CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

lhv bouwadvies bouwstenen 2016

Gemeenteraad 11 februari 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Renovatie en uitbreiding Gelre's End voor AHOED13.803 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

T 2.2.17 Vluchtwegen > terug

Als er vluchtwegen (bouwbesluit: vluchtroutes) worden ingericht dan moet het niet zo zijn dat vluchtwegen worden geblokkeerd doordat ze bijvoorbeeld door een apotheek gaan die andere openingstijden kent. Of dat een vluchtweg via de huisartsenpraktijk verloopt zodat de betreffende deur niet meer afgesloten mag worden overeenkomstig de wettelijke eis.

T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.3.1 Klimaat: maximale temperatuuroverschrijding > terug

Vanuit het oogpunt van energiebesparing en weten regelgeving worden gebouwen steeds beter geïsoleerd en luchtdichter gebouwd. Daardoor neemt de behoefte aan ventilatie en koeling toe doordat ruimten steeds vaker te warm worden. Wij vinden ventilatie heel belangrijk als instrument om het klimaat te kunnen beheersen (zie ook de toelichting op 2.3.2 ventilatie). Daarnaast zijn preventieve maatregelen nodig om de behoefte aan koeling te voorkomen, te vermijden of te verminderen. Denk daarbij aan een massief dak en buitenzonwering.

Temperatuuroverschrijding

De behoefte aan koeling is sterk afhankelijk van het gebouw en de beleving. Als de temperatuur in een ruimte oploopt wordt die doorgaans als onprettiger ervaren dan wanneer die constant maar te warm is. Ook blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat de acceptatie van een te warme ruimte afneemt naarmate dit langduriger het geval is. De wens tot een beheersbaar binnenklimaat door middel van koeling vinden wij geen eis gezien de hoge kosten.

Bovendien komt voor dat gebruiker(s) helemaal geen wens tot koelen hebben. Evenwel kan soms het gebouw er aanleiding toe zijn dat koeling geen ‘luxe’ of ‘wens’ meer is maar noodzakelijk wordt. Bijvoorbeeld als de praktijk is voorzien van veel glas of bestaat uit lichte (niet-massieve) bouwconstructies. Daarom hebben wij eisen gesteld aan de maximale jaarlijkse temperatuuroverschrijding. Daarvoor is ISSO publicatie 74 tot norm gesteld om te toetsen of een praktijk binnen de bandbreedte van jaarlijkse temperatuuroverschrijding blijft. Als dit niet het geval is moeten aanvullende maatregelen worden genomen zoals koeling.

Koeling

Het kan blijken dat koeling noodzakelijk is. Maar het kan ook zijn dat u zelf vindt dat temperatuur­ overschrijdingen in een nieuwe praktijk nihil moeten zijn. Koeling wordt in elk geval steeds vaker toegepast vanuit het oogpunt van comfort. Bovendien zijn er steeds meer koelsystemen beschikbaar zoals: • vloerkoeling; • koeling gecombineerd met het ventilatiesysteem; • koeling gecombineerd met het verwarmingssysteem; • geïntegreerde koeling : één systeem voor verwarmen, koelen en ventileren; • koeling als een afzonderlijk systeem.

24 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

In alle gevallen is de aanwezigheid van balansventilatie een voorwaarde voor goede controle op het binnenklimaat en het voorkomen van energievernietiging. In principe komen alle koelsystemen in aanmerking om ruimten te koelen. Tussen de diverse systemen bestaan grote verschillen ten aanzien van capaciteit (aantal dagen achtereen dat het systeem goed blijft functioneren), energieverbruik, bedieningsgemak, werking en kosten. In elk geval mag gesteld worden dat koeling altijd per ruimte individueel regelbaar moet zijn. Dat maakt een systeem met centrale koeling in de luchtbehandelingskast al bij voorbaat ongewenst omdat het een centraal koelsysteem is wat strijdig is met de eis. Maar het kan bijvoorbeeld wél weer worden aangevuld met decentrale bijsturing zodat het tóch individueel werkzaam is. Daarnaast is het goed om te weten dat bepaalde systemen, zoals vloerkoeling en topkoeling op de luchtbehandelingskast, een inherent beperkte capaciteit hebben. Het is aan te raden om, vanuit het oogpunt van energiebesparing, koeling te combineren met preventieve maatregelen zoals buitenzonwering, een hoge gebouwmassa (steen + beton) en warmtereflecterende dakbedekking.

Vanwege de complexiteit én kosten van koel- en klimaatinstallaties, verschil in capaciteit, kwaliteit, geluidsniveau (!), energieverbruik en het doorgaans hoge investeringsniveau is het belangrijk dat u zich hierover goed laat informeren. Ingeval van twijfel of een complexe installatie raden wij u aan contact op te nemen met de b-LHV.

Preventie

Klimaatbeheersing begint met goede preventie. U kunt dan denken aan: • automatische buitenzonwering of zonwerend glas; • betonnen dak (in plaats van houten dak); • lichte / witte of warmtewerende dakbedekking (in plaats van zwart bitumineus); • dakgrind (in plaats van gekleefde zwart bitumineuze dakbedekking). Veelal wordt ook gebruik gemaakt van folies of binnenzonwering maar die zijn doorgaans niet of in beperkte mate effectief. Vooral als HR (Hoog Rendement) beglazing wordt toegepast is eigenlijk alleen buitenzonwering of zonwerend glas effectief. Waarbij buitenzonwering het meest effectief is.

Hoewel wij die eis niet hebben gesteld kan heel oncomfortabel zijn dat het gebouw gekoeld wordt maar u aan uw bureau in de volle zon werkt. Ook mét een koeling is een goede zonwering van belang vanuit dit oogpunt van comfort als energiebesparing. Als u buitenzonwering toepast is dat doorgaans nodig op de zonbelaste gevels, met de klok mee beschouwd van Zuidoost tot en met West.

T 2.3.2 Ventilatie > terug

Een goede ventilatie is van groot belang om ‘afgewerkte’ lucht, overtollig vocht, CO² en andere verontreinigingen af te voeren. Maar ook om overtollige warmte af te voeren en koelere lucht aan te voeren. Ook is het besmettingsrisico in een slecht geventileerde ruimte groter. Bij ventilatie van verblijfsruimten is er altijd sprake van toevoer van verse lucht en afvoer van verontreinigde lucht. De ventilatie moet zodanig plaatsvinden dat er geen hinder (tocht, geluid) van wordt ondervonden. Naast de ventilatie dient er in de behandelruimte voor de assistentie extra ventilatie aanwezig te zijn om desgewenst versneld verontreinigde binnenlucht te kunnen afvoeren. Dit wordt spuiventilatie genoemd. Omdat in een behandelruimte repetitieve behandelingen mogelijk moeten zijn vindt de LHV dat een te openen raam hier geen uitkomst biedt.

25 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

Vandaar dat wij stellen dat extra moet kunnen worden geventileerd gedurende ten minste 15 minuten na inschakeling. De installatie moet in te schakelen zijn met een schakelaar in de betreffende behandelruimte nabij de behandelbank. De spuiventilatie moet na 15 minuten automatisch, via een tijdschakeling, weer worden uitgeschakeld.

• voor nieuwbouw geldt een wettelijke EPC-eis (Energie Prestatie Coëfficiënt) voor energiezuinigheid. Vaak houdt dit in dat een mechanische balansventilatie met WTW een heel effectieve manier is om eraan te voldoen. • De capaciteit van gevelroosters is voor specifieke ruimten vaak niet voldoende (zoals de wachtruimte).

De LHV stelt geen eisen aan specifieke ventilatie­ systemen. Desondanks geven wij, op basis van praktijkervaring, de voorkeur aan een systeem van mechanische luchttoevoer en luchtafvoer met WTW (warmte terugwinning). Dat heeft te maken met de volgende voordelen ten opzichte van een systeem met ventilatieroosters in de gevel(s): •. comfort: tocht wordt effectief tegengegaan; •. gecontroleerde luchtkwaliteit; •. geen geluidoverlast en overspraak via gevelroosters; •. energiebesparing door behoud van verwarmingsenergie door middel van warmteterugwinning tevens enige terugwinning van koelte;

Om de voornoemde voordelen en aspecten beveelt de LHV een gebalanceerde ventilatie met WTW aan.

Belangrijke aspecten om te vermelden: • in de handboeken van de LHV wordt de mechanische balansventilatie met WTW beschouwd als basisopleveringsniveau. Als zodanig is het ook opgenomen in de kostenkengetallen en voorbeeldbegrotingen;

Ventilatie moet permanent werkzaam zijn tijdens het gebruik van een ruimte. Het is momenteel wettelijk toegestaan om de ventilatiecapaciteit te beperken. Zo wordt bijvoorbeeld weleens voorgesteld, omwille van energiebesparing, de ventilatiecapaciteit op basis van tijdssturing of CO2 te verlagen. Dit achten wij voor medische ruimten ongewenst aangezien daarmee het basisprincipe van goede ventilatie wordt ondermijnd. Specifiek voor huisartspraktijken geldt dat tijdens spreekuren meerdere patiënten worden gezien die allemaal hun eigen geur meebrengen. Ook onderzoeken en behandelingen leiden tot geuroverlast. Uit de bouwpraktijk weten we dat permanente ventilatie tijdens het gebruik van de medische ruimten uitstekend werkt op basis van in de tabel gehanteerde waarden voor de capaciteit.

In afwijking van de minimale eisen zoals die golden tot 2013 heeft de LHV de eisen aangepast analoog aan de nieuwe eisen van het bouwbesluit 2012. Het bouwbesluit 2012 hanteert eisen op basis van maximale aantallen aanwezige personen per ruimte. De hier vermelde eisen zijn gebaseerd op de ons uit de praktijk bekende aantallen. Voor behandelruimten voor wachtruimten en assistentie zijn de eisen in het nieuwe bouwbesluit echter verlaagd ten opzichte van het vorige. Aangezien de ‘oude’ eisen prima functioneerden en aansloten bij de praktijk heeft de LHV die eisen, in aangepaste vorm, als minimum gesteld. Voor overige ruimten zijn de eisen uit het bouwbesluit 2012 van toepassing op basis van de vermelde minimum aantallen personen. Voor zover die aantallen in de praktijk afwijken van de werkelijkheid moet u de hoogste waarde aanhouden. Een lagere waarde ten opzichte van LHV-eisen ontraden wij gezien de hiervoor vermelde noodzaak van een goede ventilatie.

26 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

T 2.3.3 Verwarming > terug

Voor verwarming is relevant dat de ontwerpeisen in de gezondheidszorg afwijken van bijvoorbeeld woningen of kantoren. Voor patiënten die zich ’s ochtends moeten ontkleden op het spreekuur of voor een behandeling is het ook bij de winterdag prettig dat de praktijk verwarmd is. Om daaraan tegemoet te komen hanteert de LHV twee graden hogere ontwerptemperaturen voor medische ruimten ten opzichte van het gebruikelijke niveau. De toepassing van vloerverwarming als hoofd­ verwarming raden wij, op basis van de ervaring, tot op heden af. Dat heeft te maken met problemen ten aanzien van de trage werking, de moeilijke (in)regelbaarheid en, afhankelijk van de wijze van uitvoering, nadelige effecten op de lucht- en contactgeluidsisolatie.

T 2.3.4 Water > terug

In medische ruimten moet de mogelijkheid bestaan om handen te wassen. In het ontwerp van het warmwatersysteem dient het voorkómen van legionellavorming het uitgangspunt te zijn.

Aangezien een huisartsenpraktijk of gezondheids­ centrum geen “instelling” is conform de Wet bent u niet verplicht de installatie periodiek te laten onderzoeken. Dat is echter wél raadzaam wanneer er reële risico’s bestaan op stilstaand water en legionellavorming. Met name tappunten die weinig wordt gebruikt en douches. Optimale groeiomstandigheid voor de bacterie (Legionella pneumophila) is stilstaand water met een temperatuur tussen 25 en 60 °C (optimaal is 37 °C). Als het water niet door het hele watersysteem kan stromen, is het mogelijk dat het water langdurig blijft stilstaan in ‘dode’ hoeken. De bacterie krijgt zo de kans zich te vermeerderen.

T 2.3.6 Sanitair > terug

Kranen zijn een potentiële besmettingshaard. Om kranen hygiënisch te kunnen gebruiken vindt de LHV dat deze met een verlengde hendel of sensor moeten zijn uitgevoerd. De toepassing van een zogenaamde ‘ziekenhuisbediening’ komt in de huisartsenpraktijk weinig voor maar is uiteraard een ook een mogelijkheid. De reden dat de LHV hangende toiletten eist is gedaan om redenen van hygiëne. Het schoonmaken van vloeren in toiletruimten is hygiënischer uit te voeren met een hangend toilet.

T 2.3.7 Lift > terug

Als patiënten gebruik moeten maken van een lift zijn zaken als beleving en capaciteit aan de orde. Het liftenbesluit onderscheidt twee typen liften: een reguliere ‘lift’ en een ‘liftmachine’ (‘platformlift’). Daarbij is een lift de meest gangbare vorm waarbij een kooi met kabels in een liftschacht hangt. Een platformlift is een hydraulische lift waarbij een platform langs een spindel omhoog en omlaag beweegt. Een reguliere lift is voor alle situaties de beste oplossing en wordt door het bouwbesluit voor een aantal gebouwen en omstandigheden verplicht gesteld. In situaties waarin een lift niet verplicht hoeft te worden toegepast kan worden volstaan met een platformlift. Daarbij is de beleving relevant, de capaciteit én de bediening. Platformliften worden vooral toegepast in situaties waar geen ruimte is om een liftput (een ruimte onder de laagste vloer van ca. 1,4m diep) te maken. In nieuwbouwsituaties bestaat de mogelijkheid om meteen een liftput te bouwen zodat daarvoor geen beperking in keuze bestaat. In principe bestaan platformliften uit en bewegend platform in de schacht. Om letsel te voorkomen moet een gebruiker van het platform steeds een knop ingedrukt houden gedurende de tijd dat het platform onderweg is. Dat kan een redelijke tijd zijn.

27 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

Niet elke patiënt, bijvoorbeeld een patiënt met lagere spierspanning of een arm in de mitella, kan dit. Ook mensen met claustrofobie of psychische klachten vinden een dergelijke lift onprettig omdat het een weinig voorkomend lifttype betreft waarbij de wanden in de beleving van de gebruiker ‘bewegen’. Om die redenen vinden wij een platformlift met liftkooi een minimale vereiste. Op die manier wordt het onderscheid ten opzichte van een ‘lift’ voor de patiënt weggenomen aangezien de lift dezelfde verschijningsvorm heeft. Om de liftkooi van de platformlift te kunnen betreden zijn elektrisch te openen deuren nodig aangezien niet alle patiënten over de kracht beschikken dat zelf te doen. Een platformlift mag maximaal 0,2 m/s afleggen en is daarmee veel trager dan een reguliere lift die snelheden kent vanaf 1,0 m/s. Dat betekent dat er per beweging minder patiënten vervoerd kunnen worden en de capaciteit veel lager is dan die van een reguliere lift. Zondermeer kan gesteld worden dat een platformlift alleen toegepast moet worden in situaties waarbij één bouwlaag wordt overbrugd. Als het te overbruggen hoogteverschil groter is neemt de capaciteit zodanig af dat een dergelijke situatie om een reguliere lift vraagt.

Voor zowel een lift als platformlift vindt de LHV dat die de afmetingen moeten hebben voor brancardliften. Dat maakt mogelijk dat brancards met de lift kunnen worden vervoerd maar vergroot ook de capaciteit van een platformlift zodanig dat voorkomen wordt dat mensen te lang moeten wachten tot ze aan de beurt zijn.

T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.4.1 Gebouwvoedingen & nutsaansluitingen > terug

Hoewel het bouwbesluit eisen stelt aan gebouwen is het wellicht overbodig te vermelden dat de praktijk moet zijn voorzien van allerlei nuts- en overige aansluitingen. Aangezien dit niet klip-en-klaar in het bouw­besluit gesteld is en bovendien geen eisen zijn gesteld aan bijvoorbeeld telefoon- en data-aansluitingen leek het ons goed die als eis te vermelden. Temeer omdat ook draadloze oplossingen steeds meer in zwang raken die voor betrouwbare informatie-uitwisseling voor praktijken ongeschikt zijn.

T 2.4.2 Schakelmateriaal en kanalisatie > terug

Het bouwbesluit stelt middels de NEN 1010 eisen aan hoe elektrotechnische installaties moeten worden aan­ gelegd. Maar niet aan wát er moet worden aangelegd. Voor de aanleg van elektrotechniek vinden wij dat een aantal extra eisen moet worden gesteld die, op zichzelf, voor de hand liggen. Zo vinden wij dat bereikbare stopcontacten geïntegreerd kindveilig moeten zijn zodat kinderen geen voorwerpen in het stopcontact kunnen steken. Verder moet een meterkast niet in publieke ruimten zijn gesitueerd. Maar minstens zo belangrijk is dat niet iedereen daar zomaar bij kan. Ingeval onderhoud nodig is, is prettig te weten dat bijvoorbeeld een assistente weet dat er iemand bij de meterkast wil en wat die daar gaat uitvoeren. Dat is noodzakelijk om te voorkomen dat de stroom uitvalt tijdens een behandeling. Bijvoorbeeld als een monteur zelfstandig de meter­ kast kan bereiken, openen en voor zijn werkzaam­ heden ‘even de stroom afschakelt‘.

28 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

Hoewel het de verantwoordelijkheid is van de uitvoe­ rende partijen verdient het aandacht dat apparaten met een groot vermogen elk in een afzonderlijke groep (zekering in de meterkast) zijn ondergebracht. Gangbare apparaten met een groot vermogen, zoals vaatwassers en magnetrons, worden waarschijnlijk niet vergeten. Maar denk ook aan de autoclaaf!

T 2.4.3 Intercom

> terug

Vanwege de toepassing van geluidsisolatie in de praktijk zal een deurbel niet voorkomen dat bij een geslo­ten deur de werkers horen dat er iemand aan­ belt. Een digitale deur­intercom biedt dan uitkomst. Die maakt mogelijk dat op geprogram­meerde toe­ stel­len het signaal van de buitendeur wordt door­ ge­ge­ven. Ook kan bij een gesloten praktijk (via een instelling op de telefoon­centrale) een spoed­nummer worden vermeld of een verwijzing. Uiteraard moet uw centrale dan wél over die functionaliteit(en) beschikken.

T 2.4.4 Verlichting > terug

Een goede verlichting is om verschillende redenen noodzakelijk. In de eerste plaats voor een prettig werkklimaat. Maar daarnaast óók om in medische ruimten patiënten goed te kunnen zien. Bijvoorbeeld als iemand komt met maagklachten maar tegelijkertijd verkleuring van de huid heeft. Ook voor de zichtbaar­ heid voor slechtziende bezoekers is een goede ver­lichting essentieel. Daarom hebben wij op basis van metingen eisen vastgesteld waarvan wij menen dat die een minimale waarde hebben voor de voor­ noemde situaties. Een berekening conform de norm is overigens niet hetzelfde als een goede sfeer. Het verdient aanbeveling vooraf advies te vragen en een verlichtings­plan met lichtopbrengstberekeningen te laten maken. In 2013 is de eis voor verlichting van werkplekken verhoogd naar 400 naar 500 lux om de LHV-eis in overeenstemming te brengen met de Arbo-eisen. De eis van 800 lux boven de onderzoeks- of behandel­ bank kan storend zijn voor het gebruik van de ruimte buiten specifieke onderzoeken of behandelingen om. Bijvoorbeeld in een artsen­kamer met verschil in licht­intensiteit tussen het spreekgedeelte (500 lux) en onderzoeks­gedeelte (800 lux). Oplossingen daarvoor kunnen zijn het afzonderlijk schakelen van de verlichting in het spreek- en onderzoeks­gedeelte.

Een fraaie oplossing is ook het dimbaar maken van de verlichting in de onderzoekshoek. In universele behandel­ruimten en de behandelkamer voor de assistentie zijn dit eveneens goede oplossingen door het bijschakelen van een armatuur (voor omschakeling van 500 naar 800 lux) of het dimmen van de verlichting. Om energie te besparen wordt tegenwoordig verlichting vaak geschakeld met bewegingssensoren. Dit vinden wij voor medische gebruikte ruimten onwen­ selijk aangezien het licht dan onaan­gekondigd kan uitgaan tijdens de behandeling of onderzoek. Het is immers denkbaar dat de behandelaar of patiënt schrikt wat onbedoeld letsel kan veroorzaken. Maar het is ook onprettig in bijvoorbeeld een ruimte waar de patiënt even alleen ligt. Of een wachtruimte. Weliswaar zijn oplossingen voorhanden zoals het langer aanblijven na inschakeling door de sensor of verlichting met afstands­ bediening. Die hebben echter alle beperkingen. Als de verlichting langer aan moet blijven is bijvoorbeeld de energiebesparing al snel teniet gedaan. En als de afstandsbediening zoekraakt of de batterijen leeg zijn moet ter plekke een oplossing worden bedacht of gezocht. Verder is onprettig dat bij een bezoek aan de praktijk het licht uit is in entree, bij de balie en wachtruimte omdat er enige tijd geen beweging meer is waargenomen. Licht dat eenmaal is uitgeschakeld moet bij inschakeling eerst weer ‘opwarmen’.

29 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

Wij vinden dit allemaal voorbij gaan aan de essentie dat verlichting zondermeer beschikbaar is waar en wanneer dat nodig is. Als het gaat om energiebesparing bestaan er andere mogelijkheden. Bijvoorbeeld een veegschakeling waarmee alle nog brandende verlichting bij vertrek met één druk op de knop wordt uitgeschakeld. Of waarbij verlichting met het inschakelen van de inbraakinstallatie centraal wordt uitgeschakeld. In sanitaire en secundaire ruimten als in toiletten, werkkast, technische ruimte, bergingen en dergelijke is een bewegingssensor wel degelijk een goede oplossing om te voorkomen dat het licht blijft branden maar ook om te voorkomen dat mensen in het duister naar de lichtknop zoeken. Verlichting maakt in het totale energieverbruik een substantieel deel uit. Als u energie wilt besparen kunt u denken aan LED-verlichting die steeds betaalbaarder wordt . U moet zich dan tevoren goed op de hoogte laten stellen van de kosten en baten maar ook van zaken als lichtkleur, geschiktheid, kwaliteit en levensduur. Om ingeval van stroomuitval behandelingen te kunnen afronden of schrikeffecten te voorkomen vinden wij dat in de behandelkamer van de assistentie noodverlichting boven de bank aanwezig moet zijn. Temeer daar dergelijke ruimten nogal eens inpandig

zijn gelegen en het er volledig duister is als het licht uitvalt. Door noodverlichting kan een ingreep worden afgerond en zijn behandelaar en patiënt in staat de ruimte veilig te verlaten.

T 2.4.5 Medische aarding > terug

De bouwbesluitnorm NEN 1010 stelt eisen aan medische aarding ingeval met apparatuur op patiënten wordt gewerkt, zoals een coagulator, echo- of ECG-apparaat. Door het ISSO is daarnaar, in samen­werking met de LHV, onderzoek verricht. ISSO publicatie 84 geeft uitgebreide achter­grond­ informatie. Uit die publicatie blijkt dat vrijwel in alle omstandig­heden kan worden volstaan met aardings­ klasse 1 voor de meest voorkomende handelingen die in huisartsenpraktijken worden verricht. Als er medische aarding wordt aangelegd is uiteraard ook van belang dat wordt aangetoond dat die werkt. Het principe van medische aarding is dat wanneer het apparaat defect raakt er geen lekstroom naar de patiënt ontstaat. Daarvoor zijn in de elektrotechnische installatie extra veiligheden ingebouwd. U bent als behandelaar verantwoordelijk én aansprakelijk te stellen voor de veiligheid van de patiënt (toelichting: zie bijlage Medische aarding) en moet daarom, in samenspraak met bijvoorbeeld de elektricien en leverancier van een apparaat, nagaan of en zo ja welke aardingsklasse van toepassing is.

T 2.4.6 Anti-inbraakinstallatie > terug

Om persoonsgegevens te beveiligen vindt de LHV dat de praktijk door middel van een inbraakinstallatie is beveiligd zodat bij inbraak snel een bewaker ter plaatse is.

T 2.4.7 Distributie, bekabeling > terug

Telefonie en data worden doorgaans over hetzelfde netwerk gedistribueerd. Op basis van de ervaring blijkt dat een datakabel van het type CAT. 5e volstaat. Uiteraard kan, met het oog op ontwikkelingen in de toekomst zoals e-consult, een zwaardere kabel worden gekozen. Verder vindt de LHV draadloze oplossingen voor de distributie van data ongewenst vanwege de veiligheid van de privacygevoelige data én de betrouwbaarheid van de verbinding.

T 2.4.8 Brandinstallatie > terug

Een ontruimingsinstallatie wordt in het bouwbesluit verplicht gesteld afhankelijk van een aantal voorwaarden zoals de grootte van het gebouw of het aantal aanwezige personen. Voor zover een dergelijke installatie verplicht is, is van groot belang dat u die installatie vanuit de praktijk altijd zelf kunt ‘resetten’ of nagaan waar de storing zich voordoet. Bijvoorbeeld als bij de ‘buren’ het alarm afgaat maar zij op dat moment gesloten zijn.

30 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie T 2.5.1 t/m 2.5.4 interne en externe luchtgeluids- en contactgeluidsisolatie > terug

Het Bouwbesluit stelt geen eisen aan de geluidsisolatie van huisartsenpraktijken ten opzichte van aangren­ zen­de gebruikers (buren) of aan interne isolatie tussen ruimten. Daarnaast worden slechts beperkt eisen gesteld aan geluids­isolatie van ruimten ten opzichte van buiten. Het NHG stelt als accreditatie-eis dat er aandacht moet zijn voor de privacy van de patiënt. Door toepassing van de LHV-eisen zoals hier opge­ nomen, wordt daaraan voldaan. De LHV-eisen hebben zowel betrekking op interne als externe contact­geluids­ isolatie (loopgeluiden op vloeren) en lucht­geluids­ isolatie. NB: wij stellen ook eisen aan de geluids­isolatie met andere gebruikers of disciplines, bijvoor­beeld van de huisartsenpraktijk naar de apotheek. Uiteraard gelden deze eisen niet in geval van onderver­huurde ruimten die als zodanig onderdeel uitmaken van de praktijkruimte. Temeer omdat bij onder­verhuur of deelgebruik binnen de context van de praktijk of in het onder­verhuur­contract afspraken zijn te maken over eventuele hinder van elkaar. Dat is met disciplines of derden buiten de eigen praktijk lastiger of zelfs onmogelijk. De ruimten zullen zodanig moeten worden voorzien van wanden, deuren, kierdichting en begla­ zing dat de ruimten voldoen aan de gestelde eisen.

Waarschuwing: • de zwaarste eis (47dB(A)) is niet met schuifdeuren r ealiseerbaar; • Geluidseisen zijn exponentieel. Heel grof vertaald betekent elke 3 dB verlaging een halvering van de eis. • De eisen moeten worden gezien in samenhang. Het wijzigen van een eis heeft consequenties voor het kunnen voldoen aan andere eisen.

T 2.5.5 Installatiegeluid > terug

T 2.5.3 Interne contactgeluidsisolatie > terug

T 2.5.6 Akoestiek > terug

Deze prestatie-eis wordt bepaald met een zgn. hamer­ machine waarmee de vloer wordt aangestoten. Het geluids­niveau in de andere ruimtes mag dan het ver­ eiste geluidsniveau niet te boven gaan. In de praktijk is deze meetmethode echter moeilijk uitvoer­baar indien zich een deur bevindt tussen de twee ruimtes. Daarom doen we hier een praktische aanbeveling. Problemen doen zich vooral voor bij zwevende dekvloeren. Deze worden bijv. toegepast bij vloer­ verwarming, renovaties of ter verbetering van de geluids­isolatie naar evt. onderliggende ruimtes. Deze zwevende vloeren zijn vaak licht van gewicht en geven loopgeluiden makkelijk door. Daarom dienen zwevende dekvloeren een oppervlaktegewicht te hebben van min. 230 kg per m2 of, indien dat niet mogelijk is, moeten de vloervelden bij scheidingswanden onderbroken worden.

Door toepassing van deze eis wordt voorkomen dat hinder ontstaat door bijvoorbeeld spoelreservoirs van inbouwtoiletten, boven het (systeem)plafond versleepte rioleringen van bovengelegen functies en schachten naar andere bouwlagen. Met ingang van deze publicatie is de eis van de LHV verruimd van 25 dB(A) naar 30 dB(A).

Voor een praktisch advies om aan de eis voor nagalm te voldoen verwijzen wij naar toelichting T.2.2.13.

T 2.5.7 Geluid van buiten > terug

Het Bouwbesluit stelt lage minimale eisen aan de geluidswering van gevels. Par. 2.5.8 voorziet al in situaties met extreme belasting, zoals gevels grenzend aan een spoorweg, drukke verkeersweg of industrie. Maar ook als een medische ruimte grenst aan een sportveld, speelplaats, trottoir of rustige openbare weg bestaat het risico dat geluid van buiten teveel doordringt in op zichzelf stille ruimten. Of omgekeerd, dat geluid van binnen doordringt naar buiten. Om die reden vinden wij dat een gevel een minimale geluidsisolatie moet hebben hoger dan het Bouwbesluit stelt. Deze eis geldt in samenhang met par. 2.5.8.

31 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

3 Toelichting op de minimale eisen

Naar inhoudsopgave

T1

Inleiding

T2

Minimale eisen

T 2.1 De omgeving van de praktijk T 2.2 Bouwkundige eisen T 2.3 Eisen aan werktuigbouwkundige installaties T 2.4 Eisen aan elektrotechnische installaties T 2.5 Eisen aan geluidsisolatie

T 2.5.8 Industrie-, weg- of spoorweglawaai > terug Het Bouwbesluit stelt lage eisen aan de geluidsisolatie van ‘uitwendige scheidingsconstructies’, zoals daken en gevels, van gezondheidszorgfuncties. Wij vinden deze eisen te laag voor medische ruimten in de huisartsenpraktijk. Vandaar dat we uitgaan van een hogere eis als er sprake is van geluidshinder van buiten ten gevolge van bijvoorbeeld wegverkeer, spoorverkeer en industrie. Met toepassing van de eis kan de geluidswering van de gevel worden bepaald. Deze eis geldt in samenhang met de eis uit par. 2.5.7 Voorbeeld: als de geluidsbelasting op de gevel 65 dB bedraagt, moet de geluidswering van de gevel 65 – 28 dB = 37 dB bedragen. Voor verblijfsruimten die geen medische ruimte zijn, geldt artikel 3.3 lid 1 van het Bouwbesluit.

Uitgave:

Landelijke Huisartsen Vereniging Bouwadviesgroep-LHV Utrecht, 2015

Adres:

Landelijke Huisartsen Vereniging Postbus 20056 3502 LB Utrecht T 030-2823746 E bouwadvies@lhv.nl W www.lhv.nl/bouwadvies

Aansprakelijkheid:

De bouwadviesgroep-LHV en degenen die aan de samenstelling van deze publicatie hebben medegewerkt, hebben een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht bij zowel het verzamelen als het verwerken en opstellen van de in deze publicatie vervatte gegevens. Nochtans kan niet worden uitgesloten dat deze publicatie onvolledig is of dat hij onjuistheden of onvolkomenheden bevat. Degene die van deze publicatie en de daarin vermelde gegevens gebruik maakt, aanvaardt dan ook daarvoor zelf het risico. De bouwadviesgroep-LHV en degenen die aan de samenstelling van deze publicatie hebben medegewerkt sluiten iedere aansprakelijkheid uit voor zowel schade die mocht voortvloeien uit het gebruik van deze gegevens als schade die zou kunnen ontstaan als gevolg van de onvolledigheden, onjuistheden of onvolkomenheden van deze publicatie.

32 Bouwstenen 2016 (LHV-norm) - Minimale technische eisen (ver)bouw huisartsenpraktijken

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9618823/1