Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt Toelichting
Tekst van het document
Eén van de provinciale doelstellingen bij de woonagenda is het energieneutraal en klimaatbestendig maken van nieuwe (en bestaande woningen). Het plan draagt bij aan deze provinciale doelstelling. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.2.
Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Omgevingsverordening Gelderland.
Gemeente Maasdriel
34
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie en plan-MER gemeente Maasdriel, 2011
Toetsingskader Op 20 oktober 2011 is de 'Structuurvisie en plan-MER gemeente Maasdriel' door de gemeenteraad van de gemeente Maasdriel vastgesteld. Deze structuurvisie is de actualisering van de 'StructuurvisiePlus Maasdriel 2004-2014' en is tevens de ruimtelijke vertaling van de 'Visie Maasdriel 2020+' uit 2008. De structuurvisie geeft duidelijkheid over de plannen en beleidsstukken, die voor de gemeente Maasdriel van belang zijn. Het ruimtelijk beleid is uiteindelijk vertaald in tientallen projecten, waaronder woningbouw (in alle segmenten en prijscategorieën), de ontwikkeling van bedrijventerreinen en concentratiegebieden voor glastuinbouw en paddenstoelenteelt. Daarnaast speelt er ook een aantal ontwikkelingen met betrekking tot recreatieve initiatieven, landschap- en natuurontwikkeling.
Beoordeling Het onderhavige plangebied is op de kaart 'Ruimtelijk casco' aangeduid als 'afweegbaar gebied voor dorpsuitbreiding'. Daarnaast is Kerkdriel Noord op het kaartbeeld 'Projectenplan' aangemerkt als een uitvoeringsproject voor de bouw van meer dan 51 woningen. De gemeente Maasdriel geeft in de structuurvisie aan dat ze zich wil profileren als een woon- en werkgemeente waarbij gedifferentieerde woonmilieus worden gekoppeld aan kleine kernen. Het behoud van de eigen identiteit en kwaliteit is daarbij van belang. De gemeente wil een actief huisvestingsbeleid voeren om jongeren en jonge ondernemende huishoudens aan de gemeente te binden. Om aan de benodigde woningen te kunnen voldoen zijn in de structuurvisie gebieden aangeduid als 'afweegbaar gebied voor dorpsuitbreiding'. Dergelijke gebieden kunnen worden getransformeerd van onbebouwd naar bebouwd gebied. Het zijn gebieden die grenzen aan de reeds bestaande bebouwingsgrens en waar niet of nauwelijks duurzame waarden in de ondergrond voorkomen. Het zwaartepunt van de uitbreiding ligt in de kernen Velddriel, Kerkdriel, Hedel en Ammerzoden.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
35
Uitsnede kaartbeeld 'ruimtelijk casco' uit de structuurvisie. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode ster, gelegen binnen 'afweegbaar gebied dorpsuitbreiding'.
Uitsnede kaartbeeld 'projectplan' uit de structuurvisie met het plangebied aangeduid met een rode contour liggend in een gebied aangemerkt als een uitvoeringsproject voor de bouw van meer dan 51 woningen.
In de structuurvisie wordt een aantal voorwaarden gesteld ten aanzien van ruimtelijke plannen binnen gebieden die als afweegbaar gebied voor dorpsuitbreiding zijn aangewezen: De ruimtelijke plannen moeten aansluiten bij de bestaande ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur van de kern of van een dusdanige omvang zijn dat ze min of meer op zichzelf kunnen staan; Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen; Bij de inrichting van het plan dient rekening te worden gehouden met de kwaliteiten en structuren in het gebied en de omgeving. De woningdichtheid zal variëren tussen circa 20 woningen/ha en circa 30 woningen/ha; De natuurlijke ondergrond en de historisch gegroeide structuur van Maasdriel moeten worden meegenomen bij de planvorming. Het is wenselijk dat in uitleggebieden een 'ommetje' kan worden gelopen. In de structuurvisie heeft de gemeente Maasdriel het project Kerkdriel Noord specifiek benoemd als een uitvoeringsproject ten aanzien van het aspect wonen. De opgenomen aantallen zijn inmiddels niet meer actueel. Hiervoor wordt verwezen naar het gemeentelijk woningbouwprogramma in paragraaf 3.2.3. Uit hoofdstuk 2 blijkt dat het plan aansluit bij de bestaande stedenbouwkundige structuur. Ook is rekening gehouden met de woningdichtheid. Dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik is gemotiveerd in paragraaf 3.2.3.
Tot slot blijkt uit hoofdstuk 4 dat wordt met de binnen het plangebied en in de nabije omgeving aanwezige omgevingskwaliteiten, natuurlijke ondergrond en (cultuur)historische elementen rekening wordt gehouden.
Conclusie Het onderhavige plan past binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.
Gemeente Maasdriel
36
3.4.2
Duurzaamheidsprogramma 2017-2020
Toetsingskader In het coalitieakkoord staan de ambities van Maasdriel op het gebied van duurzaamheid op hoofdlijnen aangegeven. De ambities zijn nader uitgewerkt in het 'Duurzaamheidsprogramma 2017-2020, dat in juli 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het programma beschrijft de plannen en wensen van het gemeentebestuur. In het programma zijn activiteiten en projecten geformuleerd, waarbij is aangegeven welke capaciteit en financiële middelen nodig zijn om deze uit te voeren in de komende jaren. De notitie geeft een concrete aanpak voor de belangrijkste duurzaamheidsthema’s op het gebied van klimaat en energie in gemeente Maasdriel, namelijk; het bevorderen van de opwekking van hernieuwbare energie; het verduurzamen van de woningvoorraad; duurzaam ondernemen; anderen stimuleren; het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie.
