Kerkdriel Noord herziening 2023, Veersteeg Toelichting
Tekst van het document
Conclusie Het aspect duurzaamheid is in onderhavig bestemmingsplan gewaarborgd.
3.4.4
Woonvisie Bommelerwaard 2021 - 2025
Toetsingskader De Woonvisie Bommelerwaard 2021-2025 is in juli 2021 vastgesteld. Deze nieuwe visie is de opvolger van de visie die van 2016 tot 2020 van toepassing was. Destijds was de visie vooral gerelateerd aan autonome groei. In de afgelopen jaren is de woningmarkt echter in rap tempo verandert, waardoor de koers van de nieuwe Woonvisie ook gewijzigd is. De Woonvisie is het kader voor de prestatieafspraken met de corporaties, vormt de verbinding met andere beleidsterreinen, zoals duurzaamheid, leefbaarheid, wonen en zorg en vormt het kader van gemeentelijke beleidsuitgangspunten voor initiatiefnemers. De regio Rivierenland is aantrekkelijk vanwege de centrale ligging, goede verbindingen en afwisseling aan woonmilieus met groen, ruimte en een relatief betaalbare woningvoorraad. Dit zorgt voor een toenemende druk op de woningmarkt. Dit wordt ook ervaren binnen de Bommelerwaard. Daarom is het van belang de kernwaarden en identiteit van onze gemeenten en kernen in stand te houden en te zoeken naar de juiste balans tussen het bieden van een passend woonperspectief voor de inwoners, voorzien in de woonbehoefte van elders en behoud van de ruimtelijke kwaliteiten van de Bommelerwaard. In de visie wordt beschreven dat de in de gemeente Maasdriel de komende 5 jaar circa 700 nieuwe woningen gebouwd moeten worden.
Om de versnelling te realiseren willen de gemeente, naast de plannen die in het woningbouwprogramma zijn opgenomen, ook andere
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 31 van 68
locaties onderzoeken. Deze locaties kunnen bijdragen aan versnelling van de woningbouw. Daarbij stelt de gemeente in haar visie dat woningzoekenden voldoende keuze moeten hebben. Dit betekent een woningbouwopgave in alle kernen van de Bommelerwaard. Daarbij is het wenselijk om wijken en buurten te creëren met verschillende soorten woningen. Zowel wat betreft betaalbaarheid (prijsklasse, huur/koop) als de bewoning (ouderen, gezinnen, starters). Op basis van het woningbehoefte onderzoek in 2018 gaat de gemeente voor de komende jaren uit van het volgende woningbouwprogramma:
Beoordeling Onderhavig plan voorziet in de realisatie van zowel sociale huurwoningen (4), sociale koopwoningen (5) als middeldure en dure koopwoningen in de vrije sector (22). Gesteld kan worden dat het plan niet geheel aan de in de woonvisie gestelde differentiatie voldoet. Er worden niet voldoende (30%+15%=45%) sociale huurwoningen of sociale koopwoningen gerealiseerd. Ten behoeve van de financiële haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de planontwikkeling is echter bovenstaande indicatieve woningbouwprogrammering overeengekomen tussen initiatiefnemer en gemeente. Samen met het plangebied van de Paddenstoelenbuurt zijn in de directe omgeving van het plangebied bovendien al meerdere sociale huurwoningen aanwezig. Conform artikel 6.3.3 uit het bestemmingsplan "Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt" dient immers minimaal 20% en maximaal 30% van de opgerichte woningen (maximaal 187) gebruikt te worden als sociale huurwoning. Dit betekent een aantal van minimaal 38 en maximaal 56 sociale huurwoningen. Samen met voorliggend bouwplan wordt derhalve gezorgd voor een goede differentiatie in het plangebied en haar omgeving. Op de in dit plan te realiseren woningen is bovendien de 'Doelgroepenverordening gemeente Maasdriel 2021' van toepassing. Deze doelgroepenverordening vormt een instrument om het (betaalbaarheids)beleid uit de Woonvisie te kunnen waarmaken.
Met onderhavig plan is sprake van sociale huur- en koopwoningen volgens de doelgroepenverordening. Het realiseren van deze woningen is geborgd in artikel 6.3.3 van onderhavig bestemmingsplan. Hierin is opgenomen dat 4 woningen gebruikt dienen te worden als sociale huurwoning (13%) en 5 woningen gebruikt dienen te worden als sociale koopwoning (16%). Tussen initiatiefnemer en gemeente is overeengekomen dat afgeweken wordt van de maximale von prijs van een sociale koopwoning van €200.000,- conform de dgv. Hiervoor wordt met onderhavig bestemmingsplan ten behoeve van de financiële haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de planontwikkeling een maximale von prijs van €250.000,- gehanteerd (prijspeil 2021).
Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen de gemeentelijke woonvisie.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 32 van 68
3.4.5
Woningbouwprogramma gemeente Maasdriel 2021-2030
Toetsingskader In februari 2022 is het geactualiseerde Woningbouwprogramma 2021-2030 vastgesteld. De woningbouwopgave waaraan met het woningbouwprogramma 2021-2030 invulling wordt gegeven, komt voort uit de Regionale Woonagenda Rivierenland 2021-2030. Voor de gemeente Maasdriel is in de regionale woonagenda bepaald dat er een opgave is om tussen de 700 en 1.250 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad, om daarmee te kunnen voorzien in de geprognotiseerde vraag voor de komende tien jaar. Een deel van de plannen is 'hard', dat wil zeggen dat ze op grond van een vastgesteld bestemmingsplan in voorbereiding zijn om op korte termijn van start te gaan of reeds al in uitvoering. De woningbouwplannen met een 'zachte' status zijn plannen in verschillende fases van voorbereiding. Binnenkomende woningbouwinitiatieven worden getoetst naar wenselijkheid en aan een screening onderworpen. Hierbij wordt gekeken naar de behoefte in de verschillende kernen, naar de ruimtelijke kwaliteit van het plan en naar de toegevoegde waarde van een plan.
Beoordeling Met het Woningbouwprogramma 2021-2030, kan voor een substantieel deel voldaan worden aan de geprognotiseerde woningbehoefte voor de komende tien jaar. Binnen dit woningbouwprogramma is onderhavig plangebied als woningbouwinitiatief aangemerkt, de te realiseren woningen zijn daarmee al meegenomen bij de plancapaciteit. Daarmee past het plan binnen het woningbouwprogramma van de gemeente Maasdriel.
Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma.
3.4.6
Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Maasdriel 2019 (GVVP)
Toetsingskader In het GVVP zijn ten aanzien van parkeren de volgende opgaven en basisprincipes opgesteld:
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 33 van 68
Realiseren van voldoende parkeergelegenheid op basis van actuele publicatie aangaande parkeerkencijfers van het CROW, zonder dat de leefbaarheid onder druk wordt gezet; Het uitgangspunt bij bedrijven is dat vrachtwagen parkeren, parkeren voor bezoekers en werknemers, laden en lossen en manoeuvreren plaatsvindt op eigen terrein. Dit komt ten goede aan de verkeersveiligheid en voorkomt overlast in de openbare ruimte; Het uitgangspunt bij woningen is dat bij woning typologieën die dit toelaten parkeren op eigen terrein plaats vindt. Parkeerruimte voor bezoekers wordt in de openbare ruimte gerealiseerd; Aandacht voor voldoende (overkapte) fietsenstallingen in de centrumgebieden, ingepast op een ruimtelijk kwalitatief aanvaardbare wijze.
Beoordeling In het in paragraaf 2.3.1 beschreven stedenbouwkundig plan is voldoende ruimte gereserveerd binnen het plangebied ten behoeve van parkeervoorzieningen. In paragraaf 2.3.3 heeft nadere toetsing plaatsgevonden aan de geldende parkeernormen zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen 2020 gemeente Maasdriel’. Hiermee is inzichtelijk gemaakt dat kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Realisatie van de benodigde parkeerplaatsen is tot slot gewaarborgd in de regels in artikel 14.1. Hiermee wordt aangesloten bij de basisprincipes uit het GVVP.
Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Maasdriel 2019.
3.4.7
Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026
Toetsingskader In het Water en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 van de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel geeft de Bommelerwaard aan hoe invulling wordt gegeven aan de zorgplichten uit de Wet milieubeheer en de Waterwet. Het beleidskader richt zich op de kenmerken veilig, functioneel, heel en schoon. Het beleidskader voor de gemeentelijke watertaken bestaat uit de onderdelen, stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. Als vijfde onderdeel is hier klimaatadaptatie aan toegevoegd vanwege de grote raakvlakken met het stedelijk waterbeheer.
Beoordeling In bijlage C van het Water en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 wordt specifiek ingegaan op het hemelwaterbeleid van de gemeente Maasdriel. Om (nog) duurzamer om te gaan met hemelwater worden de volgende doelen nagestreefd: scheiden van schone en vuile waterstromen; beperken van de hoeveelheid ingezameld hemelwater op het gemengde stelsel; verbieden van het afvoeren van hemelwater op drukriolering;
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 34 van 68
beperken van risico's tijdens extreme neerslag.
De voorkeursvolgorde 'omgang met hemelwater en ander afvalwater aan de bron' binnen de gemeente Maasdriel, gebaseerd op het landelijke hemelwaterbeleid, is als volgt: vasthouden op daken, bergingen als regentonnen/schuttingen nuttig gebruiken; op maaiveld infiltreren waar mogelijk; ondergronds ondiep infiltreren via een particuliere voorziening; verwerken in het oppervlaktewater.
