Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 ontwerp 1 Toelichting
Tekst van het document
De concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het plangebied betreffen respectievelijk: 17 µg/m3, 19 µg/m3 en 11 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt hiermee dus niet overschreden. 4.1.6.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).
4.1.7 Spuitzones 4.1.7.1 Wettelijk kader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen1 . In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en (tuinen bij) woningen2 . Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
27 - 49
anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In het Activiteitenbesluit zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen. Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is mede bepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Op 1 januari 2018 zijn enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit van kracht geworden die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermings-middelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot.
Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. De woning (met tuin) is een spuitzone gevoelige object. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater. 4.1.7.2 Onderzoek De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. In de nabijheid van het plangebied zijn enkele agrarische percelen zonder boomgaard. Binnen de agrarische bestemming is het planologisch niet mogelijk om boomgaarden te hebben/ houden binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen. Hiermee is nog niet uitgesloten dat boomgaarden worden gerealiseerd binnen 50 meter rondom de woning die met voorliggend plan wordt voorzien. Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)).
Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/ gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones. Alle gronden binnen 50 meter van de nieuwe woning, aan de oostkant van het plangebied en aan de overzijde van de weg, zijn van de initiatiefnemer.
4.1.8 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is bepaald of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Dat is het geval wanneer het een plan of besluit kaderstellend is voor m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten als genoemd in onderdeel C of D. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Voor activiteiten, die boven de drempelwaarden van onderdeel D, maar beneden die van onderdeel C vallen, geldt niet een directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. In deze m.e.r.-beoordelingsplicht moet het bevoegd gezag beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage inwerking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat vanaf 16 mei 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is een extra stap in de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Het nut van deze notitie is dat al in een vroeg stadium beoordeeld wordt of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
28 - 49
De beslissing van het bevoegd gezag of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, vindt plaats op basis van deze notitie. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). De notitie moet ingediend worden bij het bevoegd gezag. Deze aanmeldnotitie is vormvrij, maar en aantal aspecten moet in de notitie aan bod komen: [1] kenmerken van het project, [2] plaats van het project, [3] kenmerken van de potentiële effecten. Onderstaande paragraaf wordt beschouwd als aanmeldnotitie. Kenmerken van het project De ontwikkeling is een activiteit van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) omdat op de locatie Achterdijk 6 op een bedrijfsperceel een perceelsgedeelte wordt omgevormd naar een bebouwd perceel met de bestemming Wonen. Een uitgebreide beschrijving van het project en de stedenbouwkundig opzet is opgenomen in hoofdstuk 2. Met de ontwikkeling neemt de bebouwde oppervlakte ter plaatse af. Plaats van het project Het plangebied ligt aan een bebouwingslint in het buitengebied. Agrarische bedrijven worden afgewisseld met enkele vrijstaande woningen.
Binnen het plangebied en in de omgeving hiervan, is geen sprake van Natura2000 gebieden of van gronden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk en hebben derhalve slechts een lokaal effect. Kenmerken van mogelijke effecten Relevante effecten voor de omgeving heeft het voorgenomen project niet. Ten aanzien van bodem, grondstoffen, geur, lucht, veiligheid en water heeft de voorgenomen activiteit geen effecten van betekenis voor de locatie en de omgeving. Ruimtelijke visuele effecten De voorgenomen activiteit heeft nauwelijks invloed op de ruimtelijk-visuele effecten voor het landschap binnen het plangebied en de nabije omgeving, omdat de activiteit de bouw van een woning betreft in bebouwde omgeving. Ten aanzien van het landschapsbeeld in groter verband geeft de voorgenomen activiteit geen spanning met landschapswaarden. Mobiliteit Het plangebied ligt aan de Achterdijk. De bouw van één nieuwe woning na sanering van het agrarisch bedrijf zal de huidige verkeersproductie af laten nemen. Daarnaast worden er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein toegevoegd. (Grond)water Er sprake is van een afname van het verhard oppervlak door de ontwikkeling van de woning na sloop van de bedrijfsgebouwen. De ontwikkeling is positief gelet op het grondwaterbeschermingsgebied omdat de kans op het optreden van bodemverontreiniging afneemt omdat er een agrarisch bedrijf verdwijnt.
