CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en Regels BP (incl. ambtelijke wijzigingen v2)

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding15.369 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een EWP is in de maak en wordt in het bestek verwerkt; de aannemer wordt verplicht volgens dit protocol te werken. Het EWP is van toepassing op de soortgroepen algemene broedvogels en vleermuizen. Ook worden de randvoorwaarden uit de quickscan opgenomen in het EWP. Zorgplicht Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. (artikel 1.11 Wnb). Minst kwetsbare periode Een groot deel van eventuele schade aan de mogelijk aanwezige soorten is te voorkomen door buiten de kwetsbare periode van deze soorten te werken, dat wil zeggen buiten de voortplantingsperiode en de overwinteringsperiode. Voor deze periode zijn alleen richtdata te 30/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

geven omdat deze sterk worden beïnvloed door de weersomstandigheden. Als richtlijn kan worden aangehouden dat de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode september tot en met oktober. Als het plangebied in deze periode ongeschikt is gemaakt als overwinteringsbiotoop van amfibieën en broed biotoop van algemene broedvogels kunnen de werkzaamheden ook buiten deze periode worden uitgevoerd. Bescherming bomen en struweel Tijdens de werkzaamheden moeten bomen en struweel nabij het tracé voldoende worden beschermd door middel van een afzetting. Op deze manier wordt voorkomen dat het plangebied na afloop van de werkzaamheden minder geschikt is voor beschermde soorten door een afname van schuil mogelijkheden. Alleen binnen werkterrein De werkzaamheden moeten zich beperken tot het aangewezen werkterrein. Het stallen van materiaal en materieel is ook alleen binnen het werkterrein toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat het omliggende gebied verstoord wordt. Terreinen waar een verbod tot betreding geldt, moeten zichtbaar worden gemarkeerd om aan te geven dat betreding niet is toegestaan. Vleermuizen Om de mogelijk aanwezige, foeragerende en langs vliegende vleermuizen niet te verstoren mag in de periode april tot en met november enkel tussen zonsopkomst en –ondergang worden gewerkt.

Algemene broedvogels (ook jaarrond beschermde soorten) Voor algemene broedvogels geldt dat de eventueel in gebruik zijnde broedlocaties/nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. Verstoring van deze nesten is niet toegestaan en er is ook geen ontheffing mogelijk. Door buiten het broedseizoen te werken, kunnen negatieve worden effecten worden voorkomen. Het broedseizoen is een globale periode (doorgaans tussen 15 maart en 15 augustus), ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, moet op tijd worden gestart met het nemen van voorzorgsmaatregelen zodat voorkómen kan worden dat vogels binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden tot broeden komen. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is het kort maaien (en houden) van de vegetatie. Daarnaast moet een ter zake kundige voorafgaande aan de start van de werkzaamheden controleren of broedgevallen aanwezig zijn en te beoordelen of mogelijk aanwezige broedgevallen door de werkzaamheden verstoord kunnen worden. Er is nader onderzoek nodig naar enkele soorten ( eekhoorn, bunzing, hermelijn, jaarrond beschermde vogels en vleermuizen). Het mogelijk voorkomen van beschermende soorten is niet op voorhand een belemmering voor de voortgang van de bestemmingswijziging .

Als in het nader onderzoek wordt vastgesteld dat beschermde soorten in het plangebied voorkomen is het op voorhand aannemelijk dat ontheffing kan worden verkregen in het kader van dwingende redenen voor groot openbaar belang. Conclusie Onder de voorwaarden die in het Ecologische Werkprotocol worden opgenomen, leiden de werkzaamheden niet tot een verstoring van beschermde soorten. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbeschemring is niet aan de orde en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit punt is verzekerd.

31/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

5.8

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de omvang van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico worden als volgt omschreven: 

Plaatsgebonden risico: Risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is (uitgedrukt in 'grenswaarde'); Groepsrisico: Cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding (uitgedrukt in 'oriëntatiewaarde').

Op grond van het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb), dat ziet op transportleidingen voor gevaarlijke stoffen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, is een kwantitatieve risicoanalyse (verder: QRA) uitgevoerd (zie Bijlage 10 Risicoanalyse leiding) voor de nieuwe leiding met een diameter van 10 inch, bestemd voor het transport van K2 en K3 vloeibare aardolieproducten. Deze analyse gaat over het gehele tracé van de leiding, dus ook voor zover gelegen buiten het grondgebied van de gemeente Maasdriel. De QRA is nodig om te kunnen bepalen of leidingen voldoen aan de externe veiligheidseisen uit het Bevb. De QRA wordt gebruikt om beslissingen te nemen over de aanvaardbaarheid van risico's in relatie tot onder andere het leidingtracégebied van de transportleiding. De resultaten van de kwantitatieve risicoanalyse zijn getoetst aan de vastgestelde grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (artikel 11 Bevb) en een oriëntatiewaarde (ORW) voor het groepsrisico (artikel 12 Bevb). Plaatsgebonden risico (artikel 11 Bevb) Uit de QRA blijkt dat er geen 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Dit betekent dat er niet hoeft te worden gekeken naar mogelijke kwetsbare objecten binnen de PR-10-6 en wordt voldaan aan artikel 11, eerste lid Bevb, in relatie tot het voorliggende bestemmingsplan.

Groepsrisico (artikel 12 Bevb) Het groepsrisico is berekend op basis van de maatgevende kilometer van het tracé (het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar). Het aantal fatale slachtoffers tijdens dag en/of nacht is lager dan 10. In deze berekening is rekening gehouden met geprojecteerde kwetsbare objecten binnen de invloed van het nieuwe tracé. In onderstaande figuur is het berekeningsresultaat weergegeven, afgezet tegen de 'oriëntatiewaarde' (gele lijn):

32/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

: Figuur afbeelding berekening groepsrisico (bron: QRA d.d. 30-09-2020) Uit de berekening blijkt dat het groepsriscio ruim onder de 0,1 maal oriëntatiewaarde blijft. Deze zeer lage verhouding ten opzichte van de door de overheid acceptabel geachte oriëntatiewaarde wordt veroorzaakt door intrinsieke parameters zoals:  

De ligging en de omgeving van het nieuwe tracé van de leiding: het is grotendeels agrarisch gebied, zonder concentraties van woningen of personen; maatregelen in het ontwerp en de werking van de leiding, zoals gronddekking en automatisch bediende afsluiters.

Bij een dergelijke waarde van het groepsrisico is volgens artikel 12 Bevb slechts een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig, en wel op de volgende punten:  

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.

Verantwoording groepsriscio  Risico Het risico bestaat dat bij graafwerkzaamheden een breuk in de leiding ontstaat. Hierdoor stroomt vloeistof uit de leiding en wordt deze ontstoken, waardoor een zogenaamde 'plasbrand' ontstaat. Een plasbrand is zichtbaar en hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor eventuele aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen goed worden ingeschat: zij moeten het gebied, afgeschermd van hittestraling, ontvluchten. Aanwezigen binnen de 35 meter van de plasbrand hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de grote hittestraling (Scenarioboek Externe Veiligheid).  Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron, om zichzelf in veiligheid te brengen in het geval van een ramp of een zwaar ongeval . Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is bepalend voor de 33/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval.  Zelfredzaam vermogen In de nabijheid van de nieuwe leiding zijn geen objecten voorzien, waarbij sprake is van langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen (zoals kleine kinderen, zieken en ouderen). De (toekomstige) gebruikers in de plangebieden vormen een gemiddelde bevolkingsgroep uit de samenleving, die als zelfredzaam worden beschouwd.  Ontvluchtingsmogelijkheden In de gebieden die deze leiding doorkruist bevinden zich diverse doorgaande regionale wegen. De plannen bieden daarmee voldoende vluchtwegen.  Informatie- en alarmeringsmogelijkheiden Het bevoegd gezag dient burgers, die binnen het invloedsgebied wonend of werkzaam zijn, te informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit. Belangrijk is om na te gaan wat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn om slachtoffers bij de diverse scenario's te voorkomen en om na te gaan of het gebied zodanig ingericht is dat de zelfredzaamheid wordt bevorderd. Het is van belang dat duidelijk is waarheen gevlucht moet worden. Er moeten vluchtroutes zijn van de risicobronnen af. Met NL-Alert kan de overheid mensen in het rampgebied en in de directe omgeving van een (dreigende) noodsituatie met een tekstbericht informeren via de eigen mobiele telefoon.

Hierdoor is een snelle alarmering op de locatie mogelijk.  Constructiemaatregelen Een goede bouwkundige constructie kan extra bescherming bieden tegen de hittestraling. Verder kan de kans op secundaire branden hiermee beperkt worden. De meeste bebouwing in de omgeving van de nieuwe leiding ligt op grote afstand (> 90m) van de leiding. Ten oosten van de bebouwde kom Bokhoven ligt de leiding onder een sportveld . De meest nabij gelegen woning bevindt zich op 30 m afstand van het tracé. De leiding ligt daar op een diepte van 15 à 20 m. De kans op een calamiteit (plasbrand) op deze locatie is nihil. Ten oosten van Vlijmen wordt de bebouwde kom gepasseerd met een horizontaal gestuurde boring, waarbij de leiding op een diepte van circa 15 à 20 m ligt. Ook in dit geval is de kans op een calamiteit aldaar nihil.  Verzamelplaatsen Het inrichten van gebieden als verzamelplaats op het scenario plasbrand is in dit geval niet relevant, gezien de zeer geringe bebouwingsdichtheid.  Mogelijkheden van de hulpverlening Bij hulpverlening gaat het zowel om de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval, als om het beperken van de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De hulpverlening is in staat gedurende het eerste uren van een calamiteit de bestrijding in te zetten en de gewonden af te voeren naar de twee regionale ziekenhuizen Jeroen Bosch (locatie 's-Hertogenbosch of locatie Drunen). Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun taken.  Bereikbaarheid Het leidingtracé is bereikbaar via diverse regionale doorgaande wegen. In de nabijheid van het tracé zijn twee brandweerkazernes, te weten Brandweerlocatie Brabant-Noord, Vogelstraat 45 in 's-Hertogenbosch en Brandweerlocatie Kazerne Drunen, Burgemeester Zwaansweg in Drunen. Op basis van routeplanners zal de brandweer na melding maximaal 15 minuten nodig hebben om de locatie van een calamiteit in de leiding te bereiken. De leiding doorkruist agrarische percelen. Het kan daarom lastig zijn om een calamiteit direct te benaderen, omdat velden doorkruist moeten worden, de wegverharding niet toereikend, afmetingen van de weg niet geschikt zijn voor brandweervoertuigen) of om een geschikte opstelplaats nabij het object te creëren (i.v.m. zetting grond, of een te slappe ondergrond). 

Bluswatervoorzieningen

34/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

De leiding bevindt zich in het buitengebied van 's-Hertogenbosch. Gezien de aard van het gebied wordt verondersteld dat de brandweer niet overal in het plangebied snel kan beschikken over voldoende bluswater uit zowel primaire (brandkranen) of secundaire (open water) bluswatervoorzieningen om een plasbrand te blussen. Woningen zijn echter gelegen op grote afstand van de leiding. Voor bestaande overige gebouwen en bouwwerken in het buitengebied is het daarom ons inziens niet noodzakelijk dat aparte bluswatervoorzieningen worden aangelegd. Het tracé doorkruist twee percelen die als beperkt kwetsbaar worden aangemerkt, te weten een sportveld in de gemeente Bokhoven en een toekomstige (natuur)camping aan het Engelermeer te 's-Hertogenbosch. Beide percelen liggen in de onmiddellijke nabijheid van open water (de Maas, respectievelijk het Engelermeer) waarvan bij de eventuele bestrijding mogelijk gebruik gemaakt kan worden. Er is geen opstelplaats voor de brandweer aanwezig, dus in de praktijk kan de brandweer beslissen geen gebruik te maken van dit open water. De leiding ligt op deze beide locaties diep (horizontaal gestuurde boringen), waardoor het risico op een plasbrand nihil is.  Bronbestrijding De brandweer heeft geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding van een plasbrand uit deze leiding, de beheerder van de buisleiding moet de toevoer afsluiten.

In de leiding zijn op diverse locaties afsluiterputten aanwezig met automatisch bedienbare afsluiters, waarbij de inbloklengte minder dan 10 kilometer bedraagt. Bij het automatisch inblokken (bijvoorbeeld bij constatering dat de nominale werkdruk afwijkt van de standaard, zoals dit bij een breuk in de leiding voorkomt) gebeurt het inblokken direct. Eventuele secundaire branden, die ontstaan zijn doordat het vuur is overgeslagen, zijn wel te bestrijden. Bebouwing rondom deze leiding staat echter op grote afstand.  Restrisico De beschouwde risicobron (plasbrand) is een lokaal faalscenario, dat overal langs de route zou kunnen optreden, zij het dat de leiding in een groot deel van het tracé op een grote diepte ligt wat het risico verder beperkt. De omvang van de plasbrand (de plasbrand zelf inclusief de zone rondom met een warmtestralingsniveau van 10 kW/m2) kan oplopen tot een diameter van circa 2 x 25 m. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van een dergelijke calamiteit mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar is door de hulpverleningsdiensten. Ondanks het geringe afgeleide (groeps-)risico en de reducties van het risico door de genoemde maatregelen is er altijd sprake van een restrisico. Het bevoegd gezag acht dit acceptabel.

Advies veiligheidsregio De veiligheidsregio is formeel om advies gevraagd, zoals voorgeschreven in artikel 12 van het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. Het advies is als bijlage 11 bij deze toelichting gevoegd. De veiligheidsregio wijst op het juiste adres van de brandweerkazerne en dat het, in tegenstelling tot wat in de QRA staat, niet mogelijk is om gebruik te maken van open water in de nabijheid. Daarvoor zou een opstelplaats voor de brandweer moeten worden aangelegd. Voor het overige onderschrijft de Veiligheidsregio de conclusies uit de QRA. Belemmeringenstrook (artikel 14 Bevb) Conform de bepalingen van het Besluit externe veiligheid buisleidingen is aan beide zijden van de nieuwe leiding een belemmeringenstrook van 5 meter opgenomen. Binnen deze gronden geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten. Deze vergunningplicht geldt niet voor het aanleggen van de nieuwe leiding en het normale onderhoud van deze leiding, mede op basis van de resultaten van de QRA voor deze specifieke leiding. Bij het ontwerp en de werking van de leiding is aandacht besteed aan een veilige werking van de leiding voor mens en milieu. De leiding wordt zo veel mogelijk via een gestuurde boring aangelegd, op relatief grote diepte, waardoor risico's voor mens en milieu worden beperkt door de mate van gronddekking.

Verder zijn de afsluiterputten automatisch te bedienen, waardoor in geval van een calamiteit van afstand maatregelen kunnen worden genomen om 35/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

risico's te beperken. Het DPO-beleid is vastgelegd en geborgd met een geïntegreerd managementsysteem op basis van:  ISO 14001 (Milieumanagement)  ISO 45001 (ARBO-management)  NEN 3655 (Veiligheidsbeheerssysteem buisleiding)  IS017025 (Laboratoriumtesten). Verder hanteert DPO een risicomanagementsysteem, dat onderdeel uitmaakt vna het integrale managementsysteem om de beheersing van risico's zo goed mogelijk uit te voeren en incidenten met gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Voor nadere uitwerking wordt verwezen naar de overige inhoud van deze paragraaf en de QRA in Bijlage 10 Risicoanalyse leiding. Conclusie De nieuwe leiding voldoet aan de eisen van het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. Er is een beperkte verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd; Bij een calamiteit bij deze leiding is er een risico op een plasbrand. Een dergelijke plasbrand kan leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken, echter de route van de leiding is zodanig gekozen dat bebouwing in de onmiddellijke nabijheid van de leiding niet aanwezig is of de leidingdekking zodanig diep is dat de kans op rest- of groepsrisico zeer gering is. De in dit rapport genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die voor de hulpverleningsdiensten beter beheersbaar worden geacht.

Ondanks het geringe risico en de eventuele reducties blijft er altijd sprake van een restrisico. Het bevoegd gezag acht het restrisico acceptabel. 5.9

Kabels en leidingen

Ter oriëntatie zijn er KLIC-oriëntatie meldingen uitgevoerd, met de referenties 18O027119 en 18O027118. De volgende raakpunten voor de aanleg van de nieuwe defensieleiding zijn hierbij geïdentificeerd: Parallel aan de Baronesse van Egmondweg bevinden zich data kabels van verschillende beheerders, een drukriool van de gemeente Den Bosch en een voorziening van het waterschap AA en Maas;  Langs de Bokhovense Maasdijk bevinden zich diverse nutsvoorzieningen die door de aanlegmethode van de nieuwe leiding op grote diepte (-25 meter onder maaiveld) geen risicovormen.  Parallel aan de Harenseweg bevindt zich een riool onderdruk van het waterschap Rivierenland. Voor de engineering worden de kritieke kabels en leidingen van derden de exacte ligging nog geverifieerd door het graven proefsleuven. De resultaten worden verwerkt op de constructietekeningen. De aannemer zal voorafgaand aan de uitvoerende werkzaamheden nog een KLIC graafmelding verrichten. 

Conclusie De aanwezigheid van kabels en leidingen is bekend en hiermee zal voldoende rekening worden gehouden bij de uitvoering van de werkzaamheden.

36/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 6 Juridisch bestuurlijke aspecten 6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de regels toegelicht. De regels geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er eventueel gebouwd mag worden. Dit bestemmingsplan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de leiding aan te leggen op het nieuwe tracé, en verwijdert de planologische regeling voor de huidige lieiding. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een dubbelbestemming en een gebiedsaanduiding (zie paragraaf 6.2). De onderliggende bestemmingen en aanduidingen uit de geldende bestemmingsplannen blijven onverkort van toepassing. Verbeelding Op de verbeelding is ligging van de nieuwe leiding weergegeven met aan weerszijden de bijbehorende belemmeringenstrook. Dit deel van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - brandstof'. Daarnaast is een gebiedsaanduiding 'Overige zone Leiding buiten gebruik' opgenomen, op het deel van het plangebied waar de bestaande leidingen worden verwijderd of onklaar gemaakt. In de bepaling Van toepassingverklaring bestemmingsplannen die voor het gehele plangebied geldt, is vastgelegd dat de planregels van geldende ruimtelijke plannen onverkort van toepassing blijven, met uitzondering van de omgevingsvergunningplicht voor het aanleggen van de nieuwe leiding. 6.2

Opzet van de regels

In deze paragraaf wordt ingegaan op de opzet van de planregels. De regels van het bestemmingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken:  Hoofdstuk 1. Inleidende regels  Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels  Hoofdstuk 3. Algemene regels  Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Het bestemmingsplan omvat de dubbelbestemming 'Leiding - brandstof' en de aanduiding 'Leiding - buiten gebruik'. Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt, voor zo ver nodig, een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, die verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Hoofdstuk 2 bestemmingsbepalingen Artikel 3 Leiding - brandstof De gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - brandstof' zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse brandstofleiding (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken. Op deze gronden mogen in principe uitsluitend bouwwerken ten dienste van de leidingen worden gebouwd.

Er mogen alleen bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de overige daar voorkomende bestemming(en), als de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de verantwoordelijke leidingbeheerder. Voor de overige bestemmingen en aanduidingen zijn en blijven de onderliggende bestemmingsplannen onverkort van toepassing (zie artikel 6). In lid 2 is een voorrangsbepaling opgenomen. Vanwege het grote belang voor de veiligheid 37/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

gaat de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof' vóór alle andere bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen. Op deze manier wordt de veilige werking gewaarborgd. Paragraaf 3 Algemene regels In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling en de algemene aanduidingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan. Artikel 4 Algemene aanduidingsregels artikel 4.1 Overige zone - Leiding buiten gebruik In deze regel is bepaald dat de dubbelbestemmingen voor de bestaande leiding, voor zo ver gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2016', waarvoor de aanduiding 'overige zone - leiding buiten gebruik' is opgenomen, komen te vervallen, binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan of zoveel eerder als de leidingbeheerder aangeeft dat de bestaande leiding buiten gebruik is gesteld. Omdat de leiding pas buiten gebruik wordt gesteld, op het moment dat de nieuwe leiding in gebruik is, moet schade of gevaar in die periode worden voorkomen. Daarom is nog een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld aan de gronden met de genoemde aanduiding, gedurende twee jaar na het onherroepelijk worden of zo veel eerder als de leidingbeheerder formeel aangeeft dat de leiding niet meer in gebruik is.

Artikel 5 Algemene gebruiksregels In artikel 5.1I is opgenomen dat de aanlegwerkzaamheden niet mogen leiden tot een toename van stikstofdepositie. Hierbij is een koppeling gemaakt met Àeriusbijlagen die aan het besluit op grond van de Wet natuurbescherming zijn gehecht, evenals de uitgangspunten voor de maximale emissie enz.. Wanneer aan de voorwaarden van de vergunning (of een later voor dezelfde activiteiten verleende vergunning) wordt voldaan ontstaat geen verdere toename van de stikstofdepositie en kan het bestemmingsplan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming worden vastgesteld. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar. Artikel 6 Van toepassingverklaring bestemmingsplannen In deze regels worden de onderliggende bestemmings- en inpassingsplannen van toepassing verklaard. Deze regels gelden naast de dubbelbestemming 'Leiding - brandstoff'. De dubbelbestemming heeft voorrang op overige bepalingen, zie de toelichting bij artikel 3. Paragraaf 4 Overgangs- en slotbepalingen In deze paragraaf zijn tot slot de algemene, overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.

38/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan als sprake is van bouwplannen, aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan als: • het verhaal van de kosten van de grondexploitatie op een andere manier is verzekerd; • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen, het inrichten van de openbare ruimte en woningbouwcategorieën niet noodzakelijk is. Het bestemmingsplan voorziet niet in de realisering van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1van het Bro. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt dat de economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet worden onderzocht. In dit geval levert het onderzoek het volgende op. De risico's verbonden aan de realisering van het project liggen bij de initiatiefnemende partij. Dit wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. Ter beperking van eventuele risico's, waaronder planschade, voor de gemeente wordt in deze overeenkomst bovendien een garantiestelling opgenomen. De economische uitvoerbaarheid is verzekerd.

39/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg 8.1

Vooroverleg en participatie

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan formeel toegezonden aan de betrokken instanties, zoals de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas. In het voortraject, dat al in 2018 is gestart, zijn verschillende overleggen geweest met zowel betrokken overheden als andere belanghebbenden in het gebied, zoals eigenaren en pachters. Op 16 januari 2018 is een startoverleg gehouden in het gemeentehuis van Maasdriel, over het tracévoorstel dat destijds aan de orde was, Ammerzoden - Bokhoven. Bij dit overleg waren medewerkers aanwezig van:     

gemeente 's Hertogenbosch; Waterschap AA en Maas; Waterscha Rivierenland; Rijkswaterstaat; Gemeente Maasdriel.

Later is het tracé uitgebreid met het gedeelte Bokhoven - Vlijmen. In dat kader heeft op 17 december 2018 opnieuw een overleg plaatsgevonden met dezelfde overheden als hiervoor weergegeven, uitgebreid met de gemeente Heusden en de provincie Noord-Brabant. Op 18 februari 2019 heeft een apart overleg plaatsgevonden met het Waterschap Aa en Maas, over mogelijke samenloop tussen de DPO-leiding en de gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat, meer specifiek het project HoWaBo (Hoog Wateraanpak 's-Hertogenbosch). Dit overleg is op 18 april 2019 vervolgd, met een toelichtig op het voorkeurstracé van DPO en de wijze van kruisen van een watergang en regionale waterkering. Op 13 december 2019 heeft een overleg plaatsgevonden met alleen Rijkswaterstaat over de mogelijke samenloop tussen de DPO-leiding en mogelijke rivierverruiming en KRW-maatregelen (Europese Kaderrichtlijn Water) Van alle overleggen zijn verslagen gemaakt. Deze zijn, geanonimiseerd, opgenomen in bijlage 12 bij deze toelichting. De verschillende eigenaren, pachters en andere direct belanghebbenden zijn in de periode 2018 tot nu verschillende keren benaderd voor overleg over een overeenkomst en/of schadevergoeding of anderszins. Daar waar dat aan de orde is, zijn overeenkomsten gesloten (deze zijn niet openbaar).

In het kader van de m.e.r.-procedure is het voornemen om een milieueffectrapport te maken met de Nota reikwijdte en detailniveau ter inzage gelegd en aan de betrokken bestuursorganen toegezonden. Naar aanleiding hiervan is één zienswijze ontvangen (zie ook paragraaf 5.1). 8.2

Ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan is met het uiteindelijke Milieueffectrapport gedurende 6 weken ter inzage gelegd. De bestemmingsplannen voor de gemeenten Maasdriel en Heusden en het provinciaal Inpassingsplan van de provincie Gelderland zijn, afhankelijk van de daar gebruikelijk publicatiedatum van de bekendmaking, min of meer gelijktijdig ter inzage gelegd.

40/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Rijkswaterstaat heeft een zienswijze ingediend bij de provincie Gelderland op het ontwerp inpassingsplan DPO leiding Bommelerwaard. Dit gebied ligt binnen het grondgebied van de gemeente Maasdriel. In bijlage 15 is de zienswijze samengevat en voorzien van een reactie. De zienswijze leidt tot een ambtelijke wijziging in de toelichting van dit bestemmingsplan in paragraaf 5.5. In deze paragraaf is een aanvulling opgenomen met betrekking tot de Barro reservering. De zienswijze heeft geen invloed op de aanleg en de ligging van de buisleiding.

41/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlagen bij de toelichting

42/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 1 Tracéstudie

43/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 2 Milieueffectrapport (zonder bijlagen)

44/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 3 Overzicht tracé

45/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 4 Archeologisch rapport

46/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 5 Onderzoek niet gesprongen explosieven

47/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 6 quick scan en nader onderzoek ecologie

48/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 7 Voortoets Wet natuurbescherming

49/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 8 Nota reikwijdte en detailniveau

50/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 9 Bodemonderzoek

51/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 10

Risicoanalyse leiding

52/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 11

Advies Veiligheidsregio

53/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 12

Verslag vooroverleg

54/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 13

Advies commissie m.e.r.

55/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 14

Addendum planMER

56/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 15 Nota van zienswijzen behorende bij het Prov. Inpassingsplan DPO Bommelerwaard

57/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Regels

58/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan Het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding met identificatienummer NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 van de gemeente Maasdriel. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.6 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.7 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.8 bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.9 brandstofleiding Een ondergrondse leiding met een diameter van 10 inch en een maximale druk van 96 bar, voor het transport van brandstoffen, in de vorm van K2/K3 vloeibare aardolieproducten, met de daarbij horende voorzieningen, zoals afsluiters en vloeistofvangers, en de daarbij horende belemmeringenstroken. 1.10 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.11 K2 en K3 vloeibare aardolieproducten K2 vloeibare aardolieproducten: waarbij de brandbare vloeistof (klasse 2) een vlampunt heeft gelijk aan of boven 294 K (21° C) en ten hoogste 328 K (55° C), volgens de Handleiding Risicoberekeningen Besluit externe veiligheid buisleidingen, RIVM, versie 2.0, 1 juli 2014; K3 vloeibare aardolieproducten: waarbij de brandbare vloeistof (klasse 3) een vlampunt heeft boven de 328 K (55° C) en ten hoogste 373 K (100° C), volgens de Handleiding Risicoberekeningen Besluit externe veiligheid buisleidingen, RIVM, versie 2.0, 1 juli 2014. 1.12 normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming. 1.13 overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

59/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

1.14 pand De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.15 peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: 10 cm boven de hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein ter hoogte van de hoofdingang, waarbij, plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

60/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Artikel 2

Wijze van meten

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 Oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

61/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3

Leiding - brandstof

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - brandstof' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en bescherming van een ondergrondse brandstofleiding als bedoeld in in 1.9 en 1.11. 3.2 Voorrangsbepaling De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming of dubbelbestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. 3.3 Bouwregels Op of in de in 3.1 bedoelde gronden mogen, in afwijking van de regels voor de onderliggende bestemmingen, geen bouwwerken worden opgericht, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de in 3.1 genoemde leiding, tot een maximale bouwhoogte van 1,5 m en een maximale oppervlakte van 50 m2. 3.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3, voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en), waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de veilige ligging en continuïteit van de brandstofleiding moet zijn gewaarborgd; b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies heeft ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - brandstof zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk het a. afgraven, ophogen, en egaliseren van gronden; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het bebossen van gronden; c. het aanleggen en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen dan andere oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen van geluidswallen; e. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren al dan niet in combinatie met het verlagen of verhogen van het waterpeil. 3.5.2 Uitzonderingen op de omgevingsvergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 3.5.1 is vereist voor werken en werkzaamheden: a. nodig voor uitsluitend het aanleggen van de nieuwe brandstofleiding, zoals beschreven in de artikelen 1.9 en 1.11 en weergegeven op de tekening in bijlage 1 bij deze regels.; b. die al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. die het normale beheer en onderhoud aan de leiding en belemmeringenstrook of de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen; d. die graafwerkzaamheden omvatten als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; e.

die mogen worden uitgevoerd op basis van een al verleende vergunning. 62/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

3.5.3 Voorwaarden aan omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veilige ligging en continuïteit van de brandstofleiding. Voordat wordt beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 3.5.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder (Defensie Pijpleiding Organisatie).

63/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 4

Algemene aanduidingsregels

4.1 Overige zone - Leiding buiten gebruik Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - Leiding buiten gebruik', vervallen, uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of zoveel eerder als de leidingbeheerder heeft verklaard dat de brandstofleiding buiten gebruik is gesteld, de regels van de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof' uit het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016 (https://www.ruimtelijkeplannen.nl/?planidn=NL.IMRO.0263.BP1134-VG01).

4.2

Specifieke gebruiksregels a. het is verboden om op of in de gronden met de gebiedsaanduiding 'Overige zone Leiding buiten gebruik' een ondergrondse brandstofleiding in gebruik te hebben, nadat de nieuwe brandstofleiding als bedoeld in de artikelen 1.9 en 1.11 in gebruik is genomen. b. Binnen maximaal één jaar na het vervallen van de dubbelbestemmingen, zoals bepaald in artikel 4.1, moet de leiding ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Overige zone - Leiding buiten gebruik zijn verwijderd, wat betekent dat alle leidingen en bijbehorende bouwwerken en werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde en werkzaamheden, moeten zijn verwijderd en de grond uitsluitend gebruikt wordt en in gebruik blijft volgens de onderliggende bestemmingen. c. in afwijking van het bepaalde onder b wordt de leiding ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Overige zone - Leiding buiten gebruik' op een veilige en milieyhygiënische wijze onklaar gemaakt, als het verwijderen van de leiding fysiek niet mogelijk is.

64/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Artikel 5

Algemene gebruiksregels

5.1 Stikstofdepositie De aanleg van de nieuwe brandstofleiding, zoals beschreven in de artikelen 1.9 en 1.11 en weergegeven op de tekening in bijlage 1 bij deze regels, is uitsluitend toegestaan als wordt gewerkt in overeenstemming met de uitgangspunten in de Aeriusbijlage bij `het besluit op grond van de Wet natuurbescherming van februari 2021, dat als bijlage 2 bij deze regels is gevoegd, dan wel een latere voor dezelfde activiteiten verleende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming.

65/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Artikel 6

Van toepassingverklaring bestemmingsplannen

Op de gronden met de dubbelbestemming Leiding - brandstof, voor zo ver gelegen binnen het vigerende ruimtelijke plan bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016 met identificatienummer NL.IMRO.0263.BP1134-VG01 (https://www.ruimtelijkeplannen.nl/?planidn=NL.IMRO.0263.BP1134-VG01), zijn de regels van dat plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 onverkort van toepassing.

66/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 7

Overgangsrecht

7.1

Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

7.2

Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

67/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Artikel 8

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding'.

68/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10147408/1