CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

1489-BIJLAGE 1 Bestemmingsplan verenigingen Wessem_BP Verenigingen Wessem_regels en toelichting_ontwerp

01. Raadsvergadering 23 februari 2021, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan verenigingen Wessem28.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het hoogst berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt 45 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de woningen Thornerweg 10 - 20. Aan de richtwaarde wordt voldaan. Uitgangspunt voor de berekening is uiteraard dat de emissie van de gebouwen dusdanig wordt teruggebracht dat deze niet relevant is te noemen, of leidt tot een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste gelijk aan de richtwaarde rekening houdend met een eventuele straffactor voor muziekgeluid.

Hoofdstuk 4

27

Het terras van het cultuurcentrum is bij veel woningen maatgevend voor de geluidsbelasting. Vanwege de voorgenomen positionering van het terras wordt het niet geheel afgeschermd door het gebouw. In incidentele gevallen kan op het terrein van De Sprong een evenement met versterkte muziek worden gehouden. Volgens de gehanteerde uitgangspunten zou dat kunnen leiden tot een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van ten hoogste 63 dB(A) op 1,5 meter boven maaiveld. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid. De evenementen zijn ruimtelijk inpasbaar, mits het aantal evenementen op jaarbasis beperkt blijft. Het hoogst berekende maximale geluidniveau bedraagt 58 dB(A) in elke etmaalperiode en is het gevolg van sluitende autoportieren op het parkeerterrein. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden. Voorbehoud is dat overmatig stemgeluid in de openbare ruimte (Thornerweg) niet in de berekeningen is inbegrepen. Dit valt onder de APV en is op grond hiervan aan handhaving onderworpen. Ook in de bestaande situatie zal sprake zijn van maximale geluidniveaus als gevolg van stemgeluid in de openbare ruimte. In de maatgevende avondperiode bedraagt de geluidsbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking ten hoogste 44 dB(A) ter plaatse van Thornerweg 26. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde.

Daar wordt voldaan aan de gestelde richtwaarden voor geluid, kan worden geconcludeerd dat het voornemen ruimtelijk inpasbaar is en er bij de omliggende woningen nog altijd sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.5 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die van invloed zijn op de ontwikkeling of middels een aanvullende regeling bescherming behoeven in dit bestemmingsplan. Vanuit dit aspect bestaat er kortom geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Hoofdstuk 4

28

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.6.2 Toetsing Een sportzaal en een dorpshuis met ruimten voor samenkomst van verenigingen classificeren op grond van de definities in het Bevi als beperkt kwetsbare objecten.

Hoofdstuk 4

29

Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.

Figuur 5. Uitsnede www.risicokaart.nl, plangebied groen omcirkeld.

Risicovolle bedrijvigheid Op circa 260 meter ten zuiden van het besluitgebied ligt een LPG-tankstation aan de Maasdijk 1. Het invloedsgebied van deze inrichting bedraagt 150 meter. Het besluitgebied ligt hier buiten. Op circa 610 meter ten noordoosten van het besluitgebied ligt eveneens een LPG-tankstation, aan de Molenweg 26. Het invloedsgebied van deze inrichting bedraagt 150 meter. Het besluitgebied ligt hier buiten. Risicovol transport over water Op circa 720 meter ten zuidoosten van het besluitgebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de Maas. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 reikt niet tot buiten de oever. Wel ligt het besluitgebied binnen het invloedsgebied van de Maas voor toxische vloeistoffen en gassen. Vanwege deze ligging in het invloedsgebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig (zie het kopje ‘(Beperkte) verantwoording groepsrisico’). Risicovol transport over spoorwegen Er vindt in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over spoorwegen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Risicovol transport over wegen Op een afstand van ongeveer 700 meter ten noordoosten van het besluitgebied ligt de A2, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 14 meter en reikt hiermee niet tot het besluitgebied. Het besluitgebied is ook niet binnen het