Effecten op beschermde flora en fauna Flora- en faunasoorten kunnen gevoelig zijn voor bepaalde milieu-invloeden zoals verzuring, vermesting, trilling, optische verstoring enzovoorts. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal en heeft geen effect op planten en dieren buiten het plangebied. De activiteit heeft geen effect op kwaliteit en kwantiteit van grond- en oppervlaktewater, geen emissie van milieuverontreinigende stoffen, geen licht- en geluidsverontreiniging, verdrogend effect of anderszins een negatieve invloed. Conclusie Op basis hiervan, en op basis van de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
29 - 49
het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Omgevingswet Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangt het omgevingsplan het bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan. Tot eind 2029 (of tot de datum waarop de gemeente overgaat naar het definitieve omgevingsplan) bundelt het tijdelijke omgevingsplan de regels die nu zijn opgenomen in het bestemmingsplan, de welstandsnota en een aantal regels over archeologie in de lokale erfgoed- of monumentenverordening. Regels uit de gemeentelijke erfgoed- of monumentenverordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, moeten in 2029 opgenomen zijn in het omgevingsplan.
4.2.1.2 Onderzoek Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven waar en voor welke bodemverstoringen vrijstelling verleend wordt van archeologisch onderzoek. Daarvoor zijn negen categorieën archeologische waarden onderscheiden: Waarde-Archeologie 1 t/m 8 en geen Waarde- Archeologie. In de tabel is te zien welke vrijstelling per archeologische waarde geldt. De vrijstellingsgrenzen zijn uitgedrukt in een oppervlakte en een diepte. De onderzoekplicht geldt wanneer zowel de diepte- als ook de oppervlaktemaat door bodemingrepen wordt overschreden. Voor het oprichten van bouwwerken binnen bouwvlakken geldt geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
30 - 49
Er gelden voor het plangebied verschillende verwachtingswaarden. Voor het onbebouwde, achterste, gedeelte van het huidige bouwvlak geldt een vrijstellingsgrens van 30 cm en 250m2. Hier wordt alleen gesloopt en niets gebouwd. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op het voorste gedeelte van het bouwvlak. De vrijstellingsnorm wordt niet overschreden. Een archeologisch onderzoek hoeft niet te worden uitgevoerd. De archeologische dubbelbestemmingen uit het moederplan blijven onverminderd van toepassing. 4.2.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in een bestemmingsplan aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
31 - 49
4.2.2.2 Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een woning naast een bestaande bedrijfswoning. Er is geen sprake van een monumentale status. Er zijn (in de directe omgeving van) het plangebied geen rijks- en gemeentelijke (gebouwde) monumenten of archeologische rijksmonumenten aanwezig. De landschappelijke hoofdeenheid is 'rivier en uiterwaarden', dit landschapstype wordt gekenmerkt door overwegend veel openheid. De planlocatie ligt in de komgrond. De andere kant (uidkant) van de Achterdijk wordt op de provinciale kaart cultuurhistorie geduid als waardevol.
Bebouwing aan de Achterdijk is pas zichtbaar op de kaart van 1976. De agrarische bedrijfsgebouwen zijn van na 1967, in fasen gebouwd tijdens een ruilverkaveling. De landschappelijke structuur wordt overwegend bepaald door de planmatig uitgevoerde ruilverkaveling waardoor sprake is van een rationeel en relatief grootschalig verkavelingspatroon met rechte wegen, verspreid gelegen groen omzoomde erven in een verder open landschap en een netwerk van ontwateringsloten. Voor de planvorming is een beeldkwaliteitsplan gemaakt, zie Bijlage 1. De vorm van de verkaveling en de structuur van het bebouwde lint blijven ongewijzigd. De kenmerkende erfbeplanting in de vorm van een houtsingel wordt met het plan hersteld. 4.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. De nieuwbouwwoning voegt zich in het bestaande verkavelingspatroon van de stroomrug.
