Ontwerp BP Oostenbroekweg 7 en 19 te Velddriel toelichting en regels
Tekst van het document
4.2 Cultuurhistorie & Archeologie De kaders voor bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden wordt gevormd door de Erfgoedwet en het Bro. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. In het Bro is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Cultuurhistorie Op de cultuurhistorische waardenkaart van Gelderland zijn voor het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waarden aangegeven. De omgeving van het plangebied is aangeduid als een Komontginning wat zich kenmerkt door de regelmatige blok- tot strookvormige indeling.
Met dit bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen buiten het bedrijfsperceel mogelijk gemaakt die zorgen voor een
Hoofdstuk 4
30
nieuwe inbreuk op deze landschapskenmerken. Door het uit te voeren landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 2.2) worden de landschapskenmerken juist versterkt. Dit bestemmingsplan heeft derhalve geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van de regio. Archeologie De gemeente Maasdriel heeft haar archeologische verwachtingswaarden vastgelegd in een archeologische beleidskaart. Hiervan is een uitsnede opgenomen in figuur 4.1. De archeologische verwachtingswaarden zijn verwerkt in dubbelbestemmingen in het vigerende bestemmingsplan. In gedeeltes van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Deze dubbelbestemmingen zijn echter niet opgenomen ter plaatse van het nieuwe kantoor, de silo’s en ter plaatse van de wijzigingsbevoegdheid. Er zijn met deze ontwikkelingen dan ook geen archeologische waarden in het geding. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. In dit bestemmingsplan zijn de archeologische dubbelbestemmingen overgenomen om mogelijk aanwezige archeologische waarden planologisch te beschermen.
Figuur 4.1: uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Maasdriel (bron: RAAP)
4.3 Flora en fauna Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er is een verschuiving opgetreden in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur).
Hoofdstuk 4
31
Doorwerking plangebied Soortenbescherming Ter plaatse van het nieuwe kantoorpand, de silo’s, de beoogde nieuwe bebouwing binnen het bouwvlak en de wijzigingsbevoegdheid zijn de gronden reeds intensief in gebruik als bedrijfsperceel. De gronden zijn tevens verhard of bebouwd. Op voorhand is vast te stellen dat de gronden op geen enkele manier geschikt zijn als leef- of foerageergebied van beschermde flora- en faunasoorten. In het geval van sloop of verbouw e.d. in de toekomst, dan geldt op grond van de Wet natuurbescherming het zorgplichtbeginsel dat op dat moment aanleiding kan geven tot het verrichten van onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Bij toepassing van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid zal dit bijvoorbeeld (dan) het geval zijn. Gelet op het huidige gebruik en de huidige inrichting kan op voorhand redelijkerwijs worden gesteld dat dit aspect de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid niet in de weg staat. Gebiedsbescherming Het plangebied is verder geen onderdeel van een beschermd natuurgebied (Natura-2000 of GNN). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof.
Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Vanwege de actuele stikstofproblematiek (uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 mei 2019) wordt dit aspect wel nader beschouwd. De toekomstige ontwikkelingen leiden niet tot een toename van de stikstofdepositie ten aanzien van het gebruik. Deze ontwikkelingen zijn enkel bedoeld voor een efficiëntere bedrijfsvoering. De uitbreiding het bouwvlak, die in geborgd is in de wijzigingsbevoegdheid, is bedoeld om een werkplaats en een bedrijfshal waarmee het (spoel)watersysteem beter kan worden ingericht. Daarnaast is dan ook het ontsmetten met stoom niet meer nodig. Er kan namelijk maximaal gebruik worden gemaakt van de natuurlijke temperaturen. Dit leidt tot aanzienlijke verlaging van het gasverbruik wat een positieve invloed heeft op de stikstofdepositie. Voor de beoogde uitbreiding van bebouwing binnen het bestaande bouwvlak geldt dat deze dient om de vergunde hoeveelheid grondstoffen te kunnen verwerken en de vergunde hoeveelheid substraat te kunnen verwerken. Hiermee is evenmin sprake van additionele stikstofdepositie. Zorgvuldigheidshalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de toekomstige situatie, waarin ook (onverplicht) de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is meegenomen. Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen.
Uit de berekening volgt dat er geen deposities >0,00 mol/ha/j op stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden optreden als gevolg van het plan. Negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden kunnen derhalve uitgesloten worden. Er is geen passende beoordeling noodzakelijk. De provincie Gelderland heeft haar natuurbeleid uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN), als provinciale equivalent van het NNN, en Groene Ontwikkelingszone (GO). De gronden van het plangebied zijn niet gelegen binnen de grenzen van het GNN en GO. Effecten in de vorm van ruimtebeslag zijn daarmee uitgesloten. In de (wijde) omgeving zijn wel gebieden aanwezig die deel uitmaken van het GNN en GO. De afstand tot deze gebieden bedraagt minimaal 750 meter. De provincie hanteert voor het GNN en GO evenwel geen externe werking. Bovendien is niet aannemelijk dat effecten zullen ontstaan. Het bestemmingsplan voorziet in een toereikende planologische regeling voor in hoofzaak bestaand en vergund gebruik. De gevolgen voor het milieu veranderen niet. Er worden bij recht geen nieuwe activiteiten toegelaten en de milieugevolgen zijn direct gerelateerd aan de maximale productiehoeveelheid, welke productiehoeveelheid zelfs is vastgelegd in de planregels.
Hoofdstuk 4
32
Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden is niet van toepassing op het plan. Het plan leidt niet tot kap van houtopstanden. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het plan.
4.4 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Waterschap Rivierenland Het vigerende beleidskader van het waterschap Rivierenland is het Waterbeheerprogramma 20222027. In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Maasdriel behoort tot het deelgebied Altena en Bommelerwaard.
Kerntaken van het waterschap zijn: Dagelijks beheer van water en dijken; Beschermen tegen overstromingen; Water eerlijk verdelen; Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie); Werken aan schoon water; Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven. Doorwerking plangebied Afvalwater In de huidige situatie is er reeds een afvalwatervoorziening in het plangebied aanwezig. Het nieuwe kantoorgebouw en de silo’s hebben geen toename van het afvalwater tot gevolg. Het gebruik blijft namelijk hetzelfde. Door de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing die met de wijzigingsbevoegdheid wordt beoogd neemt het gebruik van het afvalwater juist aanzienlijk af. Er zijn in dit opzicht hoe dan ook geen belemmeringen te verwachten. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een, als zodanig ook bestemde, A-watergang tussen Oostenbroekweg 7 en 19 en een waterberging langs de zuidzijde van het perceel
Hoofdstuk 4
33
Oostenbroekweg 19. De ontwikkelingen hebben geen invloed op het oppervlaktewater. Enige aanpassing aan deze watergang is niet aan de orde en de bestaande bebouwing noch het wijzigingsgebied liggen binnen de beschermingszone van de watergang. De Keur van het waterschap geldt (rechtstreeks) in geval van eventuele werkzaamheden in de toekomst. Hemelwater Het kantoorgebouw, de silo’s en de beoogde bebouwing binnen het huidige bouwvlak worden op reeds verharde gronden gerealiseerd. Deze ontwikkelingen hebben daarmee geen toename van het verhard oppervlakte tot gevolg en hebben geen invloed op de afwikkeling van het hemelwater. Omdat geen sprake is van een toename van verharding eist het Waterschap Rivierenland niet dat wordt zorggedragen voor compenserende waterberging (vgl. art. 3.4 Keur en paragraaf 5.16 ‘Beleidsregels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014’). De gronden ter plaatse van de wijzigingsbevoegdheid zijn gedeeltelijk onverhard. Hier kan een toekomstige uitbreiding dus gevolgen hebben voor de afwikkeling van het hemelwater. Omdat er momenteel nog geen volledig concrete bouwplannen voor deze nieuwbouw zijn, dient tijdens de wijzigingsprocedure de eventuele watercompensatie berekend en aangetoond te worden en dient het waterschap om advies te worden gevraagd. Er is op het perceel voldoende ruimte voorhanden om eventueel benodigde voorzieningen te treffen.
In de wijzigingsvoorwaarden is opgenomen dat een (positief) advies van het waterschap dient te zijn verkregen. Voor de bestaande bebouwing is in het verleden reeds voldoende watercompensatie aangelegd. Op 8 september 2015 heeft het waterschap aan het bedrijf Hooymans een watervergunning verleend (508710-328628) voor het graven van compenserende waterberging. In juni 2013 heeft het waterschap aan Richamp een watervergunning verleend (OLO: 869951) voor het graven van compenserende waterberging. Deze retentievoorzieningen zijn al geruime tijd geleden gerealiseerd. Conclusie Dit bestemmingsplan betreft samenvattend een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het verhard oppervlakte in het plangebied blijft door onderhavige ontwikkeling gelijk. Er zijn thans geen nadere compenserende maatregelen noodzakelijk. Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.5 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Omdat er geen sprake is van een wijziging van de bestemming (het plangebied blijft de bestemming ‘Bedrijf’ behouden), maar slechts een beperkte uitbreiding plaats vindt (kantoorgebouw en silo’s) is er geen sprake van een bestemmingswijziging naar een bodemgevoeliger gebruik.
Hoofdstuk 4
34
Voor het te bouwen kantoor van Hooymans Substrates BV (namelijk een gebouw waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven) zal gelden dat voor het verlenen van een vergunning voor bouwen bodemonderzoek zal moeten worden uitgevoerd. Onderzoek is derhalve eerst dan aan de orde. Op advies van de Omgevingsdienst is al wel een historisch vooronderzoek gedaan dat als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd. Uit het vooronderzoek volgt, terwijl de afgelopen jaren geen sprake is geweest van ander gebruik, dat er geen aanleiding is om ernstige bodemverontreinigingen te vermoeden (inclusief asbest) ter plaatse van het nieuwe kantoor. Het vooronderzoek geeft thans geen aanleiding tot nader onderzoek. De bodemkwaliteit is naar kan worden aangenomen geschikt bevonden voor het beoogde gebruik en vormt geen belemmering. Ook niet wat betreft de uitvoerbaarheid van het plan. Ter plaatse van de gronden waarvoor de wijzigingsbevoegdheid zal gelden zijn de gronden reeds grotendeels onderzocht door middel van een verkennend bodemonderzoek (Verhoeven Milieutechniek, B17.6765/Brfrpp-01/MS, d.d. 28 juli 2017). Hieruit is gebleken dat in de gronden maximaal licht verhoogde gehalten zijn vastgesteld. De gronden ter plaatse van de wijzigingsbevoegdheid zijn dan ook onverdacht van verontreinigingen.
Wanneer in de toekomst een wijzigingsplan wordt opgesteld wordt het aspect bodem dan, zoals te doen gebruikelijk, nader uitgewerkt. Voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan vormt het aspect bodem in ieder geval geen belemmering.
4.6 Bedrijven en milieuzonering en geluid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de VNG6. In de tabel behorende bij de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG, zijn functies opgenomen die zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per functie is aangegeven wat de indicatieve afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk, of waar door onderzoek is aangetoond dat geen sprake is van een overbelaste situatie. Doorwerking plangebied In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als ‘rustig buitengebied’.
Met dit bestemmingsplan vindt geen wijziging van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de vergunde situatie plaats. Het kantoorgebouw, de silo’s, de bebouwingsuitbreiding binnen het bouwvlak en de wijzigingsbevoegdheid maken geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk. De ontwikkelingen passen in de milieucategorie van de bestaande bedrijven. Daarnaast worden de bestemmingsvlakken ‘Bedrijf’ niet vergroot. Dit bestemmingsplan leidt dan ook niet tot een toename van of andere milieuhinder bij omliggende milieugevoelige functies. Tevens worden er geen milieugevoelige functies ontwikkeld zodat de bedrijven en omliggende bedrijven niet in hun belangen worden geschaad.
6
Bedrijven en milieuzonering, editie 2009
Hoofdstuk 4
35
Hoewel het gaat om een bestaande situatie waarvoor de VNG-brochure niet is opgesteld, volgt eruit dat de bedrijfsactiviteiten van de bedrijven in het plangebied vallen onder milieucategorie 4.1. De (grootste) bijbehorende indicatieve richtafstand betreft 200 meter. Omliggende (bedrijfs)woningen liggen op een afstand van circa 200-400 meter ten opzichte van de maatgevende composteeractiviteiten (zie figuur 4.2). Er wordt in de regel voldaan aan de richtafstand. Ten opzichte van de twee dichtstbij gelegen (dus maatgevende) woningen (zijnde Drielse Veldweg 1a en 5) geldt voorts dat de reeds vigerende bedrijfsbestemming niet wordt uitgebreid in de richting van deze woningen. Dit is (planologisch bezien) wel het geval voor een aantal (bedrijfs)woningen die zijn gelegen ten oosten van het noordoostelijke deel van het achterterrein van Richamp. Echter, die gronden zijn – zoals in deze plantoelichting al is beschreven - altijd door het bedrijf vergund in gebruik geweest, zijn gelegen buiten het bouwvlak en het leidt derhalve niet tot grotere of andere gevolgen voor de omgeving, waarbij voorts geldt dat ook dan en daar in de regel wordt voldaan aan de genoemde indicatieve afstand.
Figuur 4.2: afstand omliggende (bedrijfs)woningen ten opzichte van bedrijfslocaties in plangebied
Aanvullend wordt het volgende opgemerkt. Voor de bedrijven gelden geluidgrenswaarden op grond van het Activiteitenbesluit. Uit onderzoeken die deel uitmaken van de aan de bedrijven verleende vergunningen volgt dat de bedrijven aan die grenswaarden voldoen. Ten aanzien van de bedrijven geldt voorts dat eind 2020 controlemetingen en berekeningen hebben plaatsgevonden na het vervangen van installaties en het treffen van voorzieningen. Deze zijn getoetst door de omgevingsdienst. Uit die rapportages blijkt dat de bedrijven voldoen aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Voorts blijkt uit de onderzoeken dat de geluidimmissies op de gevels van in de omgeving van de bedrijven gelegen woningen (dit betreft overigens vooral bedrijfswoningen) van dien aard zijn dat redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De etmaalwaarden in dB(A) zijn namelijk gelegen tussen de 26 en 44 (vanwege het bedrijf Oostenbroekweg 19) en 35 en 44 (vanwege het bedrijf Oostenbroekweg 7). Daarenboven geldt dat het onderhavige bestemmingsplan slechts voorziet in beperkte uitbreiding van de toegestane bedrijfsbebouwing om een vervangend kantoorgebouw en silo’s te kunnen bouwen. Dit
Hoofdstuk 4
36
zijn geen andere noch grotere milieubelastende activiteiten en deze hebben geen (extra) invloed op de omgeving ten opzichte van de bestaande legale situatie. Daarnaast wordt binnen het bestaande bouwvlak een relatief geringe uitbreiding van bebouwing voorzien, welke nodig is om de reeds vergunde hoeveelheid grondstoffen te kunnen verwerken c.q. de vergunde hoeveelheid product te kunnen produceren. De vergunde maximale omvang daarvan is in de conceptplanregels vastgelegd. De wijzigingsbevoegdheid moet in de toekomst een uitbreiding van het bouwvlak mogelijk maken om een werkplaats en een bedrijfshal te bouwen. De bedrijfshal is enkel en alleen bedoeld voor een efficiëntere inrichting van het (spoel)watersysteem in het bedrijfsproces. Hierdoor kan een aanzienlijke hoeveelheid aan schoon drinkwater worden bespaard. Wat in alle opzichten beter is voor het milieu. Er worden derhalve geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Aanvullend is het volgende van belang. Wat met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt leidt niet tot een toename van (voor geluid relevant) verkeer. Een uitbreiding van de hoeveelheid product en het daarmee inherent samenhangend aantal vervoersbewegingen is niet aan de orde. Deze hoeveelheden liggen vast, zowel in de betreffende vergunningen als in dit bestemmingsplan.
Conclusie Er zijn vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.7 Geur Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Daarnaast geldt voor geurrelevante bedrijven dat gelet op het vereiste van een goede ruimtelijke ordening sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig of planologisch toegestaan. Het bestemmingsplan brengt daarin geen verandering en laat ook geen geurgevoelige objecten toe. De Wgv staat aan het plan dan ook niet in de weg.
Het thema ‘geur’ is niet alleen in het kader van de Wgv relevant, maar speelt ook bij het onderdeel ‘Bedrijven en milieuzonering’. Dit is in de voorgaande paragraaf reeds behandeld. Gebleken is dat de richtafstanden van de bedrijven in het plangebied, ook met betrekking tot het onderdeel geurhinder, niet over omliggende milieugevoelige functies reiken. Derhalve is een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in dit opzicht uitgesloten.
Hoofdstuk 4
37
Daarbij geldt dat hetgeen het bestemmingsplan toelaat niet zal leiden tot een toename van geur ten opzichte van hetgeen de bedrijven ten tijde c.q. onder het regime van het vigerende planologische kader is vergund. Het toelaten van enkele al jarenlang bestaande gebouwtjes en onderdelen hebben geen effect op de omgeving. Het vervangen van het kantoor ook niet. De wijzigingsbevoegdheid, voor de toepassing waarvan een groot aantal voorwaarden gelden, geeft geen planologische uitbreidingsmogelijkheid bij recht. Daarenboven geldt dat ook dan de maximale, reeds vergunde, productiehoeveelheid zal (blijven) gelden. De vergunde mate van geur ten gevolge van de activiteiten van de bedrijven, die onlosmakelijk samenhangt met de productiehoeveelheid, zal derhalve niet wijzigen.
4.8 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van (de uitvoerbaarheid van) het initiatief. In het plangebied loopt een rioolleiding die planologisch beschermd is. Deze beschermingszone is in dit bestemmingsplan overgenomen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.
4.9 Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt in het kader van de Wet geluidhinder. Daarnaast is er geen sprake van een gezoneerd industrieterrein. De Wet geluidhinder legt dan ook geen restricties aan dit bestemmingsplan.
4.10 Verkeer en parkeren In het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019’ is bepaald dat er voldoende parkeergelegenheid conform het ‘Mobiliteitsplan Maasdriel 2020’ gerealiseerd moet worden. Dit mobiliteitsplan verwijst naar de gemeentelijke parkeernormen. De actuele gemeentelijke parkeernormen zijn opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen 2020 gemeente Maasdriel’ (Nota). Doorwerking plangebied Parkeerbehoefte Voor bedrijven geldt conform de Nota en het Gemeentelijk Verkeer- en vervoerplan Maasdriel 2019 dat de gehele parkeervraag (personeel en eventuele bezoekers) op eigen terrein moet worden opgelost. De verwijzing naar de parkeernormen uit de Nota leidt in het geval van beide bedrijven in het plangebied niet tot een realistische parkeerbalans. De in de Nota neergelegde parkeernormen zijn niet
Hoofdstuk 4
38
representatief voor arbeidsextensieve bedrijven van deze omgang. Omdat de normen uitgaan van parkeerplaatsen per 100 m2 BVO, zou dat bij de onderhavige bedrijven gezien de grote omvang leiden tot het realiseren van veel meer parkeerplaatsen dan nodig en dan thans aanwezig. Niet alleen zou dit tot hoge onnodige kosten leiden, maar ook tot verlies aan ruimte(lijke uitstraling). Beide bedrijven zorgen en blijven er echter voor zorgen dat er meer dan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein is voor werknemers, bezoekers en leveranciers. In de regels van dit bestemmingsplan (artikel 11.3) wordt voorzien in de verplichting van het parkeren/stallen van vrachtwagens op eigen terrein en in het realiseren van een toereikend aantal parkeerplaatsen op eigen terrein voor werknemers, bezoekers en leveranciers. Op deze wijze is planologisch voldoende geborgd dat op eigen terrein in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien, een en ander in lijn met het uitgangspunt van het gemeentelijk parkeerbeleid. Verkeersgeneratie Er worden met dit bestemmingsplan weliswaar andere mogelijkheden geboden, deze gaan evenwel niet verder dan hetgeen in het kader van de milieuvergunningen op beide locaties is vergund. Een uitbreiding van de hoeveelheid product en het daarmee samenhangende aantal vervoersbewegingen is niet aan de orde.
Deze hoeveelheden liggen vast, zowel in de betreffende vergunningen als in dit bestemmingsplan. Per locatie wordt op de bestaande en toekomstige hoeveelheden verkeersbewegingen ingegaan. Verkeersbewegingen Oostenbroekweg 7 De verkeersbewegingen van de locatie Oostenbroekweg 7 zijn vastgelegd in de op 20 mei 2016 verleende vergunning met kenmerk 021414477. In de planregels is de maximale productiehoeveelheid per jaar vastgelegd. De verkeersbewegingen van de vrachtwagens zijn in beeld gebracht aan de hand van de hierbij vergunde bedrijfsactiviteiten, zie onderstaande tabel. Dit aangevuld met vrachtwagenbewegingen voor onderhoud e.d. (worst case ingeschat op een gemiddelde van 5/week). Activiteit
Aantal vrachtwagens (aantallen per week)
Aanvoer grondstoffen Paardenmest en stro Kippenmest Gips Champignons van elders voor evacuatie Dekaarde Broed
45 7 2 7 4 1
Afvoer Substraat Champost Champignons Overige Afvalstoffen
50 10 14 4 1
Onderhoud
5
Totaal aantal vrachtwagens
150/week
Hoofdstuk 4
39
Activiteit Totaal aantal verkeersbewegingen
Aantal vrachtwagens (aantallen per week) 300/week
Het bedrijf heeft daarnaast 33 weknemers in dienst en ca. 10 bezoekers per dag. Dit resulteert in 420 verkeersbewegingen (auto’s) per week. Uitgaande van 5 werkdagen per week is er in de huidige situatie sprake van gemiddeld 60 vrachtwagenbewegingen en 84 autobewegingen per werkdag. De bereden routes zijn als volgt. De lege vrachtwagens rijden via Laarstraat, Duitse Weistraat, Wordenseweg, Provincialeweg richting A2. Volle vrachtwagens rijden via de Selikstraat, Laarstraat, Oostenbroekweg. Alleen ter plaatse van de Oostenbroekweg komen zowel de volle als de lege vrachtwagens. De verkeersintensiteit van de Oostenbroekweg is echter zo laag dat dit niet tot problemen leidt. Langs deze weg zijn enkel de beide bedrijven in het plangebied en een aantal agrarische percelen. Tevens staan er geen woningen of andere milieugevoelige functies aan deze straat en betreft dit geen doorgaande verbinding tussen andere wegen. Daar de verkeersbewegingen vergund zijn, zijn de effecten op het weggennet reeds bekend en is de infrastructuur in staat de verkeersbewegingen te verwerken. Met dit bestemmingsplan worden ter plaatse van deze locatie geen uitbreidingsmogelijkheden gerealiseerd. Weliswaar wordt het bouwvlak op enkele plekken vergroot, maar dit heeft enkel tot doel de huidige vergunde situatie planologisch te borgen.
Verkeersbewegingen Oostenbroekweg 19 (huidige situatie) De verkeersbewegingen van de locatie Oostenbroekweg 19 zijn vastgelegd in het “Akoestisch rapportindustrielawaai Hooymans Compost i.h.k.v. de wijzigingsvergunning (kenmerk 10040-10), d.d. 5 april 2018”. De verkeersbewegingen van de vrachtwagens zijn bepaald aan de hand van de hoeveelheid transport. In de planregels is de maximale vergunde productiehoeveelheid per jaar vastgelegd. De totale transport hoeveelheid per week in tonnen bedraagt: 4.500 ton aanvoer grondstoffen 4.360 ton afvoer product. De totale hoeveelheid van 8.860 ton per week, gedeeld door een capaciteit van 31 ton per vrachtwagen geeft een benodigd aantal vrachtwagens van 286 per week. Verspreid over vijf werkdagen zijn dit 57 vrachtwagens en dus 114 vervoersbewegingen met vrachtwagens per dag. Dit betreft de bestaande vergunde situatie. De bereden routes zijn evenals de locatie Oostenbroekweg 7 als volgt. De lege vrachtwagens rijden via Laarstraat, Duitse Weistraat, Wordenseweg, Provincialeweg richting A2. Volle vrachtwagens rijden via de Selikstraat, Laarstraat, Oostenbroekweg. Alleen ter plaatse van de Oostenbroekweg komen zowel de volle als de lege vrachtwagens. De verkeersintensiteit van de Oostenbroekweg is echter zo laag dat dit niet tot problemen leidt.
Langs deze weg zijn enkel de beide bedrijven in het plangebied en een aantal agrarische percelen. Tevens staan er geen woningen of andere milieugevoelige functies aan deze straat en betreft dit geen doorgaande verbinding tussen andere wegen. Daar de verkeersbewegingen vergund zijn, zijn de effecten op het weggennet reeds bekend en is de infrastructuur in staat de verkeersbewegingen te verwerken. Ontwikkelingen Oostenbroekweg 19 Met dit bestemmingsplan worden ter plaatse van de locatie Oostenbroekweg 19 in beginsel geen uitbreidingsmogelijkheden gerealiseerd. Weliswaar wordt het bouwvlak op enkele plekken vergroot,
Hoofdstuk 4
40
maar dit heeft enkel tot doel de huidige vergunde situatie planologisch te borgen. Uitgezonderd is de mogelijkheid voor een nieuw kantoorgebouw tot maximaal 1.000 m². Dit betreft een nieuwe ontwikkeling, maar deze dient voor de optimalisering van de bestaande bedrijfsprocessen en de facto als vervanging van het bestaande kantoor. Niet de verwachting is dat de uitbreiding een wezenlijke verandering in het aantal medewerkers en/of bezoekers van het bedrijf met zich meebrengt. Vanuit een worst case benadering is niettemin de theoretische verkeersgeneratie voor deze ontwikkeling in beeld gebracht. Uitgaande van 7,9 verkeersbewegingen per 100 m² bvo conform de kencijfers van het CROW zijn dit 79 autobewegingen per werkdag. De met deze ontwikkeling gepaarde verkeersbewegingen zijn derhalve zeer gering. Er kan op voorhand worden gesteld dat dit geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen oplevert. Wat betreft de beoogde toekomstige uitbreiding van gebouwen binnen het bouwvlak ter plaatse van Oostenbroekweg 19, ziet die uitbreiding uitsluitend op het verwerken van de reeds thans vergunde hoeveelheid grondstoffen c.q. de vergunde hoeveelheid te produceren product. Dat heeft derhalve geen gevolgen voor de weergegeven verkeerssituatie. Het aantal vervoersbewegingen noch de wijze van afwikkeling van het verkeer wijzigen.
Eventuele uitbreidingen die wel leiden tot een toename van de hoeveelheid grondstoffen of product ten opzichte van de geldende vergunningen, zullen alleen kunnen worden gerealiseerd na het daarvoor verkrijgen van omgevingsvergunning(en) voor de activiteit milieu. In dit bestemmingsplan is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die een bouwvlakvergroting mogelijk kan maken, ten behoeve van nieuwe bedrijfsbebouwing. Het gaat hierbij om een verbreding van de meest zuidelijke gelegen bedrijfshal en een werkplaats voor de opslag en materiaal en materieel en voor herstel- maakwerkzaamheden. De mogelijke uitbreiding van de bedrijfshal is enkel bedoeld om het bestaande bedrijfsproces efficiënter in te richten, de productiecapaciteit wordt daardoor niet verhoogd. Deze uitbreiding stelt het bedrijf namelijk in staat om het (spoel)watersysteem in de hallen beter te organiseren. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid geldt derhalve dat deze uitbreiding dient ter vergroting van de efficiëntie van de bedrijfsvoering en niet strekt tot een toename van de vergunde hoeveelheid grondstoffen of product. Dit is conform de planregels ook niet mogelijk. Daarbij is in de voorwaarden bij de wijzigingsbevoegdheid bepaald, dat gebruik van de bevoegdheid niet mag leiden tot onevenredige aantasting van het belang van een adequate verkeersafwikkeling.
Gelet op het doel van de beoogde vergroting bestaat er op voorhand geen twijfel dat aan deze voorwaarde zal worden voldaan. Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zal niet leiden tot een (relevante) wijziging van het aantal vervoersbewegingen ten opzichte van de vergunde situatie, noch tot een wijziging van de wijze van verkeersafwikkeling. Conclusie De totale verkeersgeneratie van beide bedrijven levert geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen op. Het verkeer kan op adequate wijze door de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. De toename van het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie ten opzichte van de vergunde situatie betreft uitsluitend licht verkeer en is te verwaarlozen.
4.11 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal
Hoofdstuk 4
41
één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid7: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Dit volgt uit artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM. b.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende categorieën: woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan; Inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Veehouderijen van beperkte omvang zijn nog niet in de Regeling NIBM opgenomen, dit zal op een later moment wel gebeuren. Daarnaast is een voorschrift gereserveerd voor defensie-inrichtingen, maar hieraan is nog geen invulling gegeven. Doorwerking plangebied Onderhavig planvoornemen leidt niet tot een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten.
Enkel de realisatie van een nieuw kantoor (maximaal 1.000 m² bvo) leidt tot een (slechts theoretische want het aantal gebruikers zal niet of niet in relevante mate plaatsvinden) verkeerstoename van maximaal 79 autobewegingen per werkdag. Daarnaast wordt met toepassing van de in de bestemming ‘Bedrijf’ ter plaatse
7
let wel op een zorgvuldige belangenafweging, en het (toekomstige) Besluit gevoelige bestemmingen
Hoofdstuk 4
42
van Oostenbroekweg 19 opgenomen wijzigingsbevoegdheid, het toevoegen van extra bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt. De maximale productiecapaciteit, zoals vastgelegd in de planregels, mag daarbij niet worden vergroot. Niet aannemelijk is dus dat toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid tot een (relevante) toename van het aantal verkeersbewegingen zal leiden (zie voorgaand reeds de paragraaf ‘Verkeer en parkeren’). Hiermee is op voorhand duidelijk dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Een luchtkwaliteitsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat het voorliggende bestemmingsplan geen nadelige invloed heeft op de luchtkwaliteit.
4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico (dat aan activiteiten verbonden is) voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid (meer personen toevoegen aan een gebied) kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Doorwerking plangebied Binnen externe veiligheid zijn twee aspecten te onderscheiden: externe veiligheidsaspecten van inrichtingen en leidingen en van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Volgens de Risicokaart ligt de dichtstbijzijnde inrichting op circa 1,5 kilometer, de dichtstbijzijnde buisleiding op circa 2,88 kilometer en de dichtstbijzijnde transportroute (de rijksweg A2) op circa 2,33 kilometer van het plangebied. Het plangebied ligt ruim buiten de aan te houden risicoafstanden. Daarnaast neemt de personendichtheid in het plangebied niet toe ten gevolge van dit bestemmingsplan. De bedrijven in het plangebied hebben circa 60 medewerkers ter plaatse en doorgaans enkele bezoekers. Dat aantal niet neemt niet (in relevante mate) toe. Vanuit externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten.
Hoofdstuk 4
43
5.
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels De regels geven aan wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn binnen het plangebied. Uitgegaan is van de standaarden, die de gemeente hanteert. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2 en 5.3.
5.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Agrarisch’ en ‘Water’ opgenomen. Verder zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Archeologie 5’ en ‘Leiding – Riool’ opgenomen.
5.3 Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de opgenomen (dubbel)bestemmingen. Voor een uitgebreide toelichting op de hieraan ten grondslag liggende overwegingen en keuzes wordt verwezen naar hoofdstuk 2. Hierin zijn de diverse wijzigingen en de ontwikkelingen reeds beschreven. Met de opgenomen bouw- en gebruiksmogelijkheden is beoogd om een actueel en toekomstbestendig juridisch-planologisch kader te bieden, in overeenstemming met de vergunde situatie op beide locaties, alsmede de beschreven ontwikkelingen. Agrarisch Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de westelijke zone langs de Oostenbroekweg, alsmede ten zuiden van de locaties. Binnen deze bestemming is grondgebonden agrarisch grondgebruik toegestaan, alsmede waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik. Met de bestemming wordt tevens bescherming, behoud en herstel van landschapselementen en landschaps- en natuurwaarden beoogd. Voorts zijn bijbehorende voorzieningen, zoals parkeervoorzienin-
Hoofdstuk 5
44
gen en inritten toegestaan. Verharde parkeervoorzieningen ten dienste van de aangrenzende bedrijven zijn toegestaan op voorwaarde van aanleg en instandhouding van de relevante onderdelen van het landschappelijk inpassingsplan. Deze zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan. Bedrijf Beide bedrijfslocaties hebben de bestemming ‘Bedrijf’ gekregen. Binnen deze bestemming zijn aan het buitengebied gerelateerde bedrijven toegestaan, alsmede een substraatbedrijf (op beide locaties) en een champignonkwekerij met evacuatie van champignons (locatie Oostenbroekweg 7). Voorts zijn bijbehorende voorzieningen, zoals parkeer- en ontsluitingsvoorzieningen, buitenopslag en groenvoorzieningen toegestaan. In de begripsbepalingen (artikel 1 van de planregels) is verduidelijkt wat wordt verstaan onder een substraatbedrijf en evacuatie van champignons. De maximale productiehoeveelheden aan substraat zijn per bedrijfslocatie in de planregels vastgelegd, een en ander conform de vergunde situatie. Tevens is de maximum oppervlakte voor een gebruik voor evacuatie van champignons op de locatie Oostenbroekweg 7 opgenomen. Beide locaties zijn voorzien van een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen dienen te worden opgericht.
Buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede, na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, kleinschalige gebouwtjes in de voor van besturingsruimten en nutsvoorzieningen worden gebouwd. De maximum bouwhoogten van de gebouwen binnen het bouwvlak bedraagt 10 meter, tenzij anders op de verbeelding aangegeven. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden binnen het bouwvlak dezelfde hoogten; buiten het bouwvlak zijn hiervoor separate bouwregels opgenomen. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om, onder voorwaarden, het bouwvlak ter plaatse van Oostenbroekweg 19 uit te breiden. De daarvoor bestemde zone is aangeduid op de verbeelding. Deze nieuwe bebouwing mag uitsluitend worden opgericht onder voorwaarden, waaronder de voorwaarde van tijdige realisatie en instandhouding van de voorgestelde landschappelijke inpassingsmaatregelen rondom dit perceel. Water De A-watergang tussen beide bedrijfspercelen blijft bestemd als ‘Water. De gronden zijn bestemd voor watergangen, waterpartijen, natuurvriendelijke oevers, berging en afvoer van water, e.d. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd binnen de bestemming. Waarde – Archeologie 4 en 5 Deze bestemmingen voorzien in het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
Indien de betreffende drempelwaarden worden overschreden, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Leiding – Riool De bestaande rioolleiding tussen beide bedrijfspercelen blijft bestemd als ‘Leiding – Riool’. De dubbelbestemming stelt beperkingen aan het bouwen op deze gronden en het uitvoeren van werkzaamheden.
Hoofdstuk 5
45
5.4 Toelichting op de regels Hieronder volgt een toelichting op hoofdstuk 1, 3 en 4 van de regels. Hoofdstuk 1. Inleidende regels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat bepalingen die van toepassing zijn op het gehele plangebied zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijk hoofdstuk onder te brengen. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik onder het overgangsrecht vallen.
Hoofdstuk 5
46
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
6.1 Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Kosten in het kader van planschade worden niet voorzien, maar als dat aan de orde is zal daar een planschadeverhaalovereenkomst voor worden gemaakt waarin wordt vastgelegd dat initiatiefnemer eventuele planschade zal dragen. Daarnaast kan het kostenverhaal door middel van het afsluiten van anterieure overeenkomsten met de bedrijven anderszins worden verzekerd. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk.
6.2 Financiële haalbaarheid De bedrijven beschikken over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
Hoofdstuk 6
47
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart.
7.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan plan worden geïnformeerd. De reacties van deze instanties worden in dit plan verwerkt.
7.2 Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Het plan zal daarna, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad.
7.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 7
48
BIJLAGEN
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing
Landschappelijke inpassing
Het plangebied is gelegen in de Drielsche broek wat onderdeel is van het kommenlandschap en de Bommelerwaard. In de open kommen komen veel weides voor, hier en daar onderbroken door verspreid liggende bebouwing, populierenbossen en wilgen-grienden. 1. Bomenrand aanplanten Door een bomenrand aan te planten wordt de regelmatige stroken- en blokverkaveling van het kommenlandschap versterkt. Er zal deels gebruik gemaakt worden van populieren om aan te sluiten op de waardevolle bestaande populierenlaan die de Oostenboekweg begeleidt. De soort is snelgroeiend waardoor de grote bebouwing snel aan het zicht onttrokken wordt. Daarnaast worden bij de parkeerplaats en in de housingel ook Eiken, Esdoorns en Lindes aangeplant. Deze soorten zijn toekomstbestendiger en de variatie brengt een grotere biodiversiteit met zich mee; 2. Zichtlijn vrijhouden Het kleinschalig slotenstelsel voedt de grote weteringen zoals de Drielsche Wetering en Hoofdwetering. Dit zijn historisch gezien belangrijke watergangen die nog altijd zichtbaar zijn in het landschap. De as van de Drielsche Wetering blijft open om deze zichtlijn te behouden; 3. Aanplant van bomen bij de parkeerplaats Door bomen op de parkeerplaats aan te planten krijgt deze een groene uitstraling. In de sortimentskeuze zal aangesloten worden bij maatrgel nr. 1; 4.
Aanplant van lage hagen Door de aanplant van lage Meidoornhagen zal het bedrijventerrein een duidelijke overgang krijgen tussen publiek en privaat. Door de hagen ca. 1 meter hoog te houden is het bedrijventerrein goed te overzien en zullen de auto’s toch grotendeels aan het zicht worden ontrokken;
1
5. Gebruik maken van grasbetontegels In de strook tussen de openbare weg en het bedrijf worden grasbetontegels geplaatst zodat er op deze plekken geparkeerd kan worden en tevens de groene uitstaling behouden blijft;
Bestaande bebouwing
6. Aanvullen van knotwilgen Veel voorkomende beplanting in Drielsche Broek zijn wilgengrienden. Naast de watergang ten zuiden van het terrein staan al knotwilgen en zullen worden aangevuld richting het oosten;
2
7. Toevoegen van een houtsingel met boomvormers Door de houtsingel met boomvormers zal een groot gedeelte van de panden aan het zicht worden onttrokken en kan er een goede overgang gemaakt worden naar het omliggende landschap. Het heeft ook een ecologische meerwaarde. Bij de aanplant wordt gekozen voor een zo groot mogelijke variatie van inheemse soorten als Sporkehout, Meidoorn, Zuurbes, Liguster, Kardinaalsmuts, Kornoelje, Lijsterbes, Vlier, Eik, Esdoorn, Wilg, Linde;
g
3
roekwe
9. Aanleg van een poel met natuurvriendelijke oevers Om een nog meer gevarieerde flora en fauna aan te trekken zal er een poel worden aangelegd met natuurvriendelijke oevers.
Bestaande bebouwing
b Oosten
8. Bloem- en kruidenrijk grasland De overgang richting de open graslandkommen wordt versterkt door de aanleg van een open bloem- en kruidenrijk grasland, dit zal de flora en fauna ten goede komen;
4
Grasbetontegels
Aan te planten bomen
5 9 7
Verharding
8
Bestaande bomen 6 Aan te planten knotwilgen
Bestaande knotwilgen
Water
Landschappelijk inpassingsplan Oostenbroekweg 19 - Velddriel Gemeente Maasdriel
Bosscheweg 107 Boxtel
datum: 11-12-2019
www.bro.nl
schaal: 1:2500
info@bro.nl telefoon +31 (0)411 85 04 00
formaat: A3 project nr.: P01740
Bijlage 2: Bodemonderzoek
VAN VOORDENPARK 16 POSTBUS 2225 5300 CE ZALTBOMMEL TEL. 0418 - 572060 WWW.VERHOEVENMILIEU.NL INFO@VERHOEVENMILIEU.NL
AKC Bouwadvies B.V. De heer G. van Kessel Postbus 69 5330 AB KERKDRIEL
REK.NR: NL97RABO0310320224 BIC: RABONL2U K.V.K. 11028756 BTW: 80.34.57.583.B01
REF.: DATUM,
B21.8263/BRF-01/JHL 6 september 2021 Onderwerp:
Resultaten en conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek, nieuwbouw kantoorgebouw Oostenbroekweg 19 te Velddriel
Geachte heer van Kessel, Hierbij doen wij u de resultaten en conclusies van het uitgevoerde historisch onderzoek en locatiebezoek toekomen van de nieuwbouw van een kantoorgebouw aan de Oostenbroekweg 19 te Velddriel. Beschikbare informatie De onderzoekslocatie is gesitueerd ten zuidwesten van de kern van Kerkdriel. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is Hooymans Compost B.V. gevestigd, welke zich toelegt op de productie van compost. Direct ten westen van tunnelgebouw 1 is uitbreiding gepland met een nieuw kantoorgebouw. Voor de situering van het toekomstige kantoorgebouw in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. Aanleiding en doelstelling De aanleiding wordt gevormd door de aanvraag van een Omgevingsvergunning “deelactiviteit bouwen” en het verzoek van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR), die aangeeft dat een historisch onderzoek conform de NEN 5725 noodzakelijk is. Het doel van het historisch onderzoek conform NEN 5725 is vaststellen of aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform de NEN 5740 en/of NEN 5707 of dat kan worden volstaan met het historisch onderzoek. Historisch onderzoek en locatiebezoek conform NEN 5725 Ten behoeve van het opstellen van de onderzoeksopzet is door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) een historisch onderzoek conform de NEN 5725:2017 (landbodem) uitgevoerd.
De beschikbare gegevens zijn verkregen van de gemeente Maasdriel, de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) en de opdrachtgever. Tevens is gebruik gemaakt van de informatie zoals beschikbaar in het eigen archief van VMT. Daarnaast is gebruik gemaakt van de websites www.topotijdreis.nl en www.bodemloket.nl. Door VMT is d.d. 5 juli 2021 een locatiebezoek (terreinverkenning) uitgevoerd, waarbij een inventarisatie is gemaakt van de aanwezige verhardingen, gebouwen activiteiten etc. Tevens is een vragenlijst ingevuld door de opdrachtgever, die is opgenomen in bijlage 3. Alle beschikbare informatie is door een medewerker van VMT bestudeerd en in onderstaande tekst verwerkt.
Aan Datum Ref.
: AKC Bouwadvies B.V. : 6 september 2021 : B21.8263/BRF-01/JHL
2
Voormalig gebruik, historisch kaartmateriaal en informatie opdrachtgever Sinds 1987 is het terrein in gebruik door Hooymans Compost B.V., hiervoor was sprake van agrarisch gebruik (weiland). In de loop van de tijd zijn diverse (ver)bouwwerkzaamheden uitgevoerd. Het huidige verkavelingspatroon is voor het eerst zichtbaar op de topografische kaart van 1966. Tijdens de aanleg van de Oostenbroekweg en de herontwikkeling van het gebied (Drielsche Broek) zijn diverse waterlopen (sloten) gedempt, hierbij is voor zover bekend uitsluitend gebruik gemaakt van gebiedseigen grond. Daarnaast zijn specifiek ter plaatse van het nieuwe kantoor geen gedempte sloten aanwezig. Op circa 285 meter ten zuidoosten sprake van een voormalige stortplaats. Er zijn geen meldingen met betrekking tot ophogingen en/of het toepassen van grond/baggerslib. Ter plaatse is sprake van een provinciale inrichting, de betreffende vergunning is afgegeven op 23 september 2008. Ter plaatse van de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn diverse percelen in gebruik geweest als boomgaarden en/of kassen. Op basis van de topografische kaarten betreft het percelen ten noord- en zuidoosten en noordwesten op circa 300 meter gemeten vanaf toekomstige uitbreidingslocatie. Te plaatse van de feitelijke onderzoekslocatie is geen sprake van het gebruik als boomgaarden en/of kassen.
In het tankbestand is sprake van een tweetal bovengrondse tanks: - Brandstoftank (1.000 liter, 1944-onbekend); - Dieseltank (4.000 liter, onbekend-2009). Ter plaatse is geen sprake van een puntbron met betrekking tot het gebruik of de aanwezigheid van PFAS en/of GenX. Huidig gebruik De onderzoekslocatie is momenteel in gebruik als bedrijfslocatie voor de productie van compost. De locatie grotendeels bebouwd (tunnelgebouw 1 en 2, gebouw 4a bunkers en 4b sleufsilo’s, biobedden en een romneyloods). Daarnaast is sprake van vuilwaterputten, een schoonwater buffer, transportbanden, besturingsruimtes, een wasplaats, parkeerplaatsen en een losplaats voor stro). Vrijwel de gehele locatie is verhard en het onverharde gedeelte is in gebruik als groenvoorziening. De Oostenbroekweg is aan de westzijde gesitueerd en ten zuiden bevindt zich de Drielse Veldweg. Ten noorden van de locatie is sprake van een bedrijfslocatie voor champignoncompost en -kwekerij. De overige directe omgeving is in gebruik voor agrarische doeleinden (weiland, akkerland). De locatie is kadastraal bekend als gemeente Maasdriel, Sectie P nummer 82 en heeft een oppervlakte van circa 1.200 m2 (perceeloppervlak bedraagt circa 4 hectare). Toekomstig bodemgebruik In de toekomst is uitbreiding gepland met een kantoorgebouw.
Aan Datum Ref.
: AKC Bouwadvies B.V. : 6 september 2021 : B21.8263/BRF-01/JHL
3
Bodemkwaliteitskaart Op basis van de Nota bodembeheer regio Rivierenland (juli 2019) en bijhorende bodemkwaliteitskaart is de locatie gelegen in het buitengebied. De bodemfunctieklasse betreft “overig”. De boven- en ondergrond voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse “Achtergrondwaarden”. Niet gesprongen explosieven Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een vooronderzoek uitgevoerd (gemeenten Zaltbommel en Maasdriel, rapportnummer H5020, Bodac B.V., d.d. 6 oktober 2016). Aangezien direct ten oosten reeds sprake is van bebouwing, wordt de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven niet waarschijnlijk geacht.. Milieuarchieven en vergunningen Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn de volgende activiteiten bekend (bron: terreineigenaar): - Oostenbroekweg 19: compost bedrijf (ca. 1987-heden). Uitgevoerde bodemonderzoeken onderzoekslocatie en directe omgeving Volgens informatie van de ODR (zie bijlage 2 Omgevingsrapportage) zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemonderzoeken bekend in het bodeminformatiesysteem. Door VMT zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd: -
Nulsituatie bodemonderzoek Oostenbroekweg 19 te Velddriel (rapportnummer B09.4045, d.d. 2010). Ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten (opslagtank diesel, vulpunt bestrijdingsmiddelen, overstortput en vuilwaterputten 1 t/m 5) is de nulsituatie vastgelegd. In zowel de grond als het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten en/of concentraties aangetroffen. Ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten zijn derhalve geen noemenswaardige verontreinigingen aangetroffen. Daarnaast zijn de activiteiten niet gelegen in directe omgeving van het nieuwe kantoor, zoals blijkt uit bijlage 1. Ter plaatse van het toekomstige kantoor zijn geen bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest)