CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b vastgesteld 1 Toelichting

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b16.039 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. 4.1.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

27 - 45

4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.

In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 4.1.5.2 Beoordeling Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De directe omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een rustig buitengebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat ter plaatse milieugevoelige en milieuhinderlijke functies elkaar niet op korte afstand afwisselen. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure, niet gereduceerd kunnen worden. Categorie bedrijvigheid In onderstaande tabel is weergegeven welke type inrichtingen in de omgeving van de locatie zijn gelegen, tot welke VNG-categorie deze behoren, wat de bijbehorende richtafstand is rekening houdende met omgevingstype ‘ruistig buitengebied’.

De kolom ‘werkelijke afstand’ is de afstand van de inrichtings-/bedrijfsgrens tot de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woningen. Tevens is aangegeven wat het maatgevende aspect (geur, geluid of stof) is. SBI-Code Adres

Omschrijving

6321

vrachtwagenstalling

Waaldijk 67

VNG categorie 3.2

Richtafstand Werkelijke afstand 100 58

maatgevend aspect geluid

Uit het onderzoek blijkt dat VNG-richtafstanden geldend voor de bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied niet over het plangebied zijn gelegen, uitgezonderd die van het vrachtwagenstalling/ transportbedrijf aan Waaldijk 67. Voor de vrachtwagenstalling is niet aannemelijk dat ter plaatse van de bedrijfswoning vrachtwagens zullen rijden. Uitgaande van de maximaal planologische invulling en de bijbehorende richtafstand voor rustig buitengebied (waaraan niet kan worden voldaan) is het evenwel benodigd om de geluidbelasting van dit bedrijf op de gevoelige objecten binnen het plangebied te beoordelen. Daarom is akoestische onderzoek uitgevoerd om de invloed van de vrachtwagenstalling in beeld te brengen. De invloed van dit bedrijf op de gevoelige objecten binnen het plangebied is onderzocht en de uitkomsten zijn verwerkt in paragraaf 4.1.5.3. Camperkampeerterrein In de VNG-brochure zijn kampeerterreinen aangemerkt als bedrijf in milieucategorie 3.1, waarbij het maatgevende aspect

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

28 - 45

geluid is. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 m.Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit onderdeel is opgenomen onder het kopje “Logies Maaltijden- en Drankverstrekking”. De afstand voor geur is 30 meter, voor stof 0 meter, voor geluid 50 meter en voor gevaar 30 meter. Geluid is aangeduid met een C. Dit is om te duiden dat de milieubelastende activiteit continu betreft (dag en nacht). Camperkampeerplaatsen staan niet op de SBI-lijst. Camperkampeerplaatsen hebben een minder grote milieubelasting dan een regulier kampeerterrein met keuken vanwege het ontbreken van centrale voorzieningen zoals keuken en sanitair. Dit gegeven heeft aanleiding gegeven om ten aanzien van het meest belastende punt van het camperkampeerterrein akoestisch onderzoek te verrichten. Zie hiervoor paragraaf 4.1.5.3. 4.1.5.3 Onderzoek industrielawaai Door Nipa Milieutechniek B.V. is december 2018 een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (zie Bijlage 5). In dit onderzoek zijn de geluidniveaus berekend in de representatieve bedrijfssituatie voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (Lmax) ter plaatse van de meest kritisch gelegen woningen van derden ten opzichte van de nieuwe inrichting en getoetst aan de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

Ten aanzien van de geluidemissie van het transportbedrijf aan de Waaldijk 67 is uitgegaan van de maximaal mogelijke planologische geluidruimte op basis van de richt- en grenswaarden van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering, het Activiteitenbesluit en de voorkeursgrenswaarde van de verkeersaantrekkende werking. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit de berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddelde geluidniveau LAr,LT in de representatieve bedrijfssituatie als gevolg van de reguliere activiteiten op het camperterrein ten hoogste 37 en 39 dB(A) in respectievelijk dag- en avondperiode bedraagt ter plaatse van geluidsgevoelige woonbestemmingen van derden. Er wordt voldaan aan de in hoofdstuk 2 gestelde toetsingwaarde. Tevens blijkt dat de beschikbare geluidruimte van planologische mogelijke bedrijfsbestemmingen voldoet aan de te hanteren geluidricht- en grenswaarden bij de nieuwe beoogde woningbestemmingen. Maximale geluidniveaus Het hoogste piekgeluidniveau in de dag- en avondperiode wordt berekend in waarneempunt 04 en wordt veroorzaakt door de het sluiten van een portier van campers op de camperplaats. Uit tabel 5 van de rapportage volgt dat er wordt voldaan aan de geluidtoetsingswaarden die gelden met betrekking tot de optredende maximale geluidniveaus in de avondperiode overeenkomstig hoofdstuk 2.

Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van derden is gewaarborgd. Tevens blijkt dat de geluidemissie van het maximale geluidniveau van bestaande bedrijven voldoet aan de geldende geluidricht- en grenswaarden bij de nieuwe beoogde woningbestemmingen. 4.1.5.4 Conclusie Omdat de geluidbelasting van het transportbedrijf Waaldijk 67 en het kampeerterrein op de gevoelige objecten binnen het plangebied voldoet aan de toetsingswaarden kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige objecten worden gegarandeerd. Op basis van de berekening en de rapportage kan daarnaast gesteld worden dat de bedrijfsvoering binnen het plangebied geen knelpunten veroorzaakt met betrekking tot de geluiduitstraling op de bestaande woningen in de omgeving. Het woonklimaat ter plaatse van woningen van derden is gewaarborgd.

4.1.6 Luchtkwaliteit 4.1.6.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

29 - 45

24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.1.6.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van de realisatie van maximaal 9 planologisch nieuwe woningen en een kleinschalig terrein voor verblijfsrecreatie. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b' is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool.

In onderstaande afbeelding zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) weergegeven voor het peiljaar 2015. Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat, nabij het plangebied, de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 19,5 µg/m3, 21,6 µg/m3 en 14,4 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschrijden. 4.1.6.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

30 - 45

4.1.7 Spuitzone boomgaarden 4.1.7.1 Wettelijk kader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen1 . In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen2 . Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Een woning is een spuitzone gevoelig object. Hetgeen door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is daarbij bepalend. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater. 4.1.7.2 Conclusie De woningen zijn voorzien op korte afstand van agrarische gronden. Deze agrarische gronden worden momenteel niet gebruikt voor de teelt van gewassen, maar het ter plaatse vigerende bestemmingsplan sluit een dergelijk gebruik waarbij bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt - niet uit.

Het is derhalve planologisch mogelijk dat de agrariër het huidige gebruik van zijn gronden wijzigt in het telen van gewassen. Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)). Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woning(bouw) mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

31 - 45

Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. 4.2.1.2 Onderzoek Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven waar en voor welke bodemverstoringen vrijstelling verleend wordt van archeologisch onderzoek. Daarvoor zijn negen categorieën archeologische waarden onderscheiden: Waarde-Archeologie 1 t/m 8 en geen Waarde- Archeologie. In de tabel is te zien welke vrijstelling per archeologische waarde geldt. De vrijstellingsgrenzen zijn uitgedrukt in een oppervlakte en een diepte.

De onderzoeksplicht geldt wanneer zowel de diepte- als ook de oppervlaktemaat door bodemingrepen wordt overschreden. Ter plaatse geldt voor het meest westelijke gedeelte een zeer hoge verwachting. De ondergrenzen voor de onderzoeksplicht zijn bepaald op 30 cm diepte en 500 m2. Voor het overige gedeelte van het perceel geldt een lagere verwachting met dienovereenkomstige grotere vrijstellingsondergrens van 5000 m2.

4.2.1.3 Conclusie Omdat er sprake is van hergebruik van de gebouwen voor de champignonkwekerij zonder sloop en nieuwbouw, is er geen sprake van het roeren van de ondergrond. Omdat er geen sprake is van grondwerkzaamheden met een groter oppervlak dan 5000 m2 is aanvullend onderzoek niet benodigd.

4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

32 - 45

in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 4.2.2.2 Onderzoek Er zijn (in de omgeving van) het plangebied geen rijks- en gemeentelijke (gebouwde) monumenten of archeologische rijksmonumenten aanwezig. Het plan betreft de functiewijziging van een agrarisch bedrijf. Er is geen sprake van een monumentale status. Evenmin is er sprake van een cultuurhistorische waarde op grond van de cultuurhistorische waardenkaart Gelderland. Wel is het plangebied gelegen binnen de grenzen van het aangewezen beschermd dorpsgezicht. De oude kern van Hurwenen heeft een grote historische waarde. Voor dit gebied is om die reden een besluit genomen tot aanwijzing als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Door het aanwijzen van de historische dorpsdelen als beschermd dorpsgezicht d.d. 21 december 1998, wordt behalve de (deels monumentale) gebouwen, ook de omgeving daarvan betrokken bij het waarborgen van de huidige historische kwaliteiten.

Ten behoeve van de aanwijzing is door het Monumenten Advies Bureau (M.A.B.) een inventarisatie gemaakt van het beschermingswaardige dorpsgezicht in Hurwenen. Het gaat concreet om het gebied rond de Dorpsstraat met de aansluitende Waaldijk. Bij de inventarisatie zijn de begrenzingen bepaald van het dorpsgezicht en zijn voor dit gebied historische en monumentale waarden van de structuren, groenaanleg en bebouwing bepaald. Bij het bepalen van de waarden is rekening gehouden met de volgende aspecten: a. stedenbouwkundige of historisch-ruimtelijke waarden; b. situeringswaarden; c. cultuurhistorische waarden; d. gaafheid. Van belang binnen dit dorpsgezicht zijn: a. een in gave staat verkerende historische nederzettingsstructuur, bepaald door het verloop van de Waaldijk, de Dorpsstraat met restanten van de dorpsbrink en diverse verkavelingsstructuren. Voorts elementen als het kerkpad en de situering van de dorpskerk. Markante waterpartijen, zoals sloten en weteringen; b. situering en aard van de bebouwing in realtie tot deze structuren: dijkwoningen en boerderijen aan de dijk; veelal agrarische bebouwing aan het noord-zuid verlopende deel van de Dorpsstraat (de voormalige dorpsbrink), met de bedrijfsgedeelten gericht op de akkers aan de achterzijde; c. gevarieerde bebouwing (boerderijen en dorpswoningen, RK-kerk) aan het oost-west verlopende deel van de Dorpsstraat; d.

karakteristieke, veelal waardevolle en beschermenswaardige bebouwing van verschillende typen, stijlen en ouderdom; e. waardevolle groenelementen en –structuren zoals laanbeplantingen, moes- en siertuinen, boomgaarden, akkers en weiden en individuele groenelementen; f. open landschappelijke gebieden rond de kern van het dorpsgezicht, zowel als historische gegeven als vanwege het zicht op het dorp. Het beschermd dorpsgebied van Hurwenen, omvat het noordelijk en oostelijk dorpsgebied van Hurwenen, bestaande uit delen van de Dorpsstraat en de Waaldijk.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

33 - 45

4.2.2.3 Conclusie Het plan omvat geen bebouwing of sloop. De champignonkwekerij moet zeer sterk worden verbouwd voor de nieuwe functie en krijgt een geheel nieuwe uitstraling, die sterk afwijkt van de huidige sobere vormgeving. Het terrein krijgt deels een parkeerfunctie in de zin van een kampeerterrein voor 10 campers. Deze ingrepen hebben echter geen (onevenredig) effect op de hiervoor benoemde belangen van het dorpsgezicht. Een dubbelbestemming is opgenomen voor het beschermd dorpsgezicht om zodoende ook in de toekomst de bescherming van cultuurhistorische belangen te borgen. Het plan is ter beoordeling voorgelegd aan de monumentencommissie en de commissie ruimtelijke kwaliteit van Maasdriel. De commissies hebben een positief advies gegeven, o.a. door het toepassen van rustiger kleuren en architectuurvormen. De beeldkwaliteitparagraaf in Bijlage 4 wordt daarom voorwaardelijk voorgeschreven bij verdere uitwerking van het plan. De aannvraag omgevingsvergunning zal opnieuw aan de commissie ruimtelijke kwaliteit voor advies worden voorgelegd.

4.3 Water 4.3.1 Wettelijk kader Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren.

Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

34 - 45

in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Gemeente Maasdriel: Waterplan Bommelerwaard Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benut is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

4.3.2 Onderzoek 4.3.2.1 Huidige situatie Watergangen Het plangebied ligt in de Bommelerwaard. Aan het plangebied grenst aan de voorzijde een a-watergang. Binnen het plangebied ligt de beschermingszone van de a-watergang. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 4 meter breed, gemeten uit de insteek.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

35 - 45

Veiligheid In het plangebied is een buitenbeschermingszone van een waterkering gelegen. Een belangrijke taak van het waterschap is de zorg voor de functie van waterkeringen en daarmee voor de veiligheid van het gehele beheergebied. Het waterschap geeft daarbij ook uitvoering aan wet- en regelgeving van rijk en provincies. De waterkeringen hebben vaak een bovenregionaal belang. Het dijklichamen onder de Waaldijk maakt deel uit van de waterkering. Daarbij is sprake van een kernzone (de eigenlijke dijk) en een beschermingszone. De Keur van het waterschap geeft aan welke beperkingen en verboden er op en rond de waterkering gelden. Zo is het onder meer verboden om binnen de kernzone en beschermingszone van de waterkering activiteiten te verrichten, zoals het spitten en graven, slepen, houden van dieren, leggen van drainage, oprichten van bouwwerken en het aanbrengen van opgaande houtbeplantingen. Tevens geeft de Keur aan welke zaken moeten worden gedoogd en welke geboden moeten worden gevolgd. Van de gestelde verboden kan door het waterschap ontheffing worden verleend. Eventuele ontheffingen worden alleen verleend als waterstaatkundige belangen niet in het gedrang komen. De uitgangspunten die hierbij worden gehanteerd zijn vastgelegd in beleidsregels. Binnen het plangebied woden geen activiteiten verricht die strijdig zijn met de belangen van de waterkering.

Grondwater (algemeen) Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseert het waterschap om hier nader onderzoek naar te doen. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. De bodem in het plangebied bestaat uit rivierkleigronden (Kalkhoudende ooivaaggronden; zware zavel en lichte klei). In het plangebied is grondwatertrap VI aanwezig. Grondwaterstand VI heeft een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen de 40 cm en 80 cm beneden maaiveld en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) van meer dan 120 cm beneden maaiveld. De stroming van het freatisch grondwater is globaal noordelijk gericht en bevindt zich op circa 2,2 m-mv. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage.

Bij bedrijventerreinen wordt gestreefd om het hemelwater van het verhard oppervlak gescheiden van het vuilwaterriool af te voeren. Bij risico's voor waterverontreiniging wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel. Riolering en zuiveringswerken In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. 4.3.2.2 Toekomstige situatie Er is geen toename van het verharde oppervlak. Waterhuishoudkundig gezien verandert de situatie niet. Hemelwater wordt via de dakgoot opgevangen op , waarna het via de a-watergang wordt afgevoerd. Vuilwater wordt zoals in de huidige situatie afgevoerd via een bestaande aansluiting op het riool. 4.3.2.3 Berekening waterberging Met onderhavige plan is geen sprake van een toevoeging van het verhard oppervlak, wat betekent dat niet gecompenseerd hoeft te worden. 4.3.2.4 Watertoets Voor het plan is in juli 2016 de digitale watertoets doorlopen via www.dewatertoets.nl. De digitale watertoets is een eerste verkenning om na te gaan of in een ruimtelijk plan voldoende rekening is gehouden met water. De uitkomst laat zien of er een vervolgproces moet worden doorlopen en zo ja, welke stappen daarvoor moet worden genomen.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

36 - 45

De ontwikkeling is kleinschalig en er is geen toename van het verharde oppervlak. De digitale watertoets heeft geresulteerd in een positief wateradvies (juli 2019), waardoor het watertoetsproces niet verder hoeft te worden doorlopen.

4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b' het volgende gemeld.

4.4.2 Onderzoek 4.4.2.1 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk (verder GNN genoemd) en de Groene Ontwikkelingszone. Circa 25 meter ten noorden van het plangebied liggen gronden die tot het GNN behoren. Op onderstaande kaart wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene ontwikkelingszone (lichtgroen) weergegeven. Het plangebied wordt met de cirkel aangeduid.

Ondanks de ligging nabij gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren, heeft de voorgenomen activiteit geen negatief op dit netwerk. Vanwege de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op gebieden buiten het plangebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteit wordt het areaal en de kwaliteit van het Gelders Natuurnetwerk niet aangetast.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

37 - 45

Op korte afstand is het Natura2000-gebied Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden Waal). Vanwege de beperkte omvang van het initiatief én omdat voor de ontwikkeling een champignonteelbedrijf wordt gesaneerd leidt de nieuwe situatie niet tot een toename van stikstofdepositie. Een Aerius-berekening is gemaakt op 21 november 2019 waar dit uit blijkt, zie Bijlage 9. Er dient wel een natuurvergunning te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. De aanvraag hiervoor is op 1 april 2020 gedaan. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc) geldt dat de mate van verstoringsfactoren niet leiden tot een toename (zie Bijlage 8). De provincie heeft het ontwerpbesluit tot weigering van deze aanvraag gepubliceerd omdat de aanvraag niet vergunningplichtig is omdat er intern wordt gesaldeerd. Dat voor intern salderen geen natuurvergunningplicht geldt blijkt uit de uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71). Het ontwerpbesluit is gebaseerd op geactualiseerde berekeningen van 4 december 2020 (op basis van het actuele rekenprogramma). Er zijn geen zienswijzen ingediend en het besluit wordt momenteel opgesteld. De gehanteerde referentiesituatie voor de vergunningaanvraag wijkt op een klein deel af van de planologisch te hanteren referentiesituatie.

De camperkampeerplaatsen zijn planologisch legaal aanwezig in de huidige situatie maar voor de referentiesituatie van de vergunningaanvraag niet relevant. De nieuwe berekening bij de vergunningaanvraag kan daarom ('worst-case') worden gehanteerd ter onderbouwing dat er intern kan worden gesaldeerd. Immers, het meenemen van de camperkampeerplaatsen in een nieuwe berekening (gebaseerd op het actiuele rekenprogramma) voor de referentiesituatie zou enkel een gunstiger beeld met zich meebrengen voor de nieuwe situatie. Bij het bestemmingsplan is de berekening voor de vergunningaanvraag en het (ontwerp)besluit van de provincie gevoegd (zie Bijlage 10). 4.4.2.2 Soortenbescherming Het bestemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Natuurbesbeschermingswet niet optreden. Ter plaatse is een quickscan uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, zie Bijlage 8. Mits bezette vogelnesten beschermd worden en er geen dieren verwond of gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming.

Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging buiten beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.

4.5 Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging naar wonen en recreatie mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.

4.5.1 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt maximaal 9 woningen en een kleinschalig camperkampeerterrein mogelijk ten opzichte van de bestaande situatie met een agrarisch bedrijf met als nevenactiviteit een kleinschalig camperkampeerterrein. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op. 4.5.1.1 Verkeersbewegingen Het plangebied wordt ontsloten op Groenestraat. Voor wat betreft de verkeersgeneratie, gaat CROW-publicatie 317 er vanuit dat de verkeersproductie voor een agrarisch bedrijf een ritproductie heeft van 9,1 - 10,9 ritten per etmaal kent per 100 m2 bvo. Dat komt voor de planlocatie neer op gemiddeld 229 ritten / etmaal. Dit aantal komt echter niet overeen met de huidige situatie. Volgens opgave van de initiatiefnemer zijn de huidige aantallen voertuigen voor personeel (auto) en voor het brengen van fust en ophalen champignons (vrachtwagens):

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

38 - 45

vrachtwagen (aantal) maandag 10 dinsdag 12 woensdag 18

verkeersbewegingen 20 24 36

auto (aantal) 26 30 24

verkeersbewegingen 52 60 48

donderdag 8

16

26

52

vrijdag zaterdag zondag TOTAAL

16 16 8 136

20 18 16

40 36 32 320

8 8 4

extra

verkeersbewegingen

2 trekkers met 4 leegmaakmachine 2 vrachtwagen 12 compost, 2 trekkers met dekaarde, 2 x vulmachine

16

Gemiddeld zijn dit (136+320+16)/2=67 ritten per dag. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan van 63 ritten per etmaal:

Er is sprake van een (beperkte) afname van het totaal aantal ritten. Daarbij opgemerkt dat de afname van vrachtwagentransport met name een positief effect heeft voor de verkeerscapaciteit van de openbare ruimte. 4.5.1.2 Parkeren De gemeente Maasdriel heeft al lange tijd haar parkeerbeleid met bijbehorende parkeernormen in haar bouwverordening vastgelegd. Sinds de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 geldt echter dat stedenbouwkundige voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening in een bestemmingsplan geregeld moeten worden. Met het opstellen van een paraplubestemmingsplan parkeren heeft de gemeente Maasdriel voor haar grondgebied haar parkeerbeleid juridisch-planologisch vastgelegd.Het paraplubestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische vertaling van het gemeentelijk mobiliteitsplan (inclusief bijlagen). Ten aanzien van parkeren zijn in het mobiliteitsplan gemeentelijke parkeernormen vastgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het aantal parkeerplaatsen dat op basis daarvan nodig is voor het project, moet binnen het plangebied worden gerealiseerd. Per woning (loft) geldt er binnen de gemeente een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Dit komt overeen met het minimum dat aan de principemedewerking is verbonden. Per loft kan langs de brede oprit, binnen de bestaande gebouwencontouren, een auto worden geparkeerd. De doorgang is een overdekte buitenruimte.

(zie Bijlage 4 Beeldkwaliteit). Bovendien is op de voorzijde van het terrein plaats voor 11 parkeerplaatsen: voor iedere camperloft en nog drie extra. De eerste bedrijfswoning heeft in de huidige situatie al ruimte op eigen terrein voor drie auto's. Daarnaast geldt voor een camping een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per camperplaats. Dat betekent dat er naast de camperplaats (waar de camper staat) nog 0,3 parkeerplaats per camperplaats moet worden gerealiseerd.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

39 - 45

In het plan is aangegeven dat er op elke camperplaats ook een auto geparkeerd kan worden. Dat zou betekenen dat er op het perceel voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn voor het campinggedeelte. Dat er voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte blijkt uit bijgevoegde Situatietekening.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

40 - 45

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Ook de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd, valt daaronder. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

5.1.1 beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er geen sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Er is geen reden voor de gemeenteraad m een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de (ver)bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderzins is verzekerd. De gemeente sluit met de initiatiefnemer een planschade overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten wordt vastgelegd.

5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Voor het plan is in juli 2016 de digitale watertoets doorlopen via www.dewatertoets.nl. De digitale watertoets heeft geresulteerd in een positief wateradvies, waardoor het watertoetsproces niet verder hoeft te worden doorlopen. Het waterschap heeft op 23 juli 2018 per email ingestemd met het plan. Ook is het plan door de gemeente Maasdriel voorbesproken met de provincie Gelderland. De provincie heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het initiatief. Naar aanleiding van zienswijzen die betrekking hebben op de ontsluiting van de camperkampeerplaatsen heeft overleg plaatsgevonden met de veiligheidsregio. Deze heeft ingestemd met het laten vervallen van de calamiteitenontsluiting zoals deze in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen, mits de inrichting van het terrein aan de eisen voldoet.

Hierop is het aangepaste plan, met keerlus, door de veiligheidsregio beoordeeld en akkoord bevonden. Voorliggend plan is hierop afgestemd door het laten vervallen van de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie aan de oostkant van het

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

41 - 45

terrein. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen, zodat eenieder in de gelegenheid is geweest om een zienswijze in te dienen. Van de ingediende zienswijzen is een samenvatting gemaakt en deze is samen met de beantwoording opgenomen in een antwoordnota (zie Bijlage 1). De zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen in het plan. Deze aanpassingen zijn uiteengezet in de antwoordnota.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

42 - 45

Hoofdstuk 6

Juridische planopzet

6.1 Plansystematiek Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het handboek. Actuele inzichten ten aanzien van het handboek zijn mede betrokken bij het opstellen van de planregels Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 tot en met 7). Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 8 tot en met 11). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 12 en 13). De planregels zijn opgedeeld in: 1. de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt; 2. bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken; 3. specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden en 4. het afwijken van de gebruiksregels.

6.2 Bestemmingen Recreatie - Verbijfsrecreatie Voor de camperkampeerplaats is de bestemming Recreatie - Verbijfsrecreatie met aanduiding 'kampeerterrein' opgenomen. In de bestemmingsomschrijving is bepaald dat recreatiebedrijven en –voorzieningen en een (kleinschalig) kampeerterrein met maximaal 10 standplaatsen zijn toegestaan. Op deze gronden mag beperkt worden gebouwd (geen gebouwen). Wonen De bestaande woning wordt overeenkomstig de gemeentelijke standaard regels voorzien van een redelijke uitbreiding ter realisering van de, naar de eisen van de tijd, bedoelde vergroting van het woongenot. Het daarvoor benodigde ruimtebeslag wordt tot uitdrukking gebracht in de omvang van de bebouwingszone en/of het achtererf. Nieuwe (ter vervanging van de bestaande) woning zal ook binnen dit regime moeten passen (anders is planherziening noodzakelijk). De camperloften zijn specifiek aangeduid. Onder de bestemming Wonen valt op grond van jurisprudentie ook het aan huis verbonden beroep. De omvang ervan is aan een maximum gebonden, het handhaven van een complete woning in het gebouw blijft vereist. De maat van het beroepsgedeelte is 40% en ten hoogste 45 m². Aan huis verbonden beroepen zijn dus vrij, voor zover de woonfunctie volledig gehandhaafd blijft en de woning als zodanig herkenbaar blijft.

Aan huis verbonden bedrijven zijn niet rechtstreeks toegestaan (maar via een omgevingsvergunning en met vergelijkbare maatvoering, en uitsluitend bij de vrijstaande woning). Waarde - Beschermd dorpsgezicht Het beleid is gericht op het beperken van de aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden en beeldkwaliteit, zoals vastgelegd in de Beschrijving Beschermd Dorpsgezicht en welstandsnota. Ter bescherming van de aanwezige kwaliteiten van het Beschermde Dorpsgezicht Hurwenen is een afzonderlijke regeling (dubbelbestemming) aan het plan toegevoegd, overeenkomstig de regeling in het vigerend bestemmingsplan Rossum en Hurwenen. Deze regeling legt extra voorwaarden op aan de bouwmogelijkheden. Daarnaast zijn een aanlegvergunning en een sloopvergunning onderdeel van deze regeling.

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

43 - 45

Parapluplannen De regels van het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2018' en het ontwerpbestemmingsplan 'Parapluherziening verkamering woningen 2020' van de gemeente Maasdriel zijn overeenkomstig opgenomen in dit plan (Begrippen, Algemene gebruiksregels, Algemene afwijkingsregels,Overige regels)

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

44 - 45

Eindnoten

1. ABRS 22 juli 2009, zaaknummer 200806481/1/R2 2. ABRvS 23 september 2009 (zaaknr. 200900570/1/R2), ABRvS 31 maart 2010 (zaaknr. 200904633/1/R2) en ABRvS 18 mei 2011 (zaaknr. 201001510/1/R). Zie tevens noot van Vogelesang-Stoute in Milieu en Recht (2011/174)

(vastgesteld) Hurwenen herziening 2020, Groenestraat 2a en 2b NL.IMRO.0263.BP1198-VG01

45 - 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10762721/1