4.3 Water 4.3.1 Wettelijk kader Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en opgenomen in het nieuwe Nationaal Waterplan voor de periode 2016–2021. Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (onder meer Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in het Nationaal Waterplan. De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht. Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma’s op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
32 - 49
Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Beleid waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 Vanuit de Wet Milieubeheer is het verplicht om een gemeentelijk rioleringsplan te hebben. Sinds 2012 stellen gemeente Maasdriel en gemeente Zaltbommel een water- en rioleringsplan op. Het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
33 - 49
2022-2026 met bijbehorend uitvoeringsprogramma en kostendekkingsplan is op 19 mei 2022 vastgesteld. Bij (her)ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op de waterhuishoudkundige situatie moeten zowel de gemeente Maasdriel als het waterschap Rivierenland hun goedkeuring geven op de plannen. De initiatiefnemer is verantwoordelijk dat het watertoetsproces met de gemeente alsmede het waterschap doorlopen wordt. Indien wenselijk dan kan op wens en op initiatief van de initiatiefnemer een gezamenlijk proces doorlopen worden. In afwijking met het waterschapsbeleid, komt het gemeentelijk beleid erop neer dat voor een T=10+10% situatie water geborgen dient te worden over 100% van het verhard oppervlak, voordat het geloosd wordt op het oppervlaktewater. Er is dus geen aftrek van voormalig verhard oppervlak. Om voldoende droge voeten te houden zijn er normen gesteld aan de minimale ontwatering en drooglegging. De volgende ontwateringseisen worden gesteld bij nieuwbouw: - woningen met kruipruimte 1 m; - woningen zonder kruipruimte 0,30 m; - tuinen en groenvoorzieningen 0,5m.
4.3.2 Onderzoek 4.3.2.1 Huidige situatie Watergangen Binnen het plangebied ligt geen A-watergang of een beschermingszone van een A-watergang. Grenzend aan het plangebied ligt wel een B-watergang en een c-watergang.
Hemelwater Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
34 - 49
van het waterschap. Hoogteligging Er is een hoogtebepaling gedaan op basis van een AHN van het plangebied. Deze maaiveldhoogten in het plangebied zijn weergegeven in onderstaande figuur. Het erf binnen het plangebied ligt hoger dan de agrarische percelen rondom.
De gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt circa NAP +2,3 meter (bron LHM4.1 Maaiveld). Op basis van de informatie uit het Actueel Hoogtebestand Nederland over het maaiveld blijkt dat de maaiveldhoogte binnen het plangebied varieert van NAP +2,4 m tot NAP +2,8 m. De kruin van de weg heeft een hoogte van NAP +2,95m. Grondwater Het plangebied ligt in het peilgebied BOM546. Het zomerpeil bedraagt en NAP +1,6 m. Als gevolg van seizoensfluctuaties verandert de freatische grondwaterstand en de stijghoogte van het diepere grondwater de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) geeft de range weer, waartussen de grondwaterstand zich gedurende het grootste deel van het jaar beweegt. Dit kan vertaald worden naar een klasse-indeling: grondwater trappen (Gt). In onderstaande tabel zijn de grondwatertrappen weergegeven, zoals deze In de Bodemkaart van Nederland gehanteerd worden.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
35 - 49
Het bodemprofiel binnen het plangebied is kalkloze poldervaag gronden; zware klei, profielverloop 4. De bodemkaart geeft grondwatertrap IV voor op deze locatie. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bevindt zich dieper dan 0,4 m beneden maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 0,8 m beneden maaiveld. De GHG in het plangebied fluctueert (volgens de opgave van het waterschap in de vooroverlegreactie) van 0,6m -mv tot 0,2m- mv. Op basis van de gemiddelde maaiveldhoogte van NAP +2,3m kan worden bepaald dat de GHG NAP +2,1m (hoogte minus worstcase GHG van 0,2m -mv) is afgaande op de informatie van het waterschap. Op basis van het NHI data portaal (Nederlands Hydrologisch Instrumentarium) kan gedetailleerder informatie worden verkregen. De GHG is op enkele punten per rastervlak (250m x250m) aangeduid. Ter plaatse van het plangebied is de GHG 0,17 -MV, wat neerkomt op een NAP +2,13m.
