CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Lokaal educatieve agenda 2023-2027 def

Commissie Samenleving en Financiën 22 november 2022, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Lokaal Educatieve Agenda Maasdriel (met presentatie)10.962 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Lokaal educatieve agenda 2023-2026

Inhoudsopgave Voorwoord 3 Inleiding 4 1. De situatie in Maasdriel

6

2. Landelijke ontwikkelingen krijgen lokaal kleur

8

3. Visie en thema’s voor de LEA Maasdriel

10

4. Inrichting bestuurlijk overleg

16

5. Monitor, evaluatie en uitwisseling

17

6. Financiën 18 Bijlage 1 - Artikel 165, 166, 167 en 167a WPO

19

Bijlage 2 Overzicht onderwijs en opvang

21

Bijlage 3 VNG Denknotitie Bert Wienen

22

2

Voorwoord Beste lezer, Voor u ligt de Lokaal Educatieve Agenda van de gemeente Maasdriel. Het onderwijs en de kinderopvangorganisaties in Maasdriel hebben samen met de gemeente deze agenda ontwikkeld. Educatie omvat veel meer dan alleen onderwijs. Het gaat over de brede ontwikkeling van het kind. Ouders en scholen hebben hier samen een belangrijke taak in, maar doen dit niet alleen. Educatie begint al ver voordat kinderen naar school gaan, namelijk thuis in het gezin en in de familie, maar ook bijvoorbeeld bij de kinderopvang. En als ze naar school gaan heeft de naschoolse opvang vaak ook een plaats in hun leven. Daarom is deze educatieve agenda niet alleen met alle scholen, maar ook met alle kinderopvangorganisaties in onze gemeente geschreven. Samen werken wij eraan dat elk kind in Maasdriel zijn of haar talenten volop kan ontplooien en zo groeit naar een mooie plek in onze maatschappij.

In deze Lokaal Educatieve Agenda leest u de afspraken die we samen hebben gemaakt over hoe we de komende jaren de kinderen van Maasdriel een zo goed mogelijke start willen geven. Er gebeuren al veel mooie dingen in onze gemeente. En als we samen de schouders eronder zetten, dan gaat er nog meer moois bloeien! Anita Sørensen wethouder Onderwijs

“Iedereen is een genie. Maar als je een vis beoordeelt naar zijn bekwaamheid om in bomen te klimmen, zal hij zijn hele leven geloven dat hij dom is.” Albert Einstein In het onderwijs gebeurt heel veel. Niet alleen hebben corona en de lockdowns veel impact gehad op onze kinderen, ook landelijk is er veel aandacht voor het onderwijs. De aandacht voor de basisvaardigheden taal, rekenen en digitale vaardigheden is toegenomen. En er is aandacht voor het belang van een breed aanbod, zodat alle kinderen in aanraking komen met cultuur en sport. Uitdagingen die we samen oppakken. En daar zijn wij trots op.

3

Inleiding Dit is de nieuwe Lokaal Educatieve Agenda (LEA) voor de gemeente Maasdriel voor de periode 2023-2027. De afgelopen jaren hanteerde de gemeente samen met de gemeente Zaltbommel een Regionaal Educatieve Agenda (REA). De gemeenten Maasdriel en Zaltbommel hebben nu ieder een LEA ontwikkeld. Waarom een LEA? De LEA richt zich op de educatieve activiteiten en ontwikkeling van kinderen en jongeren (van 0-23 jaar). Het doel van de LEA is een heldere taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente, kinderopvang en schoolbesturen, vooral voor het onderwijsachterstandenbeleid. In de afgelopen jaren is de functie van de LEA verbreed. De gemeente heeft ook een rol bij passend onderwijs en de jeugdhulp. Iedere organisatie draagt vanuit haar eigen rol en professionaliteit bij aan de goede ontwikkeling van kinderen. De LEA Maasdriel richt zich op aandachtsgebieden voor de komende periode: thema’s waarop de partijen de komende vier jaar extra afstemming of inspanning verwachten. In Maasdriel zijn er momenteel veel initiatieven en ontwikkelingen (denk aan NPO en de reorganisatie van het Sociaal Domein). De gemeente signaleert dat er, juist vanwege al deze initiatieven, veel behoefte is aan afstemming en participatie in de beleidsontwikkeling. De gemeente ziet de LEA dan ook als een instrument om de afstemming tot meer optimalisering van inspanningen te komen.

De gemeente formuleert de LEA in samenspraak met de lokale partijen. Voor de LEA is wettelijk geen bestedingskader meegegeven. De gemeente biedt ruimte voor plannen vanuit het veld en beziet in samenspraak of additionele bekostiging aan de orde is.

De gemeente heeft een aantal wettelijke taken (artikelen 165, 166, 167 en 167a WPO, en 118a WVO, zie de bijlage). Deze betreffen: het voeren van een jaarlijks overleg (‘OOGO’), inspanningen ten aanzien van de VVE, het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures, een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. Het gezamenlijk overleg wordt een kwaliteitsdialoog genoemd1. Volgens de Wet passend onderwijs is een samenwerkingsverband verplicht hun ondersteuningsplan af te stemmen met de gemeenten en af te stemmen op het beleidsplan over jeugdhulp van de gemeente. Het samenwerkingsverband stelt eens per vier jaar het ondersteuningsplan vast. De gemeente kan het plan van het samenwerkingsverband bekijken in het licht van de plannen in het bredere (jeugd) zorg domein. Hierbij is ook een relatie met het (preventieve) jeugdbeleid. Na de decentralisatie van de jeugdzorg/hulp (2015) en de invoering van passend onderwijs (2014) is de afstemming tussen de partijen (voor de gemeente) omvangrijker geworden. De gemeente werkt vanuit ‘netwerk governance’ en vervult verschillende rollen (2019)2. De inspectie heeft het voornemen om gerichter toezicht te houden op de LEA.

1 Zie: Ministerie van OCW (2020). Aanpak onderwijsachterstanden, OCW, 19 mei 2020, TK, 2019-2020, 27 020, nr 108 2 Inspectie van het Onderwijs (2019). Themaonderzoek ‘doelbereik lokaal educatieve agenda’. Utrecht: Inspectie

4

Netwerk governance: de samenleving verandert en de aansturingsvormen veranderen. Er is minder top-down beleid en meer decentralisatie en autonomie vergroting op lokaal niveau. Dit vraagt dat partijen op lokaal niveau keuzes maken en eigen doelen stellen, ook vanuit de overtuiging dat op lokaal niveau meer maatwerk kan worden georganiseerd. Deze ontwikkeling noemen we ook wel horizontalisering: het verschijnsel dat een voorheen hiërarchische verhouding verandert in een meer gelijkwaardige verhouding. Netwerk governance benadrukt dat je door samenwerking van partijen in een netwerk kunt werken aan gezamenlijk opgestelde doelen. Publieke (meer)waarde wordt bereikt door gezamenlijk samen te werken in soms wis-

3. Passende ontwikkeling; doorontwikkeling naar een inclusieve opvang en onderwijs. Het ontwikkelen van een visie met ambities op inclusief onderwijs en opvang aansluitend op de uitvoering van passend onderwijs. Hieronder valt ook de ontwikkeling van een bovenschoolse Taalimpulsklas voor nieuwkomerkinderen en kinderen met een grote taalachterstand. Tevens valt onder inclusief onderwijs het stimuleren van integratie en het tegengaan van segregatie. 4. Brede ontwikkeling Het verrijken van het ontwikkelaanbod op het gebied van sport, cultuur en kunst voor alle kinderen in Maasdriel.

selende samenstellingen . Horizontale verantwoording en het gebruik van het 4R model zijn hierin in gebruik (ruimte, richting, resultaten, en rekenschap) (Schnabel, 2001)2.

In januari, februari en maart 2022 vonden bijeenkomsten plaats met vertegenwoordigers uit de kinderopvang en het onderwijs waarin de aandacht gericht was op de LEA. Met deze samenwerkingspartners is een SWOT opgesteld en vond een brainstorm plaats over de mogelijke thema’s in de LEA. In mei heeft het Directie Overleg Maasdriel (DOM) over de LEA gesproken.

1

De gemeente Maasdriel wil dat ieder kind in de gemeente zijn/ haar talenten volop kan benutten en een mooie plaats krijgt in de maatschappij. Daarom heeft zij samen met de partners de volgende thema’s geagendeerd voor de LEA 2023-2027: 1. Doorgaande lijnen De laatste tijd is er veel aandacht voor de verbinding tussen verschillende voorzieningen, denk aan voor- en vroegschoolse educatie en de overstap van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs; maar het gaat hier ook over de doorgaande lijnen van regulier naar speciaal onderwijs en de jeugdhulp. 2. Het jonge kind Het creëren van een rijke ontwikkelomgeving voor de jongste kinderen (0- 6 jaar), specifieke aandacht voor taalontwikkeling en de betrokkenheid van verschillende partijen.

Werkwijze

Sardes heeft als gastschrijver voor de gemeente een LEA opgesteld.

1 Voor meer verdieping: Moore, M. (1995). Creating public value: strategic management in government. Harvard: Harvard University Press, en Moore, M. (2013). Recognizing public value. Harvard: Harvard University Press 2 Schnabel, P. (2001). Bedreven en gedreven, Den Haag: SCP

5

1. De situatie in Maasdriel De gemeente Maasdriel telt 25.452 inwoners (2021). Ongeveer 15,4% van de inwoners is jonger dan 15 jaar. In Maasdriel zijn 11 basisscholen, 18 kinderdagverblijven en 14 BSO’s (Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Er zijn 380 peuters (2,5-4 jaar), waarvan 12% een risico op achterstanden heeft volgens de criteria van het CBS (2020)1. Deze kinderen komen in aanmerking voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Ter vergelijking: in Den Bosch hebben 14% van de peuters een risico op achterstanden. In Maasdriel krijgen peuters met een risicoprofiel vanaf 2 jaar VVE aangeboden. De afgelopen jaren werkten Zaltbommel en Maasdriel samen in een Regionale Educatieve agenda. In 2021 heeft Zaltbommel een eigen LEA opgesteld. Dit was een aanleiding voor Maasdriel om een eigen LEA op te stellen. Er wordt bestuurlijk afgestemd met Zaltbommel, in de Bommelerwaard. Momenteel participeren de schoolbesturen in een Breed Bestuurlijk Overleg (BBO) samen met de gemeente Zaltbommel. Dit zijn de scholen en een afvaardiging van de kinderopvang in de Bommelerwaard. De LEA ondersteunt het Op Overeenstemming Gerichte Overleg (OOGO), waarin gemeente, kinderopvang en schoolbesturen afspraken maken over de ontwikkeling van de jeugd. In Maasdriel is de term OOGO gereserveerd voor het overleg tussen gemeente en samenwerkingsverband. Naast dit overleg is

Samenwerkingsverband Meierij ontwikkelde een kader waarbinnen inspanningen worden afgestemd: de ontwikkelagenda. In het voorjaar van 2021 heeft samenwerkingsverband De Meierij met de gemeenten een ontwikkelagenda gemaakt voor 2021-2025. Men noemt daarbij de volgende thema’s: 1. 0-6-jarigen overleg en taalonderwijs/VVE 2. Extra jeugdhulp op school 3. Anderstalige kinderen 4. Overgang naar VO 5. Andere projecten De Meierij PO heeft de volgende gemeenten in haar regio: ‘s-Hertogenbosch, Vught, St. Michielsgestel, Boxtel, Schijndel, Zaltbommel, Maasdriel (en ook delen van de gemeenten Oisterwijk, Meierijstad en Tilburg). De VVE partners en de gemeente hebben afspraken gemaakt in het Kwaliteitskader VVE Bommelerwaard. Voor de partners in de gemeente Maasdriel en de VVE partners is hier een separate uitwerking voor gemaakt (2020-2023)2. Met de schoolbesturen wordt gewerkt aan een Taalimpulsklas voor kinderen die in de Nederlandse taal ‘absolute beginners’ zijn. Indien mogelijk wordt deze uitgebreid naar alle kinderen die een taalimpuls nodig hebben.

er ook een stuurgroep en een werkgroep VVE én een directeurenoverleg.

1 te vinden via: https://dashboards.cbs.nl/v3/onderwijsachterstanden 2 Gemeente Maasdriel en Zaltbommel (2020). Kwaliteitskader VVE Bommelerwaard Versie gemeente Maasdriel en VVE partners, Maasdriel 2020-2023

6

In het kader van de bestrijding van de onderwijsvertragingen (NPO), heeft de gemeente Maasdriel ook middelen ontvangen van OCW (ongeveer € 253.000). Dit is incidenteel geld dat uiterlijk in juli 2025 dient te zijn uitgegeven. Nadat de scholen zelf plannen hadden gemaakt voor de eigen middelen, is in goed overleg met de scholen, kinderopvang en andere partijen een plan gemaakt om de gemeentelijke NPO-middelen te besteden (november / december 2021). Dit plan strekt zich uit over de periode 2021-2025. De inzet van de gemeentelijke middelen richt zich op: 0-4 jaar

Thema 1 Meer begeleiding

Thema 2 Ouderbetrokkenheid

voor zorgkinderen

programma, mogelijk uitbouw Boekstart

4-12 jaar 12 jaar

Bewegingsonderwijs Vliegwielbijdrage

en ouder

voor verbeteren jongerenwerk

Voor de inzet van de NPO-middelen wordt zo veel mogelijk aangesloten bij bestaande kaders en praktijken. De inzet van de LEA voor de komende vier jaar De inzet van de LEA Maasdriel in de periode 2023-2027 houdt rekening met de initiatieven en inzet van middelen die in andere kaders al wordt gepleegd. Het is niet de bedoeling om het ‘over’ te doen; we kijken in de LEA naar goede manieren om aan te sluiten bij initiatieven die al gaande zijn en hoe deze nog verder verbeterd kunnen worden.

7

2. Landelijke ontwikkelingen krijgen lokaal kleur In deze paragraaf beschrijven we kort een aantal landelijke ontwikkelingen, die direct of indirect een uitwerking hebben op het beleid in Maasdriel (en mogelijk ook op de LEA). In de kinderopvang is in 2018 de harmonisatie doorgevoerd (gelijktrekken van de kwaliteitseisen en het onderbrengen van de peuterspeelzalen in de wet kinderopvang). In de kinderopvang wordt hard gewerkt aan de uitwerking van de wet IKK. In 2020 is de voor- en vroegschoolse educatie uitgebreid van 10 naar 16 uur in de week (totaal 960 uur). Vanaf 2022 zijn pedagogische beleidsmedewerkers actief in de kinderopvang. In het nieuwe regeerakkoord (2022) zijn ingrijpende veranderingen in de bekostiging van de kinderopvang aangekondigd. Mogelijk wordt een groter deel van de kinderopvang gratis. Sinds 2014 werken we aan passend onderwijs. Passend onderwijs is geëvalueerd in 2020. Naast 25 verbeteracties heeft de minister ook aangegeven dat inclusie een begrip is dat de komende jaren verder zal worden uitgewerkt1,2. De Nederlandse overheid heeft zich door de ratificatie van een VN-verdrag gecommitteerd aan inclusie. Inclusie is breder dan alleen onderwijs en gaat ook over maatschappelijke waarden. Voor de uitwerking van inclusie heeft OCW een ontwikkeltermijn van 15 jaar genoemd. In veel regio’s wordt nu gewerkt aan een perspectief op inclusiever onderwijs.

In 2015 is de jeugdzorg gedecentraliseerd. De decentralisatie van de jeugdhulp was ook een transformatie, die nog steeds gaande is. Er zijn bijvoorbeeld gebiedsteams gevormd. Aan de decentralisatie jeugdhulp is ook preventief beleid verbonden. Door de aandacht voor ‘cure’ is de aandacht voor preventie wat uit beeld geraakt. De komende jaren zal er meer aandacht komen voor preventie. Zowel het onderwijs als de kinderopvang hebben uitdagingen op het gebied van personeel. Er zijn regionale verschillen, maar bij veel scholen gaan personeelsleden en directeuren met pensioen. Het is een uitdaging om voldoende en goede mensen te vinden zowel in de opvang als in het onderwijs. Gelijke kansen worden door de inspectie van het onderwijs de laatste jaren herhaaldelijk genoemd als een aandachtspunt. Om verschillende redenen ziet de inspectie meer verschillen ontstaan tussen groepen in het onderwijs en ook in de samenleving. Op een langere termijn kan dat een negatieve uitwerking hebben op de samenleving. Sinds maart 2020 zijn er maatregelen om het risico op besmetting met het corona virus te bestrijden. De afgelopen tijd heeft dat geleid tot lockdowns en andere beperkingen. In 2021 is een totaalbedrag van € 8,5 miljard beschikbaar gesteld aan onderwijs en gemeenten voor de vertragingen en achterstanden als gevolg van de corona-maatregelen.

1 Zie hiervoor ook: Onderwijsraad (2020). Steeds inclusiever, Den Haag: Onderwijsraad 2 Ministerie van OCW (2020). Verbeteraanpak passend onderwijs en route naar inclusiever onderwijs, Den Haag: OCW

8

Ook op het gebied van huisvesting zijn veranderingen gaande. In 2015 is het buitenonderhoud toegevoegd aan het budget van de schoolbesturen. Dit levert ook veel discussie op, bijvoorbeeld over ‘renovatie’. In oktober 2022 stelt de gemeenteraad van Maasdriel het Integraal Huisvestingsplan (IHP) vast, waarin voor de komende 15 jaar een doorkijk wordt gegeven van de onderwijshuisvesting in de gemeente. De gemeente Maasdriel zet binnen het jeugdbeleid in op normaliseren. Waarbij wordt uitgegaan van het verbeteren van de omgeving (de context) van het kind, in plaats van alle zorg enkel naar het individu te organiseren. De denknotitie van Bert Wienen is daarbij een grote inspiratie (zie bijlage 2). Integraal samenwerken tussen de verschillende beleidsterreinen Onderwijs, Jeugd, Gezondheid en Sport is daarbij cruciaal. In de afgelopen jaren heeft de gemeente geïnvesteerd in het verstevigen van het preventieve aanbod. Denk hierbij aan inzet jongerenwerk, toekomstcoaching, preventieve GGZ en de doorontwikkeling van het sociaal domein. Het is van belang dat deze trend verder vorm krijgt in de samenwerking met het onderwijs.

9

3. Visie en thema’s voor de LEA Maasdriel Over de visie De gemeente Maasdriel wil dat ieder kind in de gemeente zijn/ haar talenten volop kan benutten en een mooie plaats krijgt in de maatschappij. Om dit te bereiken heeft zij voor de komende jaren enkele doelen benoemd. De gemeente Maasdriel wil alle kinderen optimale ontwikkelingskansen bieden. De gemeente Maasdriel gaat uit van de context van het kind. Door normaliseren en demedicaliseren ontstaat er een veilige en stimulerende omgeving voor elk kind. De gemeente Maasdriel vindt de menselijke maat in het beleid belangrijk. Dat betekent dat bij beleidsafwegingen altijd aandacht wordt gevraagd voor de vraag: wat betekent het voor het kind? De menselijke maat is een uitgangspunt in het beleid van de gemeente Maasdriel.

keling te voorkomen. Vanuit het perspectief van de gelijke kansen en het bestrijden van achterstanden is het van belang dat de overgangen goed zijn ingericht. Omdat er geen school voor voortgezet onderwijs in Maasdriel is, vraagt de overstap PO/VO meer aandacht: kinderen gaan het dorp uit, stappen in een nieuwe wereld. De overstap is meer een proces dan een eenmalige gebeurtenis. Voor de overgang voorschools – basisonderwijs betekent dat een goede overdracht, met een heldere procedure waarbij ook aandacht is voor inhoudelijke samenhang en overgang. Voor de overgang PO/VO gaat het om goede contacten tussen de basisscholen en de scholen voor voortgezet onderwijs. Nu de CITO toets ná het schooladvies komt, is een goede communicatie tussen basisschool en voortgezet onderwijs extra belangrijk. Het doel is daarbij steeds: de leerling op de juiste plaats.

De afgelopen tijd hebben de partners in Maasdriel snel in moeten spelen op verschillende maatschappelijke ontwikkelingen. Hieruit is gebleken dat er een goede relatie is tussen de partners en dat er samen mooi resultaat behaald kan worden. Het heeft ook geleerd dat niet alles tegelijk kan en keuzes horen bij het voortgaan van de tijd. Deze LEA is ambitieus. Samen met de partners zal lopende het traject gekeken moeten worden of en welke bijsturing nodig zal zijn.

Daarnaast betreft de doorgaande lijn ook de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp, de doorgaande lijn van regulier naar speciaal onderwijs. De transitie van de jeugdhulp en de (her)inrichting van het sociaal domein is nog gaande bij de gemeente. Niet alleen is de gemeente bezig met een reorganisatie van het sociaal domein, ook wordt er in Maasdriel gewerkt aan een sociale kaart, zodat het duidelijker is welke persoon waar te vinden is in de ondersteuning. De gemeente heeft een systeemverantwoordelijkheid als het gaat om de inrichting

De thema’s op een rij 1. Doorgaande lijnen Het thema doorgaande lijnen in onderwijs en opvang vraagt aandacht voor de overgangen die er zijn tussen bijvoorbeeld kinderopvang en de basisschool, en de overgang basisschool – voortgezet onderwijs, maar ook tussen regulier en speciaal onderwijs. Het gaat om sterke verbindingen tussen de voorzieningen. Het doel is om breuken en onderbrekingen in de ontwik-

van het systeem van zorg. De LEA biedt een kader voor uitwisseling van informatie tussen partijen en versterking van de transparantie van het systeem. De gemeente Maasdriel vindt het ook van belang dat de partners meedenken over de inrichting van het systeem.

10

Wat zijn de doelen voor dit thema? • Versterken van de overgang voor- en vroegschools, alle kinderen krijgen een warme overdracht. • Versterken van de overgang PO/VO, Intensivering overleg leerkracht groep 8 – brugklas. • Versterken sociale kaart en inbreng gebiedsteam. • Speciale aandacht voor overdracht van kinderen met ondersteuningsbehoeften. • In 2023 en 2025 monitoren de instellingen de overgang voor- en vroegschools en de overstap PO/VO, met als doel verbetermaatregelen te benoemen. • Het verbeteren en versterken van de context in plaats van het versterken van individuele •

•

zorg. Een meer samenhangend en transparant beeld van de aansluiting zorg op de andere voorzieningen. Bestuurders werken op bestuursniveau aan doorontwikkeling van de doorgaande lijnen en moedigen scholen die hiermee bezig zijn actief aan. Bestuurders ondersteunen daar waar nodig en stemmen de doorgaande lijnen af op bestuurlijk en gemeentelijk niveau.

2. Het jonge kind (0-6 jaar) Jonge kinderen ontwikkelen zich heel snel en daarom is het van groot belang dat er een rijke speelleeromgeving is voor alle kinderen. Maasdriel heeft een convenant voor- en vroegschoolse educatie vastgesteld (vanaf 2020). Dit regelt de afspraken voor het aanbod van voor- en vroegschoolse educatie. Hier zijn verschillende instellingen bij getrokken: de JGZ, de kinderopvang, de scholen en uiteindelijk ook de GGD (voor toezicht)1. De besturen geven aan dat de aandacht voor VVE ook gecontinueerd moet worden in de komende tijd, om de kwaliteit te borgen. Alle aspecten van de VVE dienen blijvend onderhouden te worden.

We denken hier aan de volgende aspecten: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Checklist VVE Doelgroep (aantallen en spreiding, doelgroepdefinitie) Bereik en toeleiding (incl. non-bereik) Kwaliteit voorschoolse educatie (aanbod, programma, scholing, pedagogisch beleidsmedewerker) Doorgaande lijn (warme overdracht, maar ook inhoudelijke samenwerking) Vroegschoolse educatie (op de basisschool) Resultaat afspraken Eventueel: stimulering (voor)leesbeleid (Voorleesexpress, bibliotheek etc.) Ouderbetrokkenheid Samenwerking met zorg en andere maatschappelijke partners Samenwerking, coördinatie en overlegstructuur Monitoring en evaluatie Financiering en begroting

De praktijk is dat er nog veel verschillende omgevingen en partijen betrokken zijn bij de ontwikkeling van jonge kinderen. Ook ouders zijn daar een belangrijk onderdeel van en soms hebben ouders ook onzekerheden of kwetsbaarheden. Daarom is het van groot belang om de ondersteuning voor het jonge kind goed op elkaar af te stemmen. Het doel is om voor belemmeringen op een creatieve en constructieve wijze oplossingen te zoeken. Het thema het jonge kind richt zich op het kind van 0 tot 6 jaar. De overgang van kinderopvang en basisschool vindt ook plaats in deze periode. Hieraan wordt onder het thema Doorgaande Lijn al aandacht geschonken. Binnen dit thema vragen we specifiek aandacht voor het jonge kind met een ondersteuningsbehoefte. Passend onderwijs begint bij 4 jaar, maar bij jongere kinderen zijn ouders vaak onzeker als de ontwikkeling van een kind onduidelijk is. Er is nog geen passende kinderopvang. In lijn met de ontwikkelagenda van het samenwerkingsverband wordt bezien wat een passende aanpak is.

1 Er is ook toezicht van de Inspectie van het onderwijs

11

Wat zijn de doelen voor dit thema? • Borgen en continueren van de VVE, VVE staat als vast onderwerp op de agenda • Ontwikkelen extra aandacht voor het vroegschoolse deel van de VVE1 • Structurele aandacht voor de VVE monitor • Verankeren van de resultaatafspraken 3. Passende ontwikkeling De gemeente streeft naar inclusief onderwijs. Hiertoe zet zij samen met de partners stappen. Het samenwerkingsverband werkt aan een nieuw perspectief op passend onderwijs en de stap naar het inclusief onderwijs (‘Een passend toekomstperspectief voor inclusievere voorzieningen in de regio Noord (Franka Rops, juni, 2021)). Binnen het terrein van passend onderwijs zijn veel ontwikkelingen gaande. Zo zijn er ook experimenten met integratie en samenwerking tussen reguliere en speciale voorzieningen. Het is belangrijk dat de (door)ontwikkeling van passend onderwijs, de experimenten en de gedachten over inclusie, is gebaseerd op een degelijke (gedragen) visie. Omdat het vaak ook gaat om een samenwerkend netwerk, een soort ondersteuningsecologie in de regio, is deze gezamenlijke visie van essentieel belang. De gemeente Maasdriel, de besturen en het samenwerkingsverband werken deze visie op een passende ontwikkeling voor de komende periode uit, zowel voor de korte als de wat langere termijn.

Dan kan ook duidelijk worden wat de ambities zijn van scholen en besturen op het gebied van organisatie, sociale inclusie en didactische inclusie. De LEA heeft hier een verbindende en informerende rol: de kinderopvang is immers geen partner binnen het samenwerkingsverband, maar heeft wel te maken met de ontwikkelingen van het samenwerkingsverband.

Wat zijn de doelen? • Gezamenlijke uitwerking van de gemeenschappelijke visie op passende ontwikkeling en inclusieve opvang en onderwijs met de gemeente, besturen en samenwerkingsverband, voor de korte (vier jaar) en de langere termijn • Monitoring van de uitwerking van deze ontwikkeling In deze gedachtegang past ook het bevorderen van integratie en het tegengaan van segregatie. De vraagstukken rondom integratie en segregatie zijn bij uitstek gebaat bij een gezamenlijke aanpak in gemeentelijke en/of regionale context. De spreiding, toegankelijkheid en cultuur van voorzieningen kan een reden zijn voor selectieve samenstelling van de populatie in een voorziening zoals een school of kinderopvang. De samenleving is gebaat bij een tolerante en op diversiteit gerichte houding, om voor alle kinderen optimale ontwikkelingskansen te ontwikkelen. Racisme, discriminatie en uitsluiting zijn nadelig voor de (school)loopbaan van kinderen en daarmee ook voor de maatschappij. Werken aan gelijke kansen is een gemeenschappelijk streven. De gemeente Maasdriel streeft naar integratie (in de brede zin van het woord) en segregatie wordt bestreden. Wat zijn de doelen? • Een kwaliteitsdialoog over segregatie en integratie bij scholen en kinderopvang in Maasdriel • Identificering van maatregelen en afspraken die de integratie bevordere • Gezamenlijk formuleren van doelen voor de gemeente Maasdriel

1 Op basis van landelijk onderzoek blijkt dat de aandacht voor VVE op de basisschool extra aandacht behoeft

12

De laatste jaren neemt het aantal kinderen dat (nog) geen Nederlands spreekt, toe. In eerste instantie waren het kinderen van migranten (Poolse, Bulgaarse en Roemeense kinderen, nieuwkomers), nu zijn het kinderen uit Oekraïne en van statushouders. Voor deze kinderen is een taalklas, een bovenschoolse voorziening waar de kinderen ondergedompeld worden in de Nederlandse taal, de beste weg. Als dit goed loopt en er ruimte is zullen andere kinderen met een taalachterstand worden toegevoegd. Het doel is om een duurzame voorziening in te richten, daar het voorziet in een dringende behoefte. De kinderen van verschillende leeftijden verblijven enkele maanden tot een jaar enkele dagen of dagdelen in de klas en gaan dan terug naar de

beeld via sport of cultuur, maar dan in brede zin (techniek, natuur- en milieueducatie etc.). Dit sluit ook aan bij het thema Rijke schooldag (zie regeerakkoord, 2021). De scholen in Maasdriel erkennen dat de activiteiten een rol spelen in het werken aan gelijke kansen: zij werken al aan dit thema en bieden activiteiten aan; zij zien dat ook als hun taak. Een belangrijk aandachtspunt is het meer zichtbaar maken van de partners in cultuur, kunst en sport. Hierbij speelt transparantie, toegankelijkheid en kwaliteit van het aanbod ook een belangrijke rol. Het voornemen is om de kwaliteit van de activiteiten te verbeteren, bijvoorbeeld door een onderscheid tussen kennismakings- en verdiepingsactiviteiten.

gewone klas. De klas zal starten in het najaar van 2022.

Wat zijn de doelen voor dit thema? • Voor alle kinderen in de basisschoolleeftijd bieden we de mogelijkheid om zich breed te ontwikkelen • Ontwikkelen van een kwaliteitskader brede ontwikkeling (kwaliteit van het aanbod) in 2023 • De toegankelijkheid tot de activiteiten wordt verbeterd

Wat zijn de doelen voor dit thema? • Opstellen plan n.a.v. aanpak, inclusief duurzame sluitende financiële afspraken • Operationaliseren taalklas • Monitoren en evalueren van de taalklas, ieder jaar 4. Brede ontwikkeling Vanuit het perspectief van gelijke kansen is het voor kinderen belangrijk om veel verschillende ervaringen op te doen. Deze ervaringen leggen ook andere, noodzakelijke verbanden aan in de hersenen. Kinderen met hoger opgeleide ouders krijgen dit meestal van huis uit mee: er wordt voorgelezen, er zijn boeken, men gaat naar het museum of een kasteel. Deze kinderen ontwikkelen zo meer ‘kennis van de wereld’. Kinderen die dit van huis uit niet meekrijgen, ontwikkelen zo sluipenderwijs een achterstand: ze kennen minder woorden, begrippen en hebben ook minder (of soms ook andere, minder positieve) ervaringen opgedaan. Voor kinderen kan het daarom belangrijk zijn om op school of aansluitend aan school, mogelijkheden te krijgen om zich breder te ontwikkelen. Dat kan bijvoor-

13

Overzicht van de visie en doelen • Visie De gemeente Maasdriel wil dat ieder kind in de gemeente zijn/ haar talenten volop kan benutten en een mooie plaats krijgt in de maatschappij. Om dit te bereiken heeft zij voor de komende jaren enkele doelen benoemd. • De gemeente Maasdriel wil alle kinderen optimale ontwikkelingskansen bieden. • De gemeente Maasdriel gaat uit van de context van het kind. Door normaliseren en demedicaliseren ontstaat er een veilige en stimulerende omgeving voor elk kind. • De gemeente Maasdriel vindt de menselijke maat in het beleid belangrijk. Dat betekent dat bij beleidsafwegingen altijd aandacht wordt gevraagd voor de vraag: wat betekent het voor het kind? De menselijke maat is een uitgangspunt in het beleid van de gemeente Maasdriel. Thema’s en subdoelen 1. Doorgaande lijnen • Versterken van de overgang voor – en vroegschools, alle kinderen krijgen een warme overdracht • Versterken van de overgang PO/VO, intensivering overleg leerkracht groep 8 – brugklas • Versterken sociale kaart en inbreng gebiedsteam • In 2023 en 2025 monitoren de instellingen de overgang voor- en vroegschools en de overstap PO/VO, met als doel verbetermaatregelen te benoemen. • Speciale aandacht voor overdracht van kinderen met ondersteuningsbehoeften (zorg) • Het verbeteren en versterken van de context in plaats van het versterken van individuele zorg.

• Een meer samenhangend en transparant beeld van de aansluiting zorg op de andere voorzieningen • In 2023 en 2025 monitoren de instellingen de overgang voor- en vroegschools en de overstap PO/VO, met als doel verbetermaat-

regelen te benoemen Bestuurders werken op bestuursniveau aan doorontwikkeling van de doorgaande lijnen en moedigen scholen die hiermee bezig zijn actief aan. Bestuurders ondersteunen waar nodig en stemmen de doorgaande lijnen af op bestuurlijk en gemeentelijk niveau.

2. Het jonge kind (0-6 jaar) • Borgen en continueren van de VVE. VVE staat als vast onderwerp op de agenda • Ontwikkelen extra aandacht voor het vroegschoolse deel van de VVE • Structurele aandacht voor de VVE monitor • Verankeren van de resultaatafspraken 3. Passende ontwikkeling • Gezamenlijk meedenken over de uitwerking van de gemeenschappelijke visie op de passende ontwikkeling en inclusieve opvang en onderwijs met de gemeente, besturen en samenwerkingsverband, voor de korte (vier jaar) en de langere termijn • Monitoring van de uitwerking van deze ontwikkeling Segregatie & integratie • Een kwaliteitsdialoog over segregatie en integratie bij scholen en kinderopvang in Maasdriel • Identificering van maatregelen en afspraken die de integratie bevorderen • Gezamenlijk formuleren van doelen voor de gemeente Maasdriel Een bovenschoolse taalvoorziening • Opstellen plan n.a.v. aanpak, inclusief duurzame sluitende financiële afspraken • Operationaliseren taalklas • Monitoren en evalueren van de taalklas, ieder jaar

14

4. Brede ontwikkeling • Voor alle kinderen in de basisschoolleeftijd bieden we de mogelijkheid om zich te ontwikkelen • Ontwikkelen van een kwaliteitskader brede ontwikkeling (kwaliteit van het aanbod) • De toegankelijkheid tot de activiteiten wordt verbeterd

15

4. Inrichting bestuurlijk overleg Omdat de meeste schoolbesturen scholen hebben in meerdere gemeenten, vond het overleg tot nu toe plaats in de Bommelerwaard (BBO). Omdat het aandeel van Maasdriel in dit BBO niet groot was, is er voor deze LEA gezocht naar een nieuw overlegstructuur. Afgesproken is dat er een apart Maasdriels LEA overleg komt, waarbij de Agendacommissie verantwoordelijk is voor de onderwerpen op de agenda. Met Zaltbommel wordt gezocht naar een andere, thema-inhoudelijk gerichte invulling van het BBO. Maasdriels LEA overleg Hoe gaan we met elkaar om? De partijen van de LEA hebben bij het vaststellen van deze LEA ook verwachtingen naar elkaar uitgesproken over het bestuurlijk overleg. 1. We vertrouwen elkaar 2. De inzet is gericht op de gezamenlijke verantwoordelijkheid 3. We denken in kansen in plaats van bedreigingen 4. Iedereen is betrokken 5. De inhoud is leidend 6. We laten het verleden achter ons Uitgangspunten: • Het overleg van de LEA Maasdriel wordt voorbereid in een Agendacommissie. Deze commissie bestaat uit de ambtenaar van de gemeente en een vertegenwoordiger uit het onderwijs en een uit de kinderopvang. • Het overleg van de LEA Maasdriel wordt voorgezeten door de wethouder. • Er wordt een agenda gemaakt voor het LEA overleg voor het gehele jaar (data en onderwerpen).

• Gezien de omvang van de vergadering wordt er zo veel mogelijk met vertegenwoordigingen gewerkt.

renoverleg (DOM) en twee keer een bestuurlijk overleg (LEA), waarbij bestuurders, kinderopvang en gemeente aansluiten. De DOM (tactisch) en de LEA (strategisch) wisselen elkaar af. Daarmee wordt een ‘strategisch’ en een meer ‘tactisch’ overleg afgewisseld. Thema’s die uit het bestuurlijk overleg (DOM/LEA) voortkomen, komen bij de werk groepen en de stuurgroep VVE terecht. Zij behandelen het desbetreffende thema en rapporteren de uitkomsten weer aan DOM/LEA. Deze werkwijze vraagt vanuit de LEA en DOM een goede ondersteuning, planning en agendavoorbereiding (Agendacommissie).

In de LEA (het bestuurlijk overleg met de wethouder) worden de meest richtinggevende beslissingen genomen. Tijdens het DOM bespreken leden meer de praktische vraagstukken. Door hun actieve en betrokken houding kan er sneller gehandeld worden. Op basis van de agenda is het mogelijk om specifieke partners zoals de jeugdzorg of het samenwerkingsverband uit te nodigen.

Het BBO kan in bovenstaand scenario gebruikt worden als verbindend overleg tussen de partners in de Bommelerwaard en ingericht worden als themabijeenkomst.

Overlegstructuur Maasdriel In gemeente Maasdriel vindt er vijf keer per jaar een overleg plaats. Drie keer een directeu-

16

5. Monitor, evaluatie en uitwisseling De inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de wettelijke taken van de scholen en de gemeente op het gebied van onderwijs. Jaarlijks ontvangt de gemeente een vragenlijst VVE en LEA. De Inspectie ziet toe op concrete afspraken en meetbare doelen tussen gemeente en onderwijspartners. Tijdens het reguliere toezicht bij besturen en scholen zal de inspectie de komende tijd extra aandacht besteden aan vroegschoolse educatie. De GGD verricht jaarlijks inspecties bij de kinderopvang en de peuteropvang. Jaarlijks wordt een monitor VVE door een externe deskundige in opdracht van de gemeente uitgevoerd. Aansluitend organiseert de gemeente twee VVE netwerkbijeenkomsten. De eerste om de resultaten van de monitor te bespreken en de tweede om professionalisering passend bij de uitkomsten van de monitor te stimuleren. Jaarlijks organiseren we een LEA inspiratiebijeenkomst. Tijdens deze bijeenkomst kiezen we een speciaal thema uit om dat met elkaar te verdiepen in breed verband.

17

6. Financiën De LEA is een afstemmingskader van lokale taken en verantwoordelijkheden tussen gemeente, onderwijsbesturen en houders van kinderopvang. De gemeente formuleert de LEA in samenspraak met de lokale partijen. Voor de LEA is wettelijk geen bestedingskader meegegeven. De gemeente biedt ruimte voor plannen vanuit het veld en beziet in samenspraak of additionele bekostiging aan de orde is. De gemeente maakt gebruik van de bestaande budgetten zoals OAB en NPO. De begroting kan nog verder worden gespecificeerd, mogelijk ook met andere budgetten. Budget GOAB-budget 2022 NPO-middelen Asschermiddelen Ondersteuning bij

₠ Bestedingstermijn 509.000 Jaarlijks 253.988 Voor zomer 2025 44.993 Jaarlijks Ca. 15.000 Eenmalig

NPO-maatregelen

18

Bijlage 1 - Artikel 165, 166, 167 en 167a WPO Artikel 165. Activiteiten voor leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal Indien burgemeester en wethouders in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van de scholen, activiteiten ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal op scholen willen verrichten met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, wordt het onderwijs zodanig ingericht dat deze activiteiten plaatsvinden geheel of gedeeltelijk gedurende dan wel buiten het aantal uren onderwijs dat leerlingen op grond van artikel 8 tenminste ontvangen. Een leerling neemt slechts deel aan deze activiteiten als nadat de ouders van de leerling hun instemming schriftelijk kenbaar hebben gemaakt aan het bevoegd gezag. Artikel 166. Voorschoolse educatie 1. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat er in een gemeente voldoende voorzieningen in aantal en spreiding zijn waar kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal, als bedoeld in artikel 167, eerste lid, deel kunnen nemen aan voorschoolse educatie die voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 1.50b en 2.8 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen 2. [Dit lid is nog niet in werking getreden.] Artikel 167a. Overleg onderwijsachterstandenbeleid Artikel 167. Afspraken voor- en vroegschoolse educatie 1.

Burgemeester en wethouders voeren ten minste jaarlijks overleg en dragen zorg voor het maken van afspraken over: a. met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie: 1°. het vaststellen welke kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal in

aanmerking komen voor voorschoolse educatie, 2°. de wijze waarop die kinderen worden toegeleid naar voorschoolse en vroegschoolse educatie, en 3°. de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie, en b. resultaten van vroegschoolse educatie. 2. Burgemeester en wethouders voeren overleg en maken de afspraken, bedoeld in het eerste lid, met de volgende partijen: a. voor het eerste lid, onderdeel a: met de bevoegde gezagsorganen van scholen en de houders van kindercentra of peuterspeelzalen als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in de gemeente, b. voor het eerste lid, onderdeel b: met de bevoegde gezagsorganen van scholen. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken. 3. Een houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal verwerkt persoonsgegevens met als doel de bevordering van een goede doorstroom naar het basisonderwijs. De gegevens die een houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal verplicht overdraagt aan het bevoegd gezag van een basisschool over leerlingen die op de basisschool zijn ingeschreven, zijn het programma van voorschoolse educatie dat een leerling heeft gevolgd en de duur van het programma dat is gevolgd. Houders van kindercentra of peuterspeelzalen maken afspraken met de basisscholen binnen een gemeente over de wijze van gegevenslevering.

De bewaartermijn voor de overgedragen gegevens is twee jaar nadat het kind het kindercentrum of peuterspeelzaal heeft verlaten.

19

Artikel 167a, 1. Burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang, bedoeld in de Wet kinderopvang in de gemeente voeren tenminste jaarlijks overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt. Burgemeester en wethouders kunnen de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die – alvorens de afspraken tot stand komen – aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijven burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij zij initiatieven nemen tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus.

Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vragen burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezags-

2. Onze minister stelt een geschillencommissie in. 3. De commissie bestaat uit een voorzitter en 4 leden, die allen door Onze minister worden benoemd. De 4 leden worden benoemd op voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist. 4. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van 4 jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend.

organen aan de geschillencommissie, bedoeld in het tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie brengt binnen 4 weken aan burgemeester en wethouders dan wel aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies uit. Burgemeester en wethouders maken dit advies bekend aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang, bedoeld in de Wet kinderopvang in de gemeente.

20

Bijlage 2 Overzicht onderwijs en opvang Plaats

School

Velddriel

Deken Wehmeijer

VVE ja/nee

Plaats

Aantal ll 2015

Aantal ll 2020

Velddriel

95

84

Kerkdriel

604

608

Kerkdriel

123

122

Basisschool De Pollenhof

Hedel

195

185

School m d Bijbel, De Zaaier

Hedel

105

91

OBS De Lispeltuut

Hedel

173

122

Well gld

139

99

Ammerzoden

268

262

Rossum gld

284

271

Alem

40

41

Heerewaarden

93

90

2119

1972

KDV ‘t Veldmuisje

nee

KDV Veldpeutertjes

Ja

BSO ’t Veldmuisje Kerkdriel

Basisschool Mgr Zwijsen Basisschool De Meidoorn KDV t Veldmuisje

ja

KDV Villadriel

ja

KDV Villadriel Talentfactory

ja

KDV t Knuffelhuske

ja

BSO ‘t Veldmuisje BSO Knuffelhuske

BSO Villadriel BSO Talentfactory Hedel

KDV De Vrijbuiter

nee

KDV Pippi

nee

KDV De Toverfluit

ja

KDV De Zaaier

ja

Humpie Dumpie

ja

BSO Vrijbuiter Hedel BSO Pippi BSO Toverfluit Well

Hoeksteen De Toverfluit

ja

BSO Toverfluit Ammerzoden

RK Basissch De Schakel KDV Dikkertje Dap

ja

KDV Pippi

nee

BSO Pippi Rossum

OBS De Bogerd KDV De Balledotjes

ja

KDV Villa Veentjes

nee

KDV De Speeltol

ja

BSO De Ballenbende BSO Villa Verboven Alem

Basisschool Odradaschool Geen KDV / geen BSO

Heerewaarden Tweestromen BS KDV De Wigwam Hurwenen

ja

BSO Ballenbende

21

Bijlage 3 VNG Denknotitie Bert Wienen Van individu naar omgeving. Naar nieuwe verhoudingen tussen onderwijs, kinderopvang, gemeente en jeugdhulp VNG denknotitie/propositie, 3-3-‘22, Bert Wienen, Rienk Janssens Aanleiding Het beroep op (individuele) jeugdhulp neemt al jaren toe. Het leidt tot serieuze tekorten, waardoor de hulp onvoldoende uitgaat naar kinderen, jongeren en gezinnen die dat echt nodig hebben. De achterliggende vraag is of een samenleving waarin zoveel jongeren gediagnosticeerde jeugdhulp krijgen wel ‘normaal’ is. Hebben we niet een systeem gecreëerd waarin de voornaamste route er een is van individueel diagnosticeren, labelen en behandelen, maar die ten diepste verbloemt dat de manier waarop we elkaar vanuit het gewone leven ondersteunen en hoe dat bijvoorbeeld in het onderwijs tot uitdrukking komt, niet op orde is? Aanleiding voor deze notitie is de gedachte dat de hervormingsagenda jeugd, met zijn dubbele doelstelling van kwaliteitsverbetering en kostenbeheersing, een radicale hypotheseverandering nodig heeft. De kern van deze verandering is dat we minder moeten redeneren vanuit de individuele hypothese (de oorzaak van het probleem ligt in het kind) en meer vanuit de hypothese die vertrekt vanuit de context (kinderen en jongeren vallen uit vanwege keuzes die we maken binnen onze samenleving en met name binnen het onderwijs).

Dat is wat we vaak ‘normaliseren’ noemen: het omarmen van variëteit, het vertrekken vanuit context-hypothesen en het weer leren verdragen van verschil en in zekere zin ook ‘lijden’. Onderdeel van dit normaliseren is altijd ook: er zullen kinderen, jongeren en ouders zijn die vormen van zorg nodig hebben. En die zullen het ook moeten krijgen. Dit vraagt wel een aantal serieuze oriëntatieverschuivingen. Allereerst zullen we veel intrinsiek

aanwezige diagnose-opdrijvende krachten rigoureus moeten inperken. De vraag is of we deze krachten nog wel zien. Zelfs het op het oog veelbelovende samenspel tussen jeugdhulp en onderwijs kan wel eens eerder een symptoom zijn van de ontstane problematiek dan dat ze bijdraagt aan de oplossing. Veel onderwijszorgarrangementen zijn gebaseerd op het feit dat er extra zorg naar het kind moet omdat het anders op de beoogde of vastgestelde schoolroute niet kan meekomen. Het kind moet als het ware aanpast worden aan de (onderwijs)omgeving in plaats van andersom. Een contextgerichte benadering daarentegen zoekt het aangrijpingspunt niet bij (de verandering van) het kind, maar in de (onderwijs)situatie waarin het kind zich bevindt. Niet een extra zorgarrangement, maar een aangepaste onderwijs- en ontwikkelsituatie. Dit betekent dat gemeenten samen met onderwijs en kinderopvang analyseren en bestuurlijke gesprekken voeren hoe zij vanuit hun verschillende wettelijke verantwoordelijkheden bijdragen aan deze inclusieve ontwikkelomgeving. Door bijvoorbeeld met elkaar gezamenlijk te investeren in wijkgerichte brede scholen met ruimte voor kinderopvang, voorschool, sport en cultuur. Maar ook door kerk-community en buurtactiviteiten als pedagogische omgevingen te koesteren.

Beide bewegingen – minder individueel diagnosegericht en een versterking van het pedagogisch contextgerichte klimaat – dienen hand in hand te gaan. De start van beide doelstellingen ligt dus in een diepe kentering van het paradigma rondom inclusiviteit. Waar nu – mede door een prestatie-gedreven klimaat met bijpassende mechanismen als (cito)toetsen en vroege selectie – de individuele benadering van inclusiviteit dominant is – alles via extra trajecten uit het kind halen om aan dezelfde normen te voldoen –, moeten we toe naar een contextbenadering van inclusiviteit waarin de context mee-ademt naar ieders ontwikkelbehoeften. Wetenschappelijke

22

paradigma’s zijn niet onschuldig, ze werken door in de professionele praktijk van alle dag, al was het maar vanuit de opleidingen die er aan voorafgaan. Deze notitie stelt dat minder individu- en meer contextgericht kijken en handelen de visionaire basis zou moeten zijn van de hervormingsagenda. Het is de enige route om kwaliteit toe te voegen en het stelsel beheersbaar te houden. Het is ook de enige route om het kind, de jongere zelf het uitgangspunt te laten zijn. Deze benadering is geen afschuiving van problemen van jeugdhulp en gemeenten naar dat van onderwijs, kinderopvang en andere ‘vanzelfsprekende’ sectoren. We beseffen goed dat (bijvoorbeeld) het onderwijs te kampen heeft met tekorten, werkdruk, capaciteitsproblemen, maatschappelijke mondigheid etc.. Het zijn factoren die er mede voor zorgen dat een doorverwijzing naar individuele jeugdhulp vaak de meest voor de hand liggende optie is. Het onderwijs, evenals elke andere levenskring (sport, zorg etc.) heeft bovendien zijn eigen eigenheid die we niet uit het oog moeten verliezen. Onderwijs, we komen erop terug, is primair gericht op onderwijs, niet op zorgverlening. Aan die rolverdeling moeten we niet tornen. Het probleem is echter dat er onbewust allerlei mechanismen zijn ontstaan waardoor we met een individueel-medische zorgbril en minder met een pedagogische bril naar kinderen en jongeren zijn gaan kijken.

En dat zullen we – scholen, kinderopvang, andere maatschappelijke verbanden, gesteund vanuit politiek en beleid – met zijn allen moeten doorbreken. Het gaat niet om meer taken, het gaat om een andere bredere benadering. Het gaat ook zeker niet om allerlei maatschappelijke initiatief instrumenteel te laten zijn aan beleidsdoelen – sport mag (moet juist) gewoon sport zijn, verenigingsactiviteit gezellig en religieuze gemeenschappen wat het zijn: religieuze gemeenschappen. Het gaat om het besef dat deze maatschappelijke verbanden de basis vormen van een sterk pedagogisch klimaat, dat ze meerwaarde kunnen toevoegen,

meer vaak dan losse, lange jeugdhulptrajecten. De hervormingsagenda jeugd raakt daarmee niet alleen jeugdhulp en gemeenten, maar evenzogoed onderwijs, kinderopvang en andere vanzelfsprekende omgevingen. Ze raakt naast departement van VWS ook dat van OCW en SZW. Ze hebben dezelfde opgave: een sterk pedagogisch jeugdklimaat en een verminderde inzet van individuele jeugdhulp. Kort en goed streeft deze propositie vanuit de beschreven kernanalyse en doelstelling het volgende na: 1. Streef naar meer inclusief onderwijs met normaliseren als uitgangspunt. Inclusief betekent dat scholen voor alle jongeren een veilige plek zijn waar ze de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Dit betekent niet dat een leerling geen eigen aandacht nodig heeft en evenmin dat de schoolomgeving voor elke kind hetzelfde moet zijn. Kinderen en jongeren zijn verschillend en dat mag tot uiting komen in de context waarin zij les krijgen. Inclusiviteit, mits goed begrepen, gaat erom dat het aangrijpingspunt van de ondersteuning niet bij de individuele leerling ligt, maar bij de omgeving waarin die leerling zich bevindt; 2. Zorg voor een structureel goede staat van het onderwijs. Verhoog de bekostiging, waardeer het vak en zorg voor aantrekkelijke, goede onderwijsopleidingen, met een evident hogere instroom dan in aanpalende individugerichte opleidingen als social work en pedagogiek.

Zorg dat scholen wat betreft huisvesting in staat zijn in te spelen op een contextgerichte aanpak, waarbij verbinding kunnen ontstaan met sport, cultuur, kinderopvang en andere vanzelfsprekende instituties en levensdomeinen. Benut de huidige energie rondom de rijke schooldag voor het realiseren van deze nieuwe verbindingen. Een rijke (wellicht verlengde) schooldag met oog voor onderwijs, sport, cultuur biedt tegenwicht voor de huidige diagnose- en be-

23

handelgerichte cultuur. Hiervan zijn inmiddels al talloze mooie praktijkvoorbeelden; 3. Intensiveer de samenwerking tussen onderwijs en gemeente. Stel de onderlinge samenwerking verplicht (en meer dan alleen op papier) en slecht de hobbels rondom gegevensdeling; 4. Vóórdat kinderen naar school gaan zijn er al talloze verbanden, kringen en personen die mede hun ontwikkeling bepalen: allereerst natuurlijk de ouders, maar ook verloskundigen, consultatiebureaus, jeugdgezondheidszorg en de kinderopvang. Dit zijn contexten die kunnen bijdragen aan een sterk pedagogisch klimaat en die ouders vanuit hun eigen professionaliteit en identiteit kunnen helpen

5.

bij een stabiele ontwikkeling van kinderen. Zonder kinderopvang te verplichten is het goed haar als een basisvoorziening te zien waar geoefend kan worden in pedagogische vaardigheden. Voor veel kinderen is de kinderopvang (evenals de voorschool) de eerste plek waar ze leren om kind te zijn tussen andere kinderen en voor ouders is ze een leerplaats in ouderschap. Zie kinderopvang daarom niet alleen als arbeidsinstrument (met als doel ouders te faciliteren om te werken), maar vooral als aantrekkelijke context (onder deskundige pedagogische begeleiding) voor de ontwikkeling van kinderen, ouders en hun onderlinge interacties; Kies alles bij elkaar genomen voor een brede contextgerichte jeugdstrategie met een beperkter beroep op individueel jeugdhulp vanuit de jeugdwet. Om deze ouder-, omgeving- en onderwijsverantwoordelijkheid en een minder beroep om individuele jeugdhulp te borgen is er een aantal opties: a. het structureel uitsluiten van bepaalde vormen van jeugdhulp uit de Jeugdwet; b. gemeenten in de wet expliciet oproepen om in nadere regelgeving uit te werken wat de verantwoordelijkheden zijn van ouders, onderwijs en jeugdhulp/gemeenten; c. een wegingscommissie in het te leven roepen

die periodiek bijstelt wat in onderwijs en jeugdhulp thuishoort en de modelverordening daarop aanpast. De gemeentelijke voorkeur ligt in een combinatie van a en c, omdat b het risico heeft van een te grote en onverantwoordelijke variatie; 6. Niet onbelangrijk: ga uit van een ander type van bewezen effectiviteit. Inzicht in wat werkt en wat niet, is behulpzaam, maar het huidige effectiviteitsonderzoek gaat uit van gemiddelden, sluit context-gebonden factoren uit en kijkt vooral naar de korte termijn. Hierdoor heeft het een sterk opstuwend karakter naar individuele jeugdhulp. Bovendien miskent het de achterliggende normatieve opvattingen over wat effectief is; 7.

En tot slot, maar een van de kernopgaven: pak de talloze andere jeugdhulp-opdrijvende krachten in (vooral) het onderwijs aan. Dat begint al bij de neiging om jongeren in een vroeg stadium te toetsen en in sturende ‘hokjes’ te stoppen, waaraan ouders, als het hokje niet bevalt, graag via extra individuele ondersteuning (huiswerkbegeleiding, faalangsttraining, dyslexiecursussen) willen ontsnappen. Maar het gaat verder: laat bijvoorbeeld bij examens de beschikbaarheid van schoolmiddelen (wiebelkussens, laptops, etc.) niet afhankelijk zijn van jeugdhulpdiagnose (werkt enorm diagnose bevorderend), maar leg die verantwoordelijkheid bij (bijvoorbeeld een orthopedagoog in) het onderwijs. Zorg ook dat niet alles in de mal van jeugdhulptraject terecht komt. Tijdelijk werken op een boerderij of op de vaart kan soms zeer heilzaam zijn, maar waarom is daarvoor een gefinancierd hulptraject nodig?

In het vervolg werken we deze zeven hoofdlijnen uit naar een twintigtal concrete maatregelen. In de uitwerking doet zich de spanning voor dat we niet in de wereld leven zoals we die idealiter voor ons zien. Sommige maatregelen hebben pas zin als ze ingebed zijn in de hierboven

24

geschetste hoofdbeweging. De maatregelen brengen ons stapjes dichterbij, maar zullen in de praktijk altijd op die hoofdbeweging getoetst moeten worden. Soms is het beter een maatregel later in te voeren, namelijk als de randvoorwaarden van de hoofdbeweging op orde zijn. In het vervolg noemen we alle maatregelen, wetende dat ze uitwerking behoeven en verschillend zijn in impact en volgtijdelijkheid. 1. Naar meer inclusief onderwijs Inclusief onderwijs gaat uit van de gedachte dat scholen – na(ast) vanzelfsprekend ouders en andere verwanten en maatschappelijke verbande – een essentiële rol spelen in de brede ontwikkeling van kinderen. Onderwijs draagt bij aan meedoen en voorkómt maatschappelijke uitval. Ze vormt kinderen en jongeren door elke dag met elkaar in relatie te staan, door weerstand en structuur te bieden, door hen maatschappelijk voor te bereiden, en natuurlijk door te leren lezen en rekenen (de drieslag van sociaal-emotioneel, burgerschap en cognitief). Inclusief onderwijs kan overigens ook verkeerd begrepen worden. Het betekent niet dat speciaal ingerichte contexten altijd en overal onwenselijk zijn. Het betekent wel dat het aangrijpingspunt bij de omgeving ligt en niet bij het kind. Cruciaal is dus welk wetenschappelijk vorm van inclusiviteit het vertrekpunt is. Grofweg zijn het er twee.

De eerste neemt het individu als uitgangspunt: is er voldoende individuele ondersteuning voor elk kind of jongere, op basis van zijn of haar diagnoses? De tweede neemt niet het individu maar de context als uitgangspunt: kunnen we de omgeving zo inrichten dat kinderen/jongeren optimaal profiteren van het (voorschoolse) onderwijsaanbod? De keuze voor de ene of de andere vorm heeft veel gevolgen. Kies je voor context-inclusiviteit dan werk je niet met specialisten met kennis over individuen (die momenteel binnen de wereld van onder-

wijs-jeugdhulp de overhand hebben) maar met specialisten met kennis over de context (pedagogen, onderwijskundigen en systeemtherapeuten). Jongeren met ondersteuningsbehoeften krijgen dan geen individueel jeugdhulptraject maar extra aandacht en ondersteuning vanuit de context van de school zelf (en zoals gezegd: niet elke schoolcontext hoeft dezelfde te zijn), aangevuld met ‘gewone’ collectieve activiteiten (sport, cultuur etc.). Dit leidt tot onze eerste drie voorstellen. 1.

Ga bij het nadenken over de verhouding tussen jeugdhulp onderwijs uit van inclusiviteit die de context en niet het individu als uitgangspunt neemt. Dat is een wezenlijk

verschil. Je zet dan niet in op allerlei op het individuele kindgerichte onderwijs-zorgarrangementen, maar op hoe je vanuit de schoolomgevingsinrichting meer inclusief onderwijs kunt bereiken; 2. Neem – om dit te kunnen realiseren – ‘normaliseren’ als uitgangspunt voor de inrichting van zowel onderwijs als jeugdhulp. Normaliseren is het omarmen van variëteit in de zo gewoon mogelijke context waar kinderen en jongeren zijn. Bij duidelijke stoornissen of beperkingen kan toegevoegd individugericht specialisme nodig zijn, maar dat is aanvullend, nooit de basis. Normaliseren gaat uit van een sterke basis met aandacht voor ieders eigenheid. Groepsgerichte interventies hebben daarbij de voorkeur boven individugerichte interventies; 3. Onderwijs als belangrijke ring bij de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen betekent dat er op termijn een afbuiging van individueel jeugdhulpbudget dient plaats te vinden ten gunste van het onderwijs en andere pedagogische contexten (vergelijk ook hoofdpunt 4). Dit is nu nog niet aan de orde, maar is wel het vergezicht waar we naar toe moeten. De voorgenomen extra onderwijs-

25

middelen kunnen overigens helpen om het onderwijs zo in te richten dat daarin minder beroep op individuele jeugdhulp nodig is. 2. Naar een betere staat van het onderwijs Inclusief onderwijs gaat ervan uit dat goed contextgericht onderwijs het beste is dat we kinderen en jongeren kunnen bieden. Niet voor niets is er al meer dan een eeuw een leerplicht (die we wellicht moeten gaan ombuigen naar een ontwikkelrecht met bijbehorende uitstroom-eisen: alle kinderen en jongeren van school met diploma, dan wel deelcertificaten op MBO-niveau of praktijkverklaringen). Tegenover de grote vormende waarde van het onderwijs staat echter dat het onderwijs het al jaren moeilijk heeft: daling van de reken- en taalresultaten, lerarenen personeelstekort, steeds meer kinderen die verzeild raken in (vecht)scheidingssituaties met ingewikkelde ouderbetrokkenheid als gevolg, hoge maatschappelijke verwachtingen. Binnen en buiten onderwijsveld luidt dan ook de noodklok: scholen komen te weinig toe aan hun eerder beschreven kerntaken. De relatie met de toename van jeugdhulp ligt voor de hand. Enerzijds zijn er torenhoge verwachtingen van scholen, anderzijds ontbreekt het hen aan tijd en ruimte om een stevige pedagogische relatie op te bouwen. Daarom is nodig: 4. Verhoging van de bekostiging van scholen.

Dit helpt scholen bij een andere inrichting van de onderwijsleersituatie, met bijvoorbeeld andere groeperingsvormen (kleinere

5.

klassen of meer onderwijskundige begeleiding of financiering van bijzondere onderwijshuisvestingsruimten zoals een time out gelegenheid). De extra bekostiging dient rekening te houden met de sociaaleconomische populatie alsook met de vraag of er sprake is van een hoog- en laagbevolkt gebied (bekostiging op leerlingaantallen is niet afdoende); Versnelde aanpak van het leraren- en personeelstekort. Dit vergt over de gehele linie

een verbetering van de positie en waardering van leraren en hun opleiding, zodat het aantrekkelijk is voor dit vak te kiezen en voortijdig uitval te voorkomen. Hierbij past ook meer pre-instroom scholingsaanbod voor leraren (zonder dat dit leidt tot verminderde instroomvoorwaarden) en een duidelijke inperking van studenten in aanpalende opleidingen (social work, pedagogiek, maatschappelijk werk etc.) t.b.v. PABO/lerarenopleidingen. 3. Naar betere samenwerking tussen onderwijs en gemeente Bovengenoemde randvoorwaarden zijn nodig om de basis op orde te brengen waarin goed onderwijs leidt tot welbevinden van kinderen. Maar er is meer nodig. Uitgaan van een levensloop- en context- benadering betekent dat onderwijs en gemeenten elkaar vanuit ieders eigen verantwoordelijkheid eenvoudig moeten vinden. Aan de ene kant zijn onderwijs en gemeente twee aparte levenskringen, met ieder hun eigen doelen en wettelijke uitgangspunten. Aan de andere kant zijn zowel scholen als gemeenten gericht op een context die jongeren stimuleert tot ontwikkeling en welbevinden. Contact en samenwerking tussen beide is vanuit deze gezamenlijke maatschappelijke opgave essentieel, mede om ondersteuning, welzijn- en jeugdhulpplannen rond bestaanszekerheid af te stemmen (en gezinnen eventueel te wijzen op ondersteuning vanuit andere wettelijke domeinen zoals de Zvw).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11967582/1