M2022-18 Driftblootstelling van omstanders en omwonenden d-wageningen university and research 378315
Tekst van het document
Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen J.C. van de Zande en M. Wenneker
Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen
J.C. van de Zande1 en M. Wenneker2
1 Plant Research International 2 Praktijkonderzoek Plant en Omgeving - sector Fruit
Wageningen UR is een samenwerkingsverband tussen Wageningen Universiteit en Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Wageningen, mei 2015
PRI-rapport 609
Zande, J.C. van de en M. Wenneker, 2015. Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen. Wageningen, the foundation Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Plant Research International, Wageningen UR (University & Research centre), PRI-rapport 609. 68 blz.; 7 fig.; 20 tab.; 53 ref.
Spray drift can be limited through the use of drift- reducing nozzles and spray techniques; and is obligatory when applying Plant Protection Products (PPP) alongside waterways in the Netherlands. The spray drift reducing measures implemented to protect the surface water also protect spray drift exposure of bystanders and residents in the neighbourhood of sprayed orchards. Spray drift is estimated at different distances from a sprayed orchard based on earlier performed spray drift field experiments. A differentiation is made to measured spray drift deposition at ground level and estimated airborne spray drift up to 50 m distance from the treated field. Airborne spray drift curves are based on measured airborne spray drift at 7,5 m distance from the last tree row. Airborne spray drift is further divided in exposure in the 0-3 m high air layer and the 3-6 m high air layer. Both for the dormant (before May 1st) and the full leaf situation (after May 1st) analyses have been performed based on spray drift data related to dermal and inhalation exposure of bystanders and residents of some often used plant protection products in the Netherlands. It is shown that spray drift reducing technology (DRT) is important in reducing the exposure risk of bystanders and residents too.
Also the effects of filter crops, like wind breaks, hedgerows etc., grown on the edge of the field on exposure of bystanders and residents is shown. Keywords: spray drift, dermal exposure, bystander, resident, agrochemical, orchard sprayer, spray drift reduction, wind break
© 2015 Wageningen, Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Plant Research International, Postbus 16, 6700 AA Wageningen; T 0317 48 07 00; www.wageningenur.nl/pri KvK: 09098104 te Arnhem VAT NL no. 8113.83.696.B07 Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO). Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van DLO. DLO is niet aansprakelijk voor eventuele schadelijke gevolgen die kunnen ontstaan bij gebruik van gegevens uit deze uitgave. PRI-rapport 609 Foto omslag: Jan van de Zande
Inhoud
Woord vooraf
5
Samenvatting
7
Summary
9
1
Inleiding
11
2
Materiaal en methoden
12
3
Resultaten
14
4
Drift en blootstelling
20
5
Discussie
28
6
Conclusie
36
Literatuur
38
Bijlage 1
Drift depositie op grond en naar de lucht
41
Bijlage 2
Dermale blootstelling
42
Bijlage 3
Inhalatoire blootstelling
55
Woord vooraf
Momenteel vinden in verschillende gemeenten discussies plaats over de veiligheidszones rond fruitteeltbedrijven als gevolg van bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen en de blootstelling van personen in en rond woningen dichtbij de boomgaard. In deze rapportage wordt voor de blootstelling vanuit fruitteelt bespuitingen een overzicht gegeven van de drift bij standaard en drift beperkende op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken en maatregelen die in de fruitteelt gebruikt kunnen worden om tot een beperking van de veiligheidszones te komen. In een aparte rapportage is dit ook gedaan voor neerwaarts gerichte bespuitingen van veldgewassen met een veldspuit. Naast de optredende drift vanuit de boomgaard tijdens de bespuitingen is ook de toxiciteit van de middelen en de blootstelling van personen belangrijk. Dank aan Dr. H.E. Falke (voorheen Ctgb) voor de discussies over de werkwijze en bespreking van de resultaten op dit gebied. Dit onderzoek is voor verschillende opdrachtgevers uitgevoerd waarna deze rapportage opgesteld is ter inventarisatie van de bekende kennis bij de aanvang van het project Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden.
Wageningen, mei 2015
PRI-rapport 609
|5
6 | PRI–rapport 609
Samenvatting
Drift, het wegwaaien van spuitvloeistof tijdens de bespuiting tot buiten de perceelsgrenzen door wind, kan beperkt worden door op de spuit driftbeperkende spuitdoppen te gebruiken; één van de maatregelen die vereist is volgens het Activiteitenbesluit Milieubeheer om de drift naar een sloot naast het perceel te beperken. Door deze maatregelen wordt ook de drift op grotere afstand beperkt en de driftblootstelling van omstanders en omwonenden. Op 5 m afstand van de laatste bomenrij is de driftdepositie op grondoppervlak voor de standaard spuittechniek in de fruitteelt in de kale boom situatie 23% en in de volblad situatie 12%. Op 25 m afstand is de driftdepositie voor de standaard spuittechniek voor respectievelijk de kale boom situatie (voor 1 mei) en de volblad (na 1 mei) situatie 2,6% en 1,1% en op 50 m afstand wordt een driftdepositie ingeschat van 0,5% en 0,02%. Door gebruik te maken van een 90% driftreducerende spuittechniek (DRT90) zoals nu minimaal verplicht is bij bespuitingen van boomgaarden waar oppervlaktewater langs ligt is de driftdepositie op 5 m afstand 3,2% in de kale boom situatie en 1,5% in de volblad situatie, op 25 m afstand resp. 0,11% en 0,06% en wordt op 50 m afstand ingeschat als kleiner dan 0,005% (huidige detectiegrens van driftmetingen) voor beide gewassituaties.
De drift naar de lucht is hoger dan de driftdepositie op grondoppervlak op dezelfde afstand. Zo is voor de standaard spuittechniek in de fruitteelt de drift naar de lucht voor de luchtlaag 0-3 m hoog op 5 m afstand 68% voor bespuitingen in de kale boom situatie en 30% voor bespuitingen in de volblad situatie. Voor een DRT90 spuittechniek is de drift naar de lucht (0-3 m hoog) op 5 m vanaf de laatste bomenrij 15% in de kale boom situatie en 5,6% in de volblad situatie. Geschat wordt dat de drift naar de lucht afneemt met de afstand en dat op 25 m vanaf de laatste bomenrij de drift naar de lucht in de luchtlaag 0-3 m hoog voor de standaard spuittechniek in de fruitteelt in de kale boom situatie 4,4% is en in de volblad situatie 1,9%. Voor de DRT90 spuittechniek is de drift naar de lucht op 25 m van de laatste bomenrij resp. 0,9% en 0,3% waarbij dit op 50 m afstand nog als resp. 0,03% en 0,009% ingeschat wordt. Voor de standaard spuittechniek zijn de benodigde afstanden om tot de driftpercentages 1%, 0,5% en 0,1% te komen zowel voor de drift depositie op grondoppervlak als voor de drift in de lucht (0-3 m hoog) ongeveer gelijk. Wel is de benodigde afstand om tot hetzelfde driftpercentage in de kale boom situatie aanzienlijk groter dan in de volblad situatie.
Om tot een 1% driftdepositie op grondoppervlak en in de lucht (0-3 m hoog) te komen is in de volblad situatie 26-30 m, tot 0,5% niveau 31-35 m en voor een 0,1% niveau 45-46 m nodig. In de kale boom situatie is de benodigde afstand tot een bepaalde drempelwaarde doorgaans ongeveer 10 m hoger. Voor de DRT90 spuittechniek is de benodigde afstand om tot een bepaald driftpercentage te komen voor de drift naar de lucht (0-3 m hoog) 10 -15 m groter dan voor de driftdepositie op de grond. Daarbij wordt een driftdepositie op de grond van 1% voor de DRT90 spuittechniek bereikt op 7 m van de laatste bomenrij, van 0,5% op 12 m en van 0,1% op 22 m in de volblad situatie van de fruitbomen. Daarbij is voor de DRT90 de benodigde afstand tot de verschillende drempelwaarden in de kale boom situatie 4–8 m groter dan voor een bespuiting in de volblad situatie. Binnen Nederlandse gemeenten doet zich een discussie voor over de bouw van woningen nabij boomgaarden. In het buitengebied komen woningen binnen 50 m vanaf de perceelgrens van een landbouwperceel voor. Op dit moment wordt naar aanleiding van jurisprudentie voor de fruitteelt generiek een veiligheidsafstand van 50 m gehanteerd tussen bebouwing en perceelsrand.
Om te onderzoeken of het mogelijk is dat deze afstand kritisch is voor de bestemming bewoning is een studie uitgevoerd naar het effect van thans toegelaten standaard en driftarme toedieningstechnieken volgens het Activiteitenbesluit op de driftdepositie naast het perceel op de grond en de drift naar de lucht bij de bespuiting van een boomgaard. Hierbij is gebruik gemaakt van gegevens uit veldonderzoek met een standaard dwarsstroom boomgaardspuit uitgerust met standaard werveldoppen en driftarme spuittechnieken. Berekeningen zijn uitgevoerd om de drift naar de lucht op 10, 20, 30, 40 en 50 m
PRI-rapport 609
|7
afstand van de perceelrand in de lagen 0-3 m en 3-6 m hoogte te kwantificeren. Deze gegevens zijn gecombineerd met blootstellingscriteria AEL voor dermaal (huid), inhalatoir (inademen) en secundair dermaal contact van verschillende veel gebruikte gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt om een inschatting van het risico voor gevoelige functies zoals omwonenden en omstanders te kunnen maken. Uit deze berekeningen volgde dat bij zij- en opwaartse bespuitingen in de fruitteelt, waarbij gebruik gemaakt wordt van een standaard dwarsstroomspuit uitgerust met Albuz ATR lila spuitdoppen blijkt dat zowel in de volblad (na 1 mei) als de kale boom (voor 1 mei) situatie resp. 30 m en 35 m van de laatste bomenrij een veilige afstand te zijn. Deze beperking van 30 m - 35 m was het gevolg van de overschrijding van de huidblootstelling. Op 5 m van de laatste bomenrij was er geen overschrijding van de inhalatie en de secundaire huidblootstelling. Als er op de perceelgrens een windhaag (bv 4 m hoge elzen) aanwezig is dan wordt deze afstand verkleind tot 25 m voor de standaard boomgaardspuit. De afstand tot gevoelige functies zoals omstanders, omwonenden en bebouwing kan verkleind worden of zeker gesteld worden door de aanplant van een wintergroene windhaag in de kale boom situatie, een dubbele windhaag, een houtwal of een constructie met een vergelijkbare filterende werking.
Voor een wintergroene windhaag en bespuitingen met een standaard boomgaardspuit wordt berekend dat de benodigde veiligheidszone 15 m vanaf de laatste bomenrij is. Door de aanplant van een dubbele windhaag of houtwal van vergelijkbare hoogte blijft de dermale blootstellingsgrens voor captan op 15 m vanaf de laatste bomenrij (5 m vanaf de tweede windhaag) onder het huidblootstellingsrisico voor omstanders en voor personen in de tuin (0-3 m) en voor de woning (3-6 m hoogte). Voor de toekomstige situatie (vanaf 2016) waarbij een minimaal DRT75 techniek op het perceel gebruikt moet worden is de benodigde afstand 30 m vanaf de laatste bomenrij in de kale boom situatie en 25 m in de volblad situatie. Deze afstand kan verkleind worden tot 20 m en 5 m voor respectievelijk de kale boom en volblad situatie door de aanwezigheid van een windhaag. Wordt een dubbele windhaag of houtwal of een wintergroene windhaag geplaatst dan is er zowel in de kale boom als de volblad situatie direct achter de haag of houtwal geen overschrijding van de huidblootstelling. Ligt er langs de boomgaard oppervlaktewater en wordt er een minimaal DRT90 techniek op het perceel gebruikt dan is de benodigde afstand vanaf de laatste bomenrij 25 m in de kale boom situatie en 15 m in de volblad situatie.
Deze afstand kan verkleind worden tot 15 m en 5 m voor respectievelijk de kale boom en volblad situatie door de aanwezigheid van een windhaag. Wordt een dubbele windhaag of houtwal of een wintergroene windhaag geplaatst dan is er zowel in de kale boom als de volblad situatie direct achter de haag of houtwal geen overschrijding van de huidblootstelling.
8 | PRI–rapport 609
Summary
Spray drift, the movement of spray drops during application outside of the treated area because of wind currents, can be limited through the use of drift-reducing nozzles and spray techniques. Drift reducing measures are obligatory (Environmental Activities Decree) when applying Plant Protection Products (PPP) alongside waterways in the Netherlands. The spray drift reducing measures implemented to protect the surface water also protect spray drift exposure of bystanders and residents in the neighbourhood of sprayed orchards. At 5 m distance from the last tree row spray drift deposition at ground surface is for the standard application technique in fruit crop spraying in the dormant situation of the trees 23% and in the full leaf situation 12%. At 25 m distance spray drift deposition at ground surface is for the standard spray technique in the dormant tree situation (before May 1st) and in the full leaf situation (after May 1st) respectively 2,6% and 1,1% and at 50 m distance estimated at 0,5% and 0,02%.
Using a 90% driftreducing spray technique (DRT90) as required spraying alongside waterways for fruit crop spraying spray drift deposition at ground surface at 5 m distance from the last tree row is 3,2% in the dormant tree and 1,5% in the full leaf situation, at 25 m distance respectively 0,11% and 0,06% and at 50 m distance for both crop situations lower than 0,005% (detection limit for spray drift measurements). Airborne spray drift is at a similar distance from the last tree row higher than ground deposition. Airborne spray drift is for the standard spray technique in fruit crop spraying for the air layer 0-3 m high at 5 m distance from the last tree row 68% for spray applications in the dormant tree situation and 30% in the full leaf situation. For a DRT90 spray technique airborne spray drift (0-3 m high) is at 5 m distance from the last tree row 15% in the dormant tree situation and 5,6% in the full leaf situation. It is estimated that airborne spray drift reduces with distance from the sprayed orchard and is at 25 m distance from the last tree row at 0-3 m height for the standard spray technique 4,4% in the dormant situation and 1,9% in the full leaf situation.
For a DRT90 spray technique airborne spray drift is estimated at 25 m distance from the last tree row as 0,9% and 0,3% and at 50 m distance as 0,03% and 0,009% for respectively the dormant tree situation and the full leaf situation. To come to specific threshold values of both ground deposition of spray drift and airborne spray drift (0-3 m high) of 1%, 0,5% and 0,1% needed distances are for the standard spray technique more or less similar. For spray applications in the dormant tree situation these distances are higher than for spray applications in the full leaf situation. To come to a 1% level of spray drift deposition at ground and as airborne (0-3 m high) in the full leaf situation of the trees a distance is needed of 26-30 m, for the 0,5% level of 31-35 m and for the 0,1% level of 45-46 m. In the dormant situation of the trees the distances to these threshold levels are about 10 m higher. For the DRT90 spray technique about 10-15 m more distance is needed to come to similar threshold values of airborne spray drift deposition as to ground deposition. A spray drift deposition level of 1% on ground is for the DRT90 spray technique determined at 7 m from the last tree row, a threshold level of 0,5% at 12 m and a 0,1% level at 22 m in the full leaf situation of the fruit trees.
For the different threshold levels in the dormant situation of the fruit trees distances are in general 4-8 m higher for the DRT90 spray technique. In Dutch municipalities a discussion is in progress on the building of houses nearby orchards. In the rural area houses are located within a distance of 50 m from orchards. Based on jurisprudence in general a safety distance between building and orchards is maintained. The possibility to reduce this safety distance is assessed based on current spray drift knowledge for standard and drift-reducing spray techniques done in earlier spray drift research. Calculations are done with estimations of airborne spray drift differentiated at heights of 0-3 m and 3-6 m in the air at 10 - 50 m distance from the last tree row. These data are combined with available data on Acceptable Exposure Level (AEL) for dermal contact and inhalation for some often used PPP in fruit crop spraying to give an impression of potential risk of bystanders and residents at different distances from the orchard.
PRI-rapport 609
|9
From the estimations it followed that for a conventional cross flow fan orchard sprayer equipped with Albuz ATR hollow cone nozzles both in the dormant (before May 1st) and in the full leaf situation (after May 1st) a distance of 30-35 m was required to be below critical threshold values for dermal exposure of captan. At 5 m distance from the last tree row no risk of a too high exposure was calculated for inhalation exposure. When a windbreak was grown on the field edge of the orchard it was calculated that buffer zones to meet the threshold value for dermal exposure could be reduced to 25 m. In general it can be stated that exposure can be decreased with some sort of filter crop on the edge of the field like evergreen windbreaks, double row planted windbreaks and hedgerows especially in the dormant situation of the fruit trees. The width of a buffer zone was calculated to be reduced to 15 m for these filter constructions for people in the garden (0-3 m high air layer) and the building (3-6 m high air layer). For situations in future (from 2016 onward) when a minimal spray drift-reducing technique of 75% (DRT75) is required for PPP applications in orchards, also when no waterways are around the field, indicate that a buffer zone is needed of 30 m from the last tree row in the dormant tree situation and of 25 m in the full leaf situation of the fruit tree crops.
This safety distance can be reduced to 20 m and 5 m respectively in dormant and full leaf situations when a windbreak is grown on the edge of the field. With more dense filters as of a double row of windbreak trees, a winter green windbreak or a hedgerow no risk for dermal exposure was calculated. In the case of a waterway around the orchard and the use of a mandatory minimal required DRT90 spray technique a buffer zone distance of 25 m is required to keep below the dermal threshold of captan in the dormant situation and of 15 m for the full leaf situation. This distance can be decreased to 15 m and 5 m for respectively the dormant and full leaf situation when a windbreak is present at the edge of the field. With a double row of windbreak trees, a winter green windbreak or a hedgerow at the edge of the field no risk for dermal exposure was calculated for captan.
10 | PRI–rapport 609
1
Inleiding
Binnen verschillende Nederlandse gemeenten doet zich een discussie voor over de nieuwbouwplannen van woningen naast percelen met landbouwkundige activiteiten. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een risicozone voor bebouwing aangehouden van 50 m vanaf de gewasgrens. Naar aanleiding van geplande woningbouw in de nabijheid van boomgaarden is er de vraag of het mogelijk is woningen te bouwen die binnen 50m van de perceelgrens van een fruitteeltperceel liggen. De vraag is gerezen op welke afstand woningbouw en bijbehorend erf en tuin nog verantwoord zijn in verband met plaatselijke bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen en als gevolg daarvan de blootstelling van omstanders en omwonenden aan het wegwaaien van de gewasbeschermingsmiddelen. Omdat langs de te bebouwen terreinen fruitteelt aanwezig kan zijn, is er voor gekozen de verantwoorde afstand te evalueren op basis van een bespuiting met de hoogste drift zoals in de fruitteelt (Huijsmans et al., 1997). In deze rapportage wordt het onderdeel blootstellingsrisico vanuit bespuitingen in de fruitteelt verder uitgewerkt.
Vraag hierbij is of de standaard driftbeperkende maatregelen die bij bespuitingen langs oppervlaktewater volgens het Activiteitenbesluit Milieubeheer genomen moeten worden (voorheen Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (LOTV); VW et al., 2000, 2007, I&M, 2012) en de aanwezigheid van windhagen of andere begroeiing de drift dusdanig reduceert dat een aanvaardbaar risico ontstaat voor verblijf binnen de huidige veiligheidsafstand van 50 m vanaf een perceelrand. Met drift wordt hierbij bedoeld de hoeveelheid spuitvloeistof die tijdens de bespuiting tot buiten het behandelde perceel komt als gevolg van wind- en luchtstromingen. Op basis van eerder veldonderzoek naar de drift bij toepassing van standaard en driftreducerende spuittechnieken in de fruitteelt kan aangegeven worden wat de driftdepositie op de grond (tot 50 m) en naar de lucht is. De berekende waarden zijn getoetst aan de criteria die in beleid opgesteld zijn (Ctgb, 2013).
Tevens is beschikbare kennis over de blootstellingrisico’s (acceptabele kortdurende systemische blootstelling) door direct contact met de huid (dermaal), door inademing (inhalatoir) en secundair huidcontact (dermaal) door contact met eerder tot depositie gekomen drift (op bijvoorbeeld grond of gras) bij open zijwaarts gerichte bespuitingen gebruikt om te bepalen wat de risico’s zijn bij de geldende (50 m) en aangepaste breedtes van de beschermzone tussen een boomgaard en de woningen. Tevens is bepaald wat het effect is van driftbeperkende technieken en maatregelen. Deze rapportage geeft een inschatting van wat verwacht kan worden aan drift van spuitvloeistof tijdens de bespuiting van boomgaarden in de route van het perceel en omwonenden en woningen bij het opzetten en uitvoeren van blootstellingsonderzoek van omwonenden zoals aangegeven door de Gezondheidsraad (2014) en het RIVM (Bogers et al., 2014). Een uitleg hoe drift gemeten wordt en met welke spuittechnieken drift beperkt kan worden staan in Hoofdstuk 2 en 3. Hoe de drift van invloed is op de blootstelling van omstanders en bewoners staat in Hoofdstuk 4, waarna in Hoofdstuk 5 aangegeven wordt hoe de risico’s voor omstanders en bewoners verkleind kunnen worden door aanvullende maatregelen.
PRI-rapport 609
| 11
2
Materiaal en methoden
Beschikbare resultaten van optredende drift bij standaard en driftarme spuittechnieken zoals venturi spuitdop, enkelzijdig spuiten buitenste bomenrij, zoals gebruikt in de fruitteelt, zijn geïnventariseerd (Zande et al., 2001; Michielsen et al., 2007; Wenneker et al., 2007, 2008a, 2008b, 2008c). Op basis van de driftmetingen met standaard (Southcombe et al., 1997) en driftarme spuitdoppen (VW & LNV, 2001; Zande et al., 2007) wordt aangegeven wat de reductie in driftdepositie is op 5, 10, 15 en 25 m vanaf de gewasrand en de reductie in drift naar de lucht op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij in de boomgaard. De driftreductie wordt aangegeven ten opzichte van een standaardbespuiting (9 m teeltvrije zone) en een standaard driftarme bespuiting (venturi spuitdop met 3 m teeltvrije zone) zoals verplicht volgens het Activiteitenbesluit Milieubeheer (I&M, 2012 (voorheen Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (LOTV); VW et al., 2007) wanneer een watervoerende sloot op de perceelgrens aanwezig is. Op grond van driftmetingen uitgevoerd om de driftbelasting van enkelrij bespuitingen te kwantificeren (Michielsen et al., 2007) kan voor de standaard en driftbeperkende spuittechniek berekend worden wat de drift naar de lucht is op 20, 30 en 40 m vanaf de perceelgrens en op verschillende hoogten.
Aan de hand van het criterium een veilige leefomgeving zoals gedefinieerd voor de bepaling van de 50 m grens tot bebouwing, zoals nu in de regelgeving genoemd wordt, is bepaald waar deze grens ligt op grond van overschrijding van blootstellingrisico’s voor personen en enkele veelgebruikte middelen in de fruitteelt bij genoemde standaard en driftbeperkende technieken.
2.1
Veldmetingen drift
Bij driftveldmetingen werd in overeenstemming met een meetprotocol (CIW, 2003; ISO22866) ter certificering van driftarme spuittechnieken (TCT, 2015; ISO22369) een boomgaard over een strook van 20 m breed en een lengte van minimaal 50 m bespoten. In Figuur 1 is schematisch de indeling van een proefveld weergegeven. De metingen vonden plaats aan de benedenwindse zijde van de bespoten strook appelbomen op een strook kale grond. De bespuitingen werden uitgevoerd met water waaraan de fluorescerende tracer Brilliant Sulfo Flavine (BSF, 3 g/l) en een niet-ionische uitvloeier (Agral®, 1 ml/l) was toegevoegd. De drift naar de grond naast het perceel werd bepaald door naast het perceel 2 rijen collectoren (=1 meetopstelling) met een onderlinge afstand van 2 m haaks op de rijrichting te leggen. De collectoren bestonden uit houten latten of plastic platen waarop met klittenband filterdoek (Camfil CM360 of Technofil TF-290; 50x10 cm en 100x10 cm) was bevestigd. De collectoren werden op 2,5 - 3,5 m; 4,5 - 5,5 m; 6,5 - 7,5 m; 9,5 - 10,5 m en 12,5 - 13,5 m gelegd (in enkele metingen ook om de 5 m tot 25 m), gemeten vanaf de positie van de laatste bomenrij. Voor de metingen van de drift naar de lucht werd op 7,5 m van de laatste gewasrij een driftmast opgesteld met aan twee lijnen driftcollectoren op 0, 1, 2, tot 10 m hoogte.
Deze driftcollectoren waren bolvormige sponsjes met een diameter van 7,5 cm (Siebauer Abtrifftkollektoren art. nr. 00140). Na een bespuiting werden de collectoren verzameld en gecodeerd voor verdere analyse op de hoeveelheid opgevangen BSF. Elke meetdag werd bemonsterd aan de dop (tankmonsters) om de BSFconcentratie van de spuitvloeistof te meten. Ter vergelijking werden ook onbehandelde (blanco) collectoren geanalyseerd. In het laboratorium werden de collectoren met water gespoeld, zodanig dat de BSF in oplossing kwam. Van deze oplossing werd de concentratie aan BSF gemeten met behulp van een fluorimeter (Perkin Elmer LS 45). Op dezelfde wijze werden de blanco collectoren geanalyseerd. Ook de concentratie BSF in de tankmonsters werd fluorimetrisch bepaald.
12 | PRI–rapport 609
De concentratie werd omgerekend naar volume spuitvloeistof per oppervlakte-eenheid. Het percentage drift is berekend door de driftdepositie per oppervlakte-eenheid uit te drukken in procenten van de in het perceel verspoten hoeveelheid vloeistof per oppervlakte-eenheid. Voor de vergelijking van de driftdepositie zijn de driftwaarden over de stroken 4½-5½, 9½-10½ en 14½-15½ berekend, alsmede de gemiddelde drift naar de lucht op 7,5 m afstand vanaf de laatste bomenrij, uitgedrukt in percentages van de dosering.
drift mast en
4 3
drift collectoren meteo ISO
drift collectoren 2
meteo 1
drift mast
en
3M
5M
7M
10M
13M
P1 P2-2/1
Figuur 1
Schematische weergave meetopstelling veldmeting drift in de fruitteelt; links de
boomgaard waarvan minimaal de buitenste 8 boomrijen (20 m) bespoten worden, rechts de benedenwindse meetstrook; wind waait van links naar rechts.
PRI-rapport 609
| 13
3
Resultaten
3.1
Veldmetingen drift
Voor zij- en opwaarts gerichte spuittechnieken zoals gebruikt in de fruitteelt kunnen verschillende driftbeperkende maatregelen geïmplementeerd worden. Uitgaande van wat uit de fruitteelt bekend is kan de drift aanzienlijk gereduceerd worden. In Tabel 1 is aangegeven wat de driftreductie op wateroppervlak van een standaard sloot (Huijsmans et al., 1997) kan zijn wanneer gebruik gemaakt wordt van verschillende driftbeperkende technieken (TCT, 2015). De volgende technieken zijn opgenomen: • Eenzijdig spuiten van de buitenste bomenrij (Wenneker et al., 2001b, 2004, 2005a) • Dwarsstroomspuit met groendetectie sensor (Wenneker et al., 2001c, 2003, 2013, Michielsen et al., 2014) • Dwarsstroomspuit met reflectiescherm (Porskamp et al., 1994a, 1994b; Huijsmans et al., 1997) • Dwarsstroomspuit met venturi spuitdoppen en enkelzijdig spuiten van de buitenste bomenrij (Wenneker et al., 2004) • Dwarsstroomspuit uitgerust met spuitdoppen met een grof druppelgroottespectrum (Heijne et al., 2002, Wenneker et al., 2001d) • Wanner dwarsstroomspuit met reflectie scherm en venturi spuitdoppen (Wenneker et al., 2006a, 2006b) • Tunnelspuit (Porskamp et al., 1994a, 1994b ; Huijsmans et al., 1993) • Windhaag op rand van perceel (Porskamp et al., 1994c; Wenneker et al., 2005b, 2008a) • Vegetatie in slootkant (Heijne et al., 2003, Wenneker et al., 2001a) • Kunststof gaas op rand van perceel (Heijne et
al., 1999) • Spuitdop classificatie voor boomgaardspuiten (Porskamp et al., 1999, Zande et al., 2007, 2008, 2012; Stallinga et al., 2011a, 2011b) • Geavanceerde driftreducerende spuittechnieken voor boomgaardbespuitingen (Wenneker et al., 2012) • Meerrijen boomgaardspuit (Stallinga et al., 2013; Wenneker et al., 2014). De driftreductie is hierbij uitgedrukt ten opzichte van de driftdepositie op verschillende afstanden van een standaard boomgaardspuit uitgerust met Albuz ATR lila werveldoppen en een spuitdruk van 7 bar bij bespuitingen in de volblad (na 1 mei) en in de kale boom (voor 1 mei) situatie (Figuur 2) (Zande et al., 2015). Voor de referentiebespuiting geldt; hoe meer driftmetingen uitgevoerd worden hoe stabieler de driftcurve wordt, en daarmee de variatie in omstandigheden beter meegenomen wordt. Hierdoor ontstaat een normalisatie van de driftdepositie naar de algemene weers- en boomgaardomstandigheden waaronder de metingen van de standaard techniek uitgevoerd zijn (Figuur 1). Voor de metingen tot 2011 geldt dat voor de volblad situatie de windsnelheid gemiddeld 2.5 m/s was (+/- 0.8 m/s, op 1 m boven boomhoogte) en de gemiddelde windhoek 14o (+/- 9o) ten opzichte van loodrecht op de bomenrij. Voor de kale boom situatie was dit gemiddeld 3,2 m/s (+/- 0,7 m/s) en 10o (+/- 8o).
Met toenemende afstand vanaf de rand van het gewas neemt de driftdepositie op grondoppervlak af. Voor de standaard spuittechniek zal in de volblad situatie (na 1 mei) de driftdepositie op 5 m afstand van de rand van het gewas ongeveer 12% zijn van de spuitvloeistofdosering in het perceel. Op 15 m en 25 m afstand zal de driftdepositie ongeveer 3% en 1% zijn. In de kale boom situatie (voor 1 mei) is de driftdepositie op 5 m afstand van de rand van het gewas ongeveer 23%, en op 15 m en 25 m afstand ongeveer 8% en 3%. Bij bespuiting van een fruitteeltboomgaard is van verschillende driftreducerende technieken het effect op de drift bepaald in vergelijking met de standaard referentie bespuiting. De standaard bespuitingstechniek is een Munckhof dwarsstroom spuit uitgerust met Albuz ATR lila spuitdoppen (spuitdruk 7 bar, spuitvolume 200 l/ha). Uit deze metingen kan afgeleid worden wat de driftreductie
14 | PRI–rapport 609
van deze driftreducerende technieken op verschillende afstanden is. Er ontstaat zo een driftreductie curve. Door gebruik te maken van deze driftreductiecurven kan de driftdepositie van de driftreducerende techniek uitgerekend worden in vergelijking met de standaard referentiecurve (Zande et al., 2015). De driftreducerende spuittechnieken kunnen zo gegroepeerd worden in driftreductieklassen van 50%, 75%, 90% en 95% (ISO22369, 2006). Hierbij is voor iedere klasse een representatieve driftreducerende techniek gekozen die dicht bij de grens van de driftreductieklasse ligt. Voor iedere Drift Reducerende Techniek (DRT) is de driftreductie op wateroppervlak voor de standaard sloot (4,5-5,5 m van de laatste bomenrij) bij een bespuiting in de volblad situatie als maatgevend genomen. Vervolgens werden de technieken ingedeeld in een klasse (Tabel 1).
Tabel 1 Driftreducerende spuittechnieken voor boomgaardbespuitingen ingedeeld in Drift Reducerende Techniek (DRT) klassen. Klasse
Drift reducerende technieken in drift reductie klasse *) referentie voor klasse
50%
50% drift reducerende spuitdoppen + eenzijdig spuiten buitenste bomenrij sensor spuit + standaard doptypen *); reflectie scherm spuit + standaard doptypen; Wanner dwarsstroom spuit +reflectie scherm + standaard doptypen;
75%
75% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij *) tunnel spuit + standaard doptypen; KWH 3-rijer + standaard doptypen
90%
90% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij *)
95%
95% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij (4,5 m tvz)
axiaal spuit+ 90% drift reducerende spuitdoppen + eenzijdig spuiten buitenste bomenrij; 90% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij + lage lucht *) Wanner dwarsstroom spuit +reflectie scherm + 90% drift reducerende spuitdoppen; KWH 3-rijer + 90% drift reducerende spuitdoppen; KWH 3-rijer + 90% drift reducerende spuitdoppen + variabele luchtondersteuning; KWH 3-rijer + 90% drift reducerende spuitdoppen + gereduceerde variabele luchtonderst.
drift voor en na 1 mei (kaal en volblad) - appel 40.0
drift depositie [% verspoten volume]
35.0 30.0 25.0
kaal volblad
20.0 15.0 10.0 5.0 0.0 0
Figuur 2
5
10 15 20 afstand van laatste bomenrij [m]
25
30
Driftdepositie (% van de dosering) op grondoppervlak naast het perceel voor een
standaard boomgaardspuit in de volblad (na 1 mei) en de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar Zande et al., 2015).
PRI-rapport 609
| 15
Uitgaande van de driftcurve voor de standaard techniek (Figuur 2) en de verschillende driftreducerende technieken (Tabel 1) kan de driftdepositie op de afstanden 5, 10, 15, 20, 25 en 30 m vanaf de gewasrand voor zowel de volblad als de kale boom situatie berekend worden (Tabel 2). Door het gebruik van driftreducerende technieken (DRT) kan de drift aanzienlijk beperkt worden. Door het gebruik van een 90% driftreducerende venturi spuitdop en het enkelzijdig spuiten van de buitenste bomenrij (DRT90) is de driftdepositie op grondoppervlak in de volblad situatie op 15 m van de rand van het gewas ongeveer 0,3% en op 30 m van de gewasrand 0,02%. In de kale boom situatie is de driftdepositie op 15 m voor een bespuiting met een DRT90 spuittechniek ongeveer 0,6% en op 30 m afstand ongeveer 0,05%.
Tabel 2 Driftdepositie (% van dosering) voor op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken op verschillende afstanden vanaf de laatste bomenrij in de volblad en de kale boom situatie (naar: Zande et al., 2015). Spuittechniek Afstand (m) Volblad
Standaard dwarsstroom
DRT50
DRT75
DRT90
DRT95
5
11,9
5,8
2,8
1,5
0,6
10
6,5
3,0
1,3
0,6
0,3
15
3,5
1,6
0,6
0,3
0,16
20
1,9
0,8
0,3
0,13
0,08
25
1,1
0,4
0,13
0,06
0,04
30
0,6
0,24
0,06
0,02
0,02
5
22,9
17,5
12,0
3,2
1,7
10
13,3
9,5
6,6
1,4
0,8
15
7,7
5,1
3,6
0,6
0,3
20
4,5
2,8
2,0
0,25
0,15
25
2,6
1,5
1,1
0,11
0,07
30
1,5
0,8
0,6
0,05
0,03
Kaal
p
j
12 10
hoogte [m]
8 6 4 2 0 0.0
10.0
20.0
30.0
40.0
50.0
60.0
lucht drift [% verspoten volume]
Figuur 3
Drift naar de lucht (% van de dosering) op 7,5 m naast het perceel tot 10 m hoog voor
een standaard boomgaardspuit in de volblad (na 1 mei) en de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar: Zande et al., 2014).
Voor de beoordeling van middelen naar de effecten op waterorganismen wordt voor veldspuiten standaard de driftdepositie op wateroppervlak beoordeeld met een driftdepositie waarde van 1% (Ctgb, 2013). Op grond van de veldmetingen wordt voor de fruitteelt in het volblad stadium aan dit criterium voldaan op ongeveer 25 m vanaf de perceelgrens voor de standaard spuittechniek en binnen 10 m voor DRT90 en DRT95 driftreducerende spuittechnieken.
16 | PRI–rapport 609
In de driftmetingen is niet alleen gekeken naar de driftdepositie op de grond naast het perceel maar ook naar de hoeveelheid drift die in de lucht passeert op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij. Gemiddeld over de gemeten hoogte (10 m) was voor de standaard techniek in de volblad situatie de drift op de mast op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij ongeveer 11% van de dosering per oppervlakte-eenheid in de boomgaard (Zande et al., 2014). In de kale boom situatie was dit ongeveer 18% (Figuur 3). De hoogste depositie treedt hierbij in de kale boom situatie op 1 m hoogte op (bijna 50%) en in de volblad situatie op 2 m hoogte (ongeveer 20%). De verschillende driftreducerende spuittechnieken zoals ingedeeld in de driftreductieklassen (Tabel 1) reduceren de drift naar de lucht op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij. De driftreductie van de drift naar de lucht op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij is voor de verschillende DRT klassen bepaald (Zande et al., 2015) voor de kale boom situatie (Figuur 4) en de volblad situatie (Figuur 5).
DRT luchtdrift kale boom situatie op 7.5 m van de laatste bomenrij 12 10
referentie DRT50
hoogte [m]
8
DRT75 DRT90
6
DRT95
4 2 0 0.0
Figuur 4
10.0
20.0 30.0 40.0 drift naar de lucht [% gespoten volume]
50.0
60.0
Drift naar de lucht (% van de dosering) op 7,5 m naast het perceel tot 10 m hoog voor
een standaard boomgaardspuit in de volblad (na 1 mei) en de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar: Zande et al., 2014).
DRT luchtdrift volblad situatie op 7.5 m van de laatste bomenrij 12 10 referentie DRT50
hoogte [m]
8
DRT75 DRT90
6
DRT95
4 2 0 0.0
Figuur 5
10.0
20.0 30.0 40.0 drift naar de lucht [% gespoten volume]
50.0
60.0
Drift naar de lucht (% van de dosering) op 7,5 m naast het perceel tot 10 m hoog voor
een standaard boomgaardspuit en Drift Reducerende Technieken uit verschillende driftreductieklassen (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar: Zande et al., 2014).
PRI-rapport 609
| 17
De drift naar de lucht is niet homogeen verdeeld over de hoogte maar heeft hogere waarden net boven boomhoogte doordat de driftwolk over de top van de bomen naar buiten de boomgaard waait (Figuur 4, Figuur 5). Ook de afname van de drift in de lucht met de afstand vanaf de boomgaard (Michielsen et al., 2007) verloopt voor de kale boom situatie anders dan voor de volblad situatie. Bij de kale boom situatie is de afname met de afstand meer vanuit een centraal punt, de spuit. Bij de volblad situatie is er een sterke afname direct naast de boomgaard door de filterende werking van het bladerdek en daarna een meer diffuse langzamere afname van de drifthoeveelheid met de afstand. Zo wordt een driftpercentage van 1% op 2 m hoogte in de volblad situatie (na 1 mei) bereikt op ongeveer 32 m en in de kale boom situatie (voor 1 mei) op meer dan 35 m van de laatste bomenrij.
meet hoogte [m] 6
19.00-20.00 18.00-19.00
5
17.00-18.00 16.00-17.00 15.00-16.00
4
14.00-15.00 13.00-14.00 12.00-13.00
3
11.00-12.00 10.00-11.00
2
9.00-10.00 8.00-9.00 7.00-8.00
1
6.00-7.00 5.00-6.00 4.00-5.00
10.5
13.5
16.5
19.5
22.5
25.5
28.5
31.5
34.5
0 37.5
afstand van laatste bomenrij [m]
Figuur 6
3.00-4.00 2.00-3.00 1.00-2.00 0.00-1.00
Drift naar de lucht (% van de dosering) naast het perceel voor een standaard
dwarsstroom boomgaardspuit in de volblad situatie.
meet hoogte [m] 6 5
38.00-40.00 36.00-38.00 34.00-36.00 32.00-34.00 30.00-32.00 28.00-30.00
4 3
26.00-28.00 24.00-26.00 22.00-24.00 20.00-22.00 18.00-20.00
2 1
16.00-18.00 14.00-16.00 12.00-14.00 10.00-12.00 8.00-10.00
10.5
13.5
16.5
19.5
22.5
25.5
28.5
31.5
34.5
0 37.5
afstand van laatste bomenrij [m]
Figuur 7
6.00-8.00 4.00-6.00 2.00-4.00 0.00-2.00
Drift naar de lucht (% van de dosering) naast het perceel voor een standaard
dwarsstroom boomgaardspuit in de kale boom situatie.
18 | PRI–rapport 609
Met behulp van de gevonden afname in drift naar de lucht met de afstand zoals gepresenteerd in Figuur 6 en Figuur 7 voor de standaard spuittechniek kan ook voor de DRT-klassen de afname van de drift naar de lucht gemiddeld over de meethoogte 0-10 m met de afstand vanaf de laatste bomenrij berekend worden (Tabel 3).
Tabel 3 Gemiddelde drift (% van dosering) naar de lucht (0-10 m hoogte) voor op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken op verschillende afstanden vanaf de laatste bomenrij in de volblad en de kale boom situatie (naar: Zande et al., 2014). Spuittechniek Afstand (m) Volblad
Kaal
Standaard dwarsstroom
DRT50
DRT75
DRT90
DRT95
5
17,4
4,9
3,5
2,6
1,3
10
9,5
2,6
1,9
1,4
0,7
15
5,2
1,4
1,0
0,7
0,4
20
2,9
0,7
0,5
0,4
0,2
25
1,6
0,4
0,3
0,2
0,1
30
0,9
0,2
0,2
0,1
0,1
5
31,7
13,8
12,6
5,9
3,5
10
17,4
7,4
6,8
3,1
1,8
15
9,5
4,0
3,6
1,6
1,0
20
5,2
2,1
1,9
0,9
0,5
25
2,9
1,2
1,0
0,4
0,3
30
1,6
0,6
0,6
0,2
0,1
Met de gevonden driftcurves kan bepaald worden wat de benodigde afstand is om tot een bepaald driftpercentage aan depositie op grondoppervlak of bijvoorbeeld over de hoogte 0-3 m in de lucht mag zijn. Zo is voor de driftdepositiewaarden 1%, 0,5% en 0,1% bepaald wat de afstand is om onder deze drempelwaarden te komen voor een standaard boomgaard spuittechniek en een 90% driftreducerende (DRT90) spuittechniek in de kale boom en de volblad situatie (Tabel 4).
Tabel 4 Afstanden (m) om tot een bepaald driftpercentage voor drift depositie op de grond en in de lucht over de luchtlaag 0-3 m hoog te komen voor een standaard boomgaard spuit en een 90% driftreducerende spuittechniek (DRT90) in de kale boom en de volblad situatie % drift
Drift depositie op grond Kale boom
Drift in de lucht 0-3 m hoog volblad
Kale boom
volblad
standaard
DRT90
standaard
DRT90
standaard
DRT90
standaard
DRT90
1%
34
12
26
7
36
24
30
17
0,5%
40
16
31
12
41
29
35
22
0,1%
55
26
45
22
53
41
46
33
Voor de standaard spuittechniek zijn de benodigde afstanden om tot de driftpercentages 1%, 0,5% en 0,1% te komen zowel voor de drift depositie op de grond als voor de drift in de lucht (0-3 m hoog) ongeveer gelijk (Tabel 4). Wel is de benodigde afstand om tot hetzelfde driftpercentage in de kale boom situatie aanzienlijk hoger dan in de volblad situatie. Om tot een 1% depositie op de grond en in de lucht (0-3 m hoog) te komen is in de volblad situatie 26-30 m, tot 0,5% niveau 31-35 m en voor een 0,1% niveau 45-46 m. In de kale boom situatie is de benodigde afstand tot een bepaalde drempelwaarde doorgaans ongeveer 10 m hoger. Voor de DRT90 spuittechniek is de benodigde afstand om tot een bepaald driftpercentage te komen voor de drift naar de lucht (0-3 m hoog) 10 -15 m groter dan voor de driftdepositie op de grond. Daarbij wordt een driftdepositie op de grond van 1% voor de DRT90 spuittechniek bereikt op 7 m van de laatste bomenrij, van 0,5% op 12 m en van 0,1% op 22 m in de volblad situatie van de fruitbomen. Daarbij is voor de DRT90 de benodigde afstand tot de verschillende drempelwaarden in de kale boom situatie 4 – 8 m groter dan voor een bespuiting in de volblad situatie.
PRI-rapport 609
| 19
4
Drift en blootstelling
Voor een aantal gewasbeschermingsmiddelen die in de fruitteelt gebruikt worden kan geëvalueerd worden wat de driftdepositie naast het perceel is in relatie met de toxiciteit van dat middel. In de fruitteelt worden zowel chemische gewasbeschermingsmiddelen als biologische middelen gebruikt. Voor de blootstelling maakt het hierbij niet uit of het middel van chemische of biologische oorsprong is. De gebruikte middelen kunnen onderscheiden worden in onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden), schimmelbestrijdingsmiddelen (fungiciden) en insectenbestrijdingsmiddelen (insecticiden, acariciden). Herbiciden worden niet met een dwarsstroom of axiaal boomgaardspuit uitgebracht maar met een onkruidspuit (Stallinga et al., 2012) met een neerwaarts gerichte spuitboom of spuitdop. Fungiciden en insecticiden worden met op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken zoals dwarsstroom en axiaal boomgaardspuit. Een aantal in de fruitteelt veel gebruikte fungiciden en insecticiden zijn in Tabel 5 met hun (maximaal) toegelaten dosering per oppervlakte-eenheid opgesomd.
Tabel 5 Veel gebruikte gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt met hun gehalte werkzame stof, de (maximaal) toegelaten dosering per oppervlakte-eenheid en de uitgebrachte hoeveelheid werkzame stof (mg/m2). Soort gewas-
Naam middel
Werkzame stof
beschermings-
Gehalte
Dosering
werkzame
middel
middel
stof
Toegediende hoeveelheid werkzame stof mg/m2
Fungicide
Merpan/Captosan
Captan1) 1
800
g/kg
2,5
kg/ha
200 16
Insecticide
Fenoxycarb25WG
Fenoxycarb )
267
g/kg
0,6
kg/ha
Insecticide
Teppeki
Flonicamid
500
g/kg
0,14
kg/ha
7
Insecticide
Runner
Methoxyfenozide
250
g/l
0,6
l/ha
15
Insecticide
Pirimor
Pirimicarb2)
500
g/kg
0,5
kg/ha
25
Acaracide
Apollo 500SC
Clofentezin
500
g/l
0,45
l/ha
23
Fungicide
CHORUS 50 WG
Cyprodinil1)
500
g/l
0,4/0,6*) kg/ha
Fungicide
Delan DF
Dithianon3)
700
g/l
0,795
kg/ha
56
Fungicide
Switch1)
Fludioxonil
250
g/kg
1,0
kg/ha
25
Switch
Cyprodinil
375
g/kg
1,0
kg/ha
38
Syllit
Dodine
450
g/kg
1,95
kg/ha
88
Fungicide 1
) moet langs oppervlaktewater met DRT90 toegediend worden; kaal en volblad
2
) moet langs oppervlaktewater met DRT99 toegediend worden; mag alleen in volblad
3
) moet langs oppervlaktewater met DRT90 toegediend worden; mag alleen in volblad
20/30
*) 0,4 kg/ha voor 1 mei en 0,6 kg/ha na 1 mei
Per oppervlakte eenheid verschilt de toegediende hoeveelheid werkzame stof aanzienlijk. Voor het insecticide flonicamid is de dosering 7 mg/m2, terwijl voor het fungicide captan de dosering maximaal 200 mg/m2 is. De toxiciteit van de middelen kan echter ook sterk verschillen. Voor de risicobeoordeling van toevallige passanten, omwonenden of mensen die werkzaamheden verrichten nabij plaatsen waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt (omstanders of bystanders) zijn er nog geen vastgestelde dossiervereisten, beoordelingsmethodieken, normen en criteria voor het beoordelen van het gezondheidsrisico van deze mensen. Ten aanzien van de risicobeoordeling voor de volksgezondheid door blootstelling via de lucht stelt het Ctgb dat over het algemeen de afstand tot de plaats waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt voor omwonenden aanmerkelijk groter is dan voor de toepasser en omstander. De blootstelling zal voor omwonenden derhalve lager zijn dan voor de toepasser en de omstander. Daarom wordt voor de
20 | PRI–rapport 609
omwonenden bij toepassingen in de open lucht geen hoger risico voor de gezondheid ingeschat dan voor omstanders (Ctgb, 2013). Om voor de situatie fruitteelt het risico in te schatten is er vanuit gegaan dat de in Tabel 5 genoemde stoffen gebruikt worden met de verschillende toedieningstechnieken, waarvoor de drift buiten het perceel is berekend. De berekende drift geeft aan hoeveel middel er op de verschillende afstanden naast het perceel op de grond terecht kan komen of wat op verschillende hoogtes passeert. Voor het risico voor opname door voedsel, inademen (inhalatoir) en huidcontact (dermaal) gelden verschillende drempelwaarden (Ctgb, 2013; Fytostat, 2013) die veelal verkregen zijn door experimenteel dieronderzoek. Wordt het risico voor blootstelling van de mens beoordeeld door opname door de huid of door inademing dan gelden daar voor de in Tabel 5 genoemde stoffen drempelwaarden voor (Tabel 6).
Tabel 6 Referentiewaarden kortdurende blootstelling (Acceptable Exposure Level; AEL-systemisch) de dermale absorptie (%) en de maximaal toelaatbare blootstelling op een persoon (mg/m2) voor een aantal toegepaste werkzame stoffen in de fruitteelt (bron: Ctgb, 2013). Middel
Toepassing
AEL
Dermale absorptie
Max. toelaatbare
(mg/kg
(%)
blootstelling (mg/m2)
lich.gew./dag) Captan
Fungicide
0,10
10
31,5
Fenoxycarb
Insecticide
0,1
35
8,5
Flonicamid
Insecticide
0,025
13
1,6
Methoxyfenozide
Insecticide
0,1
8
39,4
Pirimicarb
Insecticide
0,035
13
8,5
Clofentezin
Acaracide
0,01
6
5,5
Cyprodinil
Fungicide
0,03
6
16
Fludioxonil
Fungicide
0,59
1,7
1093
Dodine
Fungicide
0,045
1,0
115
Bij de blootstelling van deze stoffen, die bepalend is voor het risico voor de mens, is het ook van belang wat de mate is waarin de stof door de huid opgenomen wordt. Dit verschilt voor de individuele stoffen zeer sterk en is aangegeven met de dermale absorptie (Tabel 6). Voor het bepalen van het inhalatie risico wordt met een 100% opname van de in de lucht aanwezige stof gerekend. Voor omwonenden kan het ook van belang zijn wat de blootstelling is door secundaire blootstelling via contact met oppervlakken waarop de stof is neergeslagen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kleine kinderen die op het gras in de tuin spelen. Omdat blootstelling gedurende meerdere dagen per teeltseizoen voorkomt wordt er uitgegaan van de semi-chronische blootstelling (Tabel 6) en niet gewerkt met toxicologische eindpunten met als enig eindpunt dood (LD50). In de berekening van de dermale en inhalatoire blootstelling is uitgegaan van een volwassen persoon met een gemiddeld gewicht van 63 kg (Ctgb, 2013). Hiermee kan uit Tabel 6 de maximaal toegestane hoeveelheid (Acceptable Exposure Level; AEL) bepaald worden waarbij de toepassing kritisch wordt door een te hoge hoeveelheid werkzame stof op de huid.
Overeenkomstig de rekenwijze voor blootstelling binnen EUROPOEM II (EUROPOEM, 2002) voor blootstelling voor omstanders wordt er voor omwonenden en omstanders vanuit gegaan dat zij onbedekt rondlopen waarbij hun vangoppervlak 2 m2 is (voor + achterzijde, 0,50 m breed + 2 m hoog). Met deze beide aannames kan uitgerekend worden wat de hoeveelheid werkzame stof is die op de persoon terecht komt en in welke mate dit de drempelwaarden voor dermale toxiciteit over- of onderschrijdt. Voor de verschillende gewasbeschermingsmiddelen is in Tabel 7 uitgerekend wat de maximale dosering is per persoon (63 kg) voor de verschillende stoffen. Hierbij is rekening houdend met de vangefficiency van de gebruikte collectoren (40%), de meetnauwkeurigheid (50%), de variatie in de metingen en een
PRI-rapport 609
| 21
gemiddelde windsnelheid tijdens de driftmetingen van 3 m/s waar bespuitingen bij maximaal 5 m/s toegestaan zijn (factor 2 meer drift) de driftdepositie met een factor 10 verhoogd (Stallinga et al., 2008). In Tabel 8 staat wat bij driftpercentages tussen 0,1% en 25% op deze persoon van 2 m2 oppervlak aan druppeldrift terecht komt (mg/m2).
Tabel 7 Depositie aan actieve stof op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak (mg) bij verschillende drift percentages (0,1%-25%). Middel
Werkzame stof
Depositie (mg) bij verschillende drift percentages 0,1%
0,5%
1%
5%
10%
15%
20%
25%
Merpan/Captosan
Captan
4
20
40
200
400
600
800
1000
Fenoxycarb25WG
Fenoxycarb
0,3
1,6
3,2
16
32
48
64
80
Teppeki
Flonicamid
0,1
0,7
1,4
7
14
21
28
35
Runner
Methoxyfenozide
0,3
1,4
2,9
14
29
43
58
72
Pirimor
Pirimicarb
0,5
2,5
5
25
50
75
100
125
Apollo 500SC
Clofentezin
0,5
2,3
4,5
23
45
68
90
113
CHORUS 50 WG
Cyprodinil
0,6
3,0
6
30
60
90
120
150
Switch
Fludioxonil
0,5
2,5
5
25
50
75
100
125
Switch
Cyprodinil
0,8
3,8
8
38
75
113
150
188
Syllit
Dodine
1,8
9
18
88
176
263
351
439
Tabel 8 Maximale toelaatbare dosering op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak (mg/m2) en de depositie aan actieve stof op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak (mg/m2) bij verschillende drift percentages (0,1-25). Middel
Werkzame stof
Max.
Blootstelling (mg/m2) bij verschillende drift percentages
toelaatbare
0,1%
0,5%
1%
5%
10%
15%
20%
25%
dermale blootstelling (mg/m2) Merpan/Captosan Captan
31,5
2,0
10
20
100
200
300
400
500
Fenoxycarb25WG Fenoxycarb
9,0
0,2
0,8
1,6
8
16
24
32
40
Teppeki
Flonicamid
6,1
0,1
0,4
0,7
3,5
7
11
14
18
Runner
Methoxyfenozide
39,4
0,1
0,7
1,4
7
14
22
29
36
Pirimor
Pirimicarb
8,5
0,3
1,3
2,5
13
25
38
50
63
Apollo 500SC
Clofentezin
5,5
0,2
1,1
2,3
11
23
34
45
56
CHORUS 50 WG
Cyprodinil
16
0,3
1,5
3,0
15
30
45
60
75
Switch
Fludioxonil
1093
0,3
1,3
2,5
13
25
38
50
63
Switch
Cyprodinil
16
0,4
1,9
3,8
19
38
56
75
94
Syllit
Dodine
142
0,9
4,4
9
44
88
132
176
219
22 | PRI–rapport 609
Tabel 9 Invulling van AEL dermaal (%) op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak en voor verschillende actieve stoffen bij verschillende drift percentages (0,1%-25%). Middel
Werkzame stof
Drift % 0,1%
0,5%
1%
5%
10%
15%
20%
25% 1587
Merpan/Captosan
Captan
6
32
63
317
635
952
1270
Fenoxycarb25WG
Fenoxycarb
2
9
18
89
178
267
356
445
Teppeki
Flonicamid
1
6
12
58
116
173
231
289
Runner
Methoxyfenozide
0,4
2
4
18
37
55
73
91
Pirimor
Pirimicarb
3
15
29
147
295
442
590
737
Apollo 500SC
Clofentezin
4,3
21
43
214
429
643
857
1071
CHORUS 50 WG
Cyprodinil
1,9
10
19
95
190
286
381
476
Switch
Fludioxonil
0,0
0,1
0,2
1
2
3
5
6
Switch
Cyprodinil
2,4
12
24
119
238
357
476
595
Syllit
Dodine
0,6
3
6
31
62
93
124
155
Huidblootstelling Door de hoeveelheid werkzame stof die bij de verschillende driftpercentages op de mens terecht komt (Tabel 7,Tabel 8) te toetsen aan de maximale hoeveelheid die op grond van de dermale interne blootstelling tot effect leidt (Tabel 6) wordt de onderschrijding van deze norm aangegeven (Tabel 9). Uit Tabel 9 volgt dat bij een driftpercentage van 5% de dermale eindwaarde bij captan, pirimicarb, clofentezin en cyprodonil overschreden wordt (>100) en dat dit bij 10% voor fenoxycarb, flonicamid en cyprodynil (in Chorus en Switch) gebeurt en bij 20% voor dodine. Voor methoxyfenozide en fludioxonil is er geen overschrijding van het dermale eindpunt (AEL) tot 25% drift. Voor de stof met het hoogste risico, de werkzame stof captan, is het effect van de verschillende spuittechnieken, afstanden tot de rand van het perceel en de hoogte in de lucht (Tabel 3) nader bekeken voor de druppeldrift naar de lucht. Hierbij wordt verondersteld dat de hoogte 0-3 m representatief is voor blootstelling van personen die zich buiten bevinden (Tabel 10) en dat de hoogte 3-6 m representatief is voor de blootstelling van de gevel als een persoon in een open raam staat of de hoeveelheid die de woning binnen kan komen door een open (slaapkamer)raam. Voor de overige in Tabel 5 genoemde stoffen staan de resultaten van de berekeningen in Bijlage 2.
Volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift in appels en peren mag zowel voor als na 1 mei (respectievelijk in de kale boom situatie en de volblad situatie) captan voor schurftbestrijding gebruikt worden (Ctgb, 2013). Bij toediening van captan langs oppervlaktewater moet gebruik gemaakt worden van een 90% driftreducerende spuittechniek (DRT90). Bespuitingen tegen schurft vinden veelvuldig plaats, soms zelfs wekelijks. Gezien de hoge frequentie van gebruik van fungiciden ten opzichte van insecticiden is het risico voor blootstelling van captan dus hoger als van flonicamid en pirimicarb. Zo mag pirimicarb in appel en peer slechts twee maal per jaar toegediend worden en mag dit wanneer het langs oppervlaktewater gebeurt alleen met een techniek met hoge driftreductie (uit DRT95) en na 1 mei (volblad situatie). Voor captan staat de invulling van het dermale blootstellingseindpunt voor de standaard en driftbeperkende spuittechnieken uit de verschillende drift reducerende techniek klassen (DRT) in Tabel 10 weergegeven voor de volblad en de kale boom situatie. Op 0-3 m hoogte is er voor de standaard spuittechniek in de volblad situatie (Tabel 11) geen overschrijding van de AEL-dermaal (>100) van captan vanaf 30 m vanaf de laatste bomenrij en voor de driftbeperkende spuittechnieken DRT50 en DRT75 vanaf 20 m voor DRT90 technieken vanaf 15 m en voor de DRT95technieken vanaf 10 m.
In de kale boom situatie (Tabel 10) is er voor captan geen overschrijding vanaf 35 m vanaf de laatste bomenrij voor de standaard spuittechniek en vanaf 30 m voor de driftbeperkende spuittechnieken DRT50 en DRT75, terwijl dit voor de DRT90 technieken vanaf 25 m is en voor de DRT95 technieken vanaf 20 m is.
PRI-rapport 609
| 23
Op 3-6 m hoogte is er door belasting met druppeldrift van de standaard spuittechniek in de kale boom situatie (Tabel 10) en de volblad situatie (Tabel 11) geen overschrijding van de AEL dermaal van captan vanaf resp. 35 m en 30 m vanaf de laatste bomenrij. Voor de driftbeperkende technieken DRT50 en DRT75 is dit vanaf 25 m vanaf de laatste bomenrij in de kale boomsituatie, vanaf 15 m voor de DRT90 en vanaf 10 m voor de DRT95 techniek in de kale boom situatie. In de volblad situatie is dit voor de DRT50 20 m, de DRT75 15 m, de DRT90 vanaf 10 m en voor de DRT95 vanaf 5 m.
Tabel 10 Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom situatie. Afstand [m]
Druppeldrift [%]
Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]
Stand
DRT50
DRT75
DRT90 DRT95
Stand
DRT50
DRT75
DRT90
DRT95
Onderste
5
67,6
31,4
29,4
14,6
8,6
4295
1995
1866
924
547
0-3 m
10
34,1
15,8
14,7
7,2
4,3
2165
1000
936
459
273
15
17,2
7,9
7,4
3,6
2,1
1091
502
469
228
136
20
8,7
4,0
3,7
1,8
1,1
550
252
235
113
68
25
4,4
2,0
1,9
0,9
0,5
277
126
118
56
34
30
2,2
1,0
0,9
0,4
0,3
140
63
59
28
17
35
1,1
0,5
0,5
0,22
0,13
70
32
30
14
8
40
0,6
0,3
0,23
0,11
0,07
36
16
15
7
4
45
0,3
0,13
0,12
0,05
0,03
18
8
7
3
2
50
0,14
0,06
0,06
0,03
0,02
9
4
4
2
1
3-6 m hoogte
5
31,2
11,5
9,6
3,4
2,0
1984
731
610
216
129
10
18,3
6,7
5,6
2,0
1,2
1162
426
354
124
74
15
10,7
3,9
1,1
0,7
681
248
205
72
43
20
6,3
2,3
1,9
0,7
0,4
399
145
119
41
25
25
3,7
1,3
1,1
0,4
0,23
233
84
69
24
14
30
2,2
0,8
0,6
0,22
0,13
137
49
40
14
8
35
1,3
0,5
0,4
0,13
0,07
80
29
23
8
5
40
0,7
0,3
0,21
0,07
0,04
47
17
13
5
3
45
0,4
0,15
0,12
0,04
0,03
27
10
8
3
2
50
0,3
0,09
0,07
0,02
0,01
16
6
5
2
1
24 | PRI–rapport 609
3.2
Tabel 11 Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de volblad situatie. Afstand [m]
Druppeldrift [%]
Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]
Stand
DRT50
DRT75
DRT90 DRT95
Stand
DRT50
DRT75
DRT90
DRT95
Onderste
5
29,9
9,8
7,0
5,6
2,5
1896
624
444
353
156
0-3 m
10
15,0
4,9
3,5
2,7
1,2
951
310
220
174
77
15
7,5
2,4
1,7
1,3
0,6
477
154
109
85
38
20
3,8
1,2
0,9
0,7
0,3
239
76
54
42
19
25
1,9
0,6
0,4
0,3
0,15
120
38
27
21
9
30
0,9
0,3
0,21
0,16
0,07
60
19
13
10
5
35
0,5
0,15
0,10
0,08
0,04
30
9
7
5
2
40
0,24
0,07
0,05
0,04
0,02
15
5
3
2
1
45
0,12
0,04
0,03
0,019
0,009
8
2
2
1
1
50
0,06
0,02
0,01
0,01
0,005
4
1
1
1
0
5
21,6
5,0
3,6
2,0
1,3
1373
316
231
130
83
10
12,3
2,8
2,1
1,2
0,7
780
178
131
74
47
3-6 m hoogte
15
7,0
1,6
1,2
0,7
0,4
443
100
74
42
27
20
4,0
0,9
0,7
0,4
0,24
252
56
42
24
15
25
2,3
0,5
0,4
0,21
0,14
143
32
24
13
9
30
1,3
0,3
0,21
0,12
0,08
81
18
13
8
5
35
0,7
0,16
0,12
0,07
0,04
46
10
8
4
3
40
0,41
0,09
0,07
0,04
0,02
26
6
4
2
2
45
0,24
0,05
0,04
0,021
0,014
15
3
2
1
1
50
0,13
0,03
0,02
0,01
0,008
8
2
1
1
1
Tabel 12 Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het inhalatoire blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op de hoogte 0-3 m op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom situatie. Afstand [m]
Druppeldrift [%]
Invulling inhalatoire blootstellingseindpunt [%]
Stand
DRT50
DRT75
DRT90 DRT95
Stand
DRT50
DRT75
DRT90
Onderste
10
34,1
15,8
14,7
7,2
4,3
0,1253
0,0579
0,0542
0,0266
DRT95 0,0158
0-3 m
20
8,7
4,0
3,7
1,8
1,1
0,0318
0,0146
0,0136
0,0065
0,0039
30
2,2
1,0
0,9
0,4
0,3
0,0081
0,0037
0,0034
0,0016
0,0010
40
0,6
0,3
0,23
0,11
0,07
0,0021
0,0009
0,0009
0,0004
0,0002
50
0,14
0,06
0,06
0,03
0,02
0,0005
0,0002
0,0002
0,0001
0,0001
Inhalatie blootstelling Voor het inhalatierisico wordt in de risicobeoordeling uitgegaan van een bepaalde belasting die ontstaat door een concentratie van de actieve stof in de lucht en een bepaalde inname hiervan door inademen. Doorgaans wordt ervan uitgegaan dat een persoon bij rustige belasting 1,25 m3/uur lucht inademt. Bij bespuitingen passeert de druppeldrift in een relatief korte tijd de persoon, in minder dan 1 minuut tijd. Bij een doorstroomoppervlak van 1 m2 en een gemiddelde windsnelheid van 3 m/s zit de totale driftdepositie dan in 180 m3 lucht waarvan slechts 1/60 deel ingeademd kan worden (1 minuut van 1,25 m3 per uur). De belasting van de persoon kan op deze wijze uitgerekend worden en getoetst aan de AEL-systemisch met een 100% absorptie voor bespuiting met captan in de kale boom situatie (Tabel 12) en de volblad situatie (Tabel 13).
PRI-rapport 609
| 25
Tabel 13 Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het inhalatoire blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op de hoogte 0-3 m op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de volblad situatie. Afstand [m]
Druppeldrift [%]
Invulling inhalatoire blootstellingseindpunt [%]
Stand
DRT50
Onderste
10
15,0
4,9
DRT75
DRT90 DRT95
Stand
DRT50
DRT75
DRT90
DRT95
3,5
2,7
1,2
0,05503
0,01795
0,01275
0,01005
0,00448
0-3 m
20
3,8
1,2
0,9
30
0,9
0,3
0,21
0,7
0,3
0,01384
0,00443
0,00314
0,00243
0,00110
0,16
0,07
0,00348
0,00109
0,00078
0,00059
0,00027
40
0,24
0,07
0,05
50
0,06
0,02
0,01
0,04
0,02
0,00088
0,00027
0,00019
0,00014
0,00007
0,01
0,005
0,00022
0,00007
0,00005
0,00003
0,00002
Voor captan is er op grond van de aannames geen blootstellingrisico voor inademing bij de standaard en de verschillende driftreducerende spuittechnieken (DRT50, DRT75, DRT90 en DRT95), blad situaties en afstanden naast het perceel. Op grond van dit voorbeeld voor captan en de berekeningen gedaan voor de andere stoffen (zie Bijlage 3) is er voor de genoemde stoffen en technieken in de fruitteelt geen risico voor normoverschrijding door inademing op 10 m afstand van het behandelde perceel. Indirect contact Indirect contact met depositie van drift kan optreden wanneer bijvoorbeeld een gazon betreden wordt, men op het grasveldje sport, er ligt te zonnen of als er kinderen buiten spelen of baby’s rondkruipen. Voor deze situaties is bij Ctgb een model wat het herbetredingsrisico van gazon voor deze situaties berekent (Falke, 2008) wanneer gazon bespoten wordt. Dit model is aangepast om het risico van de driftdepositie op genoemde situaties te bepalen. Bij de blootstelling van kleine kinderen is nog geen rekening gehouden met aanvullende blootstelling via hand mond-contact. Hierdoor kan de blootstelling van kleine kinderen enigermate zijn onderschat. Voor de meest kritische stof captan (hoogste invulling met 27,7%) werd ook de herbetredingsnorm voor geen van de situaties overschreden (<100%).