GHG 2011-2018 (bron: LHM4.1) Het plangebied maakt onderdeel uit van een grondwaterbeschermingsgebied en intrekgebied. De Klimaateffectatlas geeft een eerste indruk van hoe kwetsbaar verschillende gebieden in Nederland zijn voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming. Volgens de atlas zijn de risico's op droogtestress klein, voor ondergrondverdichting matig, een matige kans op zuurstofstress (15-40% jaarlijkse opbrengstderving bij gras), geen tekorten aan oppervlaktewater en er is geen/ weinig bodemdaling gesignaleerd in de periode 2015-2018.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
36 - 49
4.3.2.2 Toekomstige situatie Watergangen Voor het plaatsen, verlengen of verleggen van dammen met duikers in B- en C-wateren gelden algemene regels WT 7 en WT15, te vinden op de website van het waterschap. In deze algemene regels staan criteria en uitgangspunten. Hieruit moet blijken of er kan worden volstaan met een melding of dat er een vergunning nodig is. Riolering Het nieuwe perceel zal voor (huishoudelijk) afvalwater aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. Hiervoor dient een separate leiding aangelegd te worden voor het nieuwe huis, zodat de gemeente deze kan aansluiten op het bestaande gemaal. Hemelwater Het water dient op eigen terrein geborgen te worden. Als het daar niet verwerkt kan worden dan mag het vertraagd afgevoerd worden naar een watergang, mits de eigenaar van de watergang daar akkoord mee is. Voor dit plan is er een afname van het verhard oppervlak. Dit blijkt uit onderstaande verhardingsblanas.
Voor de maximale terreinverharding kan voor de nieuwe situatie uitgegaan worden van 2x597m2, bestaande uit bestrating, twee woningen en bijgebouwen per woning. Voor dit plan is er een afname van het verhard oppervlak van 1153 m2. Dit blijkt uit onderstaande verhardingsblanas. Bestaand (m2) Nieuw (m2) Verhard Gebouwen 848 696 erf - verhard 1498 497 totaal verhard 2346 1193 Onverhard erf - tuin 8126 9280 agrarisch totaal onverhard 8126 9280 TOTAAL 10472 10473
Om in ieder geval een neutrale invloed te hebben op de hemelwaterhuishouding en hemelwater zo lokaal mogelijk te verwerken verplicht de gemeente initiatiefnemers om ook compensatie over het toekomstige verhard oppervlak op eigen terrein te realiseren. In Maasdriel dient de grootte van deze berging 43,6 mm afvloeiend hemelwater over het totale verhard oppervlakte te zijn. Wanneer een grotere bui valt dan de vereiste 43,6 mm kan het oppervlakkig naar het gemeentelijke terrein afgevoerd worden. De hemelwatervoorziening kan uitgevoerd worden als een watergang de compensatienorm is 43,6 mm/m2 (t=10+10%) voor alle nieuwe verhard oppervlak binnen het plangebied. Indien dit redelijkwijs niet haalbaar is kan in overleg met de gemeente van deze eis afgeweken worden. Op basis van een oppervlakteverharding van 1193 m2 dient er 52 m3 water geborgen te worden. Bij een peilstijging van 0,3m is dat een te realiseren wateroppervlakte van 173 m2. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door de watergang aan de linkerzijde, achter de tuin, te verbreden met 90 cm. Zie onderstaande figuur. Alternatieven zijn het realiseren van een
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
37 - 49
watergang rondom de houtwal of een 'vijver' in open verbinding met de watergang.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
38 - 49
Een watervergunning moet worden aangevraagd bij het graven van oppervlaktewaterlichamen. Deze nieuwe
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
39 - 49
waterlichamen dienen te voldoen aan uitgangspunten uit de keur betreft de dimensionering ten behoeve van onderhoud. Grondwater Voorliggend bestemmingsplan maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk en is daarom niet strijdig met regels uit de Omgevingsverordening Gelderland m.b.t. het intrekgebied. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Grondwaterbeschermingsgebied geen bestemming mogelijk die een groter risico kan vormen voor de kwaliteit van het grondwater dan de vigerende bestemming, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat een groter risico niet kan worden voorkomen en compensatie van het mogelijk grotere risico wordt verankerd in hetzelfde of een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Met de functiewijziging naar Wonen wordt ook hieraan voldaan. Om voldoende droge voeten te houden zijn er normen gesteld aan de minimale ontwatering voor nieuwbouwlocaties. De GHG in het plangebied fluctueert (volgens de opgave van het waterschap in de vooroverlegreactie) van 0,6m -mv tot 0,2m- mv. Er geldt een ontwateringseis van de gemeente van 1 meter voor een woning met kruipruimte of 30 cm voor een woning zonder kruipruimte. Met een GHG van (worstcase) NAP + 2,13m betekent dit dat er vanwege de ontwateringseis opgehoogd moet worden tot NAP +3,13m. om aan de ontwateringseis te voldoen.
Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwperceel boven het oppervlakte waterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwperceel een drooglegging van 1,3 m. Met een zomerpeil van 1,6 m betekent dit dat er ter plaatse van het bouwvlak opgehoogd moet worden tot 2,6 m + NAP om aan de droogleggingseis te voldoen. Het vloerpeil komt dan op 2,9m +NAP. Dat is bijna zo hoog als de as van de weg. In de planregels is geborgd dat de bovenkant van de begane grondvloer (vloerpeil) op NAP + 3,25 m komt te liggen, wat 30 cm boven de kruin van de weg is. 4.3.2.3 Wateroverleg Voor het plan is de digitale watertoets uitgevoerd op 23 december 2021 via de website www.dewatertoets.nl. Uit de watertoets blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. Op 7 oktober 2022 heeft het waterschap in het kader van de watertoetsprocedure gereageerd op de toegestuurde waterparagraaf. Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen in de waterparagraaf.
4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6' het volgende gemeld.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
40 - 49
4.4.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en natuurwaarden. In het kader van de Wet natuurbescherming dient een oriënterend onderzoek uitgevoerd te worden naar de mogelijke negatieve effecten voor beschermde flora en fauna. Tevens dient onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling een negatief effect heeft op omliggende Natura2000 gebieden. Voor de dichtstbij gelegen Natura2000 gebieden is bepaald of effecten optreden. Door Blom ecologie is een quickscan en voortoets uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in Bijlage 7. 4.4.2.1 Gebiedsbescherming Het Gelders Natuurnetwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, maar er worden ook nieuwe natuurgebieden ontwikkeld. Dit netwerk is beschermd en de regels voor bescherming en ontwikkelingsmogelijkheden zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Een deel heeft Europese bescherming: de Natura 2000-gebieden. Er zijn 15 Natura 2000-gebieden in Gelderland. In die gebieden worden maatregelen genomen om de kwaliteit en de soortenrijkdom van de natuur te verbeteren. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Het plangebied ligt nabij het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied "Rijntakken".
Op een afstand van circa 2 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 2 km ligt de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,9 km ligt een Weidevogelgebied. Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 2 km van de planlocatie. Op een afstand van circa 25,6 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur. De sloopactiviteiten zijn ingrepen die aannemelijk leiden tot hoogstens een (zeer) beperkte tijdelijke toename van stikstofemmissie. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, is een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd voor de nieuwe situatie (worst case inclusief invulling van de in het plan opgenomen flexibiteitsbepalingen), zie Bijlage 5 en 6. De uitkomst is dat er in de gebruiksfase geen depositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Rijntakken. 4.4.2.2 Soortenbescherming Het bestemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Onder de Wet natuurbescherming worden nog 75 soorten vaatplanten beschermd, waaronder soorten die niet eerder werden beschermd.
Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Het verwijderen van opgaand groen, de grondwerkzaamheden, sloopwerkzaamheden en de bouwwerkzaamheden leiden tot verstoring van alle aanwezige soorten. Aangezien er op de locatie ingrepen uitgevoerd worden zijn negatieve effecten op vaste rust- en verblijfsplaatsen van strikt beschermde soorten denkbaar. Ter plaatse is een quickscan uitgevoerd. Het doel van een quickscan is het opsporen van strijdigheden van de voorgenomen ingreep met de natuurwetgeving en het bepalen of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is. Aanvullend onderzoek huismussen en steenuilen Uit nader onderzoek naar huismussen en steenuilen, zie Bijlage 8, is gebleken dat in de te slopen gebouwen geen vaste nest- of verblijfplaats van genoemde soorten aanwezig zijn. Door de geplande werkzaamheden is er weliswaar sprake van een tijdelijke beperkte verstoring van foerageergebied voor huismussen en uilen, maar dit heeft geen wezenlijk effect op de functionaliteit van de leefomgeving als geheel omdat er voldoende alternatieven in de directe omgeving overblijven. De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus of steenuil zullen naar verwachting niet afnemen met het slopen van de gebouwen.
Het woonhuis met tuin en hagen zullen immers geschikt blijven voor de huismussen en de omliggende weilanden voor de steenuil. Daarnaast kan de nieuwbouw natuurinclusief ontworpen en uitgevoerd worden. Dit houdt in dat er definitieve
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
41 - 49
verblijfplaatsen en een geschikte leefomgeving voor gebouw bewonende soorten zoals huismussen worden gerealiseerd in en om de nieuwbouw. De voorgenomen plannen hebben daarom geen negatief effect op onderzochte diersoorten en hebben derhalve geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor huismussen en uilen is niet nodig. De gunstige staat van instandhouding voor de huismus en steenuil is binnen het project gegarandeerd. Extra maatregelen ter ondersteuning Er heeft voor 27 oktober 2021 minimaal een steenuil gebruik gemaakt van de planlocatie. Vandaar immers de gevonden krijtsporen. De directe omgeving van de planlocatie beschikt over slechts een nestkast voor steenuilen (zie antwoord uilenwerkgroep). In overleg met de eigenaar is afgesproken om een nestkast voor steenuilen op te hangen aan een van de bomen aan de achterzijde van het plangebied. Dit om de steenuil te ondersteunen. De kast, met artikelnummer 901270120, is door Vivara op 2 mei geleverd met de toezegging deze direct op te hangen. Daarnaast zal het grootste deel van de bomen en struiken in het plangebied behouden blijven, naast de rondom gelegen weilanden. Op advies van de Omgevingsdienst Rivierenland bij schrijven met kenmerk ODR2212863 is de kast op 22 november 2022 verwijderd met het voornemen om na afloop van de werkzaamheden weer te plaatsen.
4.4.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Naar aanleiding van aanvullend onderzoek is vastgesteld dat de te slopen bebouwing geen relevante functie heeft voor huismussen en steenuil (soortenbescherming). Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
4.5 Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
4.5.1 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een agrarische bestemming (met bouwvlak) naar wonen mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op. 4.5.1.1 Verkeersbewegingen Het plangebied wordt ontsloten op Achterdijk. Bij de berekening van het totale aantal gegenereerde ritten in de plansituatie is uitgegaan van de gemiddelde verkeersgeneratie. Uitgaande van de richtlijnen voor verkeersgeneratie, zoals aangegeven in de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW publicatie 317) bedraagt de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie 7,8 - 8,6 motorvoertuigen/etmaal voor de (vrijstaande koop)woningen, uitgaande van 'buitengebied'. Dat resulteert in afgerond 9 ritten per etmaal. Er is sprake van een afname van het aantal ritten ten opzichte van de autonome situatie met een agrarisch bedrijf 4.5.1.2 Parkeren Met een paraplubestemmingsplan parkeren heeft de gemeente Maasdriel voor haar grondgebied haar parkeerbeleid juridisch-planologisch vastgelegd. Ten aanzien van parkeren zijn in het mobiliteitsplan gemeentelijke parkeernormen vastgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Iedere ontwikkeling moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen en goede fietsvoorzieningen. Daarmee wordt in ieder geval de eigen parkeerbehoefte van de ontwikkeling opgevangen.
Indien sprake is van nieuwbouw of wijziging van gebruik plaatsvindt, zal de parkeerbehoefte in de vorm van een aantal benodigde parkeerplaatsen in beeld worden gebracht. De parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van parkeernormen. De parkeernormen zijn gekoppeld aan het type functie dat op de betreffende locatie wordt gerealiseerd. Het beleid en de opgenomen parkeernormen zijn grotendeels gebaseerd op de CROW-publicatie 182 uit 2008. Inmiddels heeft de CROW in 2012 publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' uitgebracht met daarin
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
42 - 49
recentere kngetallen ten aanzien van bijvoorbeeld het aspect parkeren. De gemeente Maasdriel heeft met de Nota Parkeernormen 2020 aan de hand van deze recentere kengetallen haar beleid een update gegeven. In het paraplubestemmingsplan is hierin voorzien door het opnemen van een zogenoemde 'dynamische regeling'. Taanzien van het parkeren kan worden gesteld dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein kan worden gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm van 3 parkeerplaatsen. Minstens 2 van de 3 parkeerplaatsen dienen zonder belemmeringen vrij bereikbaar te zijn vanaf de weg. De parkeerplaatsen zullen minimaal 5 x 2,5 meter moeten bedragen. De parkeeropgave kan voor de woningen op eigen terrein worden gerealiseerd en de parkeernorm is in de regels geborgd.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
43 - 49
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
44 - 49
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
5.1.1 Beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderzins is verzekerd. De gemeente Maasdriel sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin ook de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten wordt vastgelegd.
5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Met de buren is, zover mogelijk, contact geweest over het plan, zie Bijlage 9 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Voor het plan is de digitale watertoets uitgevoerd op 13 december 2021 via de website www.dewatertoets.nl. Het ruimtelijk plan is in het kader van de watertoets toegestuurd aan Waterschap Rivierenland. De reactie heeft geleid tot aanpassingen in de waterparagraaf. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt 6 weken ter inzage gelegd.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
45 - 49
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
46 - 49
Hoofdstuk 6
Juridische planopzet
6.1 Bestemmingsplan Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de verbeelding. Vervolgens wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Daarna wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten. Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het plangebied. Dit bestemmingsplan sluit aan bij moederplan 'Buitengebied herziening 2016' van de gemeente Maasdriel. Middels dit bestemmingsplan is getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid conform artikel 42.2. van het bestemmingsplan waarmee de bestemming Agrarisch met waarden gewijzigd kan worden naar de bestemming Wonen. In deze wijzigingsbevoegdheid wordt verwezen naar het beleidskader 'Handreiking hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied'.
Aan de voorwaarden kan in principe worden voldaan, met één uitzondering. (Stedenbouwkundig) gewenst is om het bestaande achterhuis van de bedrijfswoning te behouden als bijgebouw bij de woning. Er wordt voor wat betreft de oppervlakte en bouwhoogte net niet voldaan aan de bouwregels voor bijgebouwen. Hierom wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen in plaats van een wijzigingsprocedure.
6.2 Toelichting op de regels en de kaart De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De opbouw is als volgt: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en bepalingen over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels; Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen; Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels; Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregel met daarin de titel van het bestemmingsplan.
6.3 Bestemmingsregeling In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Wonen; Verkeer Waarde - Archeologie 4 Wonen De gronden binnen “Wonen” zijn bestemd voor woondoeleinden. Voor de situering en maatvoering van de woningen zijn er bepalingen opgenomen met betrekking tot: Situering gebouwen Teneinde de toekomstige situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor de woningen is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in een bouwvlak en een onbenoemd deel, de voor- en gedeeltelijk zijtuinen. De woning is enkel toegelaten binnen het aangeduide bouwvlak. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn zowel binnen
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
47 - 49
het bouwvlak als binnen de aanduiding bijgebouwen toegestaan. Goot- en bouwhoogte De maximale goot- en bouwhoogte voor woningen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn in de regels vastgelegd. De maximale inhoud van de woning mag 750 m3 bedragen met een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 6 meter respectievelijk 10 meter. Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de nieuwe woning geldt dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m2 mag bedragen met een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 3,5 meter respectievelijk 6 meter. Bij de bestaande woning is een grotere oppervlakte en grotere bouwhoogte van bijgebouwen toegelaten om daarmee de instandhouding van het achterhuis mogelijk te maken. Tevens is het toegestaan om ondergeschikt aan de functie wonen een deel van de woning en/of bijgebouwen, met een maximum van 40 % van de op een perceel toegestane bebouwde oppervlakte, te gebruiken voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep. Indien voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden kunnen burgemeester en wethouders ook een omgevingsvergunning verlenen teneinde een aan huis verbonden bedrijf toe te staan. Bouwverbod De bouw van de woning wordt mogelijk gemaakt op basis van het beleid over vrijgekomen agrarische bebouwing door sloop aan de Achterdijk 6.
Om dat beleid te waarborgen, waaronder sloop van de bedrijfsbebouwing, is in de regels (4.5.3) een voorwaardelijke verplichting opgenomen, dat bouw van de woning uitsluitend is toegestaan, wanneer alle bedrijfsbebouwing is gesloopt. Archeologie Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden ook te beschermen tegen eventuele toekomstige grootschaligere ingrepen zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ vigerend overgenomen.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
48 - 49
Eindnoten
1. ABRS 22 juli 2009, zaaknummer 200806481/1/R2 2. ABRvS 23 september 2009 (zaaknr. 200900570/1/R2), ABRvS 31 maart 2010 (zaaknr. 200904633/1/R2) en ABRvS 18 mei 2011 (zaaknr. 201001510/1/R). Zie tevens noot van Vogelesang-Stoute in Milieu en Recht (2011/174)
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
49 - 49