Beoordeling In dit duurzaamheidsprogramma zijn verschillende maatregelen opgenomen voor de periode 2017-2020. Deze korte termijn maatregelen dragen bij aan de ambities in het bestuursakkoord en maken de weg vrij voor meer maatregelen en meer regionale / intergemeentelijke samenwerking en dragen daarmee uiteindelijk bij aan de lange termijn visie: een duurzamere gemeente, die voldoet aan de wettelijke regelgeving op het terrein van duurzaamheid, waarin het prettig wonen, werken en recreëren is, nú en in de toekomst. De gemeente doet wat ze zelf kan en heeft daarbij een voorbeeldfunctie. Maasdriel is voor duurzaamheid. Met de ontwikkeling in onderhavig plangebied wordt een verdere stap gezet naar deze wens. Hieronder de voornaamste duurzame uitgangspunten: De wijk is zodanig opgezet dat de woningen een goede ligging hebben voor het gebruik maken van zonne-energie. Dit is een goed uitgangspunt om de woningen zo veel mogelijk energieneutraal te realiseren; De inrichting van het openbaar gebied gebeurt zoveel mogelijk met gerecyclede duurzame materialen.
De groene inrichting van het gebied is zo natuurlijk mogelijk, duurzaam en onderhoudsarm uitgewerkt waarbij de landschappelijke kenmerken in het terrein zo veel mogelijk houden blijven; Een andere belangrijke keuze is dat de wijk gasloos wordt en de toekomstige bewoners hierdoor reeds aangewezen zijn op het goed isoleren van de woning en het opwekken van duurzame energie uit zonnepanelen of zonneboiler; Het hemelwater van de percelen en woningen zal in het gebied zelf opgevangen worden en zoveel mogelijk in het gebied infiltreren. Daarbij is sprake van een overschot aan waterbergende voorzieningen; Het hemelwater van de percelen wordt oppervlakkig aangeboden. Het hemelwater wordt binnen het plangebied vervolgens ook overwegend oppervlakkig afgevoerd richting de waterbergingsvoorzieningen; Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). BENG vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD (Energy Performance of Buildings Directive).
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
37
Conclusie Het aspect duurzaamheid is in onderhavig bestemmingsplan gewaarborgd.
Gemeente Maasdriel
38
Hoofdstuk 4
4.1
Milieuhygiënische aspecten
Algemeen
Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als (separate) bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuurgebieden; flora & fauna; akoestiek wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuhinder; geurhinder en veehouderij; externe veiligheid; niet gesprongen explosieven; kabels en leidingen; luchtkwaliteit; besluit m.e.r.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
39
Beoordeling In het kader van het voorgaande bestemmingsplan “Kerkdriel Noord” heeft reeds voor enkele delen van het plangebied een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Het gaat om een aantal onderzoeken die in de jaren 2007 tot en met 2009 zijn uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn inmiddels niet meer voldoende actueel. Daarom zijn door Koenders en Partners adviseurs en procesmanagers bv twee actualiserende onderzoeken uitgevoerd; één onderzoek ten aanzien van het westelijke deel van de gehele woningbouwlocatie Kerkdriel Noord en één onderzoek ten aanzien van het noordelijke en oostelijke deel van de woningbouwlocatie. De resultaten van dit laatste onderzoek zijn als Bijlage 4 toegevoegd.
De analyseresultaten laten voor wat betreft het plangebied van de Paddenstoelenbuurt het volgende zien: A1: kadastrale percelen 212 + 1407, 2.33 ha In de onderzochte bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond met de onderzochte parameters. A2: kadastrale perceel 3234, 912 m² In de onderzochte bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond met de onderzochte parameters. A3: kadastraal perceel 1527, circa 5.000 m² In de toplaag (0,0-0,25 m-mv) zijn plaatselijk lichte verontreinigingen aangetoond met enkele organochloorbestrijdingsmiddelen (DDD, DDE, alpha-endosulfansom, alpha-HCH, beta-HCH). In de bovengrond zijn geen verontreinigingen met de klassieke chemische bodemparameters uit het standaardpakket grond. B1: kadastraal perceel 1523 (5.673 m², niet eerder onderzocht) In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond met de onderzochte parameters. In de ondergrond is plaatselijk een lichte verontreiniging met nikkel aangetoond. B2: kadastrale percelen 1409/1410/1411/216 (3.500 m²) In de bovengrond zijn plaatselijk maximaal lichte verontreinigingen aangetoond met cadmium, zink, PAK en PCB. B8: kadastrale percelen 3241/3237/3239 (3.600 m²) In de toplaag (0,0-0,25 m-mv) zijn plaatselijk lichte verontreinigingen aangetoond met enkele organochloorbestrijdingsmiddelen (alpha-HCH, beta-HCH en gamma-HCH).
In de bovengrond zijn geen verontreinigingen met de klassieke chemische bodemparameters uit het standaardpakket grond aangetoond. B9: kadastraal perceel 3293 (12.600 m²) In de toplaag (0,0-0,25 m-mv) zijn plaatselijk lichte verontreinigingen aangetoond met enkele bestrijdingsmiddelen (som DDD, som DDE, som DDT, som aldrin/dieldrin/ endrin). In de bovengrond is plaatselijk tevens een lichte verontreiniging met PCB aangetoond. In de bovengrond onder de asfaltverharding zijn geen verontreinigingen met de klassieke chemische bodemparameters uit het standaardpakket grond aangetoond. In het onderzochte mengmonster van het asfalt is minder dan 75 mg/kg aan PAK aangetoond. Deze asfaltverharding wordt derhalve als niet teerhoudend beschouwd.
Gemeente Maasdriel
40
B10: kadastrale percelen 2349+2350 (7.500 m²) In de toplaag (0,0-0,25 m-mv) zijn plaatselijk lichte verontreinigingen aangetoond met enkele bestrijdingsmiddelen (heptachloorepoxide, som chloordaan). In de bovengrond is plaatselijk tevens een lichte verontreiniging met kobalt en zink aangetoond.
Overzichtstekening onderzoekslocatie bodemonderzoek oostzijde Kerkdriel Noord.
In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond met enkele zware metalen en lokaal met Naftaleen. De overige geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden en/of detectielimiet. In slechts één van de mengmonsters van de bovengrond is een minimaal gehalte aan asbest aangetroffen, ruim beneden het toegestane gehalte van 100 mg/kg. Langs de watergangen zijn geen verdachte plekken aangetroffen en geen asbestverdachte materialen en beschoeiingen waargenomen. Ter plaatse van de binnen het plangebied gelegen vakken 03 en 04 zijn in het slib enkele, maximaal matige, verontreinigingen aangetoond. In de onderliggende steekvaste waterbodem zijn geen significante verontreinigingen aangetoond. Het slib uit de watergangen die gedempt of verbreed worden mag niet op de voor woningbouw bestemde percelen worden verspreid.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
41
Uit het uitgevoerde bodemonderzoek volgt dat er geen verontreinigingen zijn aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek en/of het treffen van saneringsmaatregelen. Wel zijn er in het gebied enkele sterke verontreinigingen bekend waarvoor een saneringsnoodzaak van toepassing is. Het betreft: 1. een gedempte sloot tussen de percelen N 2349 en N 3293, verontreinigd geraakt als gevolg van bluswater van een brand, met Koper en Zink; 2. een brandspot met asbest- en metalenverontreiniging op perceel N 2349; 3. een asbestverontreiniging die in 2014 is ontdekt bij graafwerkzaamheden op het perceel N 3293. Deze verontreinigingen zijn in 2016 gesaneerd. Hierbij is alle asbest verwijderd en de verontreinigingen met Koper en Zink tot aan klasse Wonen ontgraven. Verontreinigingsgevallen 1 en 2 zijn nieuwe gevallen (ontstaan na 1987) en zijn onder bevoegdheid van de ODR afgehandeld. Het evaluatieverslag van deze saneringen is door de ODR beoordeeld en naar aanleiding daarvan aangepast. Verontreinigingsgeval 3 is een oud geval (ontstaan vóór 1987). Voor de sanering hiervan is een BUS-melding ingediend bij de provincie. Het BUS-evaluatieformulier is namens de provincie door de Omgevingsdienst regio Arnhem goedgekeurd. De sanering van de gedempte sloot (verontreinigingsgeval 1) is afgekapt bij de perceelsgrens met perceel N 3294 (tegenwoordig perceel N3446).
Door middel van een scheidingsdoek is het gesaneerde gedeelte gescheiden van het oostelijk daarvan gelegen deel. Ter hoogte van dit gedeelte is Zink nog tot klasse Industrie in de bodem gemeten. Op perceel N3446 is dus sprake van een restverontreiniging in de gedempte sloot. Het bovengenoemde verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Koenders en Partners dateert uit 2015. Vanwege de ouderdom van dit onderzoek is door Milon in juli 2020 een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor deze gronden. Rapportage daarvan is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat sinds uitvoering van de rapportage en de saneringen zich binnen het plangebied geen verdachte activiteiten hebben voorgedaan die de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem hebben kunnen beïnvloeden sinds de uitvoering van de onderzoeken uit 2015. Derhalve wordt binnen de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging verwacht en zijn de conclusies uit de bovengenoemde onderzoeken nog steeds actueel. Het bovengenoemde verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Koenders en Partners adviseurs en procesmanagers bv en het daarop volgende historisch vooronderzoek van Milon ziet toe op het grootste gedeelte van de gronden binnen onderhavig plangebied. Een klein gedeelte is ten tijde van dit onderzoek echter niet onderzocht.
Het betreft de percelen N 225, N 3736, N 3737, N 1408 en N 3235 alsook de percelen bekend als N 3236, N 3238, N 3240, N 3446 en N 3447. Derhalve is door Milon in oktober 2019 ook voor deze gronden een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Voor de percelen N 225 en N 3235 is daaropvolgend ook een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Rapportage hiervan is als Bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. Uit de rapportage volgt dat voor de percelen N 225 en N 3235 op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van deze locaties. Perceel N225 is een bestaande watergang. Het slib uit deze sloot is niet geschikt om op het aangrenzende perceel, dat een woonbestemming krijgt, toe te passen. Voor de percelen N3446 m N3447 (opgedeeld vanuit voormalig perceel N3294) kan geen zekerheid gegeven worden over de geschiktheid voor de beoogde functie. Er was een champignonkwekerij in een grote loods die gedeeltelijk op perceel N3294 stond. Op dit perceel heeft voor zover bekend nooit bodemonderzoek plaatsgevonden. De gebouwen van de kwekerij zijn in 2014 gesloopt. De daken waren asbesthoudend. Dit kan door de jaren heen geleid hebben tot een asbestverontreiniging in de bodem. Verder kan op dit perceel opslag van bestrijdingsmiddelen en reinigingsmiddelen hebben plaatsgevonden.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn de overige percelen beoordeeld als verdacht op het voorkomen van verontreiniging met asbest en bestrijdingsmiddelen. Geadviseerd is
Gemeente Maasdriel
42
om deze locaties te onderzoeken conform NEN 5740. Daarom is voor de percelen N 3238, N 3236 en N3240 door Milon in mei 2020 een verkennend bodem- en asbestonderzoek en nader asbestonderzoek uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 7 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes en concentraties aangetoond. Gezien de geringe gehaltes aan asbest die zijn aangetoond, is naar verwachting geen sprake van een verontreiniging met asbest binnen de onderzoekslocatie. Opgemerkt moet worden dat de ondergrond van het klinkerpad (perceel 3238) niet is onderzocht. Aanvullend of nader onderzoek wordt op dit moment echter niet zinvol geacht omdat de huidige bebouwing, verharding en eigendomssituatie op de percelen in stand blijft. Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken resteert enkel nog een onderzoeksinspanning voor de percelen N 3736, N 3737 en N 1408. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn deze percelen beoordeeld als verdacht op het voorkomen van verontreiniging met asbest en bestrijdingsmiddelen. Het is echter niet mogelijk geweest om op deze gronden boringen te plaatsen.
Ten behoeve van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het aspect 'bouwen' zal daarom op een later moment voor deze gronden nog een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Indien uit dit onderzoek blijkt dat er een noodzaak bestaat tot sanering, dan zal hiertoe worden overgegaan. In alle gevallen zullen de gronden geschikt worden gemaakt voor de beoogde functie. Voor wat betreft de (financiële) uitvoerbaarheid is hiermee rekening gehouden in de exploitatie. Evenwel geldt dat voor het overgrote gedeelte van de gronden binnen het plangebied de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld. Ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan er geen bezwaren tegen het planvoornemen.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit nog niet in voldoende mate is vastgesteld. Ten aanzien van het milieuhygiënische aspect bodem bestaan op enkele percelen mogelijk nog bezwaren tegen het planvoornemen. Voor de percelen binnen het plangebied die nu nog niet onderzocht zijn (percelen sectie N nummers 3446, 3447, 3736, 3737 en 1408) geldt in ieder geval dat ten behoeve van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het aspect 'bouwen' alsnog een verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.
4.3
Waterparagraaf
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.
Beleid
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
43
Het algemene waterbeleid dat op het plangebied van toepassing is, staat beschreven in het Waterbeleid in de 21e eeuw (WB21) van de rijksoverheid, de Omgevingsvisie januari 2018 van de provincie Gelderland en het Waterbeheerprogramma 2016-20121 van waterschap Rivierenland. Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën die zijn vastgelegd in de Nota Ruimte (2006): Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren); Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De trits voor waterkwantiteit betekent dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar het valt. Indien vasthouden niet mogelijk is, wordt neerslag geborgen in oppervlaktewater. De trits voor waterkwaliteit houdt in dat gestreefd moet worden naar het voorkomen van verontreinigingen. Indien schoonhouden niet mogelijk is, worden schone en vervuilende bronnen gescheiden.
De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, onderdeel van het Deltaprogramma 2015, schrijft voor dat rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimtelijke omgeving moeten opnemen in het beleid. Doel van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is het sturen van het veranderingsproces om het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland een vanzelfsprekend onderdeel te maken van ruimtelijke (her)ontwikkeling. Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers mag ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Met ingang van 22 december 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ waterschap Rivierenland van kracht. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe ze dat wil doen. Verder beschikt waterschap Rivierenland over een verordening: Keur Waterschap Rivierenland 2014. Hierin staan de geboden en verboden voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. Van alle verboden werken en/of werkzaamheden die niet voldoen aan de criteria van de algemene regels, kan vergunning worden aangevraagd.
Voor het versneld afvoeren van hemelwater richting een oppervlaktewaterlichaam door een toename aan verhard oppervlak geldt vanuit de Keur Waterschap Rivierenland 2014 een verbod. Vrijstelling op het verbod wordt verleend wanneer de toename van verharding gecompenseerd wordt in waterbergingsvoorzieningen of in oppervlaktewater.
Beoordeling Huidige situatie Het plangebied ligt in Kerkdriel Noord en heeft een oppervlak van circa 8,1 ha. In de huidige situatie is binnen het plangebied circa 0,3 ha verharding aanwezig. In de toekomstige situatie bedraagt het verhard oppervlak circa 4,5 ha. Binnen het plangebied loopt het maaiveld af van circa NAP +4,0 m aan de oostzijde tot circa NAP +3,5 m aan de westzijde. De deklaag bestaat uit zwak tot sterk zandige, vaste klei. Hieronder is tot circa 1,5 m-mv sterk tot matig siltige, vaste klei aanwezig. Op basis van een analyse van de geohydrologie bedraagt de GHG in de deklaag circa NAP +2,6 m. In
Gemeente Maasdriel
44
het eerste watervoerend pakket bedraagt de GHG circa NAP +2,0 m. Hierdoor is sprake van een infiltratiegebied (m.u.v. een periodieke hoogwatergolf in de rivier, dan treedt een kwelsituatie op). Aan de westzijde van het plan een A-watergang aanwezig, in het beheer is van waterschap Rivierenland. Deze watergang is onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en betreft een KRW-lichaam. Als gevolg van de planontwikkeling wordt deze watergang in de toekomstige situatie voorzien van natuurvriendelijke oevers. Daarnaast zijn binnen het plangebied enkele andere A-, B- en C-watergangen aanwezig. De watergangen liggen binnen het peilgebied BOM518, met een zomerpeil van NAP +2,85 m en een winterpeil van NAP +2,75 m. Binnen het plangebied is in de huidige situatie een gemeentelijke persleiding aanwezig. Deze doorkruist de westzijde van het plan van noord naar zuid. Daarnaast is ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied gemengde gemeentelijke riolering aanwezig.
Hemelwater Binnen het plangebied is sprake van een toename van verhard oppervlak van circa 4,2 ha. Hierbij wordt 60 % verharding op de particuliere percelen gehanteerd. Op basis van de eisen van waterschap Rivierenland dient bij een T=10+10% 436 m³/ha waterberging over de toename van verharding aanwezig te zijn. Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met zowel de gemeente Maasdriel als waterschap Rivierenland. De hieruit voortvloeiende afspraken en ruimtelijke gevolgen voor de benodigde waterberging. Deze zijn vastgelegd in 'Rapport waterhuishouding; 'Kerkdriel Noord 2e fase (oost)' van BOOT d.d. 7 augustus 2020, bijgevoegd als Bijlage 8 bij deze toelichting. Binnen het plangebied dient op basis van de eisen van het waterschap bij een bui T=10+10% watercompensatie gerealiseerd te worden. Hieronder valt de toename van verharding en de compensatie van de gedempte watergangen. Daarnaast dient het bestaand (te handhaven) wateroppervlak binnen het plangebied ook beschikbaar te blijven. Dit wordt niet beschouwd als watercompensatie. In onderstaande afbeelding is een overzicht weergegeven met het bestaande (en te dempen) watergangen.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
45
Bestaande en te dempen watergangen huidige situatie.
In de toekomstige situatie wordt binnen het plangebied oppervlaktewater gerealiseerd waarin de waterberging wordt gevonden. In onderstaande afbeelding is een overzicht weergegeven van de toekomstige inrichting van het plangebied.
Gemeente Maasdriel
46
Overzicht ontwerp toekomstige situatie
De waterbergingsbalans is in onderstaande tabel weergegeven. Hieruit komt naar voren dat binnen het plangebied voldoende wateroppervlak wordt gerealiseerd ter compensatie van de toename van verharding en het dempen van watergangen. Er wordt 5 m³ wateroppervlak meer gerealiseerd dan nodig is voor de watercompensatie.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
47
Bij extremere neerslagsituaties dan T=10+10% is het toegestaan dat het waterpeil van het oppervlaktewater verder stijgt. Hierdoor is ook in deze situaties ruim voldoende watercompensatie beschikbaar. Op basis van de eisen van gemeente Maasdriel dient hemelwater oppervlakkig aangeboden te worden. Het hemelwater vanuit het plangebied wordt oppervlakkig afgevoerd richting de wadi centraal in het plan of op de watergangen. Ook het hemelwater afkomstig vanaf de kavels dient oppervlakkig aangeboden te worden. De woningen langs de planranden (langs de Hoorzik en de Kloosterweg) wateren af op een te realiseren hemelwaterriool die afwatert op de watergangen.
Vuilwater Het vuilwater wordt gescheiden van het hemelwater ingezameld en afgevoerd op het aan te leggen vuilwaterstelsel binnen het plangebied. Dit vuilwaterstelsel sluit onder vrijverval aan op de bestaande gemeentelijke riolering aan de noordwestzijde van het plangebied. Hier bevindt zich ook een gemeentelijk rioolgemaal. De persleiding hiervan wordt verlegd naar openbaar terrein, van noord naar zuid door het plangebied. De woningen aan de planranden (langs de Hoorzik en de Kloosterweg) wateren met het vuilwater direct af op het bestaand gemeentelijk (gemengd)riool. Een toetsing door het waterschap op de capaciteit van het rioolgemaal van het waterschap moet nog plaatsvinden. Dit wordt gedaan nadat de gemeente gegevens over de lozingshoeveelheden aan het waterschap heeft overlegd.
Grondwater Ter hoogte van de rijbanen is circa 1,25 m ontwateringsdiepte aanwezig. Het vloerpeil van de woningen ligt hier boven. Hiermee wordt de ontwatering binnen het plan geborgd. Het eerste watervoerend pakket staat in verbinding met de Maas. Bij hoge waterstanden in de Maas neemt de stijghoogte in het eerste watervoerenpakket toe. Dit betekent dat bij hoge rivierstanden kwel optreedt dat door het oppervlaktewater wordt afgevoerd. Doordat de deklaag uit klei bestaat en een grote weerstand heeft, is de freatische grondwaterstand minder afhankelijk van de waterstanden op de Maas. Daarnaast komt in de huidige situatie geen kwel in de watergangen voor bij een hoge stand van de Maas. Wanneer de kleilaag wordt doorbroken wordt binnen het plangebied extra kwel aangetrokken. Daarom is het niet wenselijk deze kleilaag te doorbreken. Wanneer dit wel gebeurt dan dient minimaal een kleilaag van 1,0 m terug aangebracht te worden. Ditzelfde geldt bij het dempen van de watergangen. Binnen het plan wordt geen drainage aangelegd, omdat hiermee de kans bestaat dat de drainage continue grondwater blijft afvoeren. Het plan ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Wanneer ingrepen vanuit het plangebied bodemlagen aantasten worden deze afgedekt met minimaal 1,0 m klei.
Hierdoor verandert het grondwatersysteem in en om het plangebied niet.
Oppervlaktewater Binnen het plangebied is in de huidige situatie oppervlaktewater aanwezig. Ten behoeve van de
Gemeente Maasdriel
48
toename van verharding wordt het wateroppervlak uitgebreid. Tevens worden watergangen gedempt voor de realisatie van de nieuwbouw binnen het plangebied. Het bestaand oppervlaktewater dient niet als compensatie en de gedempte watergangen worden in de toekomstige situatie volledig gecompenseerd. Aan de westzijde van het plangebied is een A-watergang aanwezig met een KRW-status. Deze watergang wordt voorzien van natuurvriendelijke oevers. Daarnaast wordt deze watergang varend onderhouden. De west-oost georiënteerde watergang die hiermee in verbinding staat wordt ook aan de zuidzijde voorzien van een natuurvriendelijke oever. De overige watergangen binnen het plangebied worden voorzien van talud van 1:2 of het bestaande talud blijft behouden. De watergangen die niet varend onderhouden kunnen worden, worden middels rijdend onderhoud vanaf de kant onderhouden. Langs A-watergangen wordt daarvoor aan beide zijden een beschermingszone van 4,0 m geprojecteerd. Wanneer deze strook op particuliere percelen geprojecteerd wordt dan krijgt deze de bestemming 'wonen'. Hierbij dient in de regels opgenomen te worden wat deze strook vrij blijft van obstakels en gebouwen en overige bouwwerken buiten deze zone dienen te liggen. Aan de noordoostzijde is een waterkering aanwezig. Een deel van het plangebied ligt in de buitenbeschermingszone van de waterkering.
De werkzaamheden die voor dit plan uitgevoerd worden mogen in deze zone uitgevoerd worden.
Conclusie Bij de uitvoering van het planvoornemen dienen de randvoorwaarden en uitgangspunten uit voorgaande paragraaf in acht te worden genomen. Zodoende kan het hemelwater worden verwerkt conform de uitgangspunten van de waterbeheerders. Vanuit het oogpunt van de waterhuishoudingmwordt dan ook geen belemmering verwacht ten aanzien van onderhavig planvoornemen.
4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beoordeling Op de kaarten 'Gelderse cultuurhistorie' en 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie', zoals opgenomen in de 'Atlas van Gelderland' van de provincie Gelderland is te zien dat binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. De historische lijn, gelegen ten oosten van het plangebied, betreft de Kloosterstraat, welke overgaat in de Berm. Dit betreft een waardevolle ringdijk, zodanig aangeduid op de cultuurhistorische kaart. Onderhavig
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
49
planvoornemen voorziet niet in wijzigingen aan deze lijnstructuur.
Uitsnede kaart Gelderse cultuurhistorie. Het plangebied is aangeduid met een rode contour.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.5
Archeologie
Toetsingskader In 1992 ondertekenden een aantal Europese lidstaten waaronder Nederland in Valletta het Verdrag van Malta Dit Europese verdrag is erop gericht het archeologische erfgoed beter te beschermen (officieel heeft het verdrag dan ook ‘Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed’). Door het aantal grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen wordt het archeologisch erfgoed in toenemende mate bedreigd. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta luiden: Streven naar behoud ter plaatse (‘in situ’) van archeologische waarden. Conservering van archeologische resten kan het beste in de bodem. Het tijdig rekening houden met aanwezige of te verwachten archeologische resten bij ruimtelijke ontwikkelingen. De verstoorder betaalt de kosten voor archeologisch onderzoek als in situ behoud niet mogelijk is. De verstoorder wordt hiermee gestimuleerd om naar alternatieven te zoeken voor de ontwikkeling. Het Nederlandse parlement bekrachtigde middels een goedkeuringswet in 1998 het verdrag.
Erfgoedwet en ruimtelijke plannen De bekrachtiging van het Verdrag van Malta maakte de weg vrij om archeologisch erfgoed in wetgeving te verankeren. In oktober 2003 ging een eerste wijzigingsvoorstel naar de Tweede Kamer.
Gemeente Maasdriel
50
Dit leidde uiteindelijk tot de inwerkingtreding van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007. Deze wijzigingswet maakte het mogelijk onder meer delen van de toenmalige Monumentenwet 1988 aan te passen zodat overheden bij hun ruimtelijke plannen in het vervolg rekening houden met erfgoed in de bodem en alleen opgraven als behoud in de bodem niet mogelijk is. Aangezien een belangrijk deel van de ruimtelijke ontwikkeling via bestemmingsplannen en verordeningen bij gemeenten is neergelegd, zijn gemeentelijke overheden grotendeels belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed op haar grondgebied. Inmiddels is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet van kracht. Hierin wordt het behoud en beheer van Nederlands erfgoed in één integrale wet geregeld. In de Omgevingswet wordt de omgang met erfgoed in de fysieke leefomgeving geregeld. Tot de inwerkingtreding van deze wet (voorzien per 1 januari 2022) blijven relevante passages uit de Monumentenwet middels overgangsrecht (hoofdstuk 9 Erfgoedwet) van toepassing. Zo is in hoofdstuk V, paragraaf 1 vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Mw 1988).
De gemeente kan in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7).
Gemeentelijk beleid Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wamz zijn Nederlandse gemeenten waaronder Maasdriel hun (potentiële) archeologische erfgoed in kaart gaan brengen en van een waardering voorzien. Maasdriel heeft sinds april 2013 eigen archeologiebeleid opgesteld. Het beleid bestaat uit een archeologische waarden- en verwachtingenkaart die als basis dient voor de gemeentelijke beleidskaart.
Beoordeling Blijkens de gemeentelijke archeologische beleidskaart Maasdriel ligt het plangebied binnen het gebied aangeduid als middelmatige tot hoge archeologische verwachting. De beleidsmatige vertaling daarvan gaat uit van een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en over een oppervlakte groter dan 500 m2 (beleidszone 3), 1.000 m2 (zone 5) of 5.000 m2 (zone 6). Het huidige plan overschrijdt deze grenswaarden, daarom heeft RAAP archeologisch adviesbureau voor het gehele plangebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd en voor een groot gedeelte daarvan een verkennend booronderzoek. Rapportage daarvan is als Bijlage 9 gevoegd bij deze toelichting. De niet door middel van een verkennend booronderzoek onderzochte gedeelten van het te ontwikkelen plangebied betreffen de percelen N 1408, N 3736 en N 3737.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
51
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Maasdriel met het plangebied aangeduid met een rode contour.
Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Om de resultaten uit het verkennend onderzoek te toetsen en eventuele vindplaatse te begrenzen is vervolgonderzoek in de vorm van karterend booronderzoek uitgevoerd in de zone waar de bewoningsfases zijn aangetoond (Bijlage 10). Uit het verkennend onderzoek zijn direct twee zones voor proefsleuvenonderzoek geselecteerd: langs de Veersteeg in het noorden en de historische bebouwing aan de Hoorzik in het zuiden. De uiteindelijk te volgen onderzoeksstrategie zal verder uiteen gezet moeten worden in een Plan van Eisen (PvE).
Gemeente Maasdriel
52
Het karterend booronderzoek leverde 3 begrensde vindplaatsen op die tevens in aanmerking komen voor proefsleuvenonderzoek. Dit is een waardestellend onderzoek waarmee meer inzicht wordt verkregen over de aard, omvang, datering, diepteligging en fysieke gesteldheid (gaafheid, conservering) van de archeologische resten. De resultaten van het onderzoek zijn namens het bevoegd gezag beoordeeld door de regioarcheoloog van Rivierenland. Gemeente Maasdriel stemt in met de resultaten en conclusies van het onderzoek. Tevens is het advies tot vervolgonderzoek overgenomen. Voor de gronden waarvoor vervolgonderzoek noodzakelijk is, is een beschermende dubbelbestemming opgenomen. Ditzelfde geldt voor de gronden die niet zijn meegenomen in het archeologisch onderzoek. Dit betekent dat vóór verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen, door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat geen archeologische waarden verloren gaan. Behoud van eventuele archeologische waarden is daarmee verzekerd. Het archeologisch proefsleuvenonderzoek zal op een later moment worden uitgevoerd. Delen van het plangebied zijn op basis van de verkennende en karterende booronderzoeken vrijgesteld van vervolgonderzoek. Deze delen hebben geen archeologische dubbelbestemming meer.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
53
Conclusie Op basis van verricht archeologisch onderzoek is het plangebied gedeeltelijk vrijgegeven. Daar waar vervolgonderzoek noodzakelijk is, is een beschermende dubbelbestemming opgenomen. Behoud van eventuele archeologische waarden is daarmee verzekerd.
4.6
Natuurgebieden
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Rijntakken', welke is gelegen op een afstand van circa 2,9 km tot onderhavig plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. Voor beide fases is daarom een stikstofberekening uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 11 bij deze toelichting. Navolgend worden de resultaten hiervan besproken.
Gebruiksfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw vinden in de gebruiksfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen. De woningen worden volledig gasvrij uitgevoerd. De berekeningen zijn verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Aanlegfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw
Gemeente Maasdriel
54
vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De berekening van het projecteffect van de aanlegfase is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Conclusie Uit een stikstofberekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Planologisch juridisch gezien is het plan uitvoerbaar. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouw dient opnieuw op basis van de stikstofberekening beoordeeld te worden of een vergunning op de grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Gezien de uitkomst van 0,00 mol/ha/jaar en de nog mogelijk te nemen opties (waaronder het stikstofregistratiesysteem en ecologische beoordeling) is de verwachting dat het vergunningentraject succesvol wordt doorlopen.
4.7
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling Door Blom Ecologie is in april 2019 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 12 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de quickscan volgt dat in het plangebied of de directe omgeving hiervan beschermde diersoorten voorkomen. Het plangebied heeft, behoudens de woning aan de Hoorzik 14, echter geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
55
zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Door het treffen van de volgende maatregelen wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen: Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (zorgplicht); Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige; Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes); De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).
Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden
Uit de quickscan volgt voorts dat de woning aan de Hoorzik 14 mogelijke nestlocaties biedt voor huismussen en/of verblijfplaatsen voor vleermuizen. Vóór de sloop van de woning aan de Hoorzik 14 dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. Vóór de sloop van de woning aan de Hoorzik 14 dient ook aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Omdat maatregelen redelijkerwijs te nemen zijn en verkrijging van ontheffing in daarmee de rede ligt, staat de aanwezigheid van nestplaatsen of verblijfplaatsen de haalbaarheid van het plan niet in de weg en is de bestemmingsplanwijziging eveneens uitvoerbaar in het licht van de Wnb.
Conclusie Mits gewerkt wordt volgens de voorgaande aanbevelingen kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect flora en fauna inzake de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Gemeente Maasdriel
56
4.8
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/h geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
Beoordeling Het plangebied van de Paddenstoelenbuurt wordt aan drie zijden omgeven door wegen waaraan een onderzoekszone is verbonden. Het gaat hierbij om de Hoorzik, Kloosterstraat (en de Berm en Bulkseweg) en de Veersteeg. De Hoorzik kent nu ter hoogte van het plangebied een maximale snelheid van 50 km/uur. Op termijn zal de Hoorzik ter hoogte van het plangebied worden aangepast tot een 30 km/uur weg. Voor de beide andere wegen geldt een snelheidslimiet van 50 km/uur. Omdat door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt voorzien in nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone, is door de Omgevingsdienst Rivierenland een akoestisch onderzoek
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
57
wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 13 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Kloosterstraat en de Hoorzik de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wordt. De maximale grenswaarde van 63 dB wordt nergens overschreden. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet worden onderzocht of er maatregelen mogelijk zijn waarmee wel aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan. Het realiseren van geluidsschermen is niet mogelijk omdat de woningen worden ontsloten op de weg waarvan de hinder wordt ondervonden. Daarnaast zijn schermen ter plaatse niet gewenst om stedenbouwkundige redenen. Met het aanbrengen van een geluidreducerend wegdektype kan een reductie worden gehaald van circa 3 dB. Het wegdek van de relevante wegen is echter nog in goede staat. Deze komen daarom voor de komende 10 jaar niet in aanmerking voor vervanging. Het aanbrengen van een stil wegdek is hier daarom niet doelmatig. Ook door middel van een snelheidsreductie kan niet aan de voorkeursgrenswaarde worden voldaan. Er zijn dus wel maatregelen mogelijk waarmee het geluid wordt gereduceerd, maar de geluidreductie is niet voldoende om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh. Om de woningen te kunnen realiseren moeten daarom hogere geluidgrenswaarden worden vastgesteld.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht verkregen in de cumulatieve geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. Hiermee is gewaarborgd dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie Als gevolg van de Hoorzik en de Kloosterweg wordt ter plaatse van de enkele nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden. Voor deze woningen zullen hogere waarden worden aangevraagd. Gelet op de cumulatieve geluidbelasting is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig
Gemeente Maasdriel
58
verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Het omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het plangebied kan in zijn geheel worden beschouwd als het omgevingstype rustig buitengebied (huidige situatie) dan wel rustige woonwijk (toekomstige situatie). Ten aanzien van milieubelastende activiteiten in de omgeving dient derhalve te worden uitgegaan van de richtafstanden zoals aangegeven in de VNG-publicatie. Aan de omliggende wegen Hoorzik, Veersteeg en Kloosterstraat zijn diverse bedrijven en burgerwoningen gevestigd. Om de milieu-ruimteclaim van de bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied inzichtelijk te maken, is door Antea een milieuzoneringsonderzoek uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 14 gevoegd bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde milieuonderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling kan worden gerealiseerd, zonder dat omliggende bedrijven worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat ter hoogte van de woningen in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wel dient ten behoeve van de bedrijvigheid aan de Veersteeg 1 een geluidscherm te worden opgericht. Realisatie en instandhouding daarvan is door middel van een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd in de regels van dit bestemmingsplan. De gronden waarvoor de voorwaardelijke verplichting geldt zijn aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen voorwaardelijke verplichting'.
De ligging van deze aanduiding, het geluidscherm en het effect daarvan is geduid op de geluidcontouren zoals opgenomen als Bijlage 15 bij deze toelichting. Na oprichting van het geluidscherm valt een gedeelte van de 45 dB(A)-contour nog over de meest noordelijke woonbestemming. De contour ligt daarbij over het achtererfgebied van de beoogde woningen. In theorie kunnen binnen het achterefgebied vergunningsvrij milieugevoelige functies worden opgericht binnen deze geluidcontour. Het betreft in zo'n geval de ingebruikname van een gebouw ten behoeve van mantelzorg. Deze situatie is echter onwaarschijnlijk ter plaatse van de woonbestemming waar aaneengebouwde woningen zijn voorzien. Voor de overige gronden is de oprichting van vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken uitgesloten door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen uitgesloten - erf'. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Met de oprichting van een geluidscherm wordt het bedrijf aan de Veesteeg 1 bovendien niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering.
Conclusie Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Binnen het plangebied is ten aanzien van milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt"
59
4.10
Geurhinder en veehouderij
Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de 'omgekeerde werking' van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt.