Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 vastgesteld 1 Toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED HERZIENING 2022, AMMERZODENSEWEG 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
vastgesteld 18 juli 2023
Buitengebied herziening 2022, Ammerzodensewe g 34-36
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) 1.4 Leeswijzer toelichting
3 3 3 5 6
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied 2.2 Toekomstige situatie plangebied
7 7 8
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
11 11 12 13 16
Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1 Milieu 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Water 4.4 Flora en Fauna 4.5 Verkeer en parkeren
19 19 27 30 38 41
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45 45 45
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Bestemmingsplan 6.2 Toelichting op de regels en de kaart 6.3 Bestemmingsregeling
47 47 47 47
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
2 - 49
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Op de planlocatie Ammerzodenseweg 34 en 36 te Hedel, kadastraal bekend Hedel sectie L, perceelsnummer 896, 933 en 895, is de veehouderij beëindigd. De locatie wil de huidige eigenaar gebruiken voor een opslagbedrijf. De gemeente heeft principemedewerking toegezegd aan de functiewijziging. Van de twee voormalige agrarische bedrijfswoningen zal er één bij het opslagbedrijf blijven behoren (nummer 36) en wordt afgesplitst. Na sloop van de incourante bedrijfsgebouwen en verwijdering van de voorzieningen zal een nieuwe loods worden opgericht welke in gebruik wordt genomen ten behoeve van opslag. Het plan voldoet aan de huidige regeling 'beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied' (hierna: VAB-regeling). Er zijn 2008 m2 aan voormalige reguliere bedrijfsgebouwen (stallen), waarvan op grond van de VAB regeling 1631m2 in gebruik mag worden genomen voor opslag. Om de ontwikkeling te realiseren is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.2 Ligging plangebied Het planvoornemen heeft betrekking op het agrarisch bedrijf aan Ammerzodenseweg 34 en 36 te Hedel, kadastraal bekend Hedel sectie L, perceelsnummer 896, 933 en 895. Op navolgende figuur zijn de (delen van de) kadastrale percelen waarop het plan betrekking heeft overzichtelijk weergegeven. De slooplocatie ligt in Hedel aan de doorgaande weg net buiten de kom volgens de Wegenverkeerswet.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
3 - 49
Ligging plangebied (bron: www.pdok.nl) In navolgende figuur is de kadastrale ondergrond met de begrenzing van het plangebied weergegeven.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
4 - 49
Kadastrale situatie in en om het plangebied
1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) Voor de planlocatie is op 26 juni 2019 het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016 vastgesteld. Op grond van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" geldt ter plaatse de bestemming 'Agrarisch'. De bij de bestemming Agrarisch behorende regels zijn opgenomen in artikel 3 van het bestemmingsplan. De als 'Agrarisch' aangegeven gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Per op de kaart bestemmingen aangegeven agrarisch bouwperceel is maximaal één grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Daarbij zijn twee bedrijfswoningen toegelaten. Het perceel met nummer 933 ligt buiten het bouwvlak. Alle bestaande bebouwing ligt wel binnen het bouwvlak. Beide woningen vormen onderdeel van het agrarisch bedrijf waarvoor een bouwvlak is opgenomen in het plan. Het bouwvlak is niet voorzien van een specifieke functieaanduiding. Op grond van artikel 42.2. van het bestemmingsplan kan de bestemming agrarisch bedrijf gewijzigd worden naar ondermeer Bedrijf of Wonen. Indien de bestemming wordt gewijzigd dient aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de randvoorwaarden en uitgangspunten die zijn gesteld in het 'Handreiking hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied', welke op 30 maart 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad, of haar rechtsopvolger.
Een toets aan dit beleid wordt gedaan in paragraaf 3.3.1
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
5 - 49
Voor de planlocatie geldt tevens de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5. De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan de vrijstellingsnorm in m2 en dieper dan 30 centimeter, een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Met voorliggend bestemmingsplan wordt ter plaatse van Ammerzodenseweg 34-36 de bestemming gewijzigd van Agrarisch (met bouwvlak) naar gedeeltelijk Bedrijf en gedeeltelijk Wonen, waardoor een woning gebouwd kan gaan worden. Deze aanpassing wordt mogelijk gemaakt door de VAB-regeling, waarbij de agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. De overige gronden die niet naar Bedrijf cq. Wonen worden omgezet behouden de betreffende agrarische bestemming. Deze gronden blijven dus bestemd voor agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik. Deze zijn binnen het plangebied betrokken omdat hier het bouwvlak met het bestemmingsplan is weggenomen.
