is mer-beoordelingsplichtig.[103] De Afdeling heeft in een uitspraak over een zonnepark van 4,3 hectare voor 10 jaar geoordeeld dat met die omvang het project ‘onvoldoende substantieel karakter’ heeft om te kunnen worden aangemerkt als landinrichtingsproject.[104] Het is dus de vraag of een zonnepark met een aanzienlijk grotere omvang wel als een landinrichtingsproject kan worden aangemerkt. 8

EXTERNE VEILIGHEID

86) Voor het juridisch kader van externe veiligheid zijn het Besluit kwaliteit leefomgeving (“Bkl”) en het Besluit activiteiten leefomgeving (“Bal”) relevant. Onder de Ow zijn er twee grondslagen van belang voor de externe veiligheid. De eerste heeft betrekking op de vaststelling van verplichte instructieregels, deze zijn neergelegd in het Bkl.[105] Daarnaast gelden er rijksregels op het gebied van externe veiligheid, deze zijn neergelegd in het Bal. Hierin is per type activiteit geregeld waaraan moet worden voldaan. 87) Hierna volgt eerst een beschrijving van de algemene instructieregels, daarna wordt de betekenis van grens- en standaardwaarden nader uitgewerkt, gevolgd door een beschrijving van de specifieke instructieregels en de rijksregels voor activiteiten waar in onderhavig geval mogelijk sprake van is. 1.1

Algemene instructieregels externe veiligheid

88) In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels voor omgevingsplannen en projectbesluiten neergelegd.[106] Algemene instructies gelden altijd en voor ieder omgevingsplan of projectbesluit. De instructies zijn erop gericht rampen te voorkomen, beperken en bestrijden.[107] De grondslag voor de regelgeving is te vinden in de Ow.[108] Daarnaast dient de kans dat mensen die in de omgeving van een gevaarlijke activiteit verblijven door een ongeval komen te overlijden te worden beperkt.[109] De instructieregels zijn afhankelijk van de te beschermen functies, activiteiten met risico’s en type aandachtsgebieden. 89) Het plaatsgebonden risico (“PR”) is relevant voor de instructieregels.[110] Het plaatsgebonden risico wordt per activiteit beoordeeld.[111] Het gaat hierbij om de kans op het overlijden van een onbeschermd

97

en continu aanwezig persoon als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een milieubelastende activiteit.[112] De geldende normen voor het plaatsgebonden risico worden aangeduid met grenswaardes en standaardwaardes. 90) Voor de gemeente zijn er bijvoorbeeld instructieregels bij het vastleggen van buisleidingen in het omgevingsplan.[113] Hierbij dienen veiligheidsafstanden berekend te worden.[114] Het gaat om de afstand voor het PR en de afstand tot aandachtsgebieden. De afstanden voor het PR en de aandachtsgebieden dienen berekend te worden volgens het rekenvoorschrift omgevingsveiligheid van het ‘Handboek Omgevingsveiligheid’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (“RIVM”).[115] 1.3.1

Te beschermen functies

91) De rol die de norm voor het plaatsgebonden risico speelt bij de besluitvorming is afhankelijk van de aard van het te beschermen gebouw. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.[116] De “zeer kwetsbare gebouw” is een nieuwe categorie onder de Ow. De nieuwe categorie vervangt de "kwetsbare objecten", zoals wij die onder het oude recht kennen en splitst het in “kwetsbaar” en “zeer kwetsbaar”. Verder is de terminologie is onder de Ow gewijzigd van “object” naar “gebouw”. 92) De aard van een te beschermen gebouw wordt bepaald door de gebruiksfunctie(s). Voor de betekenis en indeling van gebruiksfuncties van gebouwen is aansluiting gezocht bij het Bbl.[117] Enkele voorbeelden zijn woon-, bijeenkomst-, industrie-, kantoor- of onderwijsfunctie. Een volledig overzicht van de gebruiksfuncties is te raadplegen in onderdeel B van Bijlage I bij het Bbl. De indeling van gebruiksfuncties in beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen is te vinden in Bijlage VI Bkl. 93) De instructieregels voor het omgevingsplan regelen alleen minimumeisen.

Het staat het bevoegd gezag vrij om een beperkt kwetsbaar gebouw te behandelen als een kwetsbaar gebouw of als een zeer kwetsbaar gebouw, en een kwetsbaar gebouw als een zeer kwetsbaar gebouw.[118] Ook geldt dat als een gebouw of locatie onder meerdere categorieën valt en het omgevingsplan voor dat gebouw of die locatie geen onderscheid maakt naar gebruiksfunctie, voor de beoordeling van de mate van kwetsbaarheid van het gebouw of de locatie dient te worden uitgegaan van de meest kwetsbare categorie. 2.3.1

Aandachtsgebieden

94) Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.[119] Binnen de aandachtsgebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico, het gaat om de kans per jaar dat 10 of meer personen overlijden als gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.[120]

98

95) Het bevoegd gezag wijst deze gebieden aan en kan diverse maatregelen inzetten om bescherming te bieden binnen de aandachtsgebieden. • afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied • aanvullende risicocommunicatie • beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron • vlucht- en schuilmogelijkheden • omgevingsmaatregelen • aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. 96) Afhankelijk van de vraag of een ontwikkeling of activiteit zal worden gerealiseerd binnen een aandachtsgebied, kunnen dus aanvullende maatregelen gelden. 2.1

Grens- en standaardwaarden

97) Een grenswaarde geeft aan welke PR norm op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. Van een grenswaarde mag in beginsel niet worden afgeweken. Het betreft een landelijk geldend basisbeschermingsniveau.[121]

98) De standaardwaarde is de nieuwe term voor richtwaarde. En standaardwaarde geeft aan welke PR norm op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.[122]

99) Een plaatsgebonden risico van één op de miljoen per jaar wordt ook wel aangegeven als PR 10-6. Eén op de honderd duizend wordt aangegeven als PR 10-5.

3.1

Specifieke veiligheidsregels

100) Indien sprake is van een Seveso-inrichting, dienen alle maatregelen te worden getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken.[123] Daarnaast dient een preventiebeleid te worden opgesteld, welke dient te worden uitgevoerd met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheerssysteem dat voldoet aan alle punten van Bijlage III bij de Seveso-richtlijn.[124]

4.1

Projecten binnen ontwikkelrichtingen

1.3.1

Waterstofnetwerk

101) Wat betreft de veiligheidsaspecten die betrokken zijn bij het transport van waterstof is door de minister reeds in najaar van 2023 aangekondigd dat nader onderzoek plaatsvindt dat betrokken en ingepast (toegepast) gaat worden bij de totstandkoming van de MER voor de DRC.

99

102) Een buisleiding voor vervoer van waterstof is aangewezen als milieubelastende activiteit (“MBA”).[125] Dit geldt voor waterstof voor transportleidingen voor waterstof met een uitwendig diameter vanaf 70 mm en voor transportleidingen met een druk hoger dan 1.600 KPa en een binnendiameter vanaf 50 mm. • •

Er is geen omgevingsvergunning MBA vereist. Voor de initiatiefnemer geldt een informatieplicht en meldingsplicht.

Er gelden regels voor externe veiligheid.[126] Verder dient de gemeente in het omgevingsplan rond buisleidingen een strook van 5 meter vrij te houden van bebouwing, een zogeheten belemmeringengebied.[127] Tot slot zijn er reserveringsgebieden voor buisleidingen van nationaal belang, deze zijn aangewezen in het Bkl. In deze reserveringsgebieden kan de gemeente in het omgevingsplan geen activiteiten toestaan die een belemmering vormen voor de aanleg van deze buisleidingen. 2.3.1

Carbon Capture and Storage Route

103) Voor zover sprake is van het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, dient met het oog op het waarborgen van de veiligheid een preventiebeleid te worden opgesteld.[128] Het preventiebeleid bevat de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de activiteit verricht.

104) Ook geldt er een plaatsgebonden risico voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar.[129]

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=da551789-ef3e-42a9-b782-259fe48e6d19