Hoofdstuk 4

30

plasbrandaandachtsgebied (PAG) van de A2 gelegen. Gezien de afstand is het besluitgebied binnen het invloedsgebied van de over de A2 vervoerde toxische vloeistoffen en gassen gelegen. Vanwege deze ligging in het invloedsgebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig (zie het kopje ‘(Beperkte) verantwoording groepsrisico’). Risicovol transport via buisleidingen Op een afstand van ruim 730 meter ten noordoosten van het besluitgebied zijn diverse buisleidingen gelegen. Dit betreft voornamelijk gasleidingen en één brandstofleiding (de pijpleiding Rotterdam – Beek). Het besluitgebied is gezien deze afstand niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de leidingen. Wel is het plangebied gelegen binnen de 1%-letaliteitscontour van de dichtstbijzijnde gasleiding. Gezien de afstand van ruim 700 meter en het reeds aanwezige aantal personen binnen het invloedsgebied van de gasleiding, kan ervan uit worden gegaan dat er geen sprake zal zijn van een toename van het groepsrisico als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied. Hierdoor zal de ligging ten opzichte van de gasleiding naar verwachting geen belemmering vormen voor de beoogde bouw.

4.6.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet Basisnet is het niet meer noodzakelijk om een kwalitatief onderzoek op te stellen of de verantwoordingsplicht van het groepsrisico volledig in te vullen als de planlocatie buiten een zone van 200 meter ten opzichte van risicobronnen gelegen is. Omdat op grotere afstand wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (over de weg A2 en de Maas) is artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. Artikel 7 bepaalt dat in een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan wordt op: a) De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b) Voor zover die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Inzake de betreffende onderwerpen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van de beperkte risicoverantwoording is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat het groepsrisico als gevolg van de voorliggende ontwikkeling niet toeneemt vergeleken met de huidige planologische mogelijkheden, vanwege de grote aantallen reeds aanwezige mensen in het plangebied. De Veiligheidsregio heeft als volgt geadviseerd: Het initiatief betreft het aanpassen van het bestemmingsplan ter plaatse van Thornerweg 4 te Wessem ten behoeve van de realisatie van een accommodatie voor meerdere verenigingen. De locatie ligt op circa 1 km afstand van de Maascorridor en 750 meter verwijderd van de A2, maar binnen het invloedsgebied van vervoer van toxische stoffen. Indien er een incident plaatsvindt met een vrachtauto op de A2 of een binnenvaartschip op de Maas dat geladen is met een toxische stof, komt er mogelijk een giftige wolk vrij die het plangebied kan bereiken waarbij de aanwezige personen gevaar lopen.

Hoofdstuk 4

31

Voor het handelingsperspectief is het belangrijk dat de personen binnen in het gebouw ramen en deuren kunnen sluiten en ventilatie af kunnen schakelen. Dit advies wordt gegeven op basis van artikel 7 van het BEVT en behelst de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van het incident: Bestrijdbaarheid:  De locatie en de voorzijde van de bouwwerken zijn vanuit de Thornerweg voldoende bereikbaar voor hulpdiensten vanuit twee onafhankelijke zijden.  Op dit moment is de locatie en de achterzijde van de bouwwerken via de Oude Thornerweg bereikbaar voor blusvoertuigen. De Oude Thornerweg is hiervoor gedeeltelijk afgesloten middels een klappaaltje dat door de brandweer en overige hulpdiensten te openen is. We adviseren deze bereikbaarheid in stand te houden voor de nieuwe situatie, zodat de achterzijde van de bouwwerken en de speeltuin bereikbaar blijven voor hulpverleningsvoertuigen.  Er zijn in de directe omgeving voldoende primaire-, secundaire- en tertiaire bluswatervoorzieningen aanwezig in de vorm van ondergrondse brandkranen, geboorde putten en de Maas.

 Betreffende de zelfredzaamheid tijdens een toxisch incident adviseren we de volgende maatregelen: o Het advies voor de initiatiefnemer is:  Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden op een makkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij de brandmeldinstallatie geplaatst worden. o Het advies voor de gebruiker van het gebouw is:  Informeer de gebruikers over de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en ventilatie uitzetten en neem dit scenario op in het bedrijfsnoodplan. o Het advies voor de gemeente is:  Informeer de initiatiefnemer van het plan over de risico’s van de risicobron en het handelingsperspectief. 4.6.4 Conclusie Vanwege het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen. Aan de beperkte verantwoording van het groepsrisico conform artikel 7 Bevt is invulling gegeven middels het advies van de Veiligheidsregio.

4.7 Ecologie 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Hoofdstuk 4

32

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.

het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Zo is in Limburg het Natuurnetwerk verankerd in de provinciale omgevingsverordening als goudgroene zones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Hoofdstuk 4

33

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten:  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.7.2 Onderzoek Er is een quickscan flora en fauna6 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

4.7.3 Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen verblijfplaatsen van een gebouw bewonende vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. Op moment van schrijven is het betreffende onderzoek in uitvoeren. De bevindingen worden op deze plaats opgenomen voorafgaand aan de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan;  Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen en de naastgelegen watergang te worden vermeden;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht.

Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Op basis van landschappelijke en ecologische waarden bestaat geen bezwaar tegen de vaststelling van het bestemmingsplan mits aan enkele voorwaarden wordt voldaan:  Voorzieningen vleermuizen. Tijdig plaatsen van vervangende voorzieningen voor vleermuizen zoals geadviseerd in de quickscan flora en fauna om te voorkomen dat de bouw vertraging op loopt als er verblijfplaatsen worden gevonden bij het nader onderzoek naar vleermuizen.

6

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Thornerweg’ te Wessem, projectnummer P01499, d.d. 20 maart 2020

Hoofdstuk 4

34

 

Handhaven bomen. Uitvoering geven aan het uitgangspunt dat er zoveel mogelijk bomen gehandhaafd worden om het foerageergebied voor vleermuizen in stand te houden zoals is aangegeven in de quickscan en de toelichting van het bestemmingsplan. Om dit te kunnen, moeten de bestaande bomen worden ingemeten (locatie én NAP-hoogte) zodat deze kunnen worden ingepast bij de nadere uitwerking van de plannen. Herbegrenzing Goudgroene natuur. Overleg met de provincie over herbegrenzen van de Goudgroene natuur. Kapvergunning. Het hele plangebied ligt in een boomzone. Dat wil zeggen dat er voor de kap van alle bomen een kapvergunning nodig is. Uitgangspunt is dat bomen gehandhaafd worden. Lukt dat niet, dan moet voor vervangende aanplant gezorgd worden. Ook hiervoor is het nodig de bestaande bomen in te meten en zo veel als mogelijk in te passen in de uit te werken plannen.

4.7.4

Stikstofdepositie

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (ECLI:NL:RVS:2019:1603). Als gevolg van de uitspraak is de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS onbruikbaar geworden als basis voor toestemmingverlening. Toestemmingverlening voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt is daardoor volledig stil komen te liggen. Het is duidelijk dat een substantiële reductie van stikstofdepositie nodig is om de natuurdoelen te halen. Vergunningverlening voor economische ontwikkelingen wordt dan ook weer mogelijk. Nu het PAS niet meer gebruikt kan worden en aanvullende eisen worden gesteld door de Afdeling aan een passende beoordeling, moet in de meeste gevallen worden teruggevallen op het voorkomen van toename van depositie via intern of extern salderen als blijkt dat de ontwikkeling op zichzelf een hogere stikstofdepositietoename kent dan 0,00 mol/ha/jaar. Met de AERIUS-calculator is de stikstofdepositie van het voorliggende plan inzichtelijk gemaakt voor de aanleg-/bouwfase en de gebruiksfase. De volledige notitie met rekenresultaten en uitgangspunten is opgenomen in de bijlagen. Op deze plaats wordt volstaan met de belangrijkste conclusies. Om op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening7 uitgevoerd.

Uit deze berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

4.8 Bodem 4.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt

7

BRO, AERIUS-berekening Verenigingen Wessem Gemeente Maasgouw, projectnummer P01499, d.d. 1 april 2020

Hoofdstuk 4

35

door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.8.2 Onderzoek Er is een verkennend bodem- en asbestonderzoek8 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het doel van het onderzoek is aan te tonen dat de grond en/of grondwater redelijkerwijs gesproken geen verontreinigingen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid en/of milieu in het algemeen en zodoende enige beperking of belemmering kunnen vormen ten aanzien van de voorgenomen herinrichting. Het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen van de NEN-5740 uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut in april 2016. Het verkennend asbestonderzoek is gebaseerd op de NEN 5897 richtlijn uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Resultaten Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen aan de Thornerweg 3 en 5 te Wessem wordt het volgende geconcludeerd. In de opgeboorde grond zijn plaatselijk bijmengingen aan baksteen, kooltjes en/of asfalt waargenomen. In de opgeboorde grond zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.

Toetsing WBB In de funderingslaag (grond) ter plaatse van het asfaltpad (MM 1) zijn licht verhoogde gehalten aan kobalt, lood, nikkel, zink en minerale olie aangetoond. In MM 2 van de funderingslaag zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, lood, nikkel en zink aangetoond. In MM 3 (parkeerplaats) zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, lood, nikkel, zink en PCB aangetoond. Verder een matig verhoogd gehalte aan minerale olie en een sterk verhoogd gehalte aan PAK. In verband met het aangetoond matig verhoogd gehalte aan minerale olie en het sterk verhoogd gehalte aan PAK zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd op de betreffende parameters. Ter plaatse van boring 25 is in de laag 0,4-0,5 m-mv een matig verhoogd gehalte aan PAK aangetoond en een licht verhoogd gehalte aan minerale olie. Ter plaatse van boring 26 is in dezelfde bodemlaag een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. Het eerder aangetoond sterk verhoogd gehalte aan PAK wordt niet bevestigd. In MM 4 (zandlaag ter plaatse van parkeerplaats) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In MM 5 (ondergrond ter plaatse van parkeerplaats) zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, kwik, lood en nikkel aangetoond en een matig verhoogd gehalte aan zink. In verband met het matig verhoogd gehalte aan zink zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd op de parameter zink.

Uit de separate analyses blijkt dat ter plaatse van boring 27 een licht verhoogd gehalte aan zink is aangetoond en ter plaatse van boring 30 een sterk verhoogd gehalte aan zink. Ter plaatse van de boven- en ondergrond ter plaatse van het overige terrein zijn licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan naftaleen en minerale olie aangetoond. 8

Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, Verkennend bodem- en asbestonderzoek Thornerweg 3 en 5 te Wessem, projectnummer 475MAA/18, d.d. 21 januari 2019

Hoofdstuk 4

36

Toetsing BBK (eindoordeel) De funderingslaag onder de asfaltweg voldoet aan de maximale waarden voor wonen of industrie. De bovengrond ter plaatse van de parkeerplaats voldoet deels aan de achtergrondwaarde. Ter plaatse van boring 25 is de bovengrond niet toepasbaar en ter plaatse van boring 26 voldoet deze aan de maximale waarde voor wonen. De ondergrond ter plaatse van de parkeerplaats voldoet aan de maximale waarde voor industrie, met uitzondering van boring 30 (80-100). Hier is de ondergrond niet toepasbaar als gevolg van een sterk verhoogd gehalte aan zink. De boven- en ondergrond van het overige terrein voldoet aan de maximale waarden voor wonen of industrie. K-waarden Van de bodemlagen 0,5-1,0 m-mv ter plaatse van boring 22 en 24 en van boring 18 en 20 zijn twee SCG zeefanalyses uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat de k-waarden dusdanig laag zijn (<< 1) dat infiltratie in deze bodemlaag niet zinvol is. Asbest Uit de analyses blijkt dat de restconcentratienorm van 100 mg/kg d.s. evenals de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een verontreiniging met asbest in de funderingslaag onder het asfaltpad. De aanvullende analyses van de Thornerweg zijn inmiddels uitgevoerd door MAH BV. Het sterk verhoogde gehalte aan PAK in MM 3 wordt niet bevestigd. Er is een matig en een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond.

Bij de andere uitsplitsing is bij twee van de vier deelmonsters geen verhoogd gehalte aan zink aangetoond, bij één boring een licht verhoogd gehalte en bij één boring een sterk verhoogd gehalte aan zink. Ter plaatse van boring 30 is het sterk verhoogd gehalte aan zink aangetoond in de bodemlaag 0,8-1,0 m-mv. Ter plaatse van boring 25 is een matig verhoogd gehalte aan PAK aangetoond in de bodemlaag 0,4-0,5 m-mv. Hierom wordt momenteel aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van het aangetoond sterk verhoogde gehalte aan zink ter plaatse van boring 30 dient aanvullend onderzoek plaats te vinden om vast te stellen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De overige resultaten vormen geen bezwaar ten aanzien van de uit te voeren werkzaamheden. Indien bij graafwerkzaamheden grond vrijkomt, wordt geadviseerd deze ter plaatse te herverwerken. Voor eventuele afvoer dient, om de mogelijkheden van hergebruik / afvoer definitief vast te stellen, een onderzoek conform de AP04 richtlijnen (BBK) te worden uitgevoerd. 4.8.3 Aanvullend onderzoek In onderhavige situatie is onvoldoende aangetoond dat de bodem geschikt is voor de (bodem-)functie. Er zijn aanwijzingen dat op de locatie mogelijk een bodemverontreiniging aanwezig is. Het betreft de aanwezigheid van Zink en/of PAK.

De bodemtoets is in onvoldoende mate uitgevoerd, omdat niet eenduidig kan worden vastgesteld dat ter plaatse geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Hoofdstuk 4

37

Indien op de te ontwikkelen locatie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging moet er eerst inzicht zijn in de saneringskosten en moet er ambtelijke overeenstemming te zijn tussen bevoegde gezagen (de provincie voor de Wet bodembescherming en de gemeente voor de Wet ruimtelijke ordening), alvorens ingestemd kan worden met een bestemmingswijziging. Indien geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, zijn er doorgaans in dat kader geen belemmeringen voor een bestemmingswijziging. De procedurele afhandeling zal plaatsvinden volgens de thans gangbare procedure in de Wet ruimtelijke ordening. Het toetsingskader binnen de Wet ruimtelijke ordening ligt vast. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet:  worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming;  worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen;  in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen. 4.8.4 Conclusie In opdracht van Gemeente Maasgouw is door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV (MAH BV) een nader bodemonderzoek9 uitgevoerd op de locatie Thornerweg (ong.) te Wessem. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.

In de opgeboorde grond zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de resultaten van de analyses blijkt dat in de bodemlaag 1,5-2,0 van boring 300 (voormalig boring 30) een licht verhoogd gehalte aan zink aanwezig is. In de inkaderende boringen zijn nagenoeg overal sterk verhoogde gehalten aan zink aangetoond in het bovenste gedeelte van de kleilaag in de ondergrond. Dit bevestigt de resultaten van de XRF metingen. De sterke verontreiniging met zink is na de eerste fase niet ingekaderd. In de tweede fase zijn een aantal extra afperkende boringen gezet. Met name om te kijken of de sterke verontreiniging doorloopt tot onder de geplande uitbreiding van de sporthal. Uit de aanvullende boringen blijkt dat enkel ter plaatse van boring 407 nog een sterk verhoogd aanwezig is in de bodemlaag (1,5-2,0 m-mv). In de andere boringen zijn voornamelijk licht tot matig verhoogde gehalten aangetoond. Ter plaatse van de geplande uitbreiding zijn geen sterk verhoogde gehalten aan zink aangetoond. De gehalten aan PFAS liggen beneden de bepalingsgrens. De sterke verontreiniging met zink is middels onderhavig onderzoek voldoende ingekaderd aangezien ter plaatse van de geplande nieuwbouw geen sterk verhoogde gehalten meer zijn aangetoond. De sterke verontreiniging met zink bevindt zich in het bovenste gedeelte van de kleilaag in de ondergrond, ca. 0,5-1,0 meter dik.

De omvang bedraagt meer dan 25 m3 sterk met zink verontreinigde grond. Naar schatting bedraagt de omvang ca. 395 m3 sterk verontreinigde grond (525 m2 x 0,75 m).

9

Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, Nader bodemonderzoek Thornerweg te Wessem, projectnummer 140.20.0195/R, d.d. 9 september 2020

Hoofdstuk 4

38

Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, er is meer dan 25 m3 grond verontreinigd tot boven de interventiewaarde. De sterke verontreiniging bevindt zich in de ondergrond en het maaiveld betreft grotendeels een terrein (parkeerplaats) wat verhard is met klinkers. Er zijn derhalve geen contactmogelijkheden en geen blootstellingsrisico’s. Indien bij de ontwikkeling van de locatie grondverzet gaat plaatsvinden en/of de locatie krijgt een andere functie, dan zijn mogelijk sanerende maatregelen of aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk. Er zal in elk geval een Wbb-procedure (BUS melding of saneringsplan) doorlopen moeten worden. Geconcludeerd kan worden dat d kwaliteit van de bodem goed genoeg is voor de beoogde ontwikkeling en bestemmingsplanherziening.

4.9 Water 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Waterschap Limburg Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterschap is binnen de provincie naast de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder van het watersysteem tevens de beheerder van de waterkeringen. In het waterbeheerplan 2016-2021 zet het waterschap de koers uit voor het toekomstig waterbeheer in Limburg en geeft zij aan hoe zij invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, en voldoende schoon water. In het plan is onder meer vastgelegd hoe men het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen en behouden. Keur Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de keur als regelgeving. De keur is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. De regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Dit is omsloten via de bij de keur behorende legger als kaart.

Ten gevolge van de verwachte klimaatverandering zal de neerslagintensiteit toenemen. Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt daarom het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra hemelwater mag worden geloosd ten opzichte van een lozing die vanaf onverhard terrein plaatsvindt (2 l/s/ha). Het lozen van hemelwater afkomstig van nieuwe verhard oppervlak is op grond van de uitvoeringsregel ‘lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak’ dan ook alleen toegestaan als deze niet leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater. Bij een lozing als gevolg van de aanleg van nieuw verhard oppervlak dient de initiatiefnemer zodanige infiltratie- en bergingsvoorzieningen te treffen dat een toename van de afvoer op het watersysteem wordt vermeden. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

Hoofdstuk 4

39

Uitgangspunt verwerking hemelwater Een initiatiefnemer (particulier of bedrijf) is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater dat op zijn perceel (en daarop staande gebouwen en verharding) valt. In het geval niet alles kan worden verwerkt, heeft de gemeente in het kader van haar hemelwaterzorgplicht (Waterwet) de taak het overtollige hemelwater te verwerken. De gemeente kan hieraan specifieke normen stellen m.b.t. de opvangplicht op particulier terrein of verwerkt eventueel zelf het (overtollige) hemelwater. Uiteindelijk mag het (overtollige) hemelwater dat niet is geïnfiltreerd conform de normen van het waterschap m.b.t. het lozen op het watersysteem (gedoseerd) aangeboden worden op het watersysteem dat door het waterschap wordt beheerd. Iedereen (particulieren, bedrijven en gemeenten) die op het watersysteem loost moet aan deze normen voldoen. Ten aanzien van het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Bij uitbreiding van verhard oppervlak wordt regenwater middels dynamische bergings-/infiltratievoorzieningen door de initiatiefnemer terug in de bodem gebracht (waterneutraal bouwen).  Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op, geen ondergrens.

 Onder dynamische berging wordt verstaan de berging die te allen tijde beschikbaar is voor het bergen van neerslagwater. Bij bergingen die in open verbinding staan met het grondwater hanteren we hiervoor de ruimte boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG). Onder statische berging verstaan we de extra berging die mogelijk beschikbaar is maar die niet gegarandeerd beschikbaar is.  Dynamisch bergings-/infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met herhalingstijd 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050. Voor Noord- en Midden-Limburg dient daarbij een buiduur van 24 uur te worden gehanteerd, zijnde 100 mm. Voor Zuid-Limburg (heuvelland) geldt in afwijking hiervan bij maatwerk een buiduur van twee uur, zijnde 80 mm.  Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur.  Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Noord- en Midden-Limburg maximaal 2l/s/ha geloosd worden. In ZuidLimburg mag met de leegloopvoorziening maximaal 10l/s/ha worden geloosd.

Bij grote ontwikkelingen (>50 ha) dient de initiatiefnemer altijd modelmatig aan te tonen dat dit benedenstrooms niet tot problemen leidt.  Er dient boven de inhoud van de dynamische berging een waking gehanteerd te worden van minimaal 25 centimeter. Geadviseerd wordt om een waking van 50 centimeter te hanteren.  Aan de bovenkant van de voorgeschreven dynamische berging dient een calamiteitenleegloop aangelegd te worden met een maximale leegloop van 10l/s/ha. Aan de bovenkant van de voorziening mag een noodoverlaat worden aangebracht. Gemeente Maasgouw Het waterbeleid van de gemeente Maasgouw is onder andere vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 en het afkoppelbeleidsplan (2014). Ten aanzien van hemelwater heeft de gemeente de ambitie dat wateroverlast te allen tijde moet worden voorkomen. Er wordt gestreefd naar een duurzame en robuuste inrichting van de openbare ruimte, waarin de wateraspecten integraal zijn afgewogen binnen projecten en ontwikkelingen. Bij uitbreidings- en vervangingsprojecten wordt hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld van het stelsel en lokaal geborgen en geïnfiltreerd. Percelen mogen alleen hemelwater aanbieden aan als zij het

Hoofdstuk 4

40

redelijkerwijs zelf niet kunnen gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. De gemeente conformeert zich verder aan het beleid van het waterschap. 4.9.2 Onderzoek Er is een waterparagraaf 10 opgesteld voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. 4.9.3 Conclusie Waterbergingsopgave Op basis van de toekomstig en af te koppelen verhard oppervlak bedraagt de statische waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal circa 846 m3 (8.460 m2 x 0,1 m). Bij de berekening van de dynamisch bergingsvoorzieningen mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Noord- en MiddenLimburg maximaal 2l/s/ha geloosd worden. De maximale afvoer bedraagt 273 m 3/24 uur. In totaal dient binnen het plan gedurende 24 uur derhalve nog 573 m 3 (846 m3 - 273 m3) geborgen te worden. Het plan biedt voldoende ruimte om invulling te geven aan deze bergingsopgave. Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar binnen de planlocatie worden verwerkt.

Omdat vanwege de bodemopbouw en de relatief hoge grondwaterstanden infiltratie niet doelmatig is, wordt regenwater tijdelijke geborgen en vertraagd afgevoerd naar de Thornerbeek. Het planvoornemen voorziet in de mogelijkheid om in het zuidelijke deel van de locatie een groene buffer aan te leggen en deze landschappelijk in te passen. Eventuele kan een bovengrondse regenwaterbuffer gecombineerd worden met een ondergrondse voorziening onder de toekomstige parkeerplaats(en). Ondanks dat er een aanzienlijk terrein nodig is om de waterbuffer aan te leggen is dat op het zuidelijk deel van het terrein (het van nature laagst gelegen deel) goed mogelijk. De bestaande bomenstructuur kan hierbij gehandhaafd blijven. Als het oppervlak van de voorziening dient te worden verkleind dan kan zelfs gedacht worden aan een buffer met permanent natte bodem (vijver). De uitkomende grond kan eventueel elders op het terrein gebruikt worden om op te hogen. Het systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij gedurende een periode van 24 uur 100 mm of in een korte tijd 65 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan overtollig water overstorten richting de Thornerbeek. Riolering Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving.

De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.

10

Econsultancy, Rapportage Watertoets Thornerweg te Wessem, rapportnummer 11947.002 D1, d.d. 27 maart 2020

Hoofdstuk 4

41

Vergunningen De planlocatie is gelegen binnen de buitenbeschermingszone van een waterkering. Het aanleggen of verwijderen van verharding binnen de beschermingszone waarvoor een ontgraving van meer dan 50 cm moet worden uitgevoerd binnen de beschermingszone van een waterkering is watervergunningsplichtig. Daarnaast zal voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur eveneens een vergunning aangevraagd moeten worden. Conclusie Op basis van de mogelijkheden die het plan biedt voor de verwerking van hemelwater worden er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor die periode een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De gemeente Maasgouw is verantwoordelijk voor de bescherming van de archeologische waarden. Wil de gemeente deze taak doelgericht uitvoeren, dan moet er duidelijkheid zijn waar er zich eventueel archeologische resten of sporen bevinden. Hiervoor is een archeologische waardenkaart opgesteld. Deze kaart, vastgesteld in oktober 2010, onderscheidt gebieden met een hoge, een middelhoge en een lage verwachting.

Ook worden beschermde stads- en dorpsgezichten, AMK-terreinen en de ongekarteerde gebieden onderscheiden. AMK staat voor Algemene Monumenten Kaart en wijst op de gebieden die door het Rijk en de provincies zijn aangewezen. Ongekarteerde gebieden omvatten de woonkernen. Er kan hier, vanwege menselijke ingrepen, geen nauwkeurige verwachting worden vastgesteld. In de archeologische waarden beleidskaart staat wanneer er tot bescherming moet worden overgaan. Hierop wordt aangegeven waar in geval van bodemingrepen (als gevolg van bijvoorbeeld bouw of sloop) een verplichting geldt om archeologisch onderzoek uit te voeren. De verplichting is gebonden aan bepaalde ondergrenzen; dit wil zeggen dat de bodemverstoring een minimale oppervlaktemaat moet overschrijden en een bepaalde diepgang moet hebben. Het onderzoek beoogt de bescherming van eventuele aanwezige ondergrondse waarden.

Hoofdstuk 4

42

Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.10.2 Onderzoek Op grond van de gemeentelijke archeologische verwachtingenkaart kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde.

Figuur 6. Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Maasgouw, plangebied groen omcirkeld

Een archeologisch gebied met lage verwachting is op basis van het beleidsplan Archeologie een gebied aangeduid op de beleidskaart, waarvan de verwachting is dat er geen of weinig belangrijke archeologie aanwezig is, of waar eerder archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er geen of geen verwachtings- of waardevolle archeologie meer aanwezig is. Deze gebieden kennen geen archeologische verplichtingen bij bodemingrepen. 4.10.3 Conclusie In het plangebied is geen sprake van een archeologische verwachtingswaarde, uitgezonderd een klein gedeelte aan de zuidzijde, waar geen bebouwing of verharding is gepland. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Vanuit archeologie bestaan er geen belemmeringen voor het plan. Dit neemt echter niet weg dat, mocht men bij de uitvoering van werkzaamheden stuiten op archeologische sporen en/of resten, dit moet worden gemeld bij de bevoegde overheid, zijnde de gemeente Maasgouw.

4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

Hoofdstuk 4

43

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Limburg sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.11.2 Conclusie Er bevinden zich in het besluitgebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten of overige cultuurhistorische waarden waarop de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben. Opmerking verdient dat het plangebied even buiten de contour van het historische stadje is gelegen. De wallen bevonden zich even verderop, achter de Panheelderbeek, aan de Kloosterstraat. De straatwand aan de Kloosterstraat is (door o.a. het overdekt zwembad) niet meer authentiek, echter er bevinden zich hier nog in het oog lopende (monumentale) panden.

Derhalve is getracht respect te betonen voor de zichtlijnen op de historische contour en ook in stedenbouwkundig opzicht (wat de situering van de nieuwe gebouwen betreft) respect te betonen voor de aloude contour van Wessem, die nog goed herkenbaar is in het oude stratenplan. Er zijn gezien het bovenstaande geen belemmeringen op het gebied van cultuurhistorie.

4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Van belang is of het project staat benoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.

Indien de activiteit voorkomt in tabel C, is het maken van een milieueffectrapportage verplicht. Indien de activiteit voorkomt in tabel D moet worden beoordeeld of het maken van een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het oprichten van een gebouw ten behoeve van de huisvesting van verenigingen staat niet benoemd in tabel C of D. Wel staat in tabel D onderdeel 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Hoewel het

Hoofdstuk 4

44

voorliggende plan onder de aldaar genoemde drempelwaarden blijft, kan toch sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is derhalve noodzakelijk. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.

Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 19.000 m². Het project richt zich op de realisatie van maatschappelijke accommodaties, op een inbreidingslocatie aan de rand van de kern van Wessem.

Cumulatie met andere projecten

Nee.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Hoofdstuk 4

45

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Verontreiniging en hinder

De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.2): Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Geur (zie ook paragraaf 4.5): Het betreft een stedelijke locatie, veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.1): Het project leidt niet tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen die tot hinder voor de omgeving kunnen leiden.

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.

Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie zijn de gronden bestemd ten behoeve van ‘Sport’. In de huidige situatie is sprake van een park, parkeerplaatsen en een trapveldje, met de bestaande sporthal en het jeugdhuis.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het

N.v.t.

regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Zie ook paragraaf ‘Ecologie’. Wel is het plangebied deels

den, reservaten en natuurparken,

gelegen binnen de Goudgroene zone, op grond van de Omgevingsverordening van

Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

de provincie Limburg. Het plan is niet van negatieve invloed op de kernwaarden.

gebieden waarin bij communau-

Nee.

taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

landschappen van historisch, cul-

Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.12): binnen het plangebied en de directe omge-

tureel of archeologisch belang

ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie ook paragraaf 4.11): het archeologisch belang is door middel van een archeologisch toetsing en dubbelbestemming betrokken in het plan.

Hoofdstuk 4

46

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf ‘Ecologie’.

Watergebied van internationale beteke-

Nee.

nis Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt deels binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie paragraaf

(voormalige EHS)

‘Ecologie’.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.

Waterwinlocaties. waterwingebieden,

Nee, zie paragraaf ‘Water’.

en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.

Belvedere-gebied

Nee.

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

N.v.t.

zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het

Nee.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is echter geen sprake.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals

van het effect

echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; geen sprake is van een wezenlijk invloed op het milieu, die het opstellen van een milieueffectrapportage noodzakelijk maakt. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Volstaan kan worden met de eerdere analyses van de effecten op de milieuaspecten zoals opgenomen in de voorgaande paragrafen.

Hoofdstuk 4

47

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het onderliggende bestemmingsplan ‘Kern Wessem’ van de gemeente Maasgouw. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Maasgouw nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=851420c2-7b0b-436a-aade-7a4b7ffa2e13