In paragraaf 4.3 is aan de hand van de door BOOT opgestelde watertoets de waterparagraaf opgesteld. Rapportage hiervan is als Bijlage 6 opgenomen. Hierin is tevens een toelichting gegeven op welke wijze voldaan kan worden aan de waterbergingseisen. Op basis van de geldende uitgangspunten van de gemeente dient 280 m³ waterberging gerealiseerd te worden. Deze berging wordt gerealiseerd met de toepassing van verschillende voorzieningen. Door middel van het bepaalde in artikel 14.2 is gewaarborgd dat bij verdere planuitwerking wordt voorzien in voldoende waterberging. Derhalve wordt geconcludeerd dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd.
Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 35 van 68
Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische aspecten
4.1
Algemeen
Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Navolgend wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als (separate) bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
Beoordeling In het kader van het bestemmingsplan “Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt” heeft reeds voor enkele delen van het plangebied een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Kadastrale percelen 3447 en 3770 (gedeeltelijk) kennen reeds op basis hiervan een woonfunctie en zijn derhalve geschikt voor de beoogde functie van onderhavig bestemmingsplan. Het oostelijk deel van het plangebied (percelen N2398, N2399 en N2401) is door Verhoeven Milieutechniek B.V. onderzocht in het bodem- en asbestonderzoek zoals opgenomen in Bijlage 2 Bodem- en asbestonderzoek. Voor de gronden van het plangebied ter plaatse van Veersteeg 1 is in 2022 door Hoste Milieutechniek BV een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor de kadastrale percelen 1900 en 1901. Rapportage hiervan is als Bijlage 3 Aanvullend bodemonderzoek bij deze toelichting gevoegd. Aanleiding tot het uitvoeren van dit aanvullend bodemonderzoek zijn de uitkomsten van eerder bodemonderzoek in het kader van het kader van het bestemmingsplan “Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt” en de voorgenomen herinrichting van het terrein. Doel van het aanvullend onderzoek is het vaststellen van de omvang van de grondverontreiniging van de aangetoonde formaldehyde-verontreiniging nabij de bezinkput en
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 36 van 68
tussen de bebouwing. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem plaatselijk verontreinigd is met formaldehyde. Er is een waarde vlak nabij maar net boven de detectielimiet gemeten bij boring 302. De verontreiniging is aangetoond ter hoogte van de bezinkput / boring 302 in de kleilaag van 2,00 tot 2,70 m-mv. De omvang van de aangetoonde verontreiniging is circa 29 m 2. Gezien de beperkte omvang van de aangetoonde verontreiniging, de diepte van de aangetoonde verontreiniging en het ontbreken van verspreidings- en of blootstellingsrisico’s wordt geconcludeerd dat op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen sprake is van een “geval van ernstige bodemverontreiniging”. Het toekomstig gebruik bij de voorgenomen herinrichting van het terrein (groenstrook) van de locatie waar de formaldehyde verontreiniging is aangetoond is tevens niet risicovol. In het kader van de geplande herinrichting zijn derhalve geen sanerende maatregelen nodig met betrekking tot de parameter formaldehyde. Ten aanzien van de verontreinigde spot met formaldehyde heeft de Omgevingsdienst Rivierenland geadviseerd in verband met de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten alle bedrijfsgerelateerde verontreinigingen te saneren. In dit geval wordt de verontreiniging met Formaldehyde als een bedrijfsgerelateerde verontreiniging beschouwd.
Echter, aangezien er geen werkzaamheden zullen plaatsvinden ter plaatse of nabij de verontreiniging met formaldehyde is er geen bezwaar om de ontwikkeling door te laten gaan, onder voorwaarde dat jaarlijks een monitoring van het grondwater uitgevoerd moet worden volgens een door de ODR goedgekeurde monitoringsplan. Als blijkt dat de verontreiniging met formaldehyde zich verspreidt naar de percelen met een woonbestemming of naar percelen van derden, dan moet het terugvalscenario uit het monitoringsplan ten uitvoer worden gebracht. In 2023 is door Hoste Milieutechniek BV een eerste ronde grondwatermonitoring uitgevoerd. Rapportage hiervan is als Bijlage 4 Monitoring grondwater opgenomen. Aanleiding voor deze grondwatermonitoring zijn de gestelde eisen vanuit de Omgevingsdienst Rivierenland omtrent een op locatie aanwezige verontreiniging met Formaldehyde. Doelstelling van de grondwatermonitoring is het monitoren van de mate en omvang van de grondwaterverontreiniging met Formaldehyde op locatie. In mei 2023 is het grondwater uit de peilbuizen PB205b en Pb302c bemonsterd en geanalyseerd op formaldehyde. In beide grondwatermonsters is geen formaldehyde aangetoond. De resultaten geven geen aanleiding tot het treffen van maatregelen en/of aanpassingen in het monitoringsschema. Aanbevolen wordt om conform monitoringsplan de volgende monitoringsronde medio mei 2024 uit te voeren.
Ten aanzien van de beoogde sloop van de aanwezige bedrijfspanden aan de Veersteeg 1 is in 2018 een asbestinventarisatie uitgevoerd en in 2023 geactualiseerd. Rapportage hiervan is als Bijlage 5 Asbestinventarisatie gevoegd bij onderhavige toelichting. Hieruit volgt dat geadviseerd wordt bij toekomstige sloop van de onderzochte bedrijfspanden de aangetroffen asbesthoudende toepassingen te saneren en de sanering te laten uitvoeren door een gecertificeerd asbestsaneringsbedrijf. Er bestaat daarbij geen redelijk vermoeden op de aanwezigheid van verborgen asbesthoudende materialen in de bedrijfspanden. Derhalve wordt een aanvullende inventarisatie niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van de bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen op de locatie Veersteeg 19 wordt overwogen dat feitelijk geen verandering plaatsvindt. De voormalige agrarische bedrijfswoning wordt hiermee omgezet naar een reguliere burgerwoning. Deze woning met tuin is altijd al ter plaatse gesitueerd geweest. Deze gronden zijn niet in gebruik geweest ten behoeve van agrarische doeleinden. Met onderhavige bestemmingswijziging vindt ten opzichte van de omliggende bestemmingen een logische invulling plaats van het perceel.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 37 van 68
Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld. Indien rekening wordt gehouden met bovenstaande maatregelen ten aanzien van formaldehyde en asbest is de bodem ter plaatse van het plangebied geschikt voor de beoogde functie van onderhavig bestemmingsplan.
4.3
Waterparagraaf
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid Het algemene waterbeleid dat op het plangebied van toepassing is, staat beschreven in het Waterbeleid in de 21e eeuw (WB21) van de rijksoverheid, de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland van de provincie en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van waterschap Rivierenland. Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen.
Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën: Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren); Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De trits voor waterkwantiteit betekent dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar het valt. Indien vasthouden niet mogelijk is, wordt neerslag geborgen in oppervlaktewater. De trits voor waterkwaliteit houdt in dat gestreefd moet worden naar het voorkomen van verontreinigingen. Indien schoonhouden niet mogelijk is, worden schone en vervuilende bronnen gescheiden. De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, onderdeel van het Deltaprogramma 2015, schrijft voor dat rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimtelijke omgeving moeten opnemen in het beleid. Doel van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is het sturen van het veranderingsproces om het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland een vanzelfsprekend onderdeel te maken van ruimtelijke (her)ontwikkeling.
Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers mag ontstaan voor zover dat
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 38 van 68
redelijkerwijs haalbaar is. Het Waterbeheerprogramma van het waterschap Rivierenland beschrijft wat het waterschap in de planperiode 2022-2027wil bereiken en hoe ze dat wil doen. Verder beschikt waterschap Rivierenland over een verordening: Keur Waterschap Rivierenland.Hierin staan de geboden en verboden voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. Van alle verboden werken en/of werkzaamheden die niet voldoen aan de criteria van de algemene regels, kan vergunning worden aangevraagd. Voor het versneld afvoeren van hemelwater richting een oppervlaktewaterlichaam door een toename aan verhard oppervlak geldt vanuit de Keur Waterschap Rivierenland een verbod. Vrijstelling op het verbod wordt verleend wanneer de toename van verharding gecompenseerd wordt in waterbergingsvoorzieningen of in oppervlaktewater.
Beoordeling Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is in oktober 2023 door BOOT een watertoets uitgevoerd. Rapportage hiervan is als Bijlage 6 Watertoets opgenomen. Uit deze watertoets volgt dat de maaiveldhoogte binnen het plangebied varieert van circa NAP +3,80 m langs de Veersteeg tot circa NAP +4,00 m aan de oostzijde van het plangebied. Het maaiveld binnen het plangebied is daarbij vrij vlak. Ten oosten van het plangebied is een dijk aanwezig met een hoogte van circa NAP +8,30 m. Aan de noordzijde van het plangebied zijn enkele C-watergangen aanwezig. Daarnaast zijn ten zuiden- en westen diverse overige watergangen aanwezig. De noordoosthoek van het plangebied ligt bijna volledig binnen de beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering langs de Maas. In de huidige situatie is aan de westzijde binnen het plangebied bestaande gemeentelijke vrijverval riolering aanwezig. Dit betreft een streng gemengd water van beton ø250 mm. Hierop zijn enkele woningen langs de Berm op aangesloten. Daarnaast ligt ook in de Veersteeg gemengde riolering en is voor de te ontwikkelen woonwijk de Paddenstoelenbuurt een rioolplan opgesteld met daarin een vrijverval rioolstelsel en een rioolgemaal die het vuilwater naar het gemeentelijk rioolstelsel verpompt. Hierop kan vanuit het plangebied onder vrij verval worden aangesloten.
Uit de rapportage volgt daarnaast dat door de ontwikkelingen binnen het plangebied in de toekomstige situatie het verhard oppervlak binnen het plangebied 5.820 m² bedraagt. Op basis van de geldende uitgangspunten van de gemeente dient hiervoor 254 m³ waterberging gerealiseerd te worden. Deze berging wordt gerealiseerd met de toepassing van verschillende voorzieningen. De totale benodigde waterberging wordt gecompenseerd door middel van krratten op eigen terrein (128 m³), uitbreiding wateroppervlak noordzijde binnen plangebied (12 m³) en berging in wadi en regentuinen (114 m³). Door middel van het bepaalde in artikel 14.2 is gewaarborgd dat bij verdere planuitwerking wordt voorzien in voldoende waterberging. Concluderend volgt uit de watertoets dat de ontwikkeling op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief is uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 39 van 68
maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Tot slot wordt ten aanzien van de bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen op de locatie Veersteeg 19 overwogen dat feitelijk met betrekking tot de waterhuishouding binnen het perceel geen verandering plaatsvindt. De voormalige agrarische bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. Deze woning met tuin is altijd al ter plaatse gesitueerd geweest.
Conclusie Geconcludeerd gerespecteerd.
4.4
kan
worden dat de
waterhuishouding
binnen
het plangebied
wordt
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beoordeling Uit de kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' van de provincie Gelderland volgt dat binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. De historische lijn, gelegen ten oosten van het plangebied, betreft de Kloosterstraat, welke overgaat in de Berm. Dit betreft een waardevolle ringdijk, zodanig aangeduid op de cultuurhistorische kaart. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in wijzigingen aan deze lijnstructuur.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 40 van 68
Uitsnede kaart 'Kaart historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' ter hoogte van het plangebied.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.5
Archeologie
Toetsingskader In 1992 ondertekenden een aantal Europese lidstaten waaronder Nederland in Valletta het Verdrag van Malta Dit Europese verdrag is erop gericht het archeologische erfgoed beter te beschermen (officieel heeft het verdrag dan ook ‘Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed’). Door het aantal grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen wordt het archeologisch erfgoed in toenemende mate bedreigd. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta luiden: Streven naar behoud ter plaatse (‘in situ’) van archeologische waarden. Conservering van archeologische resten kan het beste in de bodem. Het tijdig rekening houden met aanwezige of te verwachten archeologische resten bij ruimtelijke ontwikkelingen. De verstoorder betaalt de kosten voor archeologisch onderzoek als in situ behoud niet mogelijk is. De verstoorder wordt hiermee gestimuleerd om naar alternatieven te zoeken voor de ontwikkeling. Het Nederlandse parlement bekrachtigde middels een goedkeuringswet in 1998 het verdrag.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 41 van 68
Erfgoedwet en ruimtelijke plannen De bekrachtiging van het Verdrag van Malta maakte de weg vrij om archeologisch erfgoed in wetgeving te verankeren. In oktober 2003 ging een eerste wijzigingsvoorstel naar de Tweede Kamer. Dit leidde uiteindelijk tot de inwerkingtreding van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007. Deze wijzigingswet maakte het mogelijk onder meer delen van de toenmalige Monumentenwet 1988 aan te passen zodat overheden bij hun ruimtelijke plannen in het vervolg rekening houden met erfgoed in de bodem en alleen opgraven als behoud in de bodem niet mogelijk is. Aangezien een belangrijk deel van de ruimtelijke ontwikkeling via bestemmingsplannen en verordeningen bij gemeenten is neergelegd, zijn gemeentelijke overheden grotendeels belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed op haar grondgebied. Inmiddels is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet van kracht. Hierin wordt het behoud en beheer van Nederlands erfgoed in één integrale wet geregeld. In de Omgevingswet wordt de omgang met erfgoed in de fysieke leefomgeving geregeld. Tot de inwerkingtreding van deze wet (voorzien per 1 januari 2023) blijven relevante passages uit de Monumentenwet middels overgangsrecht (hoofdstuk 9 Erfgoedwet) van toepassing. Zo is in hoofdstuk V, paragraaf 1 vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o.
bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Mw 1988). De gemeente kan in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7).
Gemeentelijk beleid Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wamz zijn Nederlandse gemeenten waaronder Maasdriel hun (potentiële) archeologische erfgoed in kaart gaan brengen en van een waardering voorzien. Maasdriel heeft sinds april 2013 eigen archeologiebeleid opgesteld. Het beleid bestaat uit een archeologische waarden- en verwachtingenkaart die als basis dient voor de gemeentelijke beleidskaart.
Beoordeling Blijkens de gemeentelijke archeologische beleidskaart Maasdriel kennen de gronden binnen het plangebied verschillende archeologische beleidszones. Grotendeels kent het plangebied 'waarde - archeologie 5', de oostelijke rand 'waarde - archeologie 3' en de zuidrand 'waarde archeologie 6', met resp. hoge, lage en middelmatige archeologische verwachting. De beleidsmatige vertaling daarvan gaat uit van een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en over een oppervlakte groter dan 500 m 2 (beleidszone 3), 1.000 m 2 (zone 5) of 5.000 m 2 (zone 6). Het huidige plan overschrijdt deze grenswaarden. Derhalve heeft archeologisch adviesbureau RAAP in 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor onderhavig plangebied. Rapportage daarvan is als Bijlage 7 Archeologisch vooronderzoek gevoegd bij deze toelichting.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 42 van 68
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Maasdriel met het plangebied aangeduid met een blauwe contour. Bron: RAAP, 2022.
Uit het archeologisch vooronderzoek is gebleken dat op basis van het bureauonderzoek voor onderhavig plangebied een middelhoge archeologische verwachting gold voor resten van bewoning en landgebruik vanaf de late bronstijd. Het plangebied grenst aan een vindplaats uit de late bronstijd t/m de middeleeuwen en ligt aan een kruispunt van historische wegen. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodemopbouw vrijwel intact is en dat er meerdere archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn vanaf de basis van de bouwvoor tot in de top van geulafzettingen (circa 200 à 265 cm -mv; 1,61-1,38 m NAP). Zodoende kan de hoge archeologische verwachting op basis van het booronderzoek worden gehandhaafd. Enkel ter hoogte van de bestaande bebouwing en verharding kon op basis van de beschikbare gegevens niet worden vastgesteld in hoeverre de recente bebouwing tot een diepe bodemverstoring heeft geleid. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Derhalve wordt, om de gespecificeerde verwachting te toetsen, vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterende fase van een inventariserend veldonderzoek. Voorafgaand aan de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd.
Voor de gronden waarvoor vervolgonderzoek noodzakelijk is, is een beschermende dubbelbestemming opgenomen. Dit betekent dat vóór verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen, door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat geen archeologische waarden verloren gaan. Behoud van eventuele archeologische waarden is daarmee verzekerd. Het archeologisch proefsleuvenonderzoek zal op een later moment worden uitgevoerd.
Conclusie Totdat nader archeologisch proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd, welke pas na het slopen van bovengrondse bestaande opstallen uitgevoerd kan worden, blijft de archeologische dubbelbestemming (Artikel 7) en de voorwaardelijke verplichting tot archeologisch onderzoek
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 43 van 68
(artikel 6.3.5) gehandhaafd. De ondergrondse sloop van funderingen moet archeologisch begeleid worden. Behoud van eventuele archeologische waarden is daarmee verzekerd.
4.6
Natuurgebieden
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Rijntakken', welke is gelegen op een afstand van circa 3 km tot onderhavig plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. In december 2023 is door Accent adviseurs voor onderhavige ontwikkeling een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 8 Stikstofdepositieonderzoek opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan.
Daarnaast maakt het plangebied geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 540 meter ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 550 meter ligt de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 4,6 km ligt Weidevogelgebied. Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 3,5 km van het plangebied. Op een afstand van circa 23,5 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 44 van 68
Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. Planologisch juridisch gezien is het plan uitvoerbaar.
4.7
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling Door Blom Ecologie is in maart 2022 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 9 Quickscan Wet natuurbescherming gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de quickscan volgt dat aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de bunzing en steenmarter. De aanwezigheid van verblijfplaatsen en foerageergebied van marterachtigen (bunzing en steenmarter) kan immers niet op basis van de uitgevoerde quickscan geheel uitgesloten worden. Derhalve dient een onderzoek plaats te vinden middels cameravallen en/of marterboxen gedurende 6 weken. De planlocatie is daarnaast mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen.
De te treffen maatregelen voor de werkzaamheden luiden daarbij als volgt: Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht); Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 45 van 68
zelfstandig de planlocatie te verlaten; Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel); De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
In de periode juni-juli 2022 is door Blom Ecologie het aanvullend onderzoek naar de bunzing en steenmarter in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Rapportage hiervan is als Bijlage 10 Aanvullend onderzoek ecologie gevoegd bij deze toelichting. Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen en de steenmarter aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd.
Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.8
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 46 van 68
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de w e g
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/h geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de Veersteeg, Berm, Kloostersteeg en Hoorzik. Omdat door middel van onderhavig bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, is in september 2023 door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Rapportage daarvan is als Bijlage 11 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt de geluidsbelasting ten gevolge van de Kloosterstraat en de Hoorzik onder de voorkeursgrenswaarde ligt, waardoor de Wet geluidhinder ten gevolge van deze wegen geen restricties oplegt aan het plan. Als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Veersteeg (53 dB) en de Berm (49 dB) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De maximale grenswaarde van 63 dB wordt echter nergens overschreden. Om de woningen te kunnen realiseren moeten daarom hogere geluidgrenswaarden worden vastgesteld. In onderhavige situatie kan als ontheffingscriterium gelden dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd naast en tegenover bestaande woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou tevens overwogen kunnen worden.
Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast inzicht verkregen in de cumulatieve geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai. De gecumuleerde geluidbelasting bij de beoogde wooneenheden bedraagt ten hoogste 57 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt dan maximaal 57 – 33 = 24 dB. In het kader van nieuwbouw wordt een dergelijke gevelwering in vrijwel alle gevallen behaald. In de planregels is een regel (6.3.4) opgenomen die bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen alleen kan worden verleend indien middels een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is aangetoond dat er een
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 47 van 68
goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat derhalve niet in de weg staat. Hiermee is gewaarborgd dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie Als gevolg van de Veersteeg en de Berm wordt ter plaatse van enkele nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden. Voor deze woningen zijn hogere waarden aangevraagd. Gelet op de cumulatieve geluidbelasting is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Het omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 48 van 68
Het plangebied is gelegen in een gebied dat kan worden gekenmerkt als het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Richtafstanden tot het plangebied zoals aangegeven in de VNG-publicatie gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woonen leefklimaat kan worden gegarandeerd. De woningen binnen het plangebied bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. In september 2022 is derhalve door Antea Group een kwalitatieve milieubeoordeling opgesteld. Deze kwalitatieve geluidsbeoordeling heeft betrekking op de te verwachte hinder ten aanzien van geur, stof, geluid en gevaar ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de buurt van de projectlocatie. De memo is als Bijlage 12 Kwalitatieve milieubeoordeling gevoegd bij deze toelichting.
Hieruit volgt dat op basis van de uitgevoerde analyse het aannemelijk is dat inpassing van het beoogde woningen ten aanzien van de milieukundige aspecten (waaronder geur, stof, geluid en gevaar) niet op bezwaren zal stuiten en hierdoor ten aanzien van deze aspecten inpasbaar is. Ten aanzien de geluiduitstraling van Taste Sensations aan Veersteeg 2 is in oktober 2023 door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd om na te gaan of de nieuwbouw aan de overzijde van de straat de bedrijfsvoering van Veersteeg 2 beperkt. Rapportage van dit onderzoek als Bijlage 13 Akoestisch onderzoek industrielawaai gevoegd bij deze toelichting. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies en resultaten van het akoestisch onderzoek samengevat: Langtijdgemiddelde geluidbelastingen De optredende belasting bedraagt maximaal 40 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van alle onderzochte waarneempunten. Hiermee wordt voldaan aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit en stap 2 van de VNG brochure. Maximale geluidniveaus De optredende maximale geluidniveaus ten aanzien van de bevoorrading bedragen in de dagperiode ten hoogste 77 dB(A). Conform artikel 2.17 lid 1b van het Activiteitenbesluit mogen deze belastingen buiten beschouwing worden gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt niet voldaan aan stap 3 van de VNG brochure.
De maximale geluidsniveaus in de dagperiode voldoen aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit en stap 2 van de VNG brochure. De belasting bedraagt ten hoogste 56 dB(A), met uitzondering van bevoorradingsactiviteiten. Er wordt niet voldaan aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit en stap 3 van de VNG in de avond periode. Hier treden maximale geluidniveaus op van 77 dB(A). Deze worden veroorzaakt door het rijden/manoeuvreren van vrachtwagens. De overschrijding bedraagt ten hoogste 12 dB(A). Omdat deze overschrijding nauwelijks teniet gedaan kan worden, maar per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treedt, en er daarbij een nieuw toetsingskader ingaat, wordt voorgesteld hierop vooruit te lopen. Vooruit kijkend naar de nieuwe standaardwaarde opgenomen in de Omgevingswet mag het maximaal geluidniveau veroorzaakt door het aandrijfgeluid van transportmiddelen in de avondperiode maximaal 70 dB(A) bedragen waarbij een binnenwaarde van 55 dB(A) dient te worden geborgd. Uitgaande van deze uitgangpunten dient de gevelgeluidwering in voorliggende situatie maximaal 22 dB te bedragen (77 dB(A) – 55 dB(A) = 22 dB). De betreffende woningen dienen, conform “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai met kenmerk Rm220130aaA0.irfe_05 d.d. 21-09-2023” (opgenomen in
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 49 van 68
Bijlage 11 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai) te worden voorzien van een gevelgeluidwering van minimaal 23 dB om te kunnen voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit ten aanzien van wegverkeerslawaai. Op basis van de al benodigde gevelgeluidwering kan worden gesteld dat er binnen de woningen spraken is van een goed woon- en leefklimaat ook al vind er een overschrijding plaats van de geluideisen c.q. standaardwaarde. Indirecte hinder De voertuigen rijden via de openbare weg naar de inrichting. Deze voertuigbewegingen over de openbare weg vallen onder indirecte hinder. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) van de circulaire “Beoordeling geluidshinder wegverkeer in verband met de vergunningsverlening Wet Milieubeheer” wordt bij de onderzochte waarneempunten niet overschreden.
Conclusie Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Binnen het plangebied is ten aanzien van milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.10
Geurhinder en veehouderij
Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de 'omgekeerde werking' van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt.
Beoordeling In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. De meest nabijgelegen veehouderij is gelegen aan de Hoorzik 29 te Kerkdriel. Op basis van de milieuvergunning worden ter plaatse vrouwelijk jongvee, melk- en kalfkoeien, schapen en vleesstieren gehouden. Er is sprake van de volgende veebezetting: vrouwelijk jongvee: 45 dieren (A3); vleesstieren: 10 dieren (A6); melk- en kalfkoeien: 32 dieren (A1.6.1); schapen: 12 dieren (B1).
Vaste afstanden Voor vrouwelijk jongvee en melk- en kalfkoeien zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Voor
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 50 van 68
deze dieren gelden afstandseisen. Daarom zijn voor deze veehouderij de afstandscontouren in beeld gebracht. De afstandscontouren zijn bepaald in een worst-case situatie, uitgaande van de rand van het te benutten bouwvlak. De afstandseis bedraagt op basis van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Maasdriel 50 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. De afstand van het bouwvlak tot de rand van de beoogde woonbestemming bedraagt circa 650 meter. Gelet op deze afstand is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad.
Voorgrondbelasting Voor vleesstieren en schapen zijn in de Rgv geuremissiefactoren vastgesteld. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de gemeente Maasdriel in haar geurverordening een aangepaste geurnorm heeft vastgesteld. Daarom gelden de standaard geurnormen voor uit onderstaande tabel. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Daarom bedraagt de geurnorm 2 ouE/m3.
Ligging geurgevoelig object*
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
3 ouE
/m3
14 ouE/m3
Geen concentratiegebied
2 ouE/m3
8 ouE/m3
* het plangebied ligt niet in een concentratiegebied
De geurnorm wordt ter plaatse van omliggende bestaande woningen reeds bereikt. De geurbelasting kan niet verder toenemen richting het plangebied. Met de realisatie van de nieuwe woningen wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad en is sprake van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat.
Achtergrondbelasting De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel 'voorgrondbelasting' genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. In het kader van het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016, Wiekerseweg 6 e.o." (vastgesteld op 22 februari 2018) is de achtergrondbelasting van veehouderijen in de nabije omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Een uitsnede daarvan is navolgend opgenomen. Op basis van de berekende achtergrondbelasting is sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat binnen het plangebied.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 51 van 68
Geurcontouren achtergrondbelasting ontleend uit het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016, Wiekerseweg 6 e.o."
Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering.
4.11
Externe veiligheid
4.11.1
Inrichtingen
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
planstatus vastgesteld
referentie BP1288 / 220806
pagina 52 van 68
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met kleinschalige opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 tot 10.000 kg) aan de Hoorzik 1 te Kerkdriel. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 250 meter tot het plangebied. Er is sprake van een generieke PR 10-6 risicocontour welke niet tot binnen het plangebied reikt. Ter plaatse is het bedrijf Agib gevestigd. Dit is een groothandel in producten voor de melkveehouder. De producten die worden geleverd bestaan o.a. uit reiniging- en desinfectie middelen en bestrijdingsmiddelen. Er is geen sprake van een Bevi-inrichting. De werkelijke gevaarafstand die dient te worden aangehouden is 8 meter tussen het opslagcompartiment in het opslaggebouw van gevaarlijke stoffen en woningen van derden. De werkelijke afstand tussen het opslagcompartiment en het plangebied is circa 270 meter. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de nabijheid van het plangebied.
Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor het planvoornemen.
4.11.2
Transport over weg, water en spoor
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het Bevt horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 m van de transportas.