Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 ontwerp 1 Toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED HERZIENING 2022, ACHTERDIJK 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
ontwerp 26-11-2023
Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) 1.4 Leeswijzer toelichting
3 3 3 5 7
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied 2.2 Toekomstige situatie plangebied
9 9 9
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
11 11 12 15 16
Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1 Milieu 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Water 4.4 Flora en Fauna 4.5 Verkeer en parkeren
19 19 30 32 40 42
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45 45 45
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Bestemmingsplan 6.2 Toelichting op de regels en de kaart 6.3 Bestemmingsregeling
47 47 47 47
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
2 - 49
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Op de locatie Achterdijk 6 te Rossum, kadastraal bekend als gemeente Rossum, sectie E, nummers 55 (deels) en 56, was een veehouderij gevestigd met een bedrijfswoning. Op de locatie wil de huidige eigenaar de voormalige bedrijfswoning betrekken als burger. De bedrijfsactiviteiten zijn nog niet beeindigd en de bedrijfsgebouwen zijn dus ook nog aanwezig. Door de sanering van de bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen wordt een landschappelijke kwaliteitsverbetering gerealiseerd. In ruil daarvoor kan op grond van het zogenaamde VAB-beleid een vrijstaande woning worden gerealiseerd. Voor de locatie aan de Achterdijk 6 wordt met een bestemmingsplan het gebruik van de voormalige bedrijfswoning voor reguliere (burger)bewoning toegelaten alsmede het bouwen van een VAB-woning. Hiertoe komt met het bestemmingsplan het agrarisch bouwvlak te vervallen.
1.2 Ligging plangebied De omgeving van het gebied is omsloten door de A2 tussen Den Bosch en Utrecht en de N322. Hiertussen ligt een netwerk van linten in een open agrarisch landschap. Dit gebied bestaat voornamelijk uit lager gelegen komgronden. Het landschap is er grootschalig en open van karakter en wordt bepaald door het moderne agrarische productielandschap. Losse boerderijen en uitgestrekte akkers en weilanden bepalen het beeld van het landschap.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
3 - 49
Ligging plangebied (bron: www.pdok.nl) Het planvoornemen heeft betrekking op de percelen kadastraal bekend als gemeente Rossum, sectie E, nummers 55 (deels) en 56. In navolgende figuur is de topografische kaart met de begrenzing van het plangebied weergegeven.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
4 - 49
Kadastrale situatie in en om het plangebied
1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) Voor de planlocatie is op 26 juni 2019 het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2016 vastgesteld. Voor Achterdijk 6 geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De bij de bestemming Agrarisch met waarden behorende regels zijn opgenomen in artikel 4 van het bestemmingsplan. De als 'Agrarisch met waarden' aangegeven gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Per op de kaart bestemmingen aangegeven agrarisch bouwperceel is maximaal één grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Daarbij is één bedrijfswoning toegelaten. De woning vormt onderdeel van het agrarisch bedrijf waarvoor een bouwvlak is opgenomen in het plan. Het bouwvlak is niet voorzien van een specifieke functieaanduiding.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
5 - 49
Voor de planlocatie geldt tevens (gedeeltelijk) de bestemming Agrarisch met waarden en de dubbelbestemming Waarde Archeologie 4. De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan de vrijstellingsnorm in m2 en dieper dan 30 centimeter, een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - intrekgebied' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en verbetering van de kwaliteit en winning van het grondwater, zoals ook geregeld in titel 3.2.3 van de Omgevingsverordening Gelderland. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en verbetering van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van het drinkwater, zoals ook geregeld in titel 3.2.3 van de Omgevingsverordening Gelderland. Op grond van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 42.2. van het bestemmingsplan kan de bestemming Agrarisch met waarden gewijzigd worden naar de bestemming Wonen.
In deze wijzigingsbevoegdheid wordt verwezen naar het beleidskader 'Handreiking hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied'. Indien de bestemming wordt gewijzigd dient de bedrijfsactiviteit beeindigd te zijn. Aan de voorwaarden kan in principe worden voldaan, met één uitzondering. (Stedenbouwkundig) gewenst is om het bestaande achterhuis van de bedrijfswoning te behouden als bijgebouw bij de woning. Er wordt voor wat betreft de oppervlakte en bouwhoogte net niet voldaan aan de bouwregels voor bijgebouwen. Hierom dient een bestemmingsplanherziening te worden doorlopen in plaats van een bestemmingswijziging. Met voorliggend bestemmingsplan wordt ter plaatse van Achterdijk 6 de bestemming gewijzigd van Agrarisch met waarden (met bouwvlak) naar Wonen met toevoeging van een bouwvlak, waardoor een woning gebouwd kan gaan worden. Deze aanpassing wordt mogelijk gemaakt door de VAB-regeling, waarbij de bedrijfsgebouwen (aan de Achterdijk 6 te Rossum) worden gesloopt. De overige gronden die niet naar Wonen worden omgezet behouden de betreffende agrarische bestemming. Deze gronden blijven dus bestemd voor agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik. Deze zijn binnen het plangebied betrokken omdat hier het bouwvlak met het bestemmingsplan is weggenomen.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
6 - 49
1.4 Leeswijzer toelichting In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Daarbij komen zowel de ruimtelijke als functionele opbouw aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het aanwezige beleidskader behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten en volgen de randvoorwaarden die voortkomen uit planologische- en milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
7 - 49
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
8 - 49
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied De locatie Achterdijk 6 is gelegen in het buitengebied van Rossum. De Achterdijk is een van oorsprong agrarische lint. Heden ten dage zijn er ook enkele burgerwoningen. Het agrarisch bedrijf aan Achterdijk 6, met daarbij een bedrijfswoning, is gebouwd als een veehouderij. De woonboerderij is in 1957 gebouwd. Bij de Kamer van Koophandel is reeds in 1958 een veeteeltbedrijf ingeschreven. In de jaren 1973-1975 werd bedrijfsbebouwing bij gebouwd. In 1983 is de eerste milieuvergunning verstrekt blijkens de archieven, voor een veehouderij. In 1997 worden nog twee meldingen gedaan voor opslag propaan. Het bedrijf werd in 2015 werd uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het in 2007 gestartte bedrijf Achterdijk Agro is tot op heden gevestigd aan Achterdijk 6. Het gebruik van de bedrijfsgebouwen is reeds beeindigd.
2.2 Toekomstige situatie plangebied Het plan omvat de realisatie van een extra woning na sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Van de bestaande woning wordt de agrarische bestemming omgezet naar wonen. Met het initiatief wordt gebruik gemaakt van de regeling vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) van de gemeente Maasdriel. De nieuwe woning is in de nieuwe situatie op het kavel gesitueerd naast de bestaande woning. De twee woningen krijgen ieder een eigen erf met een eigen inrit. Door in de vormgeving van deze woning te refereren aan agrarische bebouwing zal deze goed passen bij het omringend landschap en de omliggende bebouwing. De nieuwe woning heeft een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter, om
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
9 - 49
zodoende aan te sluiten bij de bestaande woning. De zadelkap staat haaks op de voorgevel. Voor de woningen is een beeldkwaliteitparagraaf met referentiebeelden opgenomen in Bijlage 1. Exacte vormgeving zal in samenwerking met een bouwkundige/ architect uitgewerkt worden.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
10 - 49
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk komen alle relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten aan de orde. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Deze AMvB is het juridisch beleidskader van het Rijk en geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Het Barro bewerkstelligt dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.
Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of met het vrijwaren van functies. Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in het Barro. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden. De doorwerking van dit nationaal beleid voor het plan waarvoor voorliggende bestemmingsplanwijziging is opgesteld, is opgenomen in 3.1.3.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geactualiseerd in juni 2017. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. De ladder duurzame verstedelijking is van toepassing bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op basis van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: "Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Ten aanzien van het vorenstaande wordt opgemerkt dat de Raad van State in diverse uitspraken richting heeft gegeven aan wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden verstaan. In een uitspraak van 24 december 2014 (201405237/1/R2) heeft de Raad van State geoordeeld dat een woningbouwontwikkeling van 8 woningen buiten de bebouwde kom niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1,
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
11 - 49
eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Om die reden werd de ontwikkeling van 8 woningen buiten de bebouwde kom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Ook in het Besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is aangegeven dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.
3.1.3 Doorwerking planvoornemen Het plangebied is niet gelegen binnen de in de door het rijk aangeduide gebieden met een nationaal belang. De SVIR en Barro hebben zodoende geen consequenties voor dit plan. Gezien het planvoornemen voor de realisatie van één woning waarvoor in ruil bestaande bebouwing wordt gesaneerd, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is derhalve niet van toepassing op dit plan. Daarnaast is er geen sprake van een lokale ontwikkeling waar nationale belangen, zoals verwoord in de SVIR en verankerd in het Barro, mee zijn gemoeid.
3.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de bijbehorende Omgevingsverordening Gelderland. De Omgevingsvisie en -verordening, vastgesteld in 2014, worden tweemaal per jaar geactualiseerd.
3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland Op 9 juli 2014 is de huidige Omgevingsvisie Gelderland door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsvisie 'Gelderland anders' zijn doelen benoemd met betrekking tot de versterking van de economische structuur en het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. In januari 2019 is een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie (inclusief de actualisaties) gepubliceerd. In december 2018 is een actualisatie gepubliceerd. Naast de Omgevingsvisie is een Omgevingsverordening opgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn vertaald in concrete regels. In de Omgevingsvisie wordt niet langer strikt vastgelegd wat wel en wat niet mag, maar is ruimte voor initiatieven in een veranderende omgeving. De hoofdthema's zijn: Dynamisch: economische structuurversterking, duurzaamheid, innovatie, bereikbaarheid; Mooi: natuur, landschap, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit; Divers: regionale diversiteit, andere werkwijze. De Omgevingsvisie beschrijft hoe de provincie Gelderland in de komende jaren wil omgaan met ontwikkelingen en initiatieven. In de Omgevingsvisie wordt een sterker accent gelegd op de stedelijke netwerken als economische kerngebieden van Gelderland. Zowel in de stedelijke gebieden als op het vitaal platteland ligt de focus voornamelijk op de kwaliteit van het bestaande.
De regionale afspraken over wonen en werken blijven het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen. Bij nieuwbouw in het landelijk en stedelijk gebied is daarbij per geval een goede afweging van belang. De provincie wil en durft hierin te variëren: grote ontwikkelingen dienen in principe in of dichtbij stedelijke gebieden plaatsvinden, maar kleinschaligere ontwikkelingen zijn ook in het landelijk gebied mogelijk, mits de ontwikkeling iets toevoegt ('een plus is'). De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is een belangrijk hulpmiddel om tot een goede locatiekeuze te komen. Deze ladder is gebaseerd op de rijksladder voor duurzame verstedelijking en is een richtinggevend instrument om te komen tot goed gemotiveerde ruimtelijke keuzes. In de Omgevingsverordening, vastgesteld op 24 september 2014, is vastgelegd dat in de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt aangegeven dat er sprake is van een actuele behoefte waarin wordt voorzien. Vervolgens geldt de volgende voorkeursvolgorde: 1. opvang van de behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de regio door hergebruik van bestaande gebouwen, herstructurering of transformatie;
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
12 - 49
2. 3. 4. 5.
opvang van de behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de regio door nieuwbouw op beschikbare gronden; opvang van de behoefte in het landelijk gebied van de regio door hergebruik van bestaande gebouwen, herstructurering of transformatie; opvang van de behoefte in het landelijk gebied van de regio op een locatie aansluitend aan het stedelijk gebied, die passend is of wordt ontsloten; opvang van de behoefte in het landelijk gebied van de regio op een locatie die niet aansluit aan het stedelijk gebied, maar die passend is of wordt ontsloten.
Voor woningbouwlocaties geldt aanvullend dat de woningen dienen te passen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma voor de regio respectievelijk het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Regionaal Programma Wonen. In het Streekplan 2005 waren zoekzone en rode contouren de provinciale leidraad waar verstedelijking vanuit het provinciaal belang mag plaatsvinden. Met de komst van de Omgevingsvisie Gelderland zijn niet meer de contouren maar een beleidsprincipe leidend, waaruit moet blijken dat met de nieuwe ontwikkeling sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Belangrijke criteria voor duurzame verstedelijking is dat stedelijke ontwikkelingen zoveel als mogelijk plaatsvinden in stedelijke gebieden. Voorkomen dient te worden dat voor een ontwikkeling uitbreiding ruimte wordt gebruikt terwijl dit binnen het bestaand gebied op te lossen is. 3.2.1.1 Doorwerking planvoornemen Ingevolge de omgevingsvisie Gelderland, dienen functieveranderingen in het buitengebied te voldoen aan het beleidskader 'hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied' van de regio rivierenland. De toets van het planvoornemen aan het regionale beleidskader is weergegeven in paragraaf 3.3.1 van deze toelichting. Uit deze paragraaf komt naar voren dat het planvoornemen voldoet aan genoemd beleid.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Een omgevingsverordening is een juridische vastlegging van de provinciale omgevingsvisie. In de Omgevingsverordening Gelderland van 16 oktober 2014, vastgesteld naar aanleiding van de omgevingsvisie, en geactualiseerd in december 2017, staan de regels die de provincie Gelderland stelt aan de bestemmingsplannen van gemeenten. In januari 2018 is een geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening (inclusief de actualisaties) gepubliceerd. In december 2018 is een actualisatie gepubliceerd. De regels in een omgevingsverordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied of delen daarvan. In de Omgevingsverordening Gelderland staan regels over onderwerpen die van provinciaal belang zijn: verstedelijking wonen detailhandel recreatiewoningen en -parken glastuinbouw waterwingebied grondwaterbeschermingsgebied oppervlaktewater voor drinkwatervoorziening ecologische hoofdstructuur waardevol open gebied nationaal landschap. Al deze kwaliteiten wil de provincie behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken, zonder de leefbaarheid van het gebied aan te tasten. Alleen door een goed samenspel tussen grondgebruikers en overheden kan een duurzaam landgebruik en een aantrekkelijk landschap worden gerealiseerd. Voor het plangebied zijn geen specifieke waarden aangewezen.
Het Gelderse woonbeleid werkt nu via Regionale Woonagenda's. Hierbij worden netwerken van verschillende publieke en private partijen gecreëerd die capaciteit, kennis en middelen bundelen om gezamenlijk de opgaven op de regionale woningmarkt aan te pakken. De status van de kwantitatieve opgave is opgenomen in artikel 2.2.1.1 'wonen'. Binnen de
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
13 - 49
kwantitatieve opgave 'wonen' kunnen gemeenten en andere relevante partijen in de regio gezamenlijk nagaan wat nodig is voor een goed functionerende regionale woningmarkt. De bestaande gebouwde voorraad staat daarbij centraal. Afspraken worden gemaakt over aanpassing van bestaande woningen, sloop met vervangende nieuwbouw, verdunning, het benutten van kansen van functieverandering en tenslotte de nieuwbouw. Bij de provinciale programmering is aangegeven dat flexibiliteit is gewenst. Sinds februari 2022 is artikel 2.65 lid b in de Omgevingsverordening opgenomen aangaande Klimaatadaptatie. Eerder stond dit als ambitie in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Ons klimaat verandert merkbaar en raakt alle facetten van onze leefomgeving. Wij streven ernaar om in 2050 in Gelderland goed voorbereid en toegerust te zijn op de gevolgen van klimaatverandering. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vraagt de provincie om een toelichting op de maatregelen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Het gaat hierbij om risico’s als waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld in de waterverordeningen. Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed.
Het is daarom van belangrijk dat het waterschap betrokken wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. 3.2.2.1 Doorwerking planvoornemen In de Omgevingsverordening Gelderland zijn specifiek voor het plangebied enkel regels voor water en glastuinbouw van toepassing en die zijn niet relevant voor de planontwikkeling. Binnen de woonbestemming zijn geen activiteiten toegelaten die negeatief effect hebben op het grondwaterbeschermingsgebied (zoals diepe funderingen of lozen van water met schadelijke stoffen). Wel geldt het woonbeleid vanuit de Regionale Woonagenda's. In dit kader is relevant dat het college in het meest actuele woningbouwprogramma (2021-2030 (vastgesteld 10 december 2020).
Ontwikkelingen van maximaal 5 woningen passen binnen de reservering voor particuliere initiatieven, kleine woningbouwplannen en herstructureringen en hiervoor kunnen direct de afspraken gemaakt worden om de benodigde ruimtelijke procedure op te starten. De realisatie van een woning in ruil voor de sloop van bedrijfsgebouwen op grond van het VAB-beleid past derhalve in het meest actuele woningbouwprogramma van gemeente Maasdriel en de regionale afspraken over regio totalen. Om in ieder geval een neutrale invloed te hebben op de hemelwaterhuishouding en hemelwater zo lokaal mogelijk te verwerken verplicht de gemeente initiatiefnemers om ook compensatie over het toekomstige verhard oppervlak op eigen terrein te realiseren. Met dit plan zal daarvoor zorg gedragen worden. Verder wordt verwezen naar de waterparagraaf in 4.3.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
14 - 49
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Beleidskader hergebruik vrijgekomen bedrijfsbebouwing in het buitengebied (VAB) Bommelerwaard Op 6 juni 2008 is het Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied voor de regio Rivierenland vastgesteld. Op 5 maart 2015 heeft de gemeenteraad van Maasdriel een besluitdocument vastgesteld, waar op een aantal onderdelen het regionale VAB beleid is aangevuld. In maart 2017 is het beleid geheel geactualiseerd door gemeenten Zaltbommel en Maasdriel. 3.3.1.1 Algemene voorwaarden Door hergebruik en functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied willen de samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland de vitaliteit en de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het buitengebied behouden en vergroten, zonder de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven te beperken. Er zijn een aantal uitgangspunten waaraan hergebruik en functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied in alle gevallen moet voldoen. Dit betreffen: de regeling voor functieverandering is alleen van toepassing op vrijkomende en vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied die met een vergunning is opgericht en minstens vijf jaar rechtmatig is gebruikt (d.w.z.
conform de bestemming uit het vigerende bestemmingsplan); de regeling voor functieverandering geldt voor recent vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen (met een agrarische bestemming) maar ook voor eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen (waarvan de bestemming al is omgezet in bijvoorbeeld een woonbestemming). In dit beleidskader is voor beide soorten bebouwing het begrip vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied•van toepassing; bij functieverandering moet uiteraard worden voldaan aan alle geldende wet- en regelgeving op het gebied van o.a. geluid, luchtkwaliteit, natuur en flora- en fauna; functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende (agrarische) bedrijven; bij functieverandering moet de bestaande infrastructuur toereikend zijn voor de nieuwe functie.
Nieuwe functies mogen dan ook geen grote verkeersaantrekkende werking hebben; nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied; buitenopslag van goederen en stalling buiten is niet toegestaan; detailhandel is slechts toegestaan voor kleinschalige verkoop van ter plaatse geproduceerde of streekeigen producten waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de hoofdfunctie; functieverandering wordt geeffectueerd door aanpassing van de agrarische bestemming binnen afzienbare termijn; overige gronden, die niet tot de nieuwe functie behoren, krijgen een agrarische bestemming zonder bouwvlak; indien sprake is van een wijziging in een bedrijfsmatige functie dient de bedrijfslogistiek, waaronder laad- en losactiviteiten en parkeren worden verstaan, geheel op eigen erf te worden afgewikkeld dan wel plaats te vinden; de gemeente kan een eigen systeem van extra verevening hanteren. Bij sloop van meer dan 500 m2 reguliere agrarische bedrijfsgebouwen mag ter compensatie 1 vrijstaande woning tot maximaal 750 m3 worden gerealiseerd. Uitgangspunt is dat nieuwbouw plaatsvindt op het perceel waar ook de sloop plaatsvindt.
3.3.1.2 Doorwerking planvoornemen Aan de Achterdijk 6 zijn alle bedrijfsgebouwen en voorzieningen, gebruikt voor een veehouderij, met een oppervlakte van 597 m2 nog aanwezig. De landschappelijke kwaliteitsverbetering die deze sloop met zich meebrengt is aanzienlijk. De realisatie van 1 vrijstaande woning met een inhoud van maximaal 750 m3 is dus toegestaan conform het beleidskader. Het perceel biedt ruimte om de VAB-woning naast de bestaande woning te situeren op de plaats van de gesloopte bedrijfsbebouwing. Inpassing ervan is afgestemd om hindercontouren en waterschapsbelangen. De ontwikkeling van de VAB-woning aan de Achterdijk 6 is in voorliggend bestemmingsplan rechtstreeks gekoppeld aan de
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
15 - 49
sloop van de bedrijfsbebouwing op hetzelfde perceel. De volgende voorwaarden worden verbonden aan het realiseren van 1 vrijstaande woning (met cursief de toetsing van het plan aan de voorwaarde): Alle op het perceel aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen, bouwwerken en overige voorzieningen dienen te worden gesloopt/ verwijderd, uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen, voor zover die qua aard en schaal passen bij de woning(en). De bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Het achterhuis van de boerderij blijft als bijgebouw bij de woning behouden. Voor de bestaande grotere afmetingen (oppervlakte en bouwhoogte) is een maatwerkregel opgenomen in voorliggend plan. Uitgangspunt is dat nieuwbouw plaatsvindt op het perceel waar ook de sloop plaatsvindt. Soms zijn daartoe aantoonbaar geen mogelijkheden of is een andere locatie ruimtelijk gezien een goed alternatief. In deze gevallen kan de nieuwbouw ook op een andere locatie/ perceel plaatsvinden, mits daarbij een, vanuit het oogpunt van ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit, goed plan wordt overgelegd. Het perceel biedt ruimte om de VAB-woning naast de bestaande woning te situeren op de plaats van de gesloopte bedrijfsbebouwing. De maximale omvang van de nieuw te bouwen woning bedraagt 750 m3; Hieraan wordt voldaan. De minimale omvang van de nieuw te bouwen woning bedraagt 350 m3; Hieraan wordt voldaan.
Een zorgvuldige landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de nieuwe woning en de bijgebouwen; PM Nieuw te bouwen woning mag niet leiden tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende (agrarische) bedrijven. Hier wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie en Plan-MER Maasdriel De Structuurvisie Plus, die is vastgesteld op 8 april 2004, geeft de gemeentelijke kaders voor het beheer en de ontwikkeling van stedelijk en landelijk gebied in de periode 2004-2014. Op 20 oktober 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente Maasdriel de 'Structuurvisie en plan-MER gemeente Maasdriel vastgesteld. Deze structuurvisie is de actualisering van de Structuurvisie Plus Maasdriel 2004-2014 en is daarnaast de ruimtelijke vertaling van de 'Visie Maasdriel 2020+. Deze structuurvisie vertaalt de beleidsmatige visie en uitgangspunten door in een helder en leesbaar ruimtelijk beeld (het zogenaamde "ruimtelijke casco"), met bijbehorende uitvoeringsprogramma. In de Structuurvisie zijn wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden per dorpskern alleen algemene handvatten gegeven. Voor wat betreft de mogelijkheden nieuwe woningen te realiseren zijn de analyse en visie per dorpskern uit de Structuurvisie Plus uit 2004 en de zoekgebieden voor toekomstige woningbouw (de zogenoemde "rode contour") als uitgangspunt gehanteerd.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
16 - 49
Het plangebied is gelegen op gronden die zijn aangeduid als 'komgronden'. In de structuurvisie is het volgende opgenomen. "Het behouden en versterken van natuur- en landschapswaarden en de karakteristieke verkavelingspatronen is ook vanuit cultuurhistorisch en ecologisch oogpunt zeer gewenst. Andere functies en ontwikkelingen worden zoveel mogelijk geweerd en/of beperkt qua ruimtebeslag en andere eigenschappen die de openheid in gevaar brengen. " 3.4.1.1 Doorwerking planvoornemen De planlocatie is gelegen binnen de zone komgronden. De ontwikkeling draagt door ontstening bij aan het (open) karakter van het landschap, mede doordat (verrommeling door) leegstand en verpaupering van incourante agrarische bedrijfsgebouwen een halt wordt toegeroepen.
3.4.2 Woningbouwprogramma 2021-2030 Met het woningbouwprogramma 2021-2030, d.d. 10 december 2020, dat voorziet in de realisatie van 988 woningen, kan voor een substantieel deel voldaan worden aan de geprognotiseerde woningbehoefte voor de komende tien jaar. De geprognotiseerde woningbehoefte, de bandbreedte van 700 tot 1250 woningen, is vastgelegd in de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 en vormt daarmee de onderbouwing voor de Ladder voor duurzame verstedelijking. Naast de projecten in het programma is er nog beperkte ruimte om mee te werken aan verzoeken voor woningbouw. Er is een maximum verbonden aan het aantal woningen waaraan medewerking verleend kan worden. Het gaat om 'diverse particulier' (tot max. 5 woningen) en dit zijn er in totaal maximaal 150 tot het jaar 2030. Betreffende initiatief leidt tot het toevoegen van één woning. Ontwikkelingen van maximaal 5 woningen passen binnen de reservering voor particuliere initiatieven, kleine woningbouwplannen en herstructureringen en hiervoor kunnen direct de afspraken gemaakt worden om de benodigde
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
17 - 49
ruimtelijke procedure op te starten.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
18 - 49
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
4.1 Milieu 4.1.1 Geurhinder 4.1.1.1 Wettelijk kader De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object in de Wet geurhinder en veehouderij. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste eisen opgenomen. minimale afstand tot veehouderij [m] geurgevoelig object geurgevoelig object binnen buiten bebouwde kom bebouwde kom 50 geurgevoelig object van andere of (voormalige) 100 veehouderij (art. 3 lid 2, Wgv) veehouderij met een diercategorie waarvoor bