Ontwerp BP Oostenbroekweg 7 en 19 te Velddriel toelichting en regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan Oostenbroekweg 7 en 19 te Velddriel Gemeente Maasdriel Ontwerp
Bestemmingsplan Oostenbroekweg 7 en 19 te Velddriel Gemeente Maasdriel Ontwerp
Rapportnummer:
P01740_5
IMRO-code:
<aan te leveren door gemeente>
Datum:
4 november 2022
Projectteam BRO:
JvdA
Concept:
december 2019, januari 2020, juli 2020
Voorontwerp:
januari 2021
Ontwerp:
juni 2021, september 2021, november 2022
Vastgesteld: Trefwoorden:
--
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer
3 3 4 6 8
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe situatie
9 9 14
2.2.1 Juridisch-planologisch borgen feitelijke en vergunde situatie 2.2.2 Toekomstige ontwikkelingen 2.2.3 Landschappelijk inpassingsplan
14 17 21
3. BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
24 24 26 27
4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Cultuurhistorie & Archeologie 4.3 Flora en fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 Bedrijven en milieuzonering en geluid 4.7 Geur 4.8 Kabels en leidingen 4.9 Wet geluidhinder 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Luchtkwaliteit 4.12 Externe veiligheid
29 29 30 31 33 34 35 37 38 38 38 41 43
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen 5.4 Toelichting op de regels
44 44 44 44 46
Inhoudsopgave
1
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Kostenverhaal 6.2 Financiële haalbaarheid
47 47 47
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg 7.2 Procedure 7.3 Beroep
48 48 48 48
BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Stikstofdepositieonderzoek
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding Aan de Oostenbroekweg in Velddriel zijn de bedrijven Richamp BV (nr. 7) en Hooymans Substrates BV (nr. 19) gevestigd. Beide bedrijven produceren (o.a.) substraat ten behoeve van de champignonteelt. Beide locaties hebben in het ter plaatse geldende bestemmingsplan (zijnde: ‘Buitengebied, Binnendijks deel’ en het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Binnendijks deel – herziening 2009’) een nietagrarische bedrijfsbestemming, waarbinnen een champignonkwekerij/substraatbedrijf op beide locaties is toegestaan. Een champignonkwekerij is omschreven als ‘een agrarisch bedrijf dat is gericht op het telen van champignons en andere paddenstoelen en zwammen in gebouwen’. Het begrip ‘substraatbedrijf’ is niet nader gedefinieerd. In het nadien vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’, dat voor wat betreft de onderhavige locaties aan de Oostenbroekweg is vernietigd door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1, waren beide locaties bestemd als ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘champignonkwekerij’.
Daaronder werd het volgende verstaan: binnen de aanduiding ‘champignonkwekerij’ is een champignonkwekerij/substraatbedrijf toegestaan met dien verstande dat het bereiden van verse compost (tunnelgrondstof) door het vermengen van losse grondstoffen en/of afvalstoffen niet is toegestaan; substraatbereiding is uitsluitend toegestaan in de vorm van het verwerken van aangeleverde verse compost (tunnelgrondstof) tot een doorgroeide compost. Gebleken is dat deze bepaling niet geheel correspondeert met de vergunde bedrijfsactiviteiten voor beide locaties. Het substraat wordt namelijk al geruime tijd geproduceerd door het vermengen van losse grondstoffen. De term ‘verse compost’ kan daarbij tot misverstanden leiden. Verse ‘compost’ was namelijk nooit meer dan een grondstoffenmix. Tevens is het vanuit milieuhygiënisch oogpunt en ruimtelijke uitstraling niet relevant of gebruik wordt gemaakt van losse grondstoffen of een mix of combinatie daarvan. De bepaling, zoals die in het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ was opgenomen, kende dan ook een beperkter bereik ten opzichte van de vergunde bedrijfsactiviteiten op de locaties. Dit is niet wenselijk. Mede om die reden is het bestemmingsplan voor wat betreft deze locaties door de Raad van State vernietigd.
Er bestaat gelet op de definiëring in het vigerende bestemmingsplan, de datering daarvan, de vernietiging van het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ en de bedrijven verleende vergunningen en geaccordeerde meldingen behoefte aan een duidelijke en eenduidige beschrijving van de planologisch toegestane activiteiten, welke in overeenstemming is met de vergunde situatie. Niet alleen is het voor de bedrijfsvoering en de continuïteit van beide bedrijven immers van wezenlijk belang dat de regels in het voor de locaties geldende bestemmingsplan in overeenstemming zijn met de vergunde en feitelijke situatie van de bedrijfsactiviteiten op beide locaties, ook voor de gemeente en derden is van belang dat de toegestane activiteiten duidelijk en correct zijn vastgelegd. De gemeenteraad van Maasdriel heeft dan ook een motie aangenomen (d.d. 26 juni 2019, griffienummer 2019-35) waarin is bepaald dat de vergunde activiteiten juridisch-planologisch worden vastgelegd in een partiele herziening van het bestemmingsplan (postzegelplan).
1
ABRvS 15 september 2021, ECLI:NL: RVS:2021:2062.
Hoofdstuk 1
3
Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is bij uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2062 inzake het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ geoordeeld dat deze omstandigheid leidt tot vernietiging van het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ voor de bedrijfspercelen in onderhavig plangebied. Hierbij is de raad van Maasdriel opgedragen om binnen 30 weken een nieuw besluit te nemen en bekend te maken. Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt hierin voorzien. Verder is het bestemmingsplan door de jaren heen meerdere keren aangepast en de bedrijven hebben zich op de locaties ontwikkeld. Met bepaalde (delen van) de bestaande bebouwing is geen rekening gehouden in de opvolgende bestemmingsplannen waardoor er nu enkele discrepanties aanwezig zijn tussen de feitelijke situatie op de locaties en hetgeen is bestemd en met hetgeen beoogd was te bestemmen met de herziening 2016. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de aanwezigheid van trafo-/besturingsruimtes buiten het bouwvlak en ook is gebleken dat de bouw- en bestemmingsvlakken op enkele punten niet precies om de reeds lang bestaande bebouwing en voorzieningen zijn gesitueerd. Dit wordt tevens gecorrigeerd in dit bestemmingplan. Dit maakt onderdeel uit van het doel om een correct, leesbaar en actueel juridisch-planologisch kader voor beide bedrijven op te stellen.
Daarnaast wordt in dit bestemmingsplan een viertal toekomstige ‘ontwikkelingen’ mogelijk gemaakt, namelijk de realisatie van een nieuw kantoorgebouw (een dergelijke mogelijkheid bestond in een iets beperktere vorm ook in voorgaande bestemmingsplannen), twee silo’s en een indirecte verruiming van de bebouwing ter plaatse van Hooymans Substrates BV door middel van een wijzigingsbevoegdheid. De laatstgenoemde bebouwing, welke door middel van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, is bedoeld voor de optimalisatie van het productieproces waardoor milieubelastende bedrijfsactiviteiten kunnen worden beperkt/verbeterd. Daarnaast is al enige jaren een concreet voornemen tot uitbreiding voorzien met enkele gebouwen binnen het thans geldende bouwvlak. Deze relatief beperkte uitbreiding is nodig om de reeds vergunde hoeveelheden grondstoffen te kunnen verwerken c.q. de vergunde hoeveelheid product te produceren. De vier benoemde toekomstige ‘ontwikkelingen’ staan in redelijke verhouding tot de aard en schaal van de bedrijven en hebben slechts een zeer beperkte ruimtelijke impact temeer daar door een landschappelijke inpassing de ruimtelijke kwaliteit van de bedrijfspercelen aanzienlijk verbetert en de landschappelijke inpassing voorwaardelijk verplichtend wordt voorgeschreven.
Daarnaast zal een en ander niet leiden tot meer productie dan reeds is vergund en ook niet leiden tot meer vervoersbewegingen dan het aantal dat volgt uit het akoestisch onderzoek dat deel uitmaakt van de vigerende milieuvergunningen. Dit bestemmingsplan zorgt voor een nieuw juridisch-planologisch kader dat in overeenstemming is met de feitelijke vergunde situatie en biedt een toekomstbestendige situatie voor de bedrijven waardoor deze op een milieuverantwoorde wijze kunnen blijven ondernemen en die in overeenstemming is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft de locaties Oostenbroekweg 7 en 19 in Velddriel en staat kadastraal bekend staat als gemeente Maasdriel, sectie P, nummers 431, 432, 82, 556, 555, 79, 792, 793, 542, 776 en een gedeelte van 85. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Maasdriel, ten zuidoosten van Velddriel en ten zuidwesten van Kerkdriel.
Hoofdstuk 1
4
De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de afbeelding op de volgende pagina. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing van het plangebied
Hoofdstuk 1
5
1.3 Geldende bestemmingsplannen Tot de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2062, was het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ van de gemeente Maasdriel het geldende bestemmingsplan voor het plangebied. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2019. Ter plaatse van het plangebied waren de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Water’ en ‘Bedrijf’ met de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf - champignonkwekerij’ en ‘specifieke bouwaanduiding – onbebouwd’ opgenomen. Daarnaast golden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Archeologie 5’ en ‘Leiding – Riool’. Zowel voor de locatie Oostenbroekweg 7 als 19 was binnen de bestemming 'Bedrijf' de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – champignonkwekerij’ opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor een champignonkwekerij/substraatbedrijf, met dien verstande dat: het bereiden van verse compost (tunnelgrondstof) door het vermengen van losse grondstoffen en/of afvalstoffen is niet toegestaan; substraatbereiding uitsluitend is toegestaan in de vorm van het verwerken van aangeleverde verse compost (tunnelgrondstof) tot een doorgroeide compost. de uitbreidingsmogelijkheden met bepaalde gebouwen (tunnelgebouwen) zijn beperkt.
Middels de genoemde uitspraak van de Raad van State zijn de delen waar de bestemming ‘Bedrijf’ van toepassing was vernietigd en wordt teruggevallen op het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ d.d. 2008. De delen met de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Water’ zijn (grotendeels; want wel ter plaatse van het noordoostelijke achterterrein van Richamp) niet vernietigd. De bestemming ‘Agrarisch’ is bedoeld voor als buffer tussen de bedrijfspercelen en het omliggende landschap. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik en behoud en herstel van waardevolle landshapselementen en de bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden. De bestemming ‘Water’ beschermt de A-watergang van het Waterschap Rivierenland. Verder beschermen de dubbelbestemmingen de rioolleiding en mogelijk aanwezige archeologisch waarden in de bodem. Figuur 1.2 geeft een uitsnede van het bestemmingsplan (herziening 2016 uit 2019), waarvan de paarse vlakken met de bestemming ‘Bedrijf’ door de Afdeling zijn vernietigd. Ter plaatse van de plandelen met de bestemming ‘Agrarisch’ is het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ zoals gezegd wel (grotendeels) vigerend.
Hoofdstuk 1
6
Figuur 1.2: uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’, paarse vlakken vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor de door de Raad van State vernietigde plandelen zijn het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Binnendijks deel’ en het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Binnendijks deel – herziening 2009’ van toepassing. In figuur 1.3 is een uitsnede van deze plandelen opgenomen.
Hoofdstuk 1
7
Figuur 1.3: uitsnede plandeel vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied, Binnendijks deel’
De betreffende plandelen zijn bestemd als ‘Niet-Agrarische Bedrijven’. Op de locaties Oostenbroekweg 7 en 19 is beide een champignonkwekerij/substraatbedrijf toegestaan (code Ch/Sb). Hierbij is een champignonbedrijf als volgt gedefinieerd (art. 1.24): “een agrarisch bedrijf dat is gericht op het telen van champignons en andere paddenstoelen en zwammen in gebouwen”. Een begripsbepaling van ‘substraatbedrijf’ ontbreekt.
1.4 Leeswijzer Deze bestemmingsplantoelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een beschrijving van het plan in hoofdstuk 2. De beleidstoets is in hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan opgenomen. In hoofdstuk 4 worden alle relevante milieuonderwerpen behandeld en verantwoord. De juridische toelichting is in hoofdstuk 5 opgenomen en in hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid beschreven. In hoofdstuk 7 is tenslotte de maatschappelijke haalbaarheid beschreven.
Hoofdstuk 1
8
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt zuidoosten van Velddriel en ten zuidwesten van Kerkdriel, in het buitengebied van de gemeente Maasdriel. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit twee locaties, namelijk Oostenbroekweg 7 en Oostenbroekweg 19, zie figuur 2.1. Daartussen liggen een A-watergang en een rioolleiding. Aan de overzijde van de Oostenbroekweg (ten westen van het plangebied) begint het open polderlandschap. Aan de oost- en noordzijde sluit het plangebied meer aan bij de kern Kerkdriel. Nabij de hoek ‘Werststeeg, Laarstraat en Drielse Veldweg’ zijn meerdere (grote) bedrijfslocaties aanwezig, zoals een tansportbedrijf en een conservenfabriek. Tevens is er aan de Drielse Veldweg een champignonkwekerij vergund met een oppervlakte van ca. 1,5 ha en een bouwhoogte van 12 meter. Noordoostelijk van Oostenbroekweg 7 zijn drie woningen gelegen (Laarstraat 1, Wertsteeg 2 en 4, ca. 200 meter van het plangebied), alsmede drie agrarische bedrijfswoningen (Wertsteeg 6, 8, 10, eveneens ca. 200 meter van het plangebied). Ruim 300 meter oostelijk van Oostenbroekweg 19 zijn eveneens enkele agrarische bedrijfswoningen gelegen (Wertsteeg 12a, 14 en 16). Ten slotte zijn de agrarische bedrijfswoningen Drielse Veldweg 1 (ca. 125 zuidoostelijk) en 5 en 7 (>300 meter zuidwestelijk) in de omgeving van Oostenbroekweg 19 gelegen.
Tussen de benoemde (bedrijfs)woningen en het plangebied bevinden zich hoofdzakelijk agrarische percelen.
Nr. 7
Nr. 19
Figuur 2.1 Indeling percelen plangebied
Hoofdstuk 2
9
Op de locatie Oostenbroekweg 7 is het bedrijf Richamp BV gevestigd en op nr. 19 is het bedrijf Hooymans Substrates BV gevestigd. Beide bedrijven produceren van meet af aan op deze locaties substraat ten behoeve van de champignonteelt. Het productieproces van het substraat bestaat uit het aanvoeren van grondstoffen en het inpandig mengen, waarna door bevochtiging en omzetting homogenisatie en fermentatie plaats vindt. Hierdoor ontstaat fase 1 compost. Deze compost wordt vervolgens in tunnels gepasteuriseerd en geconditioneerd (beluchten op temperatuur) vervolmaakt tot geente en/of doorgroeide substraat die gebruikt kan worden voor de champignonteelt. Op nr. 7 worden sinds jaar en dag ook champignons gekweekt, alsmede vindt hier het evacueren van champignons plaats. Het productieproces van substraat en de champignonteelt vinden geheel plaats in de aanwezige bedrijfsgebouwen op beide percelen. Daarnaast zijn kantoorruimtes, (vrachtwagen)parkeerplaatsen, ondersteunende gebouwen zoals trafo-/besturingsruimtes e.d., een weegbrug en andere noodzakelijke infrastructuur aanwezig. In het zuidelijke gedeelte van de locatie nr. 19 is een vergunde buitenopslag voor paardenmest in plastic balen aanwezig. Paardenmest is een grondstof voor compost. De mest die in de winter wordt overdadig is wordt verpakt en opgeslagen zodat deze in de zomer gebruikt kan worden.
De bedrijfsactiviteiten die op beide locaties plaatsvinden zijn als volgt vergund: Vergunning Revisievergunning Melding artikel 8.19 Wet Milieubeheer Milieuneutraal Wijzigen Wabo Revisievergunning Omgevingsvergunning Uitbreiding
Datum 02-09-2008 19-08-2009 21-09-2015 20-05-2016 17-03-2017
Kenmerk VM012/07 2009-011784/mpm 02138639 021414477 0321449813
Bevoegd gezag Provincie Gelderland Provincie Gelderland Provincie Gelderland Provincie Gelderland Provincie Gelderland
De feitelijke en vergunde situatie komt niet geheel overeen met hetgeen was opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’2. Dit had tot gevolg dat de bedrijven in dit vernietigde bestemmingsplan zouden worden beperkt in het productieproces en bedrijfsvoering. Ook ten aanzien van het thans weer vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Binnendijks deel’ komt de bestaande, vergunde situatie op onderdelen niet overeen met het bestemmingsplan. Navolgend is per locatie de discrepantie tussen de feitelijk/vergunde situatie en het tot recent vigerende bestemmingsplan alsmede het thans vigerende bestemmingsplan beschreven. Beide locaties De afkadering van de toegestane bedrijfsactiviteiten binnen de functieaanduiding ‘champignonkwekerij/substraat bedrijf’ volstaat niet voor de bedrijfsactiviteiten die daadwerkelijk plaatsvinden. Het vernietigde bestemmingsplan sloot het vermengen van losse grondstoffen expliciet uit, terwijl dit een zeer belangrijk onderdeel is van het productieproces. Het substraat wordt namelijk geproduceerd door het vermengen van losse grondstoffen, zoals bijvoorbeeld vergund in de revisievergunning van 2 september 2008 (VM012/07). In het thans vigerende bestemmingsplan is deze activiteit in het geheel niet gedefinieerd. Het ontbreken van een definitie van ‘substraatbedrijf’ zorgt voor rechtsonzekerheid.
Het is gewenst dat in het bestemmingsplan een duidelijke en met de vergunde situatie overeenkomende beschrijving van de toegestane bedrijfsactiviteiten op beide locaties wordt opgenomen. 2
Om die reden is het betreffende bestemmingsplan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd. Zie de in hoofdstuk 1 reeds aangehaalde uitspraak d.d. 15 september 2021.
Hoofdstuk 2
10
Oostenbroekweg 7 Het bouwvlak3 valt niet geheel over (een deel van) de bebouwing aan de noordzijde van het perceel. Circa 0,5 meter van de bebouwing is hierdoor niet in het bouwvlak opgenomen. Daarnaast is het bouwvlak tevens aan de zuid- en westkant van de locatie niet geheel rond de bestaande bebouwing gesitueerd. Zie figuur 2.2 en 2.3. Hierop is telkens links het vernietigde bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ weergegeven en rechts het thans vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied, binnendijks deel’.
Figuur 2.2 Discrepantie tussen bouwvlak en aanwezige bebouwing noordzijde Oostenbroekweg 7
Figuur 2.3 Discrepantie tussen bouwvlak en aanwezige bebouwing zuid- en westzijde Oostenbroekweg 7
3
Aan de noodoostzijde van de locatie is het perceel verhard en in gebruik als bedrijfsperceel. Hier is opslag en het lozingspunt voor de gemeentelijke riolering alsmede een vuilwaterbuffer en tankplaats aanwezig. Er is tevens een klein bedrijfsgebouw aanwezig. Deze gronden hebben altijd hetzelfde gebruik gehad alleen is een deel van de inrichting (champignonkwekerij met tunnels) verplaatst. Destijds lag deze aan de oostzijde van deze gronden, nu op de huidige locatie aan de Oostenbroekweg 7. Het gebruik van deze gronden is echter nooit gewijzigd en de bedrijfsactiviteiten zijn vergund en weergegeven in de revisietekening uit 2015. Deze gronden zijn echter bestemd als ‘Agrarisch’ en niet als ‘Bedrijf’. Zie figuur 2.4.
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ was geen bouwvlak opgenomen. Ook in het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Binnendijks deel’ is dit het geval. De bouwmogelijkheden zijn geregeld door de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – onbebouwd’ c.q. ‘onbebouwde zone’. Feitelijk zijn dus de gronden buiten de betreffende aanduiding als bouwvlak aan te merken. Voor de leesbaarheid spreken we daarom van een bouwvlak.
Hoofdstuk 2
11
Figuur 2.4 Discrepantie tussen vergund gebruik en bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ met daaronder de revisietekening uit 2015 met de inrichting paars omlijnd.
Op deze locatie vindt ook teelt en evacuatie van champignons plaats conform de vigerende vergunning. De bestemmingsomschrijving in het tot recent vigerende bestemmingsplan dekt laatstgenoemde activiteiten niet. Het vigerende bestemmingsplan staat het telen toe, maar benoemt het evacueren niet afzonderlijk. Het is gewenst deze bestaande legale activiteiten planologisch te regelen.
Oostenbroekweg 19 Het bouwvlak is aan de noord- en westkant van de locatie niet geheel rond de bestaande bebouwing gesitueerd.
Hoofdstuk 2
12
Figuur 2.5 Discrepantie tussen bouwvlak en aanwezige bebouwing noordzijde Oostenbroekweg 19.
Enkele gebouwen die sinds jaar en dag op de locatie aanwezig zijn liggen geheel of gedeeltelijk buiten het bouwvlak. Het gaat hierbij om trafo- en besturingsruimtes. In de besturingsruimtes voor de ontvangsthal staat de benodigde hydrauliek motoren, pompen en elektronica voor de diverse aanwezige machines. Het binnenklimaat in de bedrijfshal is namelijk te agressief voor de elektronica, daarom moet deze in een apart gebouw staan. Deze gebouwen hebben waarschijnlijk ooit in een toenmalig bouwvlak gelegen. In zowel het tot recent vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’ als het thans vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Binnendijks deel’ vallen ze echter gedeeltelijk of geheel buiten het bouwvlak. Aangezien het mede om voornoemde reden niet doenlijk is deze gebouwen te verplaatsen en de ruimtelijke uitstraling minimaal is, worden deze door middel van de onderhavige herziening op correcte wijze vastgelegd.
Figuur 2.6 Discrepantie tussen bouwvlak en aanwezige besturings- en traforuimtes.
Hoofdstuk 2
13
2.2 Nieuwe situatie In deze paragraaf wordt uiteengezet hoe de in paragraaf 2.1 beschreven discrepanties worden hersteld en hoe daarmee de feitelijke situatie in het plangebied juridisch-planologisch wordt geborgd. Vervolgens worden toekomstige ‘ontwikkelingen’ beschreven en de (extra) landschappelijke inpassing uitgewerkt. 2.2.1 Juridisch-planologisch borgen feitelijke en vergunde situatie Beide locaties De bouwregels van de bestemming ‘Bedrijf’ worden vereenvoudigd. Daarnaast wordt een bouwvlak op de verbeelding opgenomen. De specifieke gebruiksaanduiding slaat daardoor enkel op het gebruik en niet meer op de bouwregels. Aangezien niet beoogd is om de bestaande vergunde maximale productiehoeveelheid te vergroten en dit met de genoemde aanpassing in theorie mogelijk zou zijn, is ter waarborging in de planregels opgenomen dat de huidige maximale vergunde productiehoeveelheid op de beide locaties niet mag worden overschreden. Deze hoeveelheid betreft 83.200 ton/jaar voor Oostenbroekweg 7 en 226.720 ton/jaar voor Oostenbroekweg 19. De vergunde situatie is hiermee planologisch vastgelegd, zonder onnodige c.q. onwenselijke planologische onduidelijkheden die al vaker tot discussie hebben geleid. De specifieke gebruiksaanduiding ‘champignonkwekerij’ wordt gewijzigd naar ‘Substraatbedrijf’.
Het begrip ‘substraatbedrijf’ wordt vervolgens als begrip in de regels opgenomen en wordt gedefinieerd waarbij recht wordt gedaan aan de vergunde bedrijfsactiviteiten en de feitelijke situatie op de percelen. De volgende definitie wordt opgenomen. Substraatbedrijf: een bedrijf waarbij van losse en/of vooraf gemengde grondstoffen inpandig geënt en/of doorgroeid substraat wordt gemaakt ten behoeve van de champignonteelt. Door het aanvoeren van grondstoffen en het inpandig mengen ervan, waarna bevochtiging, omzetten ter homogenisatie en fermentatie plaatsvindt, ontstaat fase 1 compost, welke vervolgens na pasteurisatie en conditioneren (beluchten op temperatuur) in tunnels wordt vervolmaakt tot geënte en/of doorgroeide substraat voor de champignonteelt. In de regels worden werkzaamheden ter uitvoering van een (extra) landschappelijke inpassing uitgezonderd van omgevingsvergunningplicht werken en werkzaamheden. Dit maakt het mogelijk om een (extra) landschappelijke inpassing te realiseren. Oostenbroekweg 7 De situering van het bouwvlak wordt aan de noord-, zuid- en westzijde gecorrigeerd rond de bestaande bebouwing. Het bouwvlak is strak rond de bebouwing gesitueerd zodat geen nieuwe uitbreidingsruimte wordt geboden. Het gaat enkel om het overeenstemming brengen van het bestemmingsplan en de feitelijke situatie.
Figuur 2.7 en 2.8 geven een uitsnede van de nieuwe verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. De zones waar het bouwvlak is gecorrigeerd zijn met rode omlijning is aangegeven.
Hoofdstuk 2
14
Figuur 2.7 Situering nieuw bouwvlak waarin de discrepantie aan de noordzijde van de Oostenbroekweg 7 is verholpen.
Figuur 2.8 Situering nieuw bouwvlak waarin de discrepantie aan de oost- en zuidzijde van de Oostenbroekweg 7 is verholpen.
De als ‘Agrarisch’ bestemde gronden, welke van meet af aan zijn in gebruik zijn door het bedrijf, ten oosten van het bedrijfsperceel worden gewijzigd naar ‘Bedrijf’, voor het aanwezige gebouw op deze gronden wordt een klein bouwvlak opgenomen. Aangezien deze gronden al sinds de oprichting van het bedrijf voor deze bedrijfsactiviteiten in gebruik en vergund zijn (bij vergunning van 20 mei 2016, kenmerk 021414477) is er enkel sprake van het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie met het bestemmingsplan. Er is geen sprake van uitbreiding of nieuwvestiging. Figuur 2.9 geeft een uitsnede van de nieuwe verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. De zone waar het bestemmingsvlak is gecorrigeerd is met rode omlijning is aangegeven.
Hoofdstuk 2
15
Figuur 2.9 Situering nieuw bestemmingsvlak waarin de discrepantie aan de noordzijde van de Oostenbroekweg 7 is verholpen.
Champignonteelt en het evacueren van champignons, zijnde bestaande en vergunde activiteiten, worden (meer expliciet) binnen de bestemming toegestaan. Hiertoe wordt een specifieke functieaanduiding opgenomen.
Oostenbroekweg 19 De situering van het bouwvlak wordt aan de noord- en oostzijde gecorrigeerd rond de bestaande bebouwing. Het bouwvlak is strak rond de bebouwing gesitueerd zodat geen nieuwe uitbreidingsruimte wordt geboden. Het gaat enkel om het overeenstemming brengen van het bestemmingsplan en de feitelijke situatie. Figuur 2.10 geeft een uitsnede van de nieuwe verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. De zone waar het bouwvlak is gecorrigeerd is met rode omlijning is aangegeven.
Figuur 2.10 Situering nieuw bouwvlak waarin de discrepantie aan de noordzijde van de Oostenbroekweg 19 is verholpen.
Voor de trafo- en besturingsruimtes die nu niet in het bouwvlak zijn opgenomen worden bouwregels opgenomen. Er is hiervoor géén bouwvlak opgenomen, maar een specifieke bouwaanduiding (‘bestaande voorzieningen’) waar dergelijke voorzieningen mogelijk worden gemaakt in de bouwregels. Daarnaast is er, met het oog op de flexibiliteit voor de toekomst, een afwijkingsbevoegd-
Hoofdstuk 2
16
heid in de planregels opgenomen om elders buiten het bouwvlak een vergelijkbare trafo-/bestuderingsruimte op te richten. De (bestaande) elektrische installaties hebben namelijk maar een beperkte levensduur. Wanneer deze vervangen moeten worden is het noodzakelijk eerst een nieuwe trafo- of besturingsruimte te bouwen, alvorens het bestaande gebouw kan worden gesloopt. De volgende regels worden opgenomen in dit bestemmingsplan: Artikel 4.2.3 Gebouwen ten behoeve van voorzieningen buiten het bouwvlak Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bestaande voorziening’ zijn gebouwen ten behoeve van de ter plaatse van het daaraan grenzende bouwvlak gevestigde bedrijf, uitsluitend in de vorm van nutsvoorzieningen, ruimten voor distributie van water, elektriciteit, e.d., alsmede besturingsruimten, toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m; b. de oppervlakte per gebouw mag niet meer bedragen dan 25 m².
4.3.3 Gebouwen ten behoeve van voorzieningen buiten het bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 voor het buiten het bouwvlak bouwen van gebouwen ten behoeve van de ter plaatse van het daaraan grenzende bouwvlak gevestigde bedrijf, uitsluitend in de vorm van nutsvoorzieningen, ruimten voor distributie van water, elektriciteit, e.d., alsmede besturingsruimten, waarbij de volgende regels gelden: a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m; b. de oppervlakte per gebouw mag niet meer bedragen dan 25 m². 2.2.2 Toekomstige ontwikkelingen Naast het juridisch-planologisch borgen van de vergunde situatie wordt deze partiële herziening van het bestemmingsplan aangegrepen om enkele zaken te regelen die de bedrijfsvoering van beide bedrijven makkelijker en beter te organiseren maakt. Het huidige kantoorgebouw ter plaatse van Oostenbroekweg 19 bestaat uit twee bouwlagen en is verwerkt in een bestaand bedrijfsgebouw. De kantoorruimte is echter gedateerd en voldoet daardoor niet meer aan de eisen van het bedrijf. Daarnaast is de omvang en capaciteit van het kantoorgebouw veel te klein en voldoet deze niet meer aan de ARBO eisen. De kantoorruimte is derhalve aan modernisatie en uitbreiding toe. Hooymans Substrates BV is voornemens en in staat een nieuw kantoorgebouw aan de zijde van de Oostenbroekweg te realiseren.
Het nieuwe kantoorgebouw krijgt een bebouwd oppervlak van 360 m2 en bestaat uit 3 bouwlagen. In de regels van het tot recent vigerende bestemmingsplan was een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een kantoorgebouw met een oppervlakte van max. 100 m2 en een bouwhoogte van 12 meter te realiseren. Deze afwijkingsbevoegdheid is qua bebouwingsoppervlakte daarom niet toereikend. De genoemde beoogde omvang is noodzakelijk omdat het huidige kantoor bouwtechnisch is afgeschreven en meer ruimte nodig is voor het aantal medewerkers en in het kantoor te realiseren ruimten voor benodigde functies. De volgende (reeds bestaande aantal) werknemers, bezoekers en chauffeurs dienen ondergebracht te worden, alsook de volgende functies: o receptie 1 pp; o planning 3 pp voor export; o planning 3 pp voor binnenland; o verkoop 4 pp; o administratie 3 pp; o ICT 3 pp;
Hoofdstuk 2
17
o o o o o o o o o o o o o o o
bedrijfsleider algemeen 1 pp; directie 2 pp; productieleiders voor elke afdeling. 4 pp; medewerkers technisch onderhoud 4 pp; analyseruimte voor onderzoek en kwaliteit 3 pp; kantine personeel/chauffeurs 30 pp; was- en kleedruimtes; installatieruimte, verwarming, ventilatie, patchkasten; archiefruimtes; schoonmaak kantine beheer 1 pp; vergaderruimte; spreekkamers per onderdeel; presentatieruimte voor voorlichting en ontvangst klanten; ontvangst bezoek; en ontvangst chauffeurs gescheiden.
Derhalve is in dit bestemmingsplan het bouwvlak iets uitgebreid om het nieuwe kantoorgebouw te kunnen realiseren. De maximum bouwhoogte wordt op de verbeelding aangeduid. De positionering en bouwhoogte van het kantoorgebouw sluiten aan bij de bestaande bebouwing op de locatie. Figuren 2.11 en 2.12 geven een impressie van het huidige en toekomstige gevelbeeld na realisatie van het kantoorgebouw. Op figuur 2.13 is de positionering van het nieuwe gebouw langs de Oostenbroekweg weergegeven. Met de realisatie van het kantoorgebouw wordt het vooraanzicht verbeterd en wordt een representatieve gevel, onderscheidend ten opzichte van de overige bebouwing, gerealiseerd.
Hoofdstuk 2
18
Figuur 2.11 Vooraanzicht van de bedrijfsbebouwing aan de Oostenbroekweg 19 in de huidige situatie en toekomstige situatie.
Figuur 2.12 Zijaanzicht van de bedrijfsbebouwing aan de Oostenbroekweg 19 in de huidige situatie en toekomstige situatie.
Figuur 2.13 Positionering van het nieuwe kantoorgebouw en twee silo’s op het terrein van Oostenbroekweg nr. 19.
De bestaande ondergeschikte parkeervoorzieningen binnen de bestemming ‘Agrarisch’ worden als zodanig bestemd. De parkeervoorzieningen zijn om bedrijfsveiligheidsredenen op de huidige plaats aanwezig, voor veruit het grootste gedeelte overigens binnen de bestemming ‘Bedrijf’. Ter plaatse van de betreffende voorzieningen buiten de bestemming ‘Bedrijf’ wordt de aanduiding ‘parkeerterrein’ opgenomen. De ruimtelijke impact wordt door middel van de voorgestelde landschappelijke inpassing (zie 2.2.3) beperkt. Een groene buffer blijft hiermee (beter dan thans het geval is) gewaarborgd.
Hoofdstuk 2
19
Bij Hooymans Substrates BV zijn twee silo’s aan de straatzijde aanwezig, maar deze zijn niet geborgd in het bestemmingsplan. Daarom worden ze in dit bestemmingsplan verantwoord en derhalve beschouwd als ‘toekomstige ontwikkeling’. In de silo’s wordt stikstof opgeslagen ten behoeve van de koeling voor het afleveren van substraat. De temperatuur van het substraat moet namelijk verlaagd worden zodat de substraat niet te warm bij de kweker aankomt. De silo’s zijn dan ook naast het laadpunt van het substraat gepositioneerd en krijgen een bouwhoogte van 12 meter. De silo’s zijn tevens op figuur 2.8 (rechts van het kantoorgebouw) en 2.9 (ten zuiden van het kantoorgebouw) weergeven. Al enige jaren is door Hooymans Substrates BV een uitbreiding voorzien met enkele gebouwen binnen het bouwvlak van zowel het vigerende bestemmingsplan als het (vernietigde) bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2016’, waarbinnen mag worden gebouwd. Deze relatief beperkte uitbreiding is nodig om de reeds vergunde hoeveelheden grondstoffen te kunnen verwerken c.q. de vergunde hoeveelheid product te produceren. Dat houdt voornamelijk verband met de partij (half)product die voorheen via de inmiddels verwijderde transportband werd vervoerd van Hooymans naar Richamp en daar werd verwerkt tot product. Deze partij dient thans binnen het bedrijf van Hooymans te worden verwerkt.
Dat is in overeenstemming met de geldende vergunningen. Deze uitbreiding voorziet derhalve niet in een toename van de vergunde aanvoer van de hoeveelheid grondstoffen of de – ook in de planregels vastgelegde - vergunde hoeveelheid product. In de toekomst wenst Hooymans Substrates BV bebouwing op de locatie Oostenbroekweg 19 toe te voegen. Het gaat hierbij om een verbreding van de meest zuidelijke gelegen bedrijfshal en een werkplaats voor de opslag en materiaal en materieel en voor herstel- maakwerkzaamheden. De mogelijke uitbreiding van de bedrijfshal is enkel bedoeld om het bestaande bedrijfsproces efficiënter in te richten, de productiecapaciteit wordt daardoor niet verhoogd. Deze uitbreiding stelt het bedrijf namelijk in staat om het (spoel)watersysteem in de hallen beter te organiseren. Wanneer de tunnels aan twee zijden voorzien zijn van een hal voor de transportmiddelen geeft dat een beter spreiding van de werkzaamheden waardoor het schoonmaken maar een keer in de week nodig is in plaats van meerdere keren per week. Daarnaast is dan ook het ontsmetten met stoom niet meer nodig. Er kan namelijk maximaal gebruik worden gemaakt van de natuurlijke temperaturen. Dit leidt tot aanzienlijk minder water en energieverbruik.
Met de beoogde bebouwing streeft men dus geen directe vergroting na van de productiecapaciteit, maar juist een efficiëntere inrichting van de bedrijfspercelen, waardoor op een milieuvriendelijkere wijze gewerkt kan worden. De uitbreiding wordt niet direct mogelijk gemaakt, maar er wordt een wijzigingsbevoegdheid in dit bestemmingsplan opgenomen. In de wijzigingsbevoegdheid worden voorwaarden opgenomen die ervoor zorgen dat de gemeente Maasdriel kan sturen op deze ontwikkeling. Figuur 2.10 geeft de ligging van de wijzigingsbevoegdheid weer. De wijzigingsbevoegdheid is als volgt in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen: 4.5.1 Vergroten bouwvlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen door middel van het vergroten van het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsbevoegdheid', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; b. de maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter; c. de bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding wordt aangetoond; d. de landschappelijke en architectonische waarden worden niet onevenredig aangetast; e. de belangen van de betreffende bestemming(en) worden niet onevenredig aangetast;
Hoofdstuk 2
20
f.
er is geen sprake van onevenredige aantasting van de belangen van een adequate verkeersafwikkeling; g. de perceelsranden worden overeenkomstig onderdelen 2. tot en met 9. van het landschappelijk inpassingsplan dat als Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd is, ingericht; h. de landschappelijke inpassing als bedoeld in sub g wordt in stand gehouden; i. de verplichtingen als bedoeld in sub g en h zullen gelden als een voorwaardelijke verplichting voor het gebruik van hetgeen middels de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt; j. er dient een positief advies van het waterschap te zijn verkregen en aangetoond dient te worden dat aan eventueel door het waterschap te stellen voorwaarden wordt voldaan.
Figuur 2.14 Ligging van de wijzigingsbevoegdheid op het terrein van Oostenbroekweg nr. 19.
2.2.3 Landschappelijk inpassingsplan Initiatiefnemers zijn bereid te investeren in het versterken van de landschappelijke kwaliteit en willen het integraal onderdeel uit laten maken van de hierboven beschreven plannen. Derhalve is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor het plangebied (afgestemd met de Omgevingsdienst). Deze landschappelijke inpassing zal het aanzicht op de bedrijfsgebouwen verbeteren waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan een kwaliteitsverbetering van het terrein en de directe omgeving. Daarnaast worden de parkeervoorzieningen aan de voorzijde ingepast. Het plangebied ligt in het Drielsche Broek, die onderdeel is van het kommenlandschap en de Bommelerwaard. In de open kommen ko-
Hoofdstuk 2
21
men veel weides voor, hier en daar onderbroken door verspreid liggende bebouwing, populierenbossen en wilgen-grienden. De landschappelijke inpassing is erop ingestoken deze kwaliteiten te versterken. Figuur 2.15 betreft het landschappelijk inpassingsplan, deze is tevens als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. De te nemen maatregelen worden hier achtereenvolgens toegelicht: 1. Bomenrand aanplanten Door een bomenrand aan te planten wordt de regelmatige stroken- en blokverkaveling van het kommenlandschap versterkt. Er zal deels gebruik gemaakt worden van populieren om aan te sluiten op de waardevolle bestaande populierenlaan die de Oostenboekweg begeleidt. De soort is snelgroeiend waardoor de grote bebouwing snel aan het zicht onttrokken wordt. Daarnaast worden bij de parkeerplaats en in de housingel ook Eiken, Esdoorns en Lindes aangeplant. Deze soorten zijn toekomstbestendiger en de variatie brengt een grotere biodiversiteit met zich mee. 2. Zichtlijn vrijhouden Het kleinschalig slotenstelsel voedt de grote weteringen zoals de Drielsche Wetering en Hoofdwetering. Dit zijn historisch gezien belangrijke watergangen die nog altijd zichtbaar zijn in het landschap. De as van de Drielsche Wetering blijft open om deze zichtlijn te behouden; 3.
Aanplant van bomen bij de parkeerplaats Door bomen op de parkeerplaats aan te planten krijgt deze een groene uitstraling, In sortimentskeuze wordt aangesloten bij de onder 1. genoemde maatregel; 4. Aanplant van lage hagen Door de aanplant van lage Meidoornhagen zal het bedrijventerrein een duidelijke overgang krijgen tussen publiek en privaat. Door de hagen ca. 1 meter hoog te houden is het bedrijventerrein goed te overzien en zullen de auto’s toch grotendeels aan het zicht worden onttrokken; 5. Gebruik maken van grasbetontegels In de strook tussen de openbare weg en het bedrijf worden grasbetontegels geplaatst zodat er op deze plekken geparkeerd kan worden en tevens de groene uitstaling behouden blijft; 6. Aanvullen van knotwilgen Veel voorkomende beplanting in Drielsche Broek zijn wilgengrienden. Naast de watergang ten zuiden van het terrein staan al knotwilgen en zullen worden aangevuld richting het oosten; 7. Toevoegen van een houtsingel met boomvormers Door de houtsingel met boomvormers zal een groot gedeelte van de panden aan het zicht worden onttrokken en kan er een goede overgang gemaakt worden naar het omliggende landschap. Het heeft ook een ecologische meerwaarde. Bij de aanplant wordt gekozen voor een zo groot mogelijke variatie van inheemse soorten als Sporkehout, Meidoorn, Zuurbes, Liguster, Kardinaalsmuts, Kornoelje, Lijsterbes, Vlier, Eik, Esdoorn, Wilg, Linde.
8. Bloem- en kruidenrijk grasland De overgang richting de open graslandkommen wordt versterkt door de aanleg van een open bloemen kruidenrijk grasland, dit zal de flora en fauna ten goede komen;
Hoofdstuk 2
22
9. Aanleg van een poel met natuurvriendelijke oevers Om een meer gevarieerde flora en fauna aan te trekken wordt er een poel worden aangelegd met natuurvriendelijke oevers.
Figuur 2.15 Uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied
Hoofdstuk 2
23
3.
BELEIDSTOETS
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. Doorwerking plangebied Gezien de aard en ligging van de ontwikkeling zijn er geen nationale belangen, zoals verwoord in de NOVI, aan de orde met dit plan. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om
Hoofdstuk 3
24
beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en met de voorgenomen wijzigingen. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.4 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Dit plan voorziet primair in de planologische borging van de feitelijke en vergunde situatie zoals die al geruime tijd in het plangebied aanwezig is.
In planologisch opzicht wordt het bestaande bestemmingsvlak van de (niet-agrarische) bedrijfsbestemming ter plaatse van Oostenbroekweg 7 beperkt uitgebreid. Dit betreft zoals aangegeven een reeds vergunde situatie, die te maken heeft met het optimaliseren van de bestaande bedrijfsvoering. Voor zover er al sprake is van een stedelijke ontwikkeling in dit opzicht, dan is deze van ondergeschikte aard en van ondergeschikte omvang ten opzichte van het bestaande bedrijf. Het betreft een champignon- en substraatbedrijf. Dergelijke bedrijven zijn weliswaar niet als een agrarisch bedrijf aan te merken, maar zijn wel aan het buitengebied verbonden bedrijven, die derhalve vrijwel zonder uitzondering buiten bestaand stedelijk gebied gevestigd zijn. Met de beperkte planologische uitbreiding is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik van een bestaande bedrijfslocatie. Dit is in lijn met de uitgangspunten en het gedachtengoed van de Ladder. 4
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
25
Tevens worden de bouwvlakken op beide planlocaties afgestemd op de feitelijk bestaande en vergunde situatie. Dit betreft een aantal ondergeschikte aanpassingen van de bestaande bouwvlakken, welke gezien de beperkte omvang zonder meer niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling kunnen worden beschouwd. Tot slot wordt een zeer beperkte uitbreiding van bouwmogelijkheden indirect (middels een wijzigingsbevoegdheid) mogelijk gemaakt. Deze uitbreiding vindt plaats op de gronden die reeds bestemd zijn voor niet-agrarische bedrijfsdoeleinden. Conform recente jurisprudentie van de Afdeling5 behoeft, voor zover deze uitbreiding al als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt aan te merken, de ladder voor duurzame verstedelijking niet in het kader van onderhavig bestemmingsplan te worden doorlopen. Aanvullend geldt wat dit betreft eveneens dat de uitbreiding van ondergeschikte aard aan het bestaande aan het buitengebied gebonden bedrijf is. Met de eventuele toekomstige toepassing van de wijzigingsbevoegdheid kan een zorgvuldig ruimtegebruik van de bestaande bedrijfslocatie worden bereikt. Daarbij is tevens van belang dat uitgesloten is dat de vergunde productiehoeveelheid wordt vergroot.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie (2018) Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Doorwerking plangebied De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn.
Onderhavig plan betreft hoofdzakelijk de juridisch-planologische borging van de reeds vergunde situatie. Er worden slechts enkele nieuwe wijzigingen mogelijk gemaakt die in zeer redelijke verhouding staan met de ondernemings-/ ontwikkelruimte van het bedrijfsperceel. Deze wijzigingen zorgen ervoor dat er geïnvesteerd kan worden in een duurzame bedrijfsvoering. Daarnaast draagt het plan door de landschappelijke inpassing bij aan de kwaliteit van de Gelderse leefomgeving.
5
ABRvS 3 augustus 2022, ECLI:NL: RVS:2022:2249.
Hoofdstuk 3
26
Omgevingsverordening Provinciale Staten hebben de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. Nadien is de Omgevingsverordening diverse malen herzien. De meest recente actualisatie dateert momenteel van juli 2022. Een geconsolideerde versie van de verordening is gepubliceerd in februari 2022. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de ruimtelijke verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied zijn geen voor dit plan relevante aanduidingen van toepassing op basis van de kaarten bij de Omgevingsverordening. Daarnaast raakt het plan gezien haar aard en omvang geen provinciale belangen en geen thema’s die in de verordening zijn opgenomen. Het bestemmingsplan is in lijn met de Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Visie Maasdriel 2020+ Op 3 juli 2008 heeft de gemeente Maasdriel de visie Maasdriel 2020+ vastgesteld. Deze visie beoogt een voor de toekomst heldere profilering van de gemeente naar de eigen burgers en ondernemers. De visie maakt helder waar de gemeente voor staat, welke ontwikkeling zij ambieert en waarvoor de gemeente zich de komende jaren hard wil maken richting de eigen bevolking, ondernemers en andere voor de ontwikkeling van Maasdriel belangrijke partijen. Doel van de visie is richting te geven aan de lange termijn (2020 en verder) ontwikkeling van de gemeente. Bedrijvigheid blijft een belangrijke functie binnen Maasdriel. Het ondernemerschap en de ontwikkeling en groei van het bedrijfsleven wordt ook richting 2020 sterk gestimuleerd. Dit gebeurt door ruimte te bieden aan ondernemers op goed ingerichte bedrijventerreinen en door de gunstige ligging van de gemeente ten opzichte van de A2. De wat grotere bedrijven en bedrijven die vanwege hun activiteiten (milieuoverlast en verkeerbewegingen) minder passend zijn in de woonomgeving worden naar deze bedrijventerreinen verplaatst. Hierdoor raken de woonkernen vrijwel vrij van handel en industrie. Doorwerking plangebied Onderhavig plan betreft hoofdzakelijk de juridisch-planologische borging van de reeds vergunde situatie.
Er worden slechts enkele nieuwe wijzigingen mogelijk gemaakt die in zeer redelijke verhouding staan met de ondernemings-/ ontwikkelruimte van het bedrijfsperceel. Deze wijzigingen zorgen ervoor dat er geïnvesteerd kan worden in een duurzame bedrijfsvoering. Daarnaast draagt het plan door de landschappelijke inpassing bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Het planvoornemen is niet in strijd met de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. Structuurvisie Maasdriel De Structuurvisie Maasdriel (2011) is kaderstellend voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Maasdriel. Voor bedrijven(terreinen) is in de structuurvisie aangegeven dat van groot belang is dat door intensivering en meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit en de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd. Aandacht is daarbij nodig voor de representativiteit van de bebouwing, met name aan de
Hoofdstuk 3
27
ontsluitingswegen. Het streven is gericht op een ruimtelijke verbetering/opwaardering van kwalitatief laagwaardige bedrijfskavels. Verder moet rekening worden gehouden met de specifieke kwaliteiten van het landschap. Gestreefd wordt naar een verbetering van de landschappelijke inpassing van bestaande terreinen. Daarnaast moet extra aandacht worden besteed aan de overgang van het bedrijventerrein naar het landschap. Doorwerking plangebied Onderhavig bestemmingsplan ziet op het juridisch-planologisch bestendigen van de vergunde situatie voor twee bestaande champignon- en substraatbedrijven. Het ruimtelijk beleid van de gemeente voor bedrijven(terreinen) gaat uit van zuinig ruimtegebruik: beheer en waar mogelijk intensivering. Dit betekent in de eerste plaats dat de ruimte beter benut moet worden. Onderhavig bestemmingsplan legt de bestaande vergunde situatie voor beide bedrijven vast en biedt op de locatie Oostenbroekweg 19 kleinschalige ontwikkelingsmogelijkheden binnen de bestaande bedrijfskavel. Dit past in het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Er wordt tevens in lijn met het beleid voorzien in landschappelijke inpassing van het geheel. Het bestemmingsplan sluit daarmee aan op het ruimtelijk beleid, zoals opgenomen in de structuurvisie.
Hoofdstuk 3
28
4.
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
Er bestaat een duidelijke relatie tussen het milieubeleid en de ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien het ruimtelijk en milieubeleid naar elkaar in de vorm van omgevingsbeleid. De milieukwaliteit is derhalve een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband dient bij de afweging bij de ontwikkeling van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Dit bestemminsplan bestaat in feite uit twee delen, namelijk de juridisch-planologische borging van de feitelijke situatie en mogelijk maken van drie toekomstige ontwikkelingen (kantoorgebouw, twee silo’s, wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de uitbreiding van het bouwvlak). De juridisch-planologische borging van de vergunde situatie maakt geen andere ontwikkelingen mogelijk en heeft daardoor geen negatieve effecten op de milieuonderdelen. In dit hoofdstuk wordt per milieuaspect dan ook specifiek ingegaan op enkel de drie toekomstige ontwikkelingen.
4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied Met dit bestemmingsplan wordt een nieuw kantoorgebouw, twee silo’s en een wijzigingsbevoegdheid voor het uitbreiden van het bouwvlak mogelijk gemaakt. Deze toekomstige ontwikkelingen vinden allemaal plaats binnen de bestemming ‘Bedrijf’ en staan in zeer redelijke verhouding tot de aard en schaal van de bedrijfsactiviteiten en bebouwing. Er worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten ontplooid, sterker, de toekomstige ontwikkelingen stellen de bedrijven in staat om op termijn duurzamer te werken.
Ondanks dat kan het plan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De uitbreiding van het bebouwd oppervlakte (kantoorgebouw, silo’s en een mogelijke toekomstige uitbreiding van het bouwvlak d.m.v. de wijzigingsbevoegdheid) van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een
Hoofdstuk 4
29
(wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheden in dit geval betreffen een beperkte uitbreiding van de toegestane bedrijfsbebouwing om een kantoorgebouw en silo’s te kunnen bouwen. Dit zijn geen milieubelastende activiteiten en deze hebben geen invloed op de omgeving. Daarnaast wordt binnen het bestaande bouwvlak een relatief geringe uitbreiding van bebouwing voorzien, welke nodig is om de reeds vergunde hoeveelheid grondstoffen te kunnen verwerken c.q. de vergunde hoeveelheid product te kunnen produceren. De wijzigingsbevoegdheid moet in de toekomst een uitbreiding van het bouwvlak mogelijk maken om een werkplaats en een bedrijfshal te bouwen. De bedrijfshal is enkel en alleen bedoeld voor een efficiëntere inrichting van het (spoel)watersysteem in het bedrijfsproces. Hierdoor kan een aanzienlijke hoeveelheid aan schoon drinkwater worden bespaard. Wat in alle opzichten beter is voor het milieu. In samenhang bezien zijn de gewenste ontwikkelingen in omvang en milieuhygiënische impact, ten opzichte van de bestaande situatie beperkt te noemen.
Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging en leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies maar zelfs tot een verbetering voor de milieuomstandigheden en leefomgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of – technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling en wijzigingen in het plangebied niet kunnen worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het, en mede gelet op het gegeven dat geen grotere of andere gevolgen voor het milieu ontstaan in vergelijking met de bestaande vergunde en planologische situatie, niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.