CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

TOELICHTING

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Rossum en Hurwenen herziening 2023 Hogeweg nabij 2624.724 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wanneer een broedgeval wordt aangetroffen, kan een verstoringsvrije zone worden aangewezen waarbinnen gedurende de periode dat het nest in gebruik is niet wordt gewerkt. De omvang van deze zone is afhankelijk van de verstoringsgevoeligheid van de soort en wordt door een ter zake kundige vastgesteld. Voorzorgsmaatregelen amfibieën Om de spontane vestiging van rugstreeppadden uit te sluiten dient de tijdelijke vorming van regenwater plassen en poelen op het terrein te worden voorkomen. Dit kan door te zorgen voor een goede afwatering (profilering of aanleg ontwateringsgreppels) of het direct na vorming leegpompen van een geïnundeerde laagte. Gevolgen verdere planvorming en uitvoering van het voornemen De uitvoeringsperiode (start) van de werkzaamheden wordt mede bepaald door bovenstaande voorzorgsmaatregelen.

ruimte voor ontwikkeling

31

Het verlichtingsplan dient mogelijk te worden aangepast vanuit bovenstaande randvoorwaarden."

4.1.4 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief uitvoerbaar is vanuit de Wet natuurbescherming. Initiatiefnemer conformeert zich aan de voorgeschreven voorzorgsmaatregelen in het kader van de algemene zorgplicht.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1 Wettelijk kader De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

32

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

4.2.2 Resultaten

onderzoek

Door Vink Milieutechnisch Adviesbureau is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: "Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie niet of slechts licht verontreinigd is en derhalve de hypothese 'onverdacht' geldt. Uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt het volgende: Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden waargenomen. In de bovengrond ter plaatse van het oostelijk deel van de onderzoekslocatie is een licht verhoogd gehalte aan lood aangetroffen. Het licht verhoogd gehalte aan lood betreft slechts een marginale verhoging ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de zwak humeuze ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan nikkel aangetoond. Het licht verhoogd gehalte aan nikkel betreft slechts een marginale verhoging ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater is licht tot matig verontreinigd met barium. Daarnaast is het grondwater uit één peilbuis xylenen en naftaleen licht verhoogd aagetoond. Ten aanzien van barium wordt verwacht dat deze van nature in het grondwater aanwezig is. De aangetroffen gehalten aan xylenen en naftaleen betreffen slechts marginale verhogingen ten opzichte van de streefwaarde. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdacht' formeel verworpen dient te worden.

De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn echter niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend."

4.2.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect bodem ten overstaan van onderhavige ontwikkeling.

4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1 Wettelijk kader Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

4.3.2 Cultuurhistorie Het landschap en met name de percelering rondom Rossum en Herwenen hebben een historisch karakter. Dit volgt uit de BommelerWaardenkaart behorend bij de Omgevingsvisie. Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd. In de toekomstige situatie zal hier bebouwing worden opgericht. De ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van een bestaande kadastraal perceel; de percelering wordt dan ook niet aangetast. Met de ontwikkeling vindt geen (significante) inbreuk plaats op de cultuurhistorische waarden ter plekke.

ruimte voor ontwikkeling

33

Uitsnede BommelerWaardenkaart met aanduiding plangebied

4.3.3 Archeologie Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Maasdriel ligt het plangebied in de beleidszone 'Waarde - archeologie 6'. Archeologisch onderzoek is nodig bij bouwwerkzaamden dieper dan 30 cm en met een oppervlakte groter dan 5000 m 2 . De nu voorliggende planontwikkeling overschrijdt deze vrijstellingsgrenzen.

34

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Maasdriel met aanduiding plangebied Onderhavig plangebied is begrepen binnen het onderzoeksgebied van eerder uitgevoerd archeologisch bureauonderzoek uit 2009. Echter is voor kadastraal perceel 421 destijds geen booronderzoek uitgevoerd. Zodoende is geadviseerd alsnog een inventariserend veldonderzoek uit te voeren voor onderhavig plangebied. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door Synthegra (Bijlage 6). Voor het plangebied gold op basis van het bureauonderzoek een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en nederzettingsresten uit het Neolithicum, de Bronstijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Voor de IJzertijd en Romeinse Tijd gold een hoge verwachting, mits er sprake zou zijn van crevasse afzettingen. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van deze verwachting. Hierna zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. De lage archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum als voor nederzettingssporen uit het Neolithicum, de Bronstijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kan op grond van de resultaten van het veldonderzoek worden gehandhaafd.

De hoge verwachting voor nederzettingsresten uit de IJzertijd en Romeinse Tijd kan op basis van de afwezigheid van crevasse afzettingen worden bijgesteld naar laag. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Namens de gemeente Maasdriel heeft de regioarcheoloog van Rivierenland ingestemd met de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Er is besloten om de aanbevelingen uit het rapport (het selectieadvies) volledig over te nemen en de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen. Hierdoor zijn er geen belemmeringen meer voor de uitvoering van de voorgenomen plannen op het gebied van archeologie. Desalniettemin blijven de meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten en het doen van waarnemingen te allen tijde van kracht.

ruimte voor ontwikkeling

35

4.3.4 Conclusie Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Wel zullen de archeologische vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Daarom is er archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan wordt geen verder onderzoek geadviseerd. De regioarcheoloog stemt in met het selectieadvies om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. De archeologische dubbelbestemming is daarom opgeheven. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.

Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m 2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m 2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is 36

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.4.2 Beoordeling Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden zijn afkomstig van de digitale Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid. Stof

Jaar 2020

Grenswaarde

Advieswaarde

NO 2

12,6 µg/m3

40 µg/m3

10 µg/m3

PM 10

15,9 µg/m3

40 µg/m3

15 µg/m3

PM 2,5

9,1 µg/m3

20 µg/m3

5 µg/m3

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2 , PM10 en PM2,5. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

4.4.3 Conclusie Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

4.5

Verkeer en parkeren

Zowel vanuit de ruimtelijke ordening als vanuit verkeer en vervoer is een goede ontsluiting van belang. Daarnaast dient voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen. Onderstaand worden eerst de mobiliteitseffecten in beeld gebracht. Vervolgens volgt een overzicht van het parkeren.

4.5.1 Verkeer Het plangebied zal via 2 ontsluitingen op de Hogeweg worden ontsloten. Gelet op het karakter van de Hogeweg is door Adviesbureau Omega een memo opgesteld ten aanzien van het aspect verkeer (Bijlage 7). De conclusies en aanbeveling van het memo luiden als volgt: "Conclusie 1 Verkeerstellingen Het maximale aantal mvt per etmaal bedraagt 577 voor de huidige situatie. Het maximale aantal mvt per etmaal inclusief de nieuwe ontwikkeling bedraagt 886 conform de berekening. Conclusie 2

ruimte voor ontwikkeling

37

De berekende intensiteit van 886 motorvoertuigen per etmaal voldoet ruimschoots aan de door het CROW gestelde maximale capaciteitseisen van de Hogeweg. Conclusie 3 Conclusie 3 is opgesteld in combinatie met het naastgelegen project Appelgaerde. Volgens de berekeningen voor het Appelgaerde-project is het maximale aantal motorvoertuigen per etmaal op een weekdag 899,2. Door deze om te rekenen naar een werkdag, vermenigvuldigd met een factor van 1,11, komt het totaal op 999 motorvoertuigen per etmaal. Het totale aantal motorvoertuigen in de huidige situatie, inclusief de voorziene plannen voor perceel E421 en Appelgaerde, bedraagt 1291 motorvoertuigen per etmaal. Dit aantal is ruimschoots onder de door het CROW gestelde maximale capaciteitseisen van de Hogeweg. Aanbeveling Het uitwerken van de ontsluiting en afwikkeling van het verkeer richting de diverse wegen." Aanvulling m.b.t. aantal behandelkamers medisch centrum In voorgenoemd onderzoek is voor wat betreft het medisch centrum gerekend met vijf behandelkamers. Inmiddels zijn er, uitgaande van een maximale invulling, drie extra behandelkamers ingerekend, waardoor het totaal op acht komt. Dit resulteert ook in een iets hogere verkeersgeneratie.

Uitgaand van de normen voor een gezondheidscentrum zal de verkeersgeneratie bij drie extra behandelkamers met minimaal 55,5 mvt/etmaal (3*18,5) en maximaal 67,8 mvt/etmaal (3*22,6) verder toenemen. Ook gelet op bovenstaande conclusies heeft de Hogeweg voldoende capaciteit om deze extra verkeersgeneratie op te vangen.

4.5.2 Parkeren Door Adviesbureau Omega is eveneens een parkeer- en mobiliteitsbalans opgesteld (Bijlage 8). Hierbij is zowel de normatieve als de maatgevende parkeerbehoefte berekend. Daarnaast is ingegaan op de parkeerbehoefte op basis van de passende parkeernormen. Uit de parkeer- en mobiliteitsbalans blijkt dat: Normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte wordt bepaald door het aantal woningen/functies vanuit het planprogramma te vermenigvuldigen met de gemeentelijke parkeernormen per functie. Hieruit volgt dat de normatieve autoparkeerbehoefte, conform de gemeentelijke parkeernormen, 80 parkeerplaatsen bedraagt. Dit onderverdeeld in: 35 parkeerplaatsen voor de zorgeenheden onzelfstandige wooneenheden met 24-uurszorg; 22 parkeerplaatsen voor kleinschalig medisch centrum; 18 parkeerplaatsen voor wooneenheden voor huisvesting specifieke doelgroep zelfstandig/onzelfstandig; 5 parkeerplaatsen voor vrijstaande woningen. Maatgevende parkeerbehoefte De maatgevende parkeerbehoefte wordt berekend wanneer de parkeervraag van de functies niet samenvalt met de factor tijd. Gecombineerd gebruik (dubbel gebruik) is dan mogelijk zodat per saldo ook met een lager aantal parkeerplaatsen dan met het gestapelde normatieve aantal kan worden volstaan.

Bij onderhavig project is dit aan de orde, waardoor een parkeervraagberekening is gemaakt op basis van de functies met de daarbij behorende parkeernormen en aanwezigheidspercentages op verschillende momenten van de week. De maatgevende parkeerbehoefte bedraagt 69 (68,1 afgerond) parkeerplaatsen met het maatgevende moment op de werkdagochtend. Waarbij 4 parkeerplaatsen op het privéterrein van de woningen gerealiseerd worden en 65 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zullen zijn. 38

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

Passende parkeernormen Passende parkeernormen worden bepaald door verschillende factoren en het streven naar een optimale balans tussen parkeergelegenheid, wonen, leven en andere ruimtelijke aspecten. Deze normen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat er niet te veel maar ook niet te weinig parkeerplaatsen zijn voor een specifieke ontwikkeling. Hierbij wordt rekening gehouden met de locatie, het type ontwikkeling, de verwachte vraag en de beschikbaarheid van alternatieve vervoersmiddelen. Het streven naar passende parkeernormen heeft als doel een evenwicht te vinden waarbij noch een overschot noch een tekort aan parkeerplaatsen ontstaat, en om per situatie te bepalen wat daadwerkelijk noodzakelijk is. De passende parkeernormen richten zich in onderhavig geval op: Aanwezigheidspercentage bezoekersparkeren van zorgeenheden onzelfstandige wooneenheden met 24-uurszorg. Aanwezigheidspercentage bezoekersparkeren voor huisvesting specifieke doelgroep zelfstandig / onzelfstandig. De huidige aanwezigheidspercentages zoals vastgesteld door de CROW en opgenomen in het gemeentelijk beleid maken, voor de zorgeenheden onzelfstandige wooneenheden met 24-uurszorg en huisvesting specifieke doelgroep zelfstandig/onzelfstandig, geen onderscheid tussen parkeerbehoeften van medewerkers en bezoekers.

Dit heeft geleid tot een generieke benadering waarbij hetzelfde aanwezigheidspercentage wordt gehanteerd. Op basis van deze benadering is het maatgevende moment voor de parkeerbalans vastgesteld op werkdagochtenden, resulterend in een norm van 69 parkeerplaatsen. Echter, de aard van de genoemde functies en de patronen van de gebruikers suggereren een significant ander bezoekmoment. Het is onwaarschijnlijk dat bezoekers, zoals familieleden van bewoners in zorginstellingen, hun bezoeken overwegend op werkdagochtenden plannen. Daarom is een heroverweging van het maatgevende moment gebaseerd op logische aanname dat bezoekmomenten meer overeenkomen met die van de woonfuncties, essentieel. Deze herijking van aanwezigheidspercentages leidt tot een verschuiving van het maatgevende moment en resulteert uiteindelijk in een herziening van de parkeerbehoefte naar 51 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen, zoals uiteengezet in de door Adviesbureau Omega opgestelde parkeer- en mobiliteitsbalans. Daarnaast worden er 4 parkeerplaatsen op het privéterrein van de woningen gerealiseerd. Deze aanpak zorgt voor een realistischer beeld van de parkeerbehoefte, afgestemd op de daadwerkelijke patronen van bezoekersbewegingen. Het plan voorziet in de aanleg van 62 parkeerplaatsen. Het aanleggen van 55 parkeerplaatsen met een flexibele buffercapaciteit tot 62 parkeerplaatsen is dan ook passend.

4.5.3 Conclusie Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige problemen. De aanbevelingen met betrekking tot de ontsluiting worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het ontwerp. Met betrekking tot parkeren geldt dat op de situatietekening in paragraaf 2.2 binnen het plangebied (indicatief) 62 parkeerplaatsen zijn opgenomen. De maatgevende parkeerbehoefte conform de Nota Parkeernormen 2020 gemeente Maasdriel bedraagt 69 parkeerplaatsen. In het plan is voldoende ruimte om de maatgevende parkeerbehoefte op te lossen binnen de bestemming 'Verkeer'. Naast de opgenomen 62 parkeerplaatsen zijn er binnen de bestemming 'Verkeer' bijvoorbeeld nog extra parkeerplaatsen mogelijk in de strook aan de voorzijde van het medisch centrum en in/naast de bestaande parkeerstrook ten noordoosten van de woonzorgvoorziening. Daarmee kan worden voldaan aan de Nota Parkeernormen 2020 gemeente Maasdriel. Met de parkeer- en mobiliteitsbalans is aangetoond dat de passende parkeerbehoefte 55 parkeerplaatsen bedraagt. Met de in de regels opgenomen parkeerregeling kan hier toepassing aan worden gegeven. De parkeerregeling is overgenomen van het op 11 mei 2023 vastgestelde bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren 2022'.

Concluderend is met de parkeerregeling in artikel 12.3 van de regels van het bestemmingsplan geborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en de bestemming 'Verkeer' biedt hiervoor

ruimte voor ontwikkeling

39

tevens voldoende ruimte. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat er met initiatiefnemer privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt dat op zijn kosten extra parkeerplaatsen aangelegd dienen te worden indien er onverhoopt een tekort aan parkeerplaatsen zou ontstaan.

4.6

Geluidhinder

4.6.1 Wettelijk kader Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.

4.6.2 Wegverkeerslawaai Onderhavig plan ziet op de realisatie van woon(zorg)voorzieningen. Het beoogde programma bestaat uit een dubbel woonhuis met 48 onzelfstandige wooneenheden met 24-uurszorg ten behoeve van mensen met dementie, een kleinschalig medisch centrum met acht behandelkamers en op de verdiepingen twaalf wooneenheden voor huisvesting van een specifieke doelgroep en tenslotte een tweetal vrijstaande woningen in het bebouwingslint van de Hogeweg. De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt dergelijke woon(zorg)voorzieningen als zogenaamde geluidsgevoelig objecten. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones. Bij woningbouw binnen deze zones dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Een uitzondering hierop zijn de wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een snelheidregiem van maximaal 30 km/h geldt. Normstelling Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Voor de locatie Hogeweg nabij 26 geldt op dit moment, als stedelijk gebied, een voorkeursgrenswaarde van 48dB en een maximale grenswaarde (ontheffingswaarde) van 63 dB. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. 40

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

Onderzoek Gezien het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Hogeweg, H.C. de Jonghweg en de Wetering is door Alcedo B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 9). Voorts is de nieuwe wijkontsluitingsweg meegenomen in de beoordeling. Uit dit onderzoek blijkt ten aanzien van wegverkeerslawaai samengevat het volgende: Het geluid wordt getoetst aan de grenswaarden volgens de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek blijkt dat bij de zorgwoningen en de wooneenheden bijzondere doelgroep dat de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting bij de twee woningen aan de Hogeweg overschrijden de voorkeursgrenswaarde, maar zijn lager dan de maximale grenswaarde. Voor deze twee wegen zijn geen maatregelen mogelijk en er is geen gemeentelijk geluidbeleid voor aanvullende voorwaarden voor het aanvragen van hogere waarden. Vanwege de Hogeweg dienen de volgende hogere waarden te worden aangevraagd: Beoordelingspunt 03.03-zo (linker woning direct aan de hoge weg: 54 dB Beoordelingspunt 04.03-zo (rechter woning direct aan de hoge weg: 53 dB Bij het vaststellen van hogere waarden moet wel worden gezorgd voor voldoende geluidwering zodat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar binnenniveau in de woningen. Volgens het bouwbesluit bedraagt de eis voor het binnenniveau 33 dB en de minimale gevelwering-eis bedraagt 20 dB.

Uitgangspunt voor het bepalen van de benodigde geluidwering van de gevels is de geluidbelasting exclusief aftrek art. 110g Wgh. Deze bedraagt 59 dB voor de linker woning en 58 dB voor de rechter woning. Uitgaande van een binnenniveau van 33 dB volgens het Bouwbesluit, is een geluidwering van de gevels benodigd van 26 dB voor de linker woning en 25 dB voor de rechter woning. Dit betekent dat rekening dient te worden gehouden met aanvullende gevelweringsmaatregelen. Hierbij dient gedacht te worden aan een zwaarder geluidgedempte ventilatie roosters, type glas, een goede dichting van naden en kieren van de te openen geveldelen.

4.6.3 Spoorwegverkeerslawaai Gebleken is dat onderhavige planontwikkeling niet gelegen is binnen de wettelijke zone van een spoorweg.

4.6.4 Industrielawaai Gebleken is dat onderhavige planontwikkeling niet gelegen is binnen de wettelijke zone van een industrieterrein.

4.6.5 Conclusie Gelijktijdig met onderhavig bestemmingsplan gaat het (ontwerp)-besluit hogere waarde in procedure in verband met de geluidbelasting van de Hogeweg. Wat betreft het geluid zal worden voldaan aan de wettelijk toegestane normen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal worden getoetst aan de norm uit het Bouwbesluit omtrent het binnenniveau van ten hoogste 33dB. Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

ruimte voor ontwikkeling

41

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

42

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

4.7.2 Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gelet op de beperkte functiemenging (overwegend wonen en agrarisch) gekarakteriseerd worden als rustig gebied. De toekomstige nieuwe woon(zorg)functies leiden niet tot overlast op de omgeving. Wonen wordt namelijk niet gezien als een milieubelastende functie, wel betreft het een milieugevoelige functie. Wat betreft het medisch centrum met op de verdieping wooneenheden voor een bijzondere doelgroep geldt dat hier sprake zal zijn van beoogde functiemenging. Conform de bijlage 'Staat Bedrijfsactiviteiten functiemenging' van VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' vallen artsenpraktijken en klinieken in categorie A. Het betreffen hier bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan. De beoogde activiteiten binnen het medisch centrum zullen zodanig weinig milieubelastend zijn dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Hier zal met de nieuwbouw aan worden voldaan. Er zal geen sprake zijn van (ontoelaatbare) overlast op de woningen en omgeving.

Wat betreft potentiële milieuhinder van naburige agrarische bedrijven wordt opgemerkt dat op ca. 40 meter ten noorden van het plangebied aan de H.C. de Jonghweg 9 een agrarisch bouwvlak is gelegen met de functieaanduiding 'glastuinbouw'. Een glastuinbouwbedrijf opereert conform voornoemde VNG-uitgave in milieucategorie 2. Het plangebied is niet gelegen binnen de bijbehorende richtafstand van 30 meter. Er ontstaan wederzijds geen belemmeringen. Verder liggen binnen de directe omgeving geen voor onderhavig plan relevante agrarische bedrijven/bouwvlakken. Tenslotte ligt op ruim 30 meter ten noordoosten van het plangebied aan de Hogeweg 26 een niet-agrarische bedrijfsbestemming waar in beginsel een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2 is toegestaan. Het plangebied is niet gelegen binnen de bijbehorende richtafstand van 30 meter. Er ontstaan wederzijds geen belemmeringen. Verder liggen binnen de directe omgeving geen voor onderhavig plan relevante niet-agrarische bedrijven/bouwvlakken. Akoestisch onderzoek Tenslotte is door Alcedo B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de maximale geluidsniveaus ter plaatse van omliggende geluidgevoelige bebouwing vanwege dichtslaande portieren ter plaatse van de nieuwe parkeervakken te berekenen (Bijlage 9).

Uit dit onderzoek blijkt ten aanzien van deze geluidsniveaus samengevat het volgende: Vanwege de parkeervoorziening treden bij de nieuwe appartementen de volgende maximale geluidsniveaus op: Woonzorggebouw aan de noordzijde: ten hoogste 72 dB(A) in alle perioden; Woonzorggebouw midden: ten hoogste 73 dB(A) in alle perioden; Hiermee worden vanwege de dichtslaande portieren de richtwaarde voor een gemengd gebied (dag/avond/nacht 70 / 65 / 60 dB(A)) op de gevels van zowel het woonzorgbouw aan de noordzijde als het woonzorggebouw midden in alle perioden overschreden. Vanwege de geconstateerde overschrijdingen zijn in het akoestisch onderzoek de mogelijke maatregelen beschouwd. Het nemen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen is praktisch gezien niet mogelijk dan wel stedenbouwkundig niet wenselijk. Derhalve resteren maatregelen bij de ontvanger, in dit geval het treffen van geluidswerende maatregelen aan de gevels van de zorgwoningen in beide woongebouwen. Bij piekgeluiden tot 73 dB(A) op een gevel in de nachtperiode is een geluidwering van 28 dB benodigd, om te voldoen aan de binnenwaardeniveau-eis van 45 dB(A) volgens het Activiteitenbesluit. Een geluidwering van 28 dB vraagt om aanvullende maatregelen, maar is nog wel praktisch uitvoerbaar. Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat een dichtslaand portier in de nachtperiode maar een enkele keer

ruimte voor ontwikkeling

43

voorkomt en niet iedere nacht naast dezelfde appartement(en) voor zal komen. Daarnaast is dit een geluid dat in iedere woonwijk voor kan komen. Op basis hiervan wordt overwogen dat dit geluid toelaatbaar is, met inachtneming van de minimaal benodigde geluidwerende maatregelen tot 28 dB. Om het treffen van de benodigde geluidswerende maatregelen aan de gevels te borgen is in de regels van de maatschappelijke bestemming een voorwaardelijke verplichting akoestiek opgenomen. Vanwege de parkeervoorziening treden bij de beoogde woningen behorende tot het plan 'Appelgaerde' de volgende maximale geluidsniveaus op: dichtslaande portieren vakken ten hoogste 64 dB(A) in alle perioden; Hiermee wordt de richtwaarde voor een gemengd gebied (dag/avond/nacht 70 / 65 / 60 dB(A)) in de nachtperiode overschreden. Op basis van de in het Bouwbesluit gestelde eisen bedraagt de geluidwering van de gevels van de bestaande woningen ten minste 20 dB. Dit resulteert in een binnenwaarde van 44 dB(A). Hiermee wordt in de woning wel voldaan aan de in het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarde van 45 dB(A) voor het binnenniveau vanwege piekgeluiden. Met inachtneming van het feit dat de overschrijding uitsluitend in de nachtperiode plaatsvindt waarin men binnen verblijft, wordt overwogen dat dit geluid toelaatbaar is.

4.7.3 Conclusie Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Om het treffen van de benodigde geluidswerende maatregelen aan de gevels te borgen is in de regels van de maatschappelijke bestemming een voorwaardelijke verplichting akoestiek opgenomen. Andersom leidt onderhavige ontwikkeling niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

4.8

Geur

4.8.1 Wettelijk kader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur, vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit is de Wgv met enkele nuance verschillen overgenomen. De Wgv is het toetsingskader voor de vergunningverlening van een omgevingsvergunning onderdeel milieu aan vergunningplichtige bedrijven en het Activiteitenbesluit is het toetsingskader voor de meldingsplichtige bedrijven. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening, dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen, die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Op grond van art. 6 Wgv en art.

3.118 Activiteitenbesluit hebben gemeenten de bevoegdheid om een geurverordening op te stellen waarmee ze voor het aangewezen gebied een afwijkende norm stellen. De gemeente Maasdriel heeft op 16 december 2010 een geurverordening vastgesteld. Hierbinnen zijn de volgende afwijkende geurnormen vastgelegd: 14,0 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in het buitengebied; Tot 8,0 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten binnen bepaalde gebieden binnen de bebouwde 44

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

kom.

4.8.2 Onderzoek De gewenste woningen en woon(zorg)voorzieningen zijn geurgevoelige objecten. Gezien de ligging nabij veehouderijen dient gemotiveerd te worden dat binnen het plangebied sprake zal zijn van een voldoende goed woon- en leefklimaat. Hiertoe is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek geurhinder veehouderijen uitgevoerd (Bijlage 10). Uit de beoordeling volgt onder meer: Omdat wordt aan de afstandseis van 50 meter is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van afstanden. De voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt ten hoogste 1,2 ouE/m3 en is daarmee lager dan de geurnorm van 3 ouE/m3 die voor het betreffende gebied is vastgesteld in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’. Uit tabel 2 in paragraaf 3.4 van de rapportage blijkt dat bij een bij een voorgrondbelasting van 1,2 ouE/m3 sprake is van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt ten hoogste 3,1 ouE/m3. Deze waarde komt volgens tabel 2 in paragraaf 3.4 van de rapportage overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier het geval, de achtergrondbelasting is maatgevend en aanvaardbaar.

Uit de beoordeling binnen het onderzoek blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat veehouderijen niet in de belangen worden geschaad.

4.8.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.9

Spuitzonering

4.9.1 Inleiding Wanneer gevoelige functies zoals woningen gerealiseerd worden in de nabijheid van agrarische percelen moet nagegaan worden welke regels er in het ter plaatse vigerende bestemmingsplan gelden ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Op het moment dat het gebruik hiervan toegestaan is, moet er namelijk rekening gehouden worden met spuitzones. De spuitzone is de ruimte rondom een bepaald gebied waar gewassen bespoten worden. De hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel die in deze zones op de grond of in de lucht terecht ('drift' genaamd) kan komen kan van invloed zijn op de volksgezondheid. In de praktijk wordt een spuitzone aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de grens van het bestemmingsvlak. Deze 50 meter geldt als een vaste richtafstand. Een kleinere afstand is mogelijk, mits goed onderbouwd. In het onderhavige geval zijn de gronden ten noorden, westen en oosten van het plangebied bestemd als 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'. In de feitelijke situatie is enkel op de gronden ten westen en noordoosten van het plan momenteel sprake van een fruitboomgaard (laagstam). Bij een maximale invulling is er echter ook op de overige gronden met de bestemming 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden' sprake van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Deze maximale invulling vormt het uitgangspunt in de beoordeling van het aspect 'spuitzonering'.

ruimte voor ontwikkeling

45

Huidig gebruik agrarische percelen Ten aanzien van de boomgaard ten noordoosten van het plangebied geldt dat deze op voldoende afstand van het plan is gelegen. Er is ten aanzien van deze gronden bovendien sprake van tussenliggende gronden behorende bij het woningbouwplan 'Appelgaerde'. Voor wat betreft de gronden ten oosten van het plangebied geldt dat hier het naastgelegen woningbouwplan Appelgaerde ligt en de agrarische bestemming na inwerkingtreding van het bestemmingsplan aldaar - en daarmee de mogelijkheid tot toepassing van bestrijdingsmiddelen - komt te vervallen. De boomgaard ten westen van het plangebied grenst direct aan het plangebied. Ook de overige gronden met een agrarische bestemming ten noordwesten van het plangebied grenzen direct aan het plangebied. Gelet op het voorgaande liggen de beoogde gevoelige functies ter plaatse van het plangebied binnen 50 meter van de (mogelijk toekomstige) boomgaarden. Dit maakt dat een locatiespecifiek onderzoek naar spuitzones noodzakelijk is om het initiatief mogelijk te maken. Uit dit locatiespecifiek onderzoek moet blijken dat er ter plaatse van de verblijfsgebieden (tuinen inbegrepen) sprake is van een goed woon- en leefklimaat (geen onaanvaardbare risico’s vanwege gebruik van gewasbeschermingsmiddelen).

4.9.2 Resultaten

onderzoek

Door TecMaP is een onderzoek spuitzonering uitgevoerd (Bijlage 11). De conclusie en aanbevelingen luiden als volgt: "Er heeft een locatiespecifiek spuitzone onderzoek plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege aan het plangebied grenzende agrarisch bestemde gronden waarop nu sprake is van fruitboomgaarden (teelt van peren) en waar in de toekomst de komst van fruitboomgaarden niet kan worden uitgesloten. Uit diverse door derden uitgevoerde metingen van deposities en drift wordt het volgende herleid: Bij het mechanisch verwijderen van onkruid en het toepassen van sporen (sproeien) bij de bestrijding van onkruid tussen de boomgaarden is geen sprake van een relevante drift richting gevoelige objecten van derden. Zonder het toepassen van het opwaarts of neerwaarts spuiten van herbiciden zijn er geen beperkingen in de aan te houden afstand tussen de fruitboomgaard en de nieuw te bouwen gevoelige objecten. 46

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

Bij het onder bepaalde omstandigheden noodzakelijk toepassen van herbiciden voor de verwijdering van onkruid tussen de fruitbomen (neerwaarts spuiten) ontstaat op 5 meter van de boomgaard geen relevante drift meer. Ook blijkt dat op een afstand van meer dan 5 meter van de boomgaard geen sprake meer is van een relevante depositie. Wanneer niet kan worden voorkomen dat onder bijzondere omstandigheden ook herbiciden wordt toegepast op de fruitbomen zelf (opwaarts spuiten) dan blijkt uit de metingen dat op een afstand van 7.5 meter van de laatste bomenrij nog sprake kan zijn van een drift van maximaal 21%. Wanneer sprake is van een winterhaag tussen de gevoelige objecten en de percelen met fruitbomen dan is op 7.5 meter afstand nog sprake van een drift van maximaal 4%. Uit bovenstaande blijkt dat op een afstand van 7 ½ meter van de laatste bomenrij sprake is van een dermate lage restconcentratie aan beschermingsmiddelen dat de maximaal acceptabele blootstellingsnormen niet worden niet overschreden. Hierbij is uitgegaan van de maximaal geregistreerde meetwaarden onder meewindcondities (worst-case scenario). Het gebruik van gewas-beschermingsmiddelen (pesticiden) binnen 50 meter van de bestaande woonbestemming is volgens het bestemmingsplan niet toegestaan.

Alleen tijdens opwaarts spuiten van pesticiden (niet verwarren met water met of zonder spore elementen) is een winterhaag noodzakelijk om drift op te vangen in de lagere hoogten in de richting (nieuwe) watergang of gebieden waar mensen kunnen verblijven. Hierbij zijn de meetresultaten gebruikt die zijn verkregen bij het opwaarts spuiten aan fruitbomen. Uit voorzorg, ook vanwege het aspect cumulatie en blootstelling van kinderen, wordt geadviseerd om tussen de verblijfsgebieden en de huidige (ten westen) en mogelijk toekomstige (ten noordwesten) boomgaard aanvullend afschermende maatregelen te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van een windhaag. Deze kan gerealiseerd worden in de voorziene groenbestemming (houtwal). Voor deze windhaag moet worden uitgegaan van de volgende eigenschappen: 1.

Vanwege de omstandigheid dat in een perceel voor fruitbomen ook sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen buiten de volbladperiode moet hierbij gekozen worden voor een niet bladverliezend (wintergroen) vanggewas in de west- en noordzijde van het plan. Qua hoogte van het vanggewas kan worden uitgegaan van 4 meter hetgeen 1 meter hoger is dan de hoogte van de perenteelt. De meetresultaten zijn gebaseerd op deze uitgangspunten. Dit is in de gegeven omstandigheden ruim voldoende uitgaande van voor fruitbomen erkende spuitapparatuur waarbij in principe al bij een lagere hoogte de vereiste driftreductie wordt bereikt. Hiermee wordt ook automatisch voldaan aan de betreffende artikelen uit het Activiteitenbesluit. 2. De haag zal een zodanige dichtheid moeten hebben dat luchtstromen door de haag maximaal worden afgeremd waardoor eventueel in de lucht aanwezige drift zal worden afgevangen in de haag. Een dergelijke dichtheid is aanwezig als de haag niet doorzichtig is, dus dat geen objecten aan de andere zijde van de haag kunnen worden waargenomen. Bij de beschouwing is uitgegaan van een driftreductie van 80% voor de haag. Wanneer naast de haag aanvullend gekozen wordt voor een gesloten geen dampdoorlatende afscherming (glas of corenstalen wand) dan wordt een hogere driftreductie bereikt.

Een combinatie van afscherming met groenvoorziening aan de bovenzijde neemt minder ruimte in beslag en verdient de voorkeur. Gelet op de tijd die naar verwachting benodigd is vooraleer het vanggewas een voldoende omvang en dichtheid heeft bereikt, kan in de planregeling rekening worden gehouden met tijdelijke maatregelen. Zo kan worden voorzien in de realisatie van een (gebouwd) scherm tot het moment waarop een haag de vereiste hoogte en dichtheid heeft verkregen. Het is ook een optie om beperkingen te stellen aan het gebruik van de buitenverblijfruimten in het plan (enkel gebruik als siertuin, geen verblijf in de vorm van terras of speelgelegenheid voor kinderen) totdat de haag is volgroeid. De voorgestelde maatregelen dienen planologisch te worden geborgd."

ruimte voor ontwikkeling

47

4.9.3 Conclusie Er is een onderzoek spuitzonering uitgevoerd. Naar aanleiding van dit onderzoek wordt uit voorzorg geadviseerd om tussen de verblijfsgebieden en de huidige en mogelijk toekomstige boomgaard, ter hoogte van de westelijke en noordelijke grens van het plangebied, aanvullend afschermende maatregelen te nemen. In onderhavig bestemmingsplan zijn de voorgestelde maatregelen juridisch geborgd middels het opnemen van een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van zowel het gebruik van de te realiseren wooneenheden voor dementerenden en het medisch centrum met wooneenheden voor de bijzondere doelgroep als voor de twee vrijstaande woningen in het bebouwingslint van de Hogeweg. Op grond van het onderzoek zal hiermee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Het aspect spuitzonering vormt met inachtneming van de voorwaardelijke verplichting geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10 Externe veiligheid 4.10.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een 48

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.

Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

ruimte voor ontwikkeling

49

4.10.2

Risicovolle

bedrijven

Gelet op de beoogde woon(zorg)functies passen binnen het plangebed geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Uit de signaleringskaart externe veiligheid blijkt, dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor vormt het plaatsgebonden risico van stationaire risicovolle activiteiten geen belemmering voor de planontwikkeling en is geen verantwoording van het groepsrisico nodig.

4.10.3

Vervoer gevaarlijke stoffen

Uit de signaleringskaart externe veiligheid blijkt, dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in ieder geval worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute; de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Met oog op de ligging binnen het toxische invloedsgebied van de Waal heeft Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) in haar advies d.d. 21 juni 2023 aangegeven dat navolgende standaardverantwoording volstaat voor dit scenario. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.

De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. In een later advies van d.d. 16 november 2023 heeft de VRGZ nog aangegeven dat de bouwwerken, om de verblijfsduur in de bouwwerken te verlengen, bij een (dreigende) gifwolk voorzien dienen te worden van handmatig centraal afschakelbare ventilatie. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting ook opgenomen in de regels van onderhavig plan.

50

Rossum en Hurwenen herziening 2023, Hogeweg nabij 26

4.10.4

Buisleidingen

Uit de signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een relevante buisleiding, te weten de hogedruk aardgasleiding W-531-03. Deze buisleiding heeft een grootte van 7 inch en een werkdruk van 40 bar. Het maatgevend scenario is een grote fakkelbrand. Door een breuk van de leiding kan een grote fakkelbrand ontstaan van zo’n 60 meter hoogte. De 100% letaliteitsgrens voor deze hogedruk aardgastransportleiding ligt op maximaal 40 meter en de 1% letaliteitsgrens op maximaal 75 meter. In het advies van de VRGZ d.d. 21 juni 2023 wordt hier ook op ingegaan. Mede naar aanleiding van dit advies is door AVIV een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Bijlage 12). Ten aanzien van de hogedruk aardgasleiding wordt geconcludeerd: "Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde en wijzigt niet door de planontwikkeling. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De beperkte verantwoording is uitgewerkt in hoofdstuk 5 en bijlage 3. Belemmeringenstrook De belemmeringenstrook legt geen beperkingen op aan het plangebied." Ten aanzien van de beperkte verantwoording wordt in het onderzoek externe veiligheid ook verwezen naar het eerder genoemde advies van de VRGZ d.d.

21 juni 2023. In dit advies werden de volgende relevante maatregelen benoemd waarmee men veilig zou kunnen schuilen: Het gebouw uitvoeren met een brandwerende gevel en beglazing; Het gebouw zo inrichten dat vluchten goed mogelijk is; Een voldoende toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorziening. In het advies van 16 november 2023 is door de VRGZ aangegeven welke maatregelen minimaal nodig zijn en uitgevoerd moeten worden: Het veilig ontvluchten van de bron af mogelijk maken. Zorg dat de aansluiting van de vluchtroutes vanuit de bouwwerken van de hogedruk aardgastransportleiding af gericht zijn. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de mobiliteit van de doelgroep waardoor mogelijk een gelijkvloerse vluchtroute noodzakelijk is en de volledige ontruiming van de populatie via de Oostzijde kan geschieden; Het actief informeren van BHV-organisatie over het handelingsperspectief bij een fakkelbrandscenario en dit ook te beoefenen. Indien gepast toepassen van risico- communicatie aan bewoners (afhankelijk van de doelgroep); Gelet op de zeer kleine kans op een fakkelbrandscenario nabij het plangebied, een beperkte toename van het groepsrisico is het raadzaam om het restrisico "expliciet" aan het bevoegd gezag voor te leggen en te "accepteren".

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14061193/1