1.4 Leeswijzer toelichting In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Daarbij komen zowel de ruimtelijke als functionele opbouw aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het aanwezige beleidskader behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten en volgen de randvoorwaarden die voortkomen uit planologische- en milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
6 - 49
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied De locatie Ammerzodenseweg 34 en 36 is gelegen in het buitengebied van Maasdriel. De Ammerzodenseweg is doorgaande weg tussen Hedel en Ammerzoden met daaraan voornamelijk (oorspronkelijk) agrarische bedrijvigheid, hoewel er ook woningen en bedrijven aan zijn gelegen. Het agrarisch bedrijf waarbij de bedrijfswoningen Ammerzodenseweg 34 en 36 zijn gebouwd was een (melk)veehouderij.
De bedrijfswoning nummer 34 is gebouwd in 1990. De woning Ammerzodenseweg 34 heeft nu en in de nieuwe situatie geen binding meer met het bedrijf. Anders gezegd, de noodzaak ten behoeve van de bedrijfsvoering kan niet worden aangetoond. De bedrijfswoning Ammerzodenseweg 36 is herbouwd in 2008. De woning op nummer 36 blijft in de nieuwe, gewenste, situatie bij het opslagbedrijf behoren, deze wordt en blijft bewoond door de initiatiefnemer en eigenaar. Het kadastraal perceel Hedel sectie L, perceelsnummer 933 is in het verleden aangekocht van de toenmalige buurman. Dit perceel is (deels) in gebruik genomen als tuin bij de bedrijfswoning nr. 36, al voor dat deze werd herbouwd in 2008.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
7 - 49
Uit de bij het streekarchief beschikbare gegevens blijkt dat er decennia sprake is geweest van een veehouderij. Alle in de BGT opgenomen bedrijfsgebouwen (zie bovenstaand figuur) zijn vergund in de jaren 1959-1994. Deze vergunde bedrijfsbebouwing heeft een oppervlakte van in totaal 2008m2. De inhoud van de bedrijfsgebouwen bedraagt in totaal 9522,97m2.
2.2 Toekomstige situatie plangebied De bestaande bedrijfsgebouwen zijn verouderd en voorzien van asbestdaken. Voor een opslagbedrijf zijn de gebouwen niet goed geschikt (te maken). De wens is om een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren, zie onderstaand figuur. Alle bestaande agrarische bebouwing en voorzieningen zullen worden verwijderd. De fundering en mestkelders (in de nieuwe situatie niet meer in gebruik) onder de bestaande bebouwing zal gebruikt worden als nieuwe fundering. De achtergrens van de nieuwe bestemming Bedrijf is achter de nieuwe loods gelegd, dat betekent dat de achtergrens van het bestaande bouwvlak naar voren komt. De openingen van de nieuwe loods komen aan de oostkant, alwaar verharding wordt gerealiseerd voor het manoeuvreren. Alle bestaande bebouwing, opslagcontainers, kuilvoeropslag, andere buitenopslag en sleufsilo's worden verwijderd. Het perceel wordt landschappelijk ingepast. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt, zie Bijlage 1. De bestaande woning nummer 34 krijgt de bestemming Wonen.Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen is een geluidmuur benodigd op de grens tussen de woonbestemming en de bedrijfsbestemming. Het perceel met nummer 933 krijgt de bestemming Bedrijf, om zodoende te kunnen gebruiken als tuin bij de bedrijfswoning. Een en ander is verduidelijkt in onderstaand figuur.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
8 - 49
De nieuwe opslagloods heeft een maximum inhoud van 9360m3.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
9 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
10 - 49
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk komen alle relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten aan de orde. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is daarmee vervallen. Deze Omgevingsvisie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Conclusie Het initiatief heeft geen betrekking op één van de rijksbelangen die zijn opgenomen in de NOVI. Het initiatief past dan ook binnen de beleidskader van de NOVI.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geactualiseerd in juni 2017. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. De ladder duurzame verstedelijking is van toepassing bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op basis van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: "Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Voorziet het plan in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
11 - 49
gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals de Ruimte voor ruimteregelingen, niet gezien worden als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. In de jurisprudentie is bijvoorbeeld uitgemaakt dat het anders situeren van bedrijfsfunctie op een bedrijventerrein, waarbij het aantal vierkante meters per saldo afneemt, niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op voorwaarde dat er geen sprake is van Laddergevoelige functies zoals winkels en kantoren. Conclusie De functiewijziging van de tweede bedrijfswoning is geen stedelijke ontwikkeling. De functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar, en de realisatie van een nieuwe loods voor een opslagbedrijf komt voort uit een regeling die bebouwing reduceert en waarbij een andere (niet Laddergevoelige) bedrijfsfunctie wordt gerealiseerd. Er is derhalve wel sprake van een stedelijke ontwikkeling maar niet een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor de Laddertoets moet worden doorlopen.
3.2 Provinciaal beleid Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 de nieuwe Omgevingsvisie en geactualiseerde Omgevingsverordening vastgesteld.
3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland In de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie (moederplan vastgesteld door PS op 9 juli 2014) zijn de wijzigingen van een aantal besluiten verwerkt. Dit is nu de meest actuele versie van de Omgevingsvisie Gelderland. De provincie legt de focus op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland door zeven met elkaar samenhangende ambities na te streven waar het verschil kan worden gemaakt voor een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. Een van de ambities is het streven naar een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat. In de aanpak hiernaartoe wordt aangegeven dat het concentreren van economische activiteiten daarbij de voorkeur heeft, boven versnippering. En: het omvormen van bestaande en leegstaande bedrijvenlocaties gaat boven de aanleg van nieuwe terreinen. Planspecifiek Het initiatief draagt door transformatie van een voormalig agrarisch bedrijf bij aan de ambities die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Een omgevingsverordening is een juridische vastlegging van de provinciale omgevingsvisie. In de geactualiseerde Omgevingsverordening Gelderland van december 2018, staan de regels die de provincie Gelderland stelt aan de bestemmingsplannen van gemeenten. De verordening voorziet niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De provincie zet de Omgevingsverordening als juridisch instrument in om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen op die onderdelen waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen te waarborgen of om te voldoen aan wettelijke verplichtingen. De regels uit de verordening zijn kaderstellend voor gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen. Daarnaast worden de gebieden waarbinnen bepaalde regels gelden in de Omgevingsverordening concreet begrensd. De verordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. De regels en overige voorwaarden uit de verordening hebben onder meer betrekking op (nieuwe) woningbouwlocaties, (nieuwe) bedrijventerreinen, detailhandel, recreatieterreinen, land- en tuinbouw, natuur en landschap (Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones, Waardevol Open
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
12 - 49
Gebied en Nieuwe Hollandse Waterlinie), waterwingebieden en duurzame energie. De directe omgeving van het plangebied is aangeduid als Verwevingsgebied - niet grondgebonden veehouderij. Artikel 2.5.4.1 bepaalt dat een bestemmingsplan nieuwvestiging van niet – grondgebonden veehouderijbedrijven binnen deze zone niet toestaat. Planspecifiek In de Omgevingsverordening zijn geen relevante regels voor de met dit bestemmingsplan voorgestane ontwikkeling opgenomen.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Beleidskader hergebruik vrijgekomen bedrijfsbebouwing in het buitengebied (VAB) Bommelerwaard Op 6 juni 2008 is het Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied voor de regio Rivierenland vastgesteld. Op 5 maart 2015 heeft de gemeenteraad van Maasdriel een besluitdocument vastgesteld, waar op een aantal onderdelen het regionale VAB beleid is aangevuld. In maart 2017 is het beleid geheel geactualiseerd door gemeenten Zaltbommel en Maasdriel. 3.3.1.1 Algemene voorwaarden Door hergebruik en functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied willen de samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland de vitaliteit en de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het buitengebied behouden en vergroten, zonder de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven te beperken. Er zijn een aantal uitgangspunten waaraan hergebruik en functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied in alle gevallen moet voldoen. Dit betreffen de volgende algemene voorwaarden: 1. de regeling voor functieverandering is alleen van toepassing op vrijkomende en vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied die met een vergunning is opgericht en minstens vijf jaar rechtmatig is gebruikt (d.w.z. conform de bestemming uit het vigerende bestemmingsplan); 2.
de regeling voor functieverandering geldt voor recent vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen (met een agrarische bestemming) maar ook voor eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen (waarvan de bestemming al is omgezet in bijvoorbeeld een woonbestemming). In dit beleidskader is voor beide soorten bebouwing het begrip vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied•van toepassing; 3. bij functieverandering moet uiteraard worden voldaan aan alle geldende wet- en regelgeving op het gebied van o.a. geluid, luchtkwaliteit, natuur en flora- en fauna; 4. functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende (agrarische) bedrijven; 5. bij functieverandering moet de bestaande infrastructuur toereikend zijn voor de nieuwe functie. Nieuwe functies mogen dan ook geen grote verkeersaantrekkende werking hebben; 6. nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied; 7. buitenopslag van goederen en stalling buiten is niet toegestaan; 8. detailhandel is slechts toegestaan voor kleinschalige verkoop van ter plaatse geproduceerde of streekeigen producten waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de hoofdfunctie; 9.
functieverandering wordt geeffectueerd door aanpassing van de agrarische bestemming binnen afzienbare termijn; 10. overige gronden, die niet tot de nieuwe functie behoren, krijgen een agrarische bestemming zonder bouwvlak; 11. indien sprake is van een wijziging in een bedrijfsmatige functie dient de bedrijfslogistiek, waaronder laad- en losactiviteiten en parkeren worden verstaan, geheel op eigen erf te worden afgewikkeld dan wel plaats te vinden; 12. de gemeente kan een eigen systeem van extra verevening hanteren. De regeling voor hergebruik omvat de volgende specifieke voorwaarden:
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
13 - 49
a.
b. c. d. e. f.
g.
h.
vestiging van bepaalde typen bedrijvigheid wordt alleen toelaatbaar geacht wanneer een deel van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De hoeveelheid te slopen bedrijfsgebouwen is afhankelijk van de functie van het bedrijf dat zich er wil vestigen (zie navolgende tabel). Bebouwing met monumentale of karakteristieke waarde mag onder de voorwaarden zoals verwoord in deze paragraaf en paragraaf 2.2 door alle soorten bedrijvigheid volledig worden hergebruikt; de (eventuele) voormalige agrarische bedrijfswoning dient te worden herbestemd tot bedrijfswoning, er mag geen separate burgerwoning ontstaan; buitenopslag van goederen en stalling is buiten niet toegestaan; de nieuwe functie mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben; de nieuwe functie mag geen onevenredige milieuhinder voor de omgeving of omliggende natuur veroorzaken; per locatie mag één vorm van niet-agrarische bedrijfsactiviteit plaatsvinden, zoals genoemd onder 4.3. In de onderstaande tabel wordt voor elke type toegestane bedrijvigheid aangegeven tot welke omvang de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mogen worden hergebruikt voor de nieuwe bedrijfsfunctie. De resterende bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt.
Enkele vormen van bedrijvigheid worden in het buitengebied sowieso niet toegestaan vanwege de verkeersaantrekkende werking, de milieuhinder, de planologische situatie of een landschappelijk ongewenste activiteit. Dit zijn: 1. detailhandel, anders dan kleinschalige verkoop van ter plaatse geproduceerde of streekeigen producten waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de hoofdfunctie (nevenactiviteit); 2. bedrijven met een gemiddelde of hoge milieubelasting (3 en 4 volgens VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'), met uitzondering van bedrijven van categorie 3 die sterk aan de agrarische sector verwant zijn. Voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid geldt dat maximaal 500 m2 van de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag worden hergebruikt voor de nieuwe functie. Alleen voor stallingsbedrijven van mobiele kampeermiddelen en opslagfuncties willen de gemeenten het toestaan om een groter deel van de vrijgekomen bebouwing te hergebruiken. Omdat de waarde van opslaggebouwen in het algemeen vrij laag is, zijn wij van mening dat de kosten voor sloop van de overtollige bebouwing niet kunnen worden terugverdiend wanneer slechts 500 m2 mag worden hergebruikt voor opslag.
Daarom willen de gemeenten het toestaan om bovenop de 500 m2 die mag worden hergebruikt voor niet aan het buitengebied gebonden functies, nog eens 75% van de overtollige bedrijfsgebouwen te hergebruiken voor opslag. De overige 25% van de bebouwing moet worden gesloopt. Vrijgekomen paddenstoelencellen mogen zelfs voor 100% worden hergebruikt voor opslagdoeleinden. Vanwege de hoge kosten voor sloop, achten de gemeenten ook sloop van een beperkt gedeelte van de vrijgekomen bebouwing niet haalbaar. Voor wat betreft de stalling (stille opslag) van mobiele kampeermiddelen – zoals caravans, vouwwagens en campers – en boten mag eveneens 100% van de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen dan wel paddenstoelencellen worden hergebruikt. De gemeenten constateren een grote maatschappelijke behoefte aan
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
14 - 49
i.
j. k. l.
stallingsruimte voor mobiele kampeermiddelen. Doorgaans is verplaatsing naar een bedrijventerrein voor dergelijke bedrijven financieel-economisch niet uitvoerbaar. Door deze vorm van hergebruik van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, faciliteren de gemeenten in een maatschappelijke behoefte. Alle overtollige voormalige agrarische bouwwerken (uitgezonderd de gebouwen), zoals silo's of voer- of mestplaten, moeten wel worden verwijderd. Aan vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, die voor 100% van de omvang hergebruikt wordt voor stallingsen opslagactiviteiten, worden na wijziging van de agrarische bestemming in een bedrijfsbestemming geen uitbreidingsmogelijkheden meer toegekend. In het voorgaande wordt er (impliciet) van uit gegaan dat het hergebruik plaatsvindt in bestaande gebouwen. Vaak kan echter met volledige sloop en herbouw een grotere kwaliteitsverbetering plaatsvinden.
Onder de volgende voorwaarden wordt daarom ook medewerking verleend aan sloop en herbouw: de maximale bouwmogelijkheden in m2 zijn gelijk aan die van gebruikmaking van bestaande bebouwing (zie hiervoor de voorgaande tabel), met dien verstande dat er altijd minimaal een reductie van 25% van de oorspronkelijke bebouwing dient plaats te vinden; de inhoud van de nieuwe bebouwing mag niet meer bedragen dan die van de bestaande (te slopen) bebouwing; qua maatvoering gelden de reguliere bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan; het bouwplan dient te worden voorzien van een inrichtingsplan, waarbij de landschappelijke inpassing afdoende is geregeld, e.e.a. ter beoordeling aan een ter zake deskundige;
3.3.1.2 Doorwerking planvoornemen Een toets van het initiatief aan de algemene voorwaarden: 1. Blijkens de gegevens die beschikbaar zijn via het streekarchief is hiervan sprake. 2. Er is sprake van eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen waarvan de bestemming nog niet is omgezet. 3. Zie Hoofdstuk 4. 4. Zie Hoofdstuk 4. 5. De verkeersbewegingen nemen af, zie paragraaf 4.5. 6. Er is een landschappelijk inpassingsplan worden uitgewerkt, zie PM 7. Buitenopslag van goederen en stalling buiten is met de planregels van voorliggend bestemmingsplan expliciet uitgesloten; 8. De planregels zijn afgestemd op de voorwaarden met betrekking tot detailhandel. 9. Het agrarisch bouwvlak komt met voorliggende bestemmingsplan te vervallen. 10. Het agrarisch bouwvlak komt met voorliggende bestemmingsplan te vervallen. 11. de bestemming Bedrijf is (net) ruim genoeg om het manouvreren voor het bedrijf mogelijk te maken. In verband met de transportcombinatie (traktor met lange opleggers) is het verder verkleinen van de bedrijfsbestemming niet mogelijk. 12. extra verevening is niet van toepassing. Een toets aan de specifieke voorwaarden: a. De bebouwing wordt geheel gesloopt en de bebouwing wordt gedeeltelijk teruggebouwd. b. Er zijn in casu twee voormalige bedrijfswoningen.
Omdat deze niet beide noodzakelijk zijn voor het opslagbedrijf is er één bestemd als Wonen (nr 34) en één als bedrijfswoning bij het opslagbedrijf (nr 36). c. Buitenopslag is in de planregels van voorliggend bestemmingsplan uitgesloten. d. De verkeersbewegingen nemen af (zie paragraaf 4.5) e. Dat er geen onevenredige milieuhinder optreedt blijkt uit Hoofdstuk 4). f. Er is sprake van een opslagbedrijf. De oppervlakte na herbouw bedraagt niet meer dan is toegelaten op grond van de tabel. De huidige vierkante meters van alle legale bebouwing tezamen is: Gebouw 1=1684m2 Gebouw 2= 324m2 Totaal oppervlak.=2008m2 In de nieuwe situatie is er sprake van een opslagbedrijf met als maximum gebruiksomvang 500m2 + 75 % van de overtollige opstanden. Daar het sloop en herbouw betreft moet er minimaal een reductie plaatsvinden van 25 %. Berekening = 2008m2-500m2=1508m2*75%=1131m2 Maakt netto tezamen toelaatbaar: 500+1131=1631m2
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
15 - 49
Het plan omhelst een opslagloods van 60x 25=1500 m2. g. Detailhandel is niet van toepassing. Milieucategorie 3 en 4 bedrijven zijn niet van toepassing. beide worden uitgesloten met de planregels van voorliggende bestemmingsplan. h. Voor berekening, zie onder f. i. Voor berekening, zie onder f. j. Op basis van vergunningen is de inhoud van alle bestaande bedrijfsgebouwen berekend. Totaal bedraagt de inhoud van de bedrijfsgebouwen 9522,97m2. De inhoud van de nieuwe loods is in de planregels op deze maat gemaximeerd. k. De standaard bouwregels voor de bestemming Bedrijf (bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016) zijn van toepassing. Daaraan toegevoegd is een maximum inhoudsmaat voor bedrijfsgebouwen. l. Er is een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt, zie Bijlage 1.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie en Plan-MER Maasdriel De Structuurvisie Plus, die is vastgesteld op 8 april 2004, geeft de gemeentelijke kaders voor het beheer en de ontwikkeling van stedelijk en landelijk gebied in de periode 2004-2014. Op 20 oktober 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente Maasdriel de 'Structuurvisie en plan-MER gemeente Maasdriel vastgesteld. Deze structuurvisie is de actualisering van de Structuurvisie Plus Maasdriel 2004-2014 en is daarnaast de ruimtelijke vertaling van de 'Visie Maasdriel 2020+. Deze structuurvisie vertaalt de beleidsmatige visie en uitgangspunten door in een helder en leesbaar ruimtelijk beeld (het zogenaamde "ruimtelijke casco"), met bijbehorende uitvoeringsprogramma. In de Structuurvisie zijn wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden per dorpskern alleen algemene handvatten gegeven. Het plangebied is/ grenst aan “bestaand(e) kern/ lint”.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
16 - 49
3.4.1.1 Doorwerking planvoornemen Het plangebied is/ grenst aan “bestaand(e) kern/ lint”. Het plan behelst evenwel uitsluitend functiewijziging van een agrarisch perceel met drie bestaande bedrijfsgebouwen, met herbouw ervan in één bedrijfsgebouw. De ontwikkeling draagt door concentratie van bebouwing, en vermindering van de bebouwde oppervlakte, bij aan het (open) karakter van het landschap, mede doordat (verrommeling door) leegstand en verpaupering van incourante agrarische bedrijfsgebouwen een halt wordt toegeroepen.
3.4.2 Woningbouwprogramma 2015-2025 Tot 2015 gold in Gelderland (en Regio Rivierenland) het Kwp3: Kwalitatief Woningbouwprogramma 2010-2019. Vanaf 2015 werkt de provincie niet meer met een Kwp maar met een 'woonagenda'. Deze woonagenda bevat onderwerpen waarover de gemeenten in de regio afspraken met elkaar en met de provincie willen maken. De gemeenten van Regio Rivierenland hebben zich ingespannen om gezamenlijk een regionaal woningbouwprogramma op te stellen. Hierbij is tegelijkertijd gewerkt aan het inventariseren van alle projecten, een methodiek voor de kwalitatieve toetsing van projecten en afspraken voor het actueel houden van het regionale woningbouwprogramma. Op basis van het regionale programma stelde de gemeenteraad van Maasdriel op 14 april 2016 het woningbouwprogramma gemeente Maasdriel 2015-2025 vast. Naast de projecten in het programma is er nog beperkte ruimte om mee te werken aan verzoeken voor woningbouw. Er is een maximum verbonden aan het aantal woningen waaraan medewerking verleend kan worden. Het gaat om 'diverse particulier' en dit zijn er maximaal 110 tot het jaar 2025. Betreffende initiatief leidt niet tot het toevoegen van woningen, er is slechts sprake van de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning (om te gebruiken als reguliere burgerwoning).
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
17 - 49
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
18 - 49
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
4.1 Milieu 4.1.1 Geurhinder 4.1.1.1 Wettelijk kader De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object in de Wet geurhinder en veehouderij. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste eisen opgenomen. minimale afstand tot veehouderij [m] geurgevoelig object geurgevoelig object binnen buiten bebouwde kom bebouwde kom 50 geurgevoelig object van andere of (voormalige) 100 veehouderij (art. 3 lid 2, Wgv) veehouderij met een diercategorie waarvoor bij 100 50 ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld (art. 4 lid 1, Wgv)* 25 buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van 50 een geurgevoelig object (art. 5 lid 1, Wgv) Voor geurgevoelige objecten die onderdeel zijn van een veehouderij, of van een voormalige veehouderij die na 19 maart 2000 is beëindigd, gelden uitsluitend de minimumafstanden en niet de waarde voor de geurbelasting.
De afstanden als bedoeld in artikel 3 worden gemeten tussen het meest nabijgelegen emissiepunt voor veehouderijen en de gevels van het geurgevoelige object. 4.1.1.2 Onderzoek De geurhinder die feitelijk in een bepaald gebied op kan treden wordt bepaald door zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting in dat gebied. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wet geurhinder en veehouderij definieert een geurgevoelig object als: ‘gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Vaste afstanden De bestaande woningen zijn beide aan te merken als geurgevoelig object. Voor de bestaande woningen, welke onderdeel vormden van een voormalige veehouderij, gelden uitsluitend de vaste afstanden van artikel 3 en 5 van de Wgv. De woningen moeten minimaal 25 meter afstand zijn gelegen van een gevel van enig dierenverblijf en minimaal 50 meter van een veehouderij. Binnen de afstand van 50 meter rondom het plangebied is geen veehouderij of dierenverblijf aanwezig. Beoordeling woon- en leefklimaat In de geurverordening is voor het grondgebied van de gemeente de achtergrondbelasting in geval van de maximale geursituatie in kaart gebracht.
Binnen het plangebied zelf is echter een veehouderij met geuremissiefactor gevestigd geweest, welk met voorliggend plan wordt beeindigd. Voor wat betreft geur werd de achtergrondbelasting (maximum
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
19 - 49
situatie) met name bepaald door de veehouderijen Haarstraat 35, Nieuwe Kade 3 en Ammerzodenseweg 15. De achtergrondbelasting is “redelijk goed” bevonden (en dus aanvaardbaar).
Achtergrondbelasting maximaal toekomstige situatie Geur (bron:Gebiedsvisie Gemeente Maasdriel) De adressen Haarstraat 35 en Ammerzodenseweg 15 zijn niet meer in gebruik als veehouderijen. 4.1.1.3 Conclusie Aan de vaste afstanden kan worden voldaan. Gesteld kan worden dat ten aanzien van de bewoning van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Het aspect geur vormt geen belemmering.
4.1.2 Geluid wegverkeer 4.1.2.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Bij de bouw van de woning dient de gevelisolatie van de betrokken woning zodanig te worden ontworpen, dat voor de binnenwaarde kan worden voldaan aan de eisen uit het bouwbesluit. Hierin staat geregeld dat de binnenwaarde maximaal 33 dB mag bedragen. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan kan door bevoegd gezag (Burgemeester en wethouders) een hogere grenswaarde worden vastgesteld, voor woningen. in het buiten stedelijk gebied (buiten bebouwde kom) geld een maximum te verlenen ontheffingwaarde Lden van 53 dB(A) (wgh art. 83, lid 1).
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
20 - 49
4.1.2.2 Onderzoek Een bedrijfswoning is een geluidsgevoelig object waarop de Wgh al van toepassing is. Er is derhalve geen sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig object. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek is niet benodigd. 4.1.2.3 Conclusie Het aspect geluid wegverkeerslawaai staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.1.3 Bodem 4.1.3.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 4.1.3.2 Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd conform NEN5707 en NEN5740. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 2.
Tijdens de veldinspectie is visueel op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De grote dubbele stal op de onderzoekslocatie bestaat behoudens een latere noordelijke aanbouw uit een asbestverdachte golfplatendakbedekking. Behoudens de genoemde dieselopslagtank zijn er ter plaatse geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
21 - 49
In het uitkomende bodemmateriaal is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Wel zijn zintuiglijk enkele bijmengingen waargenomen waaronder een zeer dun laagje menggranulaat bij boring 2 en plaatselijk sporen baksteen, asfalt, glas of beton in de bovengrond. Ter plaatse van boring 3 bij de bovengrondse dieselolietank is in de bovengrond een zwakke olie-water reactie waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond (plaatselijk) licht verhoogd is met kobalt, som PCB en PAK (10-VROM). Ter plaatse van de bovengrondse olietank blijkt de bovengrond licht verhoogd met minerale olie. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan nikkel gemeten. Het freatisch grondwater blijkt licht verhoogd met barium, nikkel, xylenen en naftaleen. Bij de uitgevoerde asbest in grond analyses zijn geen verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. De resultaten van dit verkennend bodem- en asbestonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouw van een opslagloods. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond afgevoerd wordt, kan deze grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders toegepast worden.
Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk handelingskader PFAS van toepassing en kan een AP04-keuring vereist worden. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 4.1.3.3 Conclusie De resultaten van dit verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.1.4 Externe veiligheid 4.1.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. De risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde voor kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risico aanvaarding. 4.1.4.2 Onderzoek Uit de provinciale risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen: het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; het invloedsgebied van een EV-relevante buisleiding; het invloedsgebied van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
22 - 49
Volgens de risicokaart van de Provincie Gelderland zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die gevaarlijke stoffen transporteren of opslaan. In de nabijheid is een In de directe omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen. Aanvullend op de risicokaart is tevens de risicoatlas hoofdvaarwegen Nederland geraadpleegd. Uit deze risicoatlas, opgesteld door AVIV in opdracht van Rijkswaterstaat, volgt dat de 10-6 contour voor de Maas op de oever ligt behoudens een enkele plaats in Rotterdam. Daarmee is deze transportroute geen belemmering in het kader van externe veiligheid voor dit plan. 4.1.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid is niet relevant. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.
In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
23 - 49
verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 4.1.5.2 Onderzoek Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. De omgeving kan worden beschouwd als gemengd buitengebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat sprake is van een agrarisch lint als hiervoor bedoeld. Direct naast hinderlijke bedrijvigheid komen gevoelige (woon)bestemmingen voor. Categorie bedrijvigheid Het stallingsbedrijf valt conform de VNG-publicatie onder “Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g.” (SBIcode 772), milieucategorie 2. Met voorliggend bestemmingsplan wordt direct grenzend aan het bedrijf een burgerwoning mogelijk gemaakt. Aan de richtafstand van 10 meter voor geluid in gemengd gebied kan daarmee niet worden voldaan. Aan de richtafstanden voor de andere hinderaspecten wordt wel voldaan.
Een akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd, zie Bijlage 1. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau ten gevolge van de planologische invulling van de uitbreiding en het equivalente geluidniveau ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting getoetst aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Het hoogst berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van alle activiteiten binnen de toekomstige situatie van het stallingsbedrijf bedraagt 47 dB(A) in de dagperiode en 30 dB(A) in de avondperiode (47 dB(A) etmaalwaarde). Hiermee wordt de richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie gerespecteerd. Het hoogst berekende maximale geluidniveau (LAmax) inclusief piekgeluiden ten gevolge van het laden en lossen ten gevolge van de activiteiten binnen de toekomstige situatie bedraagt 77 dB(A) in de dagperiode en 64 dB(A) in de avondperiode. Hiermee wordt de richtwaarde van 70 dB(A) in de dagperiode uit stap van de VNG-publicatie niet gerespecteerd. De richtwaarde van 65 dB(A) in de avondperiode wordt wel gerespecteerd. Conform stap 3 mogen pieken ten gevolge van het aan- en afrijden van verkeer worden uitgesloten van toetsing.
Mogelijke argumentatie om aan te sluiten bij de richtwaarde uit stap 3 van de VNG-publicatie zijn te vinden in paragraaf 5.1.2 van het onderzoeksrapport in Bijlage 1. Omdat laad- en losactiviteiten op basis van het Activiteitenbesluit zijn uitgesloten van de beoordeling in de dagperiode en omdat de inzichten met betrekking tot maximale geluidniveaus zijn gewijzigd (hetgeen gaat leiden tot een herziening in de wetgeving) vindt het bevoegd gezag het niet noodzakelijk om een scherm te realiseren. Aan de richtafstanden tussen het stallingsbedrijf en andere woonbestemmingen (buiten het plangebied) wordt voldaan. Aan de Ammerzodenseweg 28 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Het agrarisch bedrijf betreft een glastuinbouwbedrijf. De richtafstand op grond van de VNG-richtafstandenlijst bedraagt 10 meter in gemengd gebied (voor geluid). De afstand tussen het bouwvlak en de woonbestemming voor Ammerzodenseweg 34 bedraagt 22 meter. Aan de richtafstand wordt derhalve voldaan. 4.1.5.3 Conclusie Door de functiewijziging worden enerzijds de bestaande bedrijven in de directe omgeving niet belemmerd in hun activiteiten en vergunde rechten. Tevens wordt anderzijds ter plaatse van het plangebied en daarbuiten een voldoende woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.1.6 Luchtkwaliteit 4.1.6.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
24 - 49
bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.
Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.1.6.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. De verkeersbewegingen ten behoeve van de opslagfunctie (1500m2, arbeidsextensief/ bezoekersextensief) neemt af ten opzichte van de bestaande situatie met een agrarisch bedrijf (2026m2, arbeidsintensief en bezoekersextensief). Het berekenen van de bijdrage aan de luchtkwaliteit met de NIBM-tool is daarom niet nodig.
In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan de functiewijziging van een bestaand agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf (met bedrijfswoning) en een burgerwoning. Voorgaande betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36' is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de Atlas Leefomgeving Luchtkwaliteit.
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
25 - 49
De concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het plangebied betreffen respectievelijk: 14 µg/m3, 15 µg/m3 en 9 µg/m3 in 2020. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt hiermee dus niet overschreden. 4.1.6.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).
4.1.7 Spuitzones 4.1.7.1 Wettelijk kader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen1 . In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en (tuinen bij) woningen2 . Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In het Activiteitenbesluit zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen.
Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is mede bepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Op 1 januari 2018 zijn enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit van kracht geworden die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermings-middelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. De woning (met tuin) is een spuitzone gevoelige object. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van
(vastgesteld) Buitengebied herziening 2022, Ammerzodenseweg 34-36 NL.IMRO.0263.BP1242-ON01
26 - 49
gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater. 4.1.7.2 Onderzoek De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. Er zijn gronden in de nabijheid van de woning waarop gewassen in de open lucht worden geteeld. De bestaande bedrijfswoning is reeds een voor drift gevoelig object. Daarmee is er met voorliggende bestemmingsplan waarbij het gebruik van een bestaande agrarische bedrijfswoning wordt gewijzigd naar Wonen geen sprake van een nieuwe situatie die in het kader van drift relevant is.
4.1.8 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is bepaald of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Dat is het geval wanneer het een plan of besluit kaderstellend is voor m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten als genoemd in onderdeel C of D. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Voor activiteiten, die boven de drempelwaarden van onderdeel D, maar beneden die van onderdeel C vallen, geldt niet een directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. In deze m.e.r.-beoordelingsplicht moet het bevoegd gezag beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Beoordeling van het project De ontwikkeling is geen activiteit van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Het plan wordt niet beschouwd als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.