Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 vastgesteld 1 Toelichting
Tekst van het document
Uit jurisprudentie blijkt dat het oordeel of een ruimtelijke ontwikkeling wel of niet aangemerkt kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject onder andere afhangt van de aard en omvang van het plan/ voornemen en de vraag of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Op basis van de VNG-richtafstanden lijst zal de hinder in de nieuwe situatie (opslagbedrijf in maximaal milieucategorie 2) afnemen ten opzichte van de oude situatie (veehouderij, milieucategorie 3.1). Ook de bebouwde oppervlakte en de verkeersbewegingen nemen af. Op basis hiervan hoeft geen m.e.r.-(beoordelings)procedure te worden doorlopen
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
27 - 49
Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
4.2.1.2 Onderzoek Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven waar en voor welke bodemverstoringen vrijstelling verleend wordt van archeologisch onderzoek. Daarvoor zijn negen categorieën archeologische waarden onderscheiden: Waarde-Archeologie 1 t/m 8 en geen Waarde- Archeologie. In de tabel is te zien welke vrijstelling per archeologische waarde geldt. De vrijstellingsgrenzen zijn uitgedrukt in een oppervlakte en een diepte. De onderzoekplicht geldt wanneer zowel de diepte- als ook de oppervlaktemaat door bodemingrepen wordt overschreden. Voor het oprichten van bouwwerken binnen bouwvlakken geldt geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden.
Er gelden voor het plangebied een verwachtingswaarde Waarde - Archeologie 5. Hiervoor geldt een vrijstellingsgrens van 30 cm en 1000m2. Ter plaatse van de bestaande bedrijfsgebouwen is de ondergrond tot een diepte van 250 cm onder maaiveld verstoord door realisatie van mestkelders. De nieuwe bebouwing wordt deels gerealiseerd op de bestaande fundering. De verstoringsoppervlakte wordt bepaald door de nieuwbouw buiten de bestaande fundering (achterste gedeelte van het nieuwe bouwvlak). De oppervlakte van het bouwvlak buiten de bestaande stalfundering bedraagt 513 m2. In de 513 m2 welke nu nodig is voor realisatie van de nieuwe hal/loods is in het verleden gegraven tot
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
28 - 49
60 cm onder maaiveld t.b.v. van de aanleg van de erfverharding en kuilplaten. Archeologisch onderzoek kan achterwege blijven (is kleiner dan 1000m2). De archeologische dubbelbestemmingen uit het moederplan blijven onverminderd van toepassing. Archeologische toevalsvondst Indien bij de uitvoeringsfase van de sloop-, bouw-, sanerings- of graafwerkzaamheden archeologische resten aan het licht komen dan wel redelijkerwijs kan vermoeden dat het om archeologische resten handelt, dienen deze zo spoedig mogelijk gemeld te worden. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht conform art. 5.10 Erfgoedwet. Opdrachtgever verplicht de aannemer(s) dan ook om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de graafwerkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten zo spoedig mogelijk te melden bij de Minister van OCW, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Tevens dienen direct en zonder omhaal de provincie, als mogelijk eigenaar van de vondsten, en de lokale overheid, de betreffende gemeente, van de melding archeologische toevalsvondst op de hoogte gesteld te worden. 4.2.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in een bestemmingsplan aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 4.2.2.2 Onderzoek Het plan betreft de sloop van voormalige veestallen en de bouw van een opslaglooods. Er is geen sprake van een monumentale status. Er zijn (in de directe omgeving van) het plangebied geen rijks- en gemeentelijke (gebouwde) monumenten of archeologische rijksmonumenten aanwezig.
De planlocatie ligt op een blijkens de geomorfologische kaart op een stroomrug. De verkaveling rond de planlocatie is ten opzichte van 1874 iets kleinschaliger geworden. Verder kenmerkt dit gebied zich in de afgelopen 1,5 eeuw door relatief weinig opgaande (kavel) beplanting. Afgezien van de bebouwing en de tegenwoordige fruitgaarden is het een tamelijk open gebied. Voor de inpassing van de nieuwe bebouwing is een beplantingsplan gemaakt, zie Bijlage 1 De vorm van de verkaveling en de structuur van het bebouwde lint blijven ongewijzigd. 4.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. De nieuwbouwwoning voegt zich in het bestaande verkavelingspatroon van de stroomrug.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
29 - 49
4.3 Water 4.3.1 Wettelijk kader Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en opgenomen in het nieuwe Nationaal Waterplan voor de periode 2016–2021. Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (onder meer Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in het Nationaal Waterplan. De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht. Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma’s op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
30 - 49
(GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Beleid waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 Vanuit de Wet Milieubeheer is het verplicht om een gemeentelijk rioleringsplan te hebben. Sinds 2012 stellen gemeente Maasdriel en gemeente Zaltbommel een water- en rioleringsplan op. Het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 met bijbehorend uitvoeringsprogramma en kostendekkingsplan is op 19 mei 2022 vastgesteld. Bij (her)ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op de waterhuishoudkundige situatie moeten zowel de gemeente Maasdriel als het waterschap Rivierenland hun goedkeuring geven op de plannen. De initiatiefnemer is verantwoordelijk dat het watertoetsproces met de gemeente alsmede het waterschap doorlopen wordt. Indien wenselijk dan kan op wens en op initiatief van de initiatiefnemer een gezamenlijk proces doorlopen worden. In het WRP is aangegeven welke eisen worden gesteld aan de waterparagraaf.
4.3.2 Onderzoek 4.3.2.1 Huidige situatie Watergangen Grenzend aan het plangebied, in openbaar gebied, ligt een c-watergang.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
31 - 49
Waterkwaliteit (algemeen) Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Grondwater De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het plangebied ligt ongeveer op 1,4m. -mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt op >1,8m. -mv.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
32 - 49
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied. De Klimaateffectatlas geeft een eerste indruk van hoe kwetsbaar verschillende gebieden in Nederland zijn voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming. Volgens de atlas zijn de risico's op droogtestress matig, voor ondergrondverdichting van nu nog onverharde grond matig, er is een matige kans op zuurstofstress (15-40% jaarlijkse opbrengstderving bij gras), er zijn geen tekorten aan oppervlaktewater en er is geen noemenswaardige bodemdaling. Evenmin is er sprake van wateroverlast, zie hiervoor onderstaande figuur.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
33 - 49
Hoogteligging Er is een hoogtebepaling gedaan op basis van een AHN van het plangebied. Deze maaiveldhoogten in het plangebied zijn weergegeven in onderstaande figuur. Op basis van de informatie uit het Actueel Hoogtebestand Nederland over het maaiveld blijkt dat de maaiveldhoogte varieert van NAP 3,4 (wegzijde) tot NAP 3,2 m (naar achteren).
4.3.2.2 Toekomstige situatie Riolering De nieuwe bebouwing zal worden aangesloten op de bestaande rioolaansluiting. Oppervlaktewater Werkzaamheden in de watergang zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. Het plan behelst geen werkzaamheden in de watergang. Dit plan behelst de sloop van bestaande bedrijfsgebouwen en het terugbouwen van een kleiner oppervlak bedrijfsbebouwing. Dit heeft geen invloed op de aanwezige watergangen. Er liggen C-watergangen aan de voorzijde van het perceel, langs de weg. Op het perceel is reeds een inrit aanwezig, waardoor er geen hoeft te worden toegevoegd. Grondwater Er geldt een ontwateringseis van 1 meter voor nieuwbouwlocaties. Om voldoende droge voeten te houden zijn er normen gesteld aan de minimale ontwatering voor nieuwbouwlocaties. De GHG in het plangebied ligt ongeveer op 1,4m -mv. Er wordt derhave voldaan aan de ontwateringseis. Hemelwater Het hemelwater dient op eigen terrein geborgen te worden. Als het daar niet verwerkt kan worden dan mag het vertraagd afgevoerd worden naar een watergang, mits de eigenaar van de watergang daar akkoord mee is. Voor dit plan waarbij de bestaande bedrijfsgebouwen wordt gesloopt en een kleiner oppervlak bedrijfsbebouwing terugkomt is er een afname van het verhard oppervlak.
Doordat er een afname van het verhard oppervlak is, zijn op basis van het beleid van waterschap Rivierenland compenserende maatregelen niet verplicht. Echter de gemeente Maasdriel heeft in haar beleid opgenomen dat hemelwater bij nieuwbouwontwikkeling geborgd moet worden binnen het plangebied. Hiervoor wordt dezelfde rekenmethode gebruikt als bij de compensatieverplichting.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
34 - 49
Wanneer een grotere bui valt dan de vereiste 43,6 mm kan het oppervlakkig naar het gemeentelijke terrein afgevoerd worden. De hemelwatervoorziening kan uitgevoerd worden als een watergang of wadi en de compensatienorm is 43,6 mm/m2 (t=10+10%) voor alle nieuwe verhard oppervlak binnen het plangebied. Indien dit redelijkwijs niet haalbaar is kan in overleg met de gemeente van deze eis afgeweken worden.
De verharde oppervlakte in de nieuwe situatie bedraagt 3997 m2. De omvang van de compenserende waterberging moet derhalve minimaal 174 m3 bedragen en voldoen aan de volgende eisen: - De bodem van de voorziening dient minimaal 30 cm boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand te liggen; - De voorziening moet reinigbaar en inspecteerbaar zijn; - De afvoer uit de voorziening moet plaatsvinden via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater of hemelwater- of gemengde riolering. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; - Er moet altijd een overloopconstructie zijn. Het betreft hier een agrarisch bedrijf dat de stallen gaat slopen en er komt een nieuw bedrijfsgebouw voor terug. Het nieuwe bedrijfsgebouw krijgt een geheel andere functie, niet-agrarisch (opslag). Onder de huidige stallen is een grote mestput aanwezig. De gemeente Maasdriel heeft ermee ingestemd dat deze een functie voor waterberging krijgt wanneer die de functie als mestput verliest. De put heeft een capaciteit van ruim 4x de bergingsopgave (ca 800 m3). Op onderstaande figuren is de locatie van het te behouden deel van de mestput aangeduid.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
35 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
36 - 49
Er wordt een overloop gemaakt in de oude mestopslag.Deze zal pas gaan werken indien op opslag voor 3/4 gevuld is door middel van een afvoerbuis van 40 mm. die wordt aangesloten op de bestaande hemelwaterafvoer (125 mm) welke al reeds aanwezig is naast de huidige schuren/ stallen. Deze ligt diep genoeg waardoor deze overloop vanzelf in werking zal treden. Deze is aangesloten op de watergang aan de voorzijde van het perceel. De afvoer van de pijp naar de sloot ligt op voldoende hoogte waardoor er geen terugslagklep gemonteerd hoeft te worden, om teruglopen naar de berging te voorkomen. Wat betreft de opvang van het hemelwater van de erfverharding worden er vuil- en bezinkputjes gerealiseerd om zodoende bladeren, zand etc op te vangen zodat deze niet in de opslag terecht komen. 4.3.2.3 Wateroverleg Voor het plan is de digitale watertoets uitgevoerd op 23 februari 2022 via de website www.dewatertoets.nl. Uit de watertoets blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. De waterparagraaf is hierom op 23-2-2022 aan het waterschap toegezonden. Op 28 februari heeft het waterschap hierop gereageerd. Dit heeft geleid tot een tekstuele aanpassing in het beleidskader.
Verder is er bevestigd dat er voor het waterschap geen compensatie nodig als het gaat om een afname aan verhard oppervlak en worden er vanuit het waterschap geen problemen gezien voor dit plan.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
37 - 49
4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten.
4.4.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en natuurwaarden. In het kader van de Wet natuurbescherming dient een oriënterend onderzoek uitgevoerd te worden naar de mogelijke negatieve effecten voor beschermde flora en fauna. Tevens dient onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling een negatief effect heeft op omliggende Natura2000 gebieden. Voor de dichtstbij gelegen Natura2000 gebieden is bepaald of effecten optreden. Door Blom ecologie is een quickscan uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in Bijlage 3. 4.4.2.1 Gebiedsbescherming Het Gelders Natuurnetwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, maar er worden ook nieuwe natuurgebieden ontwikkeld. Dit netwerk is beschermd en de regels voor bescherming en ontwikkelingsmogelijkheden zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Een deel heeft Europese bescherming: de Natura 2000-gebieden. Er zijn 15 Natura 2000-gebieden in Gelderland. In die gebieden worden maatregelen genomen om de kwaliteit en de soortenrijkdom van de natuur te verbeteren. De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur.
Op een afstand van circa 560 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 580 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 1,0 km ligt Weidevogelgebied (figuur 3.3). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 7,0 km van de planlocatie (figuur 3.4). Op een afstand van circa 31,4 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur. Gezien er sprake is van een ontwikkeling op grote afstand van Natura-2000 wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. De sloop- en bouwactiviteiten zijn ingrepen die aannemelijk leiden tot hoogstens een (zeer) beperkte tijdelijke toename van stikstofemmissie. Hiervoor zijn de effecten berekend door middel van de Aerius calculator. De stikstofemissie heeft geen depositie op Natura2000 tot gevolg. Onderstaand een overzicht van de rekeninstellingen en rekenresultaten. In is een overzicht opgenomen van de bronnen per deelactiviteit.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
38 - 49
Invoergegevens verkeer
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
39 - 49
Invoergegevens werktuigen
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
40 - 49
Rekenresultaten 4.4.2.2 Soortenbescherming Het bestemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Onder de Wet natuurbescherming worden nog 75 soorten vaatplanten beschermd, waaronder soorten die niet eerder werden beschermd. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Het verwijderen van opgaand groen, grondwerkzaamheden, sloopwerkzaamheden en de bouwwerkzaamheden leiden tot verstoring van alle aanwezige soorten. Aangezien er op de locatie ingrepen uitgevoerd worden zijn negatieve effecten op vaste rust- en verblijfsplaatsen van strikt beschermde soorten denkbaar. Ter plaatse is een quickscan uitgevoerd, zie Bijlage 3. Het doel van een quickscan is het opsporen van strijdigheden van de voorgenomen ingreep met de natuurwetgeving en het bepalen of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt.
Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
4.4.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht.
4.5 Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
4.5.1 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een agrarische bestemming (met bouwvlak) naar Bedrijf (opslagbedrijf in maximlaal milieucategorie 2) en Wonen mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
41 - 49
4.5.1.1 Verkeersbewegingen Het plangebied wordt ontsloten op Ammerzodenseweg. De verkeersbewegingen ten behoeve van de opslagfunctie (1500m2, arbeidsextensief/ bezoekersextensief) neemt af ten opzichte van de bestaande situatie met een agrarisch bedrijf (2026m2, arbeidsintensief en bezoekersextensief). In de nieuwe situatie kan de verkeersgeneratie op basis daarvan berekend worden. De norm bedraagt minimaal 3,9 tot maximaal 5,7 wat neerkomt op 58,5 - 85,5 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Ook is er gekeken naar de feitelijke verkeersbewegingen in de huidige situatie en nieuwe situatie. De ritten voor melk ophalen, leveringen, veehandelaar, mest uitrijden, maaien, mais hakselen etc komen neer op minimaal 4000 per jaar, waarvan met name mest uitrijden de meeste ritten genereert (4x per jaar een week lang, 10 wagens per dag). De motorvoertuigbewgingen bedragen voor de huidige situatie circa 15 per weekdagetmaal. Voor de nieuwe situatie is het minimum al aan de hoge kant. Dat komt omdat het opslag van grote goederen betreft, zonder bedrijfsactiviteiten ter plaatse. Zo bezien verslechtert de verkeerssituatie in de nieuwe situatie. De verkeersgeneratie is evenwel zeer beperkt in relatie tot de wegintensiteit. De Ammerzodenseweg heeft voldoende capaciteit om de ritgeneratie te kunnen verwerken.
De nieuwe woonbestemming is toegekend voor de bestaande bedrijfswoning, waarvoor hieraan ook geen verkeersgeneratie hoeft te worden toegeschreven. 4.5.1.2 Parkeren Met een paraplubestemmingsplan parkeren heeft de gemeente Maasdriel voor haar grondgebied haar parkeerbeleid juridisch-planologisch vastgelegd. Ten aanzien van parkeren zijn in het mobiliteitsplan gemeentelijke parkeernormen vastgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Iedere ontwikkeling moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen en goede fietsvoorzieningen. Daarmee wordt in ieder geval de eigen parkeerbehoefte van de ontwikkeling opgevangen. Indien sprake is van nieuwbouw of wijziging van gebruik plaatsvindt, zal de parkeerbehoefte in de vorm van een aantal benodigde parkeerplaatsen in beeld worden gebracht. De parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van parkeernormen. De parkeernormen zijn gekoppeld aan het type functie dat op de betreffende locatie wordt gerealiseerd. Het beleid en de opgenomen parkeernormen zijn grotendeels gebaseerd op de CROW-publicatie 182 uit 2008. Inmiddels heeft de CROW in 2012 publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' uitgebracht met daarin recentere kngetallen ten aanzien van bijvoorbeeld het aspect parkeren. De gemeente Maasdriel heeft met de Nota Parkeernormen 2020 aan de hand van deze recentere kengetallen haar beleid een update gegeven.
In het paraplubestemmingsplan is hierin voorzien door het opnemen van een zogenoemde 'dynamische regeling'. Het toepassen van de norm op een parkeersituatie van een agrarisch bedrijf sluit niet aan bij het werkelijk gebruik. De parkeerbehoefte ten behoeve van de opslagfunctie (1500m2, arbeidsextensief/ bezoekersextensief) bedraagt maximaal 1,3 per 100 m2 bvo. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van 15 * 1,3 = 19,5 parkeerplaatsen. De ruimte hiervoor is aanwezig, zoals weergegeven op onderstaande tekening.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
42 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
43 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
44 - 49
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
5.1.1 Beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’ (nieuw hoofdgebouw). Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderzins is verzekerd. De gemeente Maasdriel sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin ook de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten wordt vastgelegd.
5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Voor het plan is de digitale watertoets uitgevoerd op 23 februari 2022 via de website www.dewatertoets.nl. Het ruimtelijk plan is in het kader van de watertoets toegestuurd aan Waterschap Rivierenland. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan is 6 weken ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
45 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
46 - 49
Hoofdstuk 6
Juridische planopzet
6.1 Bestemmingsplan Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de verbeelding. Vervolgens wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Daarna wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten. Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het plangebied. Dit bestemmingsplan sluit aan bij moederplan 'Buitengebied herziening 2016' van de gemeente Maasdriel. Middels dit bestemmingsplan is getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid conform artikel 42.2. van het bestemmingsplan waarmee de bestemming Agrarisch gewijzigd kan worden naar de bestemming Wonen. In deze wijzigingsbevoegdheid wordt verwezen naar het beleidskader 'Handreiking hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied'.
Aan de voorwaarden kan worden voldaan, zie paragraaf 3.3.1). Vanwege de gelijktijdige herbestemming van de bedrijfswoning Ammerzodenseweg 34 naar Wonen is een bestemmingsplanherziening voorbereid.
6.2 Toelichting op de regels en de kaart De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De opbouw is als volgt: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en bepalingen over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels; Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen; Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels; Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregel met daarin de titel van het bestemmingsplan.
6.3 Bestemmingsregeling In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Agrarisch; Bedrijf; Wonen; Waarde - Archeologie 5 Agrarisch Het achterste gedeelte van het voormalig agrarisch bouwvlak is in het plan meegenomen. Hier blijft de agrarische bestemming van toepassing, echter is het bouwvlak vervallen. Bedrijf Het voormalige agrarische bedrijf met de bedrijfswoning Ammerzodenseweg 36 zijn bestemd als Bedrijf. Met een functieaanduiding is in de regels bepaald dat hier een opslagbedrijf in maximaal milieucategorie 2 is toegelaten. Bouwverbod De bouw van de opslagloods wordt mogelijk gemaakt op basis van het beleid over vrijgekomen agrarische bebouwing door sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen aan de Ammerzodenseweg 36. Om dat beleid te waarborgen,
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
47 - 49
waaronder sloop van de bedrijfsbebouwing, is in de regels (4.3) een voorwaardelijke verplichting opgenomen, dat bouw van binnen het bouwvlak uitsluitend is toegestaan, wanneer alle bedrijfsbebouwing is gesloopt. Wonen De gronden binnen “Wonen” zijn bestemd voor woondoeleinden. Dit is van toepassing op de voormalige bedrijfswoning Ammerzodenseweg 34. Voor de situering en maatvoering van de woningen zijn er bepalingen opgenomen met betrekking tot: Situering gebouwen Teneinde de toekomstige situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor de woningen is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in een bouwvlak en een onbenoemd deel, de voor- en gedeeltelijk zijtuinen. De woning is enkel toegelaten binnen het aangeduide bouwvlak. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn zowel binnen het bouwvlak als binnen de aanduiding bijgebouwen toegestaan. Goot- en bouwhoogte De maximale goot- en bouwhoogte voor woningen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn in de regels vastgelegd. De maximale inhoud van de woning mag 750 m3 bedragen met een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 6 meter respectievelijk 10 meter. Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de nieuwe woning geldt dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m2 mag bedragen met een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 3,5 meter respectievelijk 6 meter.
Tevens is het toegestaan om ondergeschikt aan de functie wonen een deel van de woning en/of bijgebouwen, met een maximum van 40 % van de op een perceel toegestane bebouwde oppervlakte, te gebruiken voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep. Indien voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden kunnen burgemeester en wethouders ook een omgevingsvergunning verlenen teneinde een aan huis verbonden bedrijf toe te staan. Archeologie Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden ook te beschermen tegen eventuele toekomstige grootschaligere ingrepen is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ vigerend overgenomen.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
48 - 49
Eindnoten
1. ABRS 22 juli 2009, zaaknummer 200806481/1/R2 2. ABRvS 23 september 2009 (zaaknr. 200900570/1/R2), ABRvS 31 maart 2010 (zaaknr. 200904633/1/R2) en ABRvS 18 mei 2011 (zaaknr. 201001510/1/R). Zie tevens noot van Vogelesang-Stoute in Milieu en Recht (2011/174)
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
49 - 49