CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en Regels BP (incl. ambtelijke wijzigingen v2)

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding15.369 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding

Inhoudsopgave Bijlagen bij de regels

5

Bijlage 1 Bijlage 2

6 7

Tekening nieuwe brandstofleiding Besluit Ministerie LNV Wet natuurbescherming

Toelichting Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8

8 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied gemeente Ammerzoden 1.3 Geldende ruimtelijke plannen 1.4 Leeswijzer De huidige situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Ontwikkelingen in de omgeving Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Waterschap Rivierenland Planbeschrijving 4.1 Algemeen 4.2 Nut en noodzaak initiatief 4.3 Verwijderen bestaande leiding/ Buiten gebruik Milieu- en andere deelaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Archeologie 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Bodem 5.5 Water 5.6 Niet gesprongen explosieven 5.7 Ecologie 5.8 Externe veiligheid 5.9 Kabels en leidingen Juridisch bestuurlijke aspecten 6.1 Inleiding 6.2 Opzet van de regels Economische uitvoerbaarheid Inspraak en vooroverleg 8.1 Vooroverleg en participatie 8.2 Ontwerp bestemmingsplan

Bijlagen bij de toelichting 2/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

9 9 10 11 11 12 12 12 13 13 16 18 19 20 20 20 21 22 22 24 25 26 26 29 29 32 36 37 37 37 39 40 40 40 42

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15

Tracéstudie Milieueffectrapport (zonder bijlagen) Overzicht tracé Archeologisch rapport Onderzoek niet gesprongen explosieven quick scan en nader onderzoek ecologie Voortoets Wet natuurbescherming Nota reikwijdte en detailniveau Bodemonderzoek Risicoanalyse leiding Advies Veiligheidsregio Verslag vooroverleg Advies commissie m.e.r. Addendum planMER Nota van zienswijzen behorende bij het Prov. Inpassingsplan DPO Bommelerwaard

Regels Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58

Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Bestemmingsregels Artikel 3 Leiding - brandstof Algemene regels Artikel 4 Algemene aanduidingsregels Artikel 5 Algemene gebruiksregels Artikel 6 Van toepassingverklaring bestemmingsplannen Overgangs- en slotregels Artikel 7 Overgangsrecht Artikel 8 Slotregel

3/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

59 59 61 62 62 64 64 65 66 67 67 68

4/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlagen bij de regels

5/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 1 Tekening nieuwe brandstofleiding

6/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Bijlage 2 Besluit Ministerie LNV Wet natuurbescherming

7/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Toelichting

8/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) exploiteert verscheidene kerosine transportleidingen in Nederland die onderdeel uit maken van het NATO pijpleidingnetwerk. Het netwerk omvat onder andere de 6" P11 transportleiding, ook bekend als KB6, tussen de depots 5KLD (Klaphek) en 5BED (Best). De capaciteit van de bestaande KB6 (ø6"- 168 mm) leiding is te klein, waardoor op termijn het gehele leidingtracé zal worden vergroot naar een ø10" (273 mm) leiding. Vooruitlopend hierop zal in het tracé Ammerzoden – Vlijmen de bestaande 6" leiding worden vervangen door een nieuwe 10" leiding, inclusief het realiseren van een nieuwe kruising met de Maas. Deze is nodig in verband met de ondiepe ligging in de vaarwegen van Rijkswaterstaat, wat een risico oplevert. De Inspectie voor Leefomgeivng en Transport ziet toe op deze kwestie en wil dat deze ondiepe ligging uiterlijk medio 2021 is opgeheven. De nieuwe leiding komt deels buiten het bestaande leidingtracé te liggen. Het nieuwe tracé loopt vanaf de kern Ammerzoden (gemeente Maasdriel), via Bokhoven (gemeente 's-Hertogenbosch), naar Vlijmen (gemeente Heusden). Om het nieuwe tracé planologisch mogelijk te maken en de leiding na aanleg planologisch te beschermen wordt voor elk van deze gemeenten een nieuw bestemmingsplan gemaakt.

Van belang is dat een deel van het tracé het plangebied van Provinciaal Inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat kruist (gemeente 's-Hertogenbosch). Een bestemmingsplan voor dit deel mag pas worden vastgesteld als het Inpassingsplan onherroepelijk is. Dit is (op het moment van het schrijven van deze toelichting) nog niet het geval. Aan de zijde van de gemeente Maasdriel loopt het tracé over een lengte van 160 meter door het plangebied van het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) 'Bommelerwaard' van de provincie Gelderland. Voor dit gedeelte van het leidingtracé wordt een PIP gemaakt.

9/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

1.2

Ligging en begrenzing plangebied gemeente Ammerzoden

Afbeelding 1-1 Het oude tracé (lichtblauwe/roze lijn) en het nieuwe tracé (groene/blauwe lijn)

10/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Het nieuwe tracé komt ten oosten van de kern Bokhoven te liggen en volgt binnen het plangebied van de gemeente Maasdriel daarom een andere weg naar de Maas. Het tracé wordt hier deels aangelegd door middel van een open ontgraving (blauwe lijn) en deels via een boring (groene lijn), ter hoogte van de kruising met de waterkering en de Maas. Het tracé wordt zoveel mogelijk langs perceelsgrenzen gelegd en doorkruist geen woondoeleinden. Ten zuiden van Bokhoven sluit de leiding weer aan op het bestaande tracé. De oude leidingdelen worden, nadat de nieuwe leiding is aangelegd en aangesloten, buiten gebruik gesteld en zoveel mogelijk verwijderd. Op de kaart in figuur 1-1 is ook aangegeven, waar de oude leiding fysiek wordt verwijderd en waar deze door gevuld met bentoniet of dämmer en onklaar gemaakt. 1.3

Geldende ruimtelijke plannen

De percelen van het huidige en het toekomstige tracé van de leiding liggen in de volgende gemeentelijke ruimtelijke plannen:  

'Buitengebied herziening 2016', vastgesteld op 26 juni 2019; paraplubestemmingsplan parkeren 2018, vastgesteld op 6 juni 2018.

Een klein deel van het tracé loopt door het plangebied van de volgende provinciale inpassingsplannen, zonder daarin overigens positief te zijn bestemd:  

'inpassingsplan tuinbouw Bommelerwaard', vastgesteld 28 september 2016 door de provincie Gelderland. 'reparatie inpassingsplan tuinbouw Bommelerwaard', vastgesteld op 27 september 2017 door de Provincie Gelderland.

De gemeente Maasdriel is niet bevoegd om de bestemming van gronden in deze inpassingsplannen te wijzigen. Daarom wordt voor dit onderdeel van het tracé een provinciaal inpassingsplan gemaakt. 1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk twee wordt de huidige situatie weergegeven. In hoofdstuk drie komt het relevante beleidskader op verschillende niveaus aan de orde. Hoofdstuk vier beschrijft het plan. Hoofdstuk vijf bevat een onderbouwing van de haalbaarheid van de ontwikkeling in relatie tot verschillende sectorale aspecten. Hoofdstuk zes is de waterparagraaf. Hoofdstuk zeven bevat een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk acht en negen zien op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

11/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 2 De huidige situatie 2.1

Huidige situatie

Het gebied van het nieuwe tracé ligt ten zuidoosten van de kern Ammerzoden en ten zuidwesten en zuiden van het tuinbouwgebied Bommelerwaard. Het gebied is voornamelijk agrarisch in gebruik. De leiding doorkruist de waterkering, uiterwaarden, oevers en de rivier de Maas.

figuur 2-1 luchtfoto plangebied (www.ruimtelijkeplannen.nl) Omdat de leiding geheel ondergronds komt te liggen verandert er qua uiterlijk aanzien niet of nauwelijks iets aan de omgeving, met uitzondering van de afsluiterput die beperkt zichtbaar zal zijn. 2.2

Ontwikkelingen in de omgeving

In de omgeving van het plangebied zijn geen relevante ontwikkelingen aan de orde.

12/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De NOVI is op 15 september 2020 vastgesteld. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig.

Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik, en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moeten we zoveel mogelijk beperken. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair.

We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen.

13/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en – veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio’s en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Conclusie Het bestemmingsplan draagt bij aan het beleid geformuleerd in de omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. 14/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Conclusie Het bestemmingsplan draagt bij aan het nationaal belang van een hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Sinds 1 juli 2017 geldt een nieuwe laddersystematiek. De voormalige drie treden van de ladder zijn vervangen door twee eisen bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Deze worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling;  indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de nieuwe laddersystematiek. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. 

Een stedelijke ontwikkeling is een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Conclusie De aanleg van de DPO-Leiding is geen stedelijke ontwikkeling. de Laddertoets hoeft dan ook niet te worden doorlopen. 3.1.4 Besluit externe veiligheid buisleidingen (bevb) In Nederland ligt ongeveer 300.000 km buisleiding voor het transport van stoffen waaronder aardgas, brandstoffen, drinkwater en afvalwater. Hiervan is ruim 18.000 km buisleidingen bestemd voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is gericht op de buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen, omdat deze categorie een potentieel extern veiligheidsrisico met zich meebrengt. Het Bevb en de bijbehorende regeling zijn van toepassing op buisleidingen met een extern veiligheidsaspect, zoals hogedrukaardgasleidingen, brandstofleidingen categorieën K1, K2 en K3 en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 juli 2014 geldt de Regeling externe veiligheid buisleidingen ook voor het transport van andere chemische stoffen dan aardgas en aardolieproducten, waaronder stikstof. Het Bevb bevat regels voor het vastleggen van deze leidingen en haar externe veiligheidsaspecten in bestemmingsplannen.

Voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen, reeds bestaand of nieuw, geldt dat het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gemeenten verplicht deze leidingen op te nemen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding. Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt.

15/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan op het Bevb, in die zin dat een belemmeringenstrook aan weerszijden van de leiding is opgenomen. In paragraaf 5.8 wordt verder ingegaan op het aspect 'Externe veiligheid'. 3.1.5 Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 De Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 is vastgesteld op 12 oktober 2012. In deze visie is opgenomen hoe het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Hiermee wordt zeker gesteld dat ook de komende 20 à 30 jaar nieuwe doorgaande buisleidingverbindingen kunnen worden gerealiseerd ten behoeve van de levering van aardgas en het vervoer van grondstoffen en chemische stoffen aan en tussen haven- en industrieclusters in het binnenen buitenland. Anderzijds wordt hiermee duidelijkheid geboden aan zowel initiatiefnemers die buisleidingen wensen te realiseren als aan gemeenten, doordat buisleidingen van nationaal belang in een vooraf begrensde buisleidingenstrook dienen te worden aangelegd. In de Structuurvisie zijn tien uitgangspunten gehanteerd: 1. Creëren van optimale randvoorwaarden buisinfrastructuur; 2.

Zuinig gebruik van de ruimte; 3. Voorkomen van negatieve gevolgen voor de omgeving; 4. Alleen leidingen van (inter)nationaal belang; 5. Alleen leidingen voor gevaarlijke stoffen; 6. Alleen aanleg in aangegeven stroken; 7. Gebruik bestaande verbindingen met het buitenland; 8. Geen aankoop van gronden; 9. Geen aanleg van buisleidingen door het Rijk; 10. Aangewezen buisleidingstroken vrijwaren in bestemmingsplannen. Voor deze leidingen, reeds bestaand of nieuw, geldt dat het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gemeenten verplicht deze leidingen op te nemen in het bestemmingsplanmet een belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt (zie hiervoor paragraaf 5.8 Externe veiligheid). Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan bij de hierboven genoemde uitgangspunten. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland Provinciale Staten van Gelderland hebben op 19 decmeber 2019 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld, met als hoofdthema een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doet de provincie door zich bij het uitvoeren van taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van 7 onderwerpen geeft de provincie hier richting aan:      

energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat

16/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

 woon- en leefklimaat. Vanuit de Omgevingsvisie 2014 worden enkele belangrijke zaken voortgezet. Sinds de Omgevingsvisie 2014 zijn gebieden en functies aangewezen, die blijven voortbestaan onder deze nieuwe omgevingsvisie. Dit gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Zowel de bestaande leiding als de nieuwe leiding lopen door gronden met de aanduiding 'Groene ontwikkelingszone' en 'Gelders natuurnetwerk'.

figuur 3 - 1: uitsnede kaart GNN Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het Natuurnetwerk Nederland. De provincie beschermt de achttien Natura2000 gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. Het aanleggen van de leiding leidt niet tot enige effect: ter plaatse van het GNN wordt de leiding via een gestuurde boring aangelegd en ook in de gebruiksfase is er geen effect.

In paragraaf 5.7.1 wordt dit onderwerp verder uitgewerkt. Externe veiligheid De provincie richt zich op het wegnemen en voorkomen van risicovolle situaties. De provincie streeft bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen naar een maximale beperking van het groepsrisico. Hiervoor moet externe veiligheid vroeg in het proces worden meegewogen en worden betrokken bij de relevante beleidsvelden. In paragraaf '5.9' 'Kabels en leidingen' van deze toelichting wordt dit aspect behandeld. Ladder Duurzame ontwikkeling In het kader van een goede ruimtelijke ordening hanteert de provincie in de omgevingsvisie de zogenaamde duurzaamheidsladder, een processchema dat initiatieven met betrekking tot stedelijke functies, begeleidt naar een optimale locatiekeuze. De Gelderse ladder vloeit voor uit Besluit ruimtelijke verordening en is in de omgevingsvisie verbijzonderd. In hoofdstuk 4.2 van de toelichting wordt ingegaan op de nut en noodzaak van de verlegging 17/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

van de leiding, op de keuze voor het nieuwe tracé en op de wijze van uitvoering. Het verleggen van een DPO leiding voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder kan daarom ook achterwege blijven. Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan bij de hierboven genoemde uitgangspunten 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening (geonsolideerder versie d.d. 19 december 2018) richt zich, net als de Omgevingsvisie, op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Volgens artikel 2.39 van de Omgevingsverordening is een andere bestemming dan natuur binnen het Gelders natuurnetwerk op voorhand uitgesloten omdat dit per definitie leidt tot verlies van oppervlakte natuur. Van een ‘andere bestemming dan natuur’ is ook sprake als de planvoorschriften worden verruimd. Dit is in dit concrete geval aan de orde, omdat de aanleg van een nieuwe brandstofleiding mogelijk wordt gemaakt en deze planologisch wordt beschermd via een dubbelbestemming. In beginsel is een dergelijke nieuwe ontwikkeling dus niet mogelijk, tenzij aangetoond wordt dat er geen reële alternatieven zijn en dat het gaat om een groot openbaar belang.

Als aan beide criteria wordt voldaan, is de ontwikkeling mogelijk, onder de voorwaarde dat mitigatie en gelijkwaardige compensatie van de negatieve effecten plaatsvindt. Als voorbeeld van een groot openbaar belang wordt onder andere het transport van olie of gas genoemd. In dit geval vindt geen aantasting van het GNN plaats, omdat de leiding hier door middel van een ondergrondse boring wordt aangelegd. Conclusie De ontwikkeling past binnen de provinciale regels. 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Maasdriel Deze Structuurvisie (vastgesteld 20-10-2011) is een actualisatie van de gemeentelijke StructuurvisiePlus 2004-2015. De Structuurvisie moet fungeren als een document op hoofdlijnen, dat kaderstellend is voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Maasdriel. De Structuurvisie vertaalt de nieuwste beleidsmatige visies en uitgangspunten door in ruimtelijk beeld (het zogenaamde ‘ruimtelijk casco’), met bijbehorend uitvoeringsprogramma (het ‘projectenplan’). Het uiteindelijke, ruimtelijke beeld van de gemeente Maasdriel wordt de komende jaren ingevuld door het uitvoeren en uitwerken van tientallen projecten. Hierbij gaat het zowel om woningbouw (in alle segmenten en prijscategorieën) en ontwikkeling van bedrijventerreinen en glastuinbouwconcentratiegebieden, als om recreatieve initiatieven en landschaps- en natuurontwikkeling. Naast de verschillende plannen en projecten die al ‘op de plank liggen’, biedt de Structuurvisie ruim baan voor tal van nieuwe initiatieven, van particulier tot publiek en van individueel en op perceelsniveau tot integraal en gebiedsoverstijgend. In de visie (ruimtelijke casco) wordt uiteengezet dat de duidelijke structuur en de variatie van verschillende buurten en wijken in de kernen behouden en waar mogelijk versterkt dient te worden.

Waardevolle open plekken (bijvoorbeeld groengebieden binnen de bebouwde kom) dienen vrij te blijven van bebouwing. Er dient rekening gehouden te worden met karakteristieke doorkijken naar het landschap, de aanwezigheid van monumenten en de structuur van het rivierenlandschap. Uitgangspunt voor de bestaande kernen en linten is inbreiden voor uitbreiden. Bestaande uitbreidingen, die reeds planologisch vastliggen, dienen afgerond te zijn voordat nieuwe uitbreidingen in aanmerking komen.

18/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

In de Structuurvisie staat verder beschreven hoe rekening moet worden gehouden met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Met deze waarden is en wordt rekening gehouden bij de aanleg van de DPO leiding. Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid geformuleerd in de ruimtelijke structuurvisie, en sluit aan bij de hierboven genoemde uitgangspunten. 3.4

Waterschap Rivierenland

De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan ”Koers houden, kansen benutten”. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het beheerprogramma van het Waterschap omvat alle watertaken van het Waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. Met dit programma blijft het Waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, voldoende en schoon water te hebben en het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma tracht het Waterschap zich dynamisch op te stellen en mee te bewegen met veranderingen in de omgeving. Daarnaast wil het Waterschap kansen benutten die zich voordoen in de regio. Speerpunten uit het programma zijn: Veilig rivierengebied: Het Waterschap gaat veel dijken verbeteren en boezemkades versterken. Daarnaast heeft het ook oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie).

 Watersysteem: Het Waterschap gaat door op de ingeslagen weg en blijft anticiperen op klimaatveranderingen. Het zorgt voor een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie.  Waterkwaliteit: Het Waterschap zal het afvalwater duurzaam en doelmatig zuiveren door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen. De doelstellingen uit het waterbeheerprogramma sluiten aan bij de opgave waar het Waterschap de komende planperiode voor staat. Zo wil het Waterschap het beheergebied in 2021 klimaatbestendig hebben. Om dit te bereiken moet de primaire waterkeringen worden aangepakt en het bergend vermogen van het watersysteem van het landelijk gebied worden vergroot. 

Een andere doelstelling, en onderdeel van de opgave, is om in 2027 de KRW-doelstellingen voor waterkwaliteit te halen. Hiertoe zullen er in de planperiode een groot aantal maatregelen worden getroffen om vooral de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Daarnaast zal ook binnen het stedelijk gebied het waterbergend vermogen worden vergroot en de waterkwaliteit worden verbeterd. Als laatste heeft het Waterschap de ambitie om de watercondities en de waterkwaliteit voor de natte natuur te verbeteren. Het Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor en werkt aan een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar 'Rivierenland'. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, een planinitiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden.

19/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving 4.1

Algemeen

Het nieuwe tracé van de brandstofleiding komt ten oosten van de kern Bokhoven te liggen, waardoor het huidige tracé binnen de gemeente Maasdriel opschuift naar het zuidoosten. Het tracé wordt hier aangelegd door middel van een open ontgraving en door een HDD boring, ter hoogte van de kruising van de waterkering ten noorden van de Maas en de Maas zelf. De oude leiding onder de Maas en in de uiterwaarden wordt daarna buiten gebruik gesteld en (voor zo ver fysiek mogelijk) verwijderd. In het bestemmingsplan wordt de planologische regeling voor het tracé van de oude leiding verwijderd.

Figuur 4 - 1 ligging nieuwe leiding. 4.2

Nut en noodzaak initiatief

De transportleidingen zijn voor een groot deel aangelegd in de jaren ‘50 en ’60 en hebben op enkele locaties een dekking die niet aan de huidige regels en standaarden voldoet. DPO heeft een inventarisatie uitgevoerd naar de ligging van het huidige leidingnetwerk om de risico's van ondiepe buisleidingen op structurele wijze in kaart te brengen en om deze, eventueel middels aanvullende maatregelen, te beheersen. Uit deze inventarisatie bleek dat de ondiepe ligging in de vaarwegen van Rijkswaterstaat een groot risico vormt, waarvoor op korte termijn een oplossing moet komen. Verder is de capaciteit van de bestaande leiding onvoldoende, waardoor deze wordt vervangen door een grotere leiding. Het transportnetwerk voor brandstof, in beheer bij DPO, is van nationaal belang. De goede werking moet worden gegarandeerd. Er is een tracéstudie uitge voerd naar de meest gunstige locatie voor de nieuwe leiding. De tracéstudie is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van deze studie is het huidige tracé tot stand gekomen. De nieuwe leiding komt deels buiten het bestaande leidingtracé te liggen. Het nieuwe tracé loopt vanaf de kern Ammerzoden (gemeente Maasdriel), via Bokhoven (gemeente 's-Hertogenbosch), naar Vlijmen (gemeente Heusden). 20/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

4.3

Verwijderen bestaande leiding/ Buiten gebruik

Na het aanleggen en in bedrijf nemen van de nieuwe leiding zal het bestaande uit bedrijf genomen leidingdeel, daar waar dat fysiek mogelijk is, worden verwijderd. Resterende leidingdelen worden gevuld met dammer. Op bijlage 3 is het nieuwe tracé te zien, maar ook de leidingdelen die worden verwijderd, danwel door opvulling onklaar worden gemaakt. Met Rijkswaterstaat worden aparte afspraken gemaakt voor het verwijderen van de twee aanwezige zinkers in de Maas en de tijdelijke maatregel die is genomen (zinkermatten boven de in bedrijf zijnde leiding). Met de beide Waterschappen (Rivierenland ten noorden van de Maas, Aa en Maas ten zuiden van de Maas) worden aparte afspraken gemaakt over het al of niet verwijderen van de besteaande leidingen uit de waterkeringen. In het geval deze niet verwijderd mogen worden, dan zullen deze leidingdelen worden gevuld met dammer of een vergelijkbare substantie en achterblijven. De planologische regelingen in de bestaande bestemmingsplannen worden in het voorliggende bestemmingsplan wegbestemd. Daar waar de leiding in particuliere gronden ligt, worden afspraken gemaakt met de perceeleigenaren over het aanleggen van de nieuwe en het verwijderen van de oude leiding. Naar verwachting kan de oude leiding binnen het grondgebied van de gemeente Maasdriel volledig worden verwijderd.

21/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Hoofdstuk 5 Milieu- en andere deelaspecten Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, moet worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- of andere aspecten beschreven. 5.1

Milieueffectrapportage

Besluit milieueffectrapportage Voor alle uit te voeren activiteiten in een gebied moet worden getoetst of deze activiteiten belangrijke negatieve effecten kunnen hebben op het milieu en of daarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In paragraaf 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit me.r.) activiteiten worden aangewezen: 1. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.-plicht; 2. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r.beoordelingsplicht. De m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn opgenomen in respectievelijk bijlagen C en D van het Besluit m.e.r.. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De verplaatsing (wijziging) van de leiding is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994.

Categorie D 8.1 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas), olie of CO2- stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën'. Kerosine is een halfzware olie en valt onder deze activiteit. Een m.e.r.-beoordeling is nodig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 1 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied (waaronder Natura 2000 of Nederlands Natuurnetwerk). Artikel 7.2a Wet milieubeheer Naast artikel 7.2 (beschreven activiteiten) moet er op grond van artikel 7.2a Wm ook een m.e.r.-procedure doorlopen worden bij de voorbereiding van een plan waarvoor op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 2.7 Wnb maakt ook duidelijk dat er geen verplichting geldt om een passende beoordeling te maken, wanneer het gaat om plannen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied.

Voor het nieuwe tracé zijn bestemmingsplanwijzigingen nodig binnen de gemeenten Maasdriel, 's-Hertogenbosch en Heusen en een wijziging van het inpassingsplan Bommelerwaard van de provincie Gelderland.

22/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

De aanleg van de leiding zorgt voor een beperkte toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek'. Op het moment van het starten van de ruimtelijke procedures hield dit in dat significante effecten op dat gebied als gevolg van de vaststelling van het plan/de plannen niet op voorhand konden worden uitgesloten en dat een passende beoordeling nodig was (artikel 2.7 Wet natuurbescherming). Op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer was in dat geval ook een milieueffectrapportage voor plannen (plan-m.e.r.) nodig. Milieueffectrapport Voorafgaand aan het maken van het milieueffectrapport is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (zie Bijlage 5 Nota reikwijdte en detailniveau, verder NRD) opgesteld en, met het voornemen als bedoeld in artikel 7.9 Wet milieubeheer bekendgemaakt. Er zijn zienswijzen ingediend op het voornemen en de NRD, die bij het opstellen van het MER zijn betrokken. - reactie Rijkswaterstaat over mogelijke samenloop met projecten rivierverruiming en Kaderrichtlijn Water: DPO heeft naar aanleiding van de zienswijze overleg gevoerd met RWS. De aanleg van de leiding beperkt niet eventuele rijksprojecten. - reacties Waterschap Rivierenland en Aae en Maas: aandacht voor bepaalde onderwerpen in het MER (klimaatadaptatie, beschermde geibieden Keur, risico's grondwater).

- reactie toekomstige landbouwcamping nabij Engelenmeer: deze ontwikkeling wordt als autonome ontwikkeling in het MER beschouwd. Het MER is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. De uitkomst van het MER is dat de aanleg en het gebruik van de nieuwe DPO-leiding niet zorgt voor belangrijke nadelige milieugevolgen en dat het bevoegd gezag een besluit kan nemen op het bestemmingsplan, waarbij alle milieuinformatie in beeld is. Het MER is met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en/of het MER ingediend. Advies commissie voor de milieueffectrapportage De commissie voor de milieueffectrapportage (verder: de commissie) heeft op 12 januari 2021 een advies uitgebracht over het MER (bijlage 13). De Commissie vindt dat de bijlagerapporten (waaronder bodem, grondwater, archeologie, ecologie, veiligheid over het te realiseren tracé gedegen en zorgvuldig zijn opgesteld. De commissie mist in het MER essentiële informatie over hoe de keuzes tot stand zijn gekomen voor het uiteindelijke tracé, de aanlegmethode en het al of niet verwijderen van de bestaande leiding. Verder mist de commissie een alaternatief waardoor de effecten van de emissies van stikstof op het nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek' worden voorkomen.

Addendum MER In een addendum is alsnog ingegaan op de tekortkomingen die de commissie in haar advies heeft gesignaleerd. Het Addendum is als bijlage 14bij deze toelichting gevoegd. De keuzes die hebben geleid tot het voorliggende tracé, de methode van aanleg en het al of niet verwijderen van de bestaande leiding zijn hierin uitgewerkt en te herleiden. Voor wat betreft stikstof is een vergunning in voorbereiding.De combinatie planMER en Addendum bevat alle essentiele informatie nodig om een onderbouwd besluit te kunnen nemen.

23/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

5.2

Archeologie

De gemeente Maasdriel beschikt over een eigen archeologische beleidskaart, waarop door middel van een categorisering de binnen de gemeente aanwezige dan wel verwachte archeologische waarden zijn aangegeven. Aan de hand van deze categorisering kan worden bepaald of archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor een bepaalde ontwikkeling. Bureauonderzoek Het tracé loopt door een gebied dat voornamelijk is gevormd door de invloed van de Maas. Er is deels een hoge, deels een lage archeologische verwachting vastgesteld. IDDS archeologie heeft in mei 2018 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het gehele tracé, dus niet alleen het gedeelte binnen de gemeente Maasdriel. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder volgen de adviezen en conclusies van het onderzoek.

Figuur - weergave onderzoeksgebied (bron: archeologisch onderzoek) In het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gestuurde boringen binnen het gehele tracé, inclusief het gedeelte binnen de gemeente Maasdriel, geen vervolgonderzoek nodig is.

24/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Voor de open ontgravingen en voor de in- en uittredeputten van de gestuurde boringen wordt vervolgonderzoek geadviseerd. Omgevingsdienst Rivierenland acht een archeologische begeleiding hier de beste vorm van vervolgonderzoek. In eerste instantie dient er een actieve begeleiding uitgevoerd te worden, waarbij een (geo)archeoloog met kennis van de lokale ondergrond bij de ontgraving aanwezig is. Mocht dit niet zinvol blijken, dan kan eventueel nog worden afgeschaald naar een passieve begeleiding. Voorafgaand aan het uitvoeren van de archeologische begeleiding moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag. De vraagstelling dient zich vooral te richten op de fysieke ondergrond en mogelijke aquatische en terrestrische archeologica in de (fossiele) rivierbedding, inclusief de oude Maaskade. Conclusie Vanwege mogelijk aanwezige archeologische waarden moeten de werkzaamheden binnen de gemeente Maasdriel onder archeologische begeleiding worden uitgevoerd. Hiervoor wordt een programma van eisen gemaakt, dat ter besluitvorming aan de gemeente zal worden voorgelegd. Eventuele archeologische waarden zijn hiermee voldoende beschermd. 5.3

Luchtkwaliteit

In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van een bestemmingsplan. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:    

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt er onder deze 3%-grens gebleven.  

kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij twee ontsluitingswegen (voorschrift 3A.1) woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2)

De beoogde ontwikkeling, het aanleggen van een brandstofleiding en het wegbestemmen verwijderen of onklaar maken van de bestaande leiding valt niet onder één van de hiervoor genoemde gevallen. Voor de aanleg van de DPO-leiding wordt materieel ingezet met een verbrandingsmotor. Dit leidt tot emissie van luchtverontreinigende stoffen, zij het in beperkte mate en gedurende een beperkte tijd. In en in de omgeving van het plangebied heerst een goede luchtkwaliteit: de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 én PM2.5 bedragen in 2020 resp. 17, 20 en 12 µg/m3 ter plaatse van het meest nabije NSL-rekenpunt langs de N831 (bron: NSL-monitoringstool - Rekenpunt 15558372). 25/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

De wettelijke grenswaarden voor deze stoffen zijn 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2.5 De beperkte emissie van luchtverontreinigende stoffen tijdens de aanleg van de DPO-leiding zal in geen geval leiden tot een overschrijding van grenswaarden. Het gebruik van de DPO-leiding draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. 5.4

Bodem

Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling is een is een milieukundig (water)bodemonderzoek, asbestonderzoeken verhardingsonderzoek (zie Bijlage 9 Bodemonderzoek) verricht in het plangebied binnen de gemeente Maasdriel (Tracé Maaskruising DPO Ammerzoden/Bokhoven). Het verkennend bodemonderzoek beoogt het verkrijgen van inzicht in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem;  Het doel van het asbestonderzoek is het vaststellen of op de onderzoekslocatie een verontreiniging met asbest in de bodem aanwezig i';  Het doel van het waterbodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de chemische kwaliteit van het vrijkomende slib (inclusief de onderliggende bodem) en de daarmee samenhangende toepassingsmogelijkheden;  Het doel van het verhardingsonderzoek is: 1. Het vaststellen van de dikte, opbouw en teerhoudendheid (chemische kwaliteit) van de asfaltverharding, teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende asfalt te bepalen; 2. Het indicatief vaststellen van de dikte, opbouw en chemische kwaliteit van het aanwezige funderingsmateriaal teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende funderingsmateriaal te bepalen; 3.

Het indicatief vaststellen van de chemische kwaliteit van de bodem onder het aanwezige funderingsmateriaal teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van de vrijkomende grond te bepalen. Uit het onderzoek blijkt dat de gehalten aan verontreinigende stoffen in bodem en grondwater voornamelijk lager dan of gelijk zijn aan de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater), dan wel de rapportagegrens. Van een beperkt aantal stoffen overschrijdt het gehalte de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) en is lager dan of gelijk aan de tussenwaarde, zijnde licht verontreinigd. 

Conclusie: Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.5

Water

Algemeen Artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht tot het opnemen van 'een beschrijving van de wijze waarop in het ruimtelijk plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding' in de toelichting van dit ruimtelijke plan. Deze watertoets is daarom een verplicht onderdeel van elke planologische procedure. Doel van de watertoets is het waarborgen van waterhuishoudkundige doelstellingen door waterbelangen al in een vroeg stadium bij de planvorming te betrekken. De waterhuishoudkundige aspecten omvatten onder meer veiligheid voor water, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap is betrokken bij de voorbereidingen van het bestemmingsplan en de aanleg van de nieuwe leiding. Voor de bemaling van de putten, van waaruit de boringen worden gestuurd, worden watervergunningen aangevraagd.

26/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Het beleid van de gemeente Maasdriel voor de waterhuishouding sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. In samenwerking met de gemeente Zaltbommel en het Waterschap Rivierland is het 'Waterplan Bommelerwaard' opgesteld. Het belangrijkste uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in het deel- stroomgebied. Daarnaast is het van belang dat bij inpassing wordt voorkomen dat afwenteling op andere delen van het deelstroomgebied plaatsvindt. Verder dient bij nieuwe ontwikkelingen hemelwater, afkomstig van 'schoon' afvoerend oppervlak, waar mogelijk, geïnfiltreerd te worden. De ontwikkeling past binnen deze beleidsuitgangspunten. Dijkveiligheid De waterkeringen worden haaks gekruist met korte horizontaal gestuurde boringen. Hierdoor zijn eventuele toekomstige dijkversterkingen tot op zekere hoogte mogelijk. De in- en uittredepunten dienen echter wel met het oog op de toekomstige plannen van de waterschappen te worden vastgesteld. Veiligheid vaarroute/uiterwaarden De kruising met de rivier de Maas zal worden uitgevoerd conform de regels uit de NEN 3651 en Richtlijn Boortechnieken. Hierdoor zal bij handhaving van het huidige vaarwegprofiel de dekking afdoende zijn en worden voldaan aan de vigerende veiligheidseisen. Een deel van de leiding wordt in de uiterwaarden in open ontgraving aangelegd.

De uiterwaarden worden nu gebruikt als landbouwgrond. Het risico op schade door (graaf- )werkzaamheden van derden is bij een in open ontgraving aangelegde leiding groter dan bij middels horizontaal gestuurde boring aangelegde leiding, vanwege het feit dat deze minder diep ligt dan een geboorde leiding. Wanneer bijvoorbeeld een lekkage zou ontstaan in dit tracedeel en de uiterwaarden bij hoog water onder water komt te staan is een calamiteit moeilijker te beheersen. De bereikbaarheid is beperkter en de lekkende kerosine kan in het oppervlaktewater (rivier) terecht komen. Er zijn echter tal van mogelijkheden om dit risico te beperken (bijv. verhoging dekking). Zoekgebieden maatregelen Kaderrichtlijn Water Rijkswaterstaat werkt aan een maatregelenpakket ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water. In een verkenning zijn enkele maatregelen voor de regio Zuid-Nederland onderzocht. Het gaat bijna uitsluitend om het realiseren van geulen langs de Maas. Hiervoor zijn zoekgebieden aangewezen. In onderstaande afbeelding zijn de zoekgebieden (in rood) met de mogelijke geulen (in blauw) weergegeven in relatie tot het plangebied voor het nieuwe tracé van de DPO-leiding.

27/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Figuur zoekgebieden KRW-maatregelen Zuid-Nederland (bron: KRW-maatregelen derde tranche Zuid-Nederland, Antea december 2018). Uit deze afbeelding blijkt dat de leiding binnen de zoekgebieden ligt en komt te liggen, maar niet overlappen met de mogelijke locatie van de aan te leggen KRW-geulen. Reserveringsgebied rivierverruiming Maas Een deel van het traject, waarvoor onderhavig inpassingsplan is opgesteld, is gelegen in het gebied waar op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een lange termijnreservering voor verruiming van de rivier de Maas geldt. Uit overleg met Rijkswaterstaat is gebleken dat de diepteligging van de leiding door het reserveringsgebied voor de rivierverruiming zodanig is, dat hierdoor bij eventuele toekomstige rivierverruimingen geen problemen kunnen ontstaan. Volgens Rijkswaterstaat kan een eventuele verruiming ook tot gevolg hebben dat de bestaande dijk moet worden verlegd. Hierover is overleg geweest met de beheerder van de dijk, het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap houdt bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor de nieuwe leiding rekening met eventuele toekomstige dijkversterkingen. Een dijkverlegging is vanuit het Waterschap niet aan de orde en wordt in de beoordeling ook niet meegenomen. Conclusie: Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

28/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

5.6

Niet gesprongen explosieven

Op basis van de Arbo-wetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid moeten de risico's van mogelijk niet gesprongen explosieven voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart worden gebracht, waarbij de risico's zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het gebied van het nieuwe DPO tracé onder de Maas en in Ammerzoden is een vooronderzoek gedaan naar mogelijk niet gesprongen explosieven (zie Bijlage 5 Onderzoek niet gesprongen explosieven). Het doel van dit vooronderzoek CE is het vaststellen of er in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat (delen van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is (zijn) geweest bij oorlogshandelingen waardoor er (mogelijk) CE op/in de (water)bodem zijn achtergebleven. Indien er indicaties zijn dat (delen van) de onderzoeksgebieden betrokken (zijn) is geweest bij oorlogshandelingen dan wordt het (de) verdachte gebied(en) horizontaal afgebakend en worden de volgende zaken vastgesteld:    

Soort(en) aan te treffen CE; Hoeveelheid aan te treffen CE; Verschijningsvorm aan te treffen CE; Maximale en minimale diepteligging CE.

Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied waarbij CE (kleinkalibermunitie, handgranaten, geweergranaten, geschutmunitie, enz.) zijn ingezet. Dit betekent dat het gebied verdacht is op de aanwezigheid van explosieven. Omdat er in het onderzoeksgebied naoorlogs weinig zichtbare ontwikkelingen hebben plaatsgevonden is het advies detectiewerkzaamheden te laten uitvoeren op de plaats waar de gestuurde boringen zullen plaatsvinden. De detectiewerkzaamheden zijn noodzakelijk tot en met de diepte waarop de explosieven kunnen worden aangetroffen. Conclusie In het gebied komen mogelijk niet gesprongen explosieven voor. Het advies is om detectiewerkzaamheden te laten uitvoeren op de locatie van de gestuurde boringen, tot en met een diepte waarop nog explosieven kunnen worden aangetroffen. 5.7

Ecologie

5.7.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat regels voor het beschermen van bijzondere gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de provincie Gelderland het 'Gelders Natuurnetwerk' genaamd. Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied is het 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek', binnen de gemeente 's-Hertogenbosch. De ontwikkeling omvat het aanleggen en gebruiken van een brandstofleiding. Zoals in paragraaf 5.1 l is aangegeven, veroorzaakt de aanleg van de brandstofleiding (over het gehele tracé van Ammerzoden tot Vlijmen) een geringe toename van stikstofdepositie op het genoemde Natura 2000-gebied. In verband hiermee is een voortoets uitgevoerd, in combinatie met een berekening van de mogelijke stikstofdepositie (zie bijlage 7). Uit de berekening blijkt dat de aanlegactiviteiten zorgen voor een tijdelijke kleine toename op het Natura 2000-gebied. In de voortoets is ook aandacht besteed aan mogelijke andere effecten dan stikstof (geluid, verdroging, enz.).

29/68 - vastgesteld - NL.IMRO.0263.BP1203-VG01 - 25 februari 2021

Op 5 juni 2020 is een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming ingediend. Het Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, het bevoegd gezag voor dit project, heeft de aanvraag afgewezen. De reden is dat uit de voortoets voldoende blijkt dat significante effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten, waardoor een vergunningplicht niet aan de orde is. Het besluit is in bijlage 2 bij de regels toegevoegd. GNN Een klein deel van het plangebied maakt wel, zij het beperkt, deel uit van het GNN (zie ook paragraaf 3.2.2). Er wordt geen inbreuk gemaakt op de kernkwaliteiten van dit gebied, omdat de leiding via een gestuurde boring ruim onder het GNN wordt aangelegd. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Conclusie: Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.7.2 Soortenbescherming Er is een Quickscan Ecologie uitgevoerd voor de werkzaamheden voor het aanleggen van een nieuwe DPO-leiding binnen (onder meer) het gebied van de gemeente Maasdriel (zie Bijlage 6 quick scan en nader onderzoek ecologie). Uit de quickscan blijkt het volgende. De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een onvoldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde diersoorten.

Een nadere veldinspectie is vereist voor eekhoorn, bunzing, hermelijn, jaarrond beschermde vogels en vleermuizen. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend veldbezoek worden onderstaande conclusies worden getrokken:  

In het plangebied worden geen beschermde planten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden verwacht, derhalve kunnen negatieve effecten op deze soortgroepen worden uitgesloten; Het gebruik van het plangebied en omgeving door beschermde grondgebonden zoogdieren (eekhoorn, bunzing en hermelijn), vleermuizen (baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) en algemene en jaarrond beschermde broedvogels (boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer) kan niet worden uitgesloten. De werkzaamheden leiden echter niet tot negatieve effecten voor deze soortgroepen, mits buiten de winterperiode, uitsluitend overdag en op minimaal 20 meter afstand van de potentiële vleermuisverblijfplaatsen gewerkt wordt. Een nader onderzoek en/of ontheffing is dan niet aan de orde. In het plangebied zijn algemene broedvogels aanwezig. Omdat de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen moet een ecologisch werkprotocol (EWP) worden opgesteld om verstoring en/of beschadiging van nesten (en daarmee knelpunten met de Wnb) te voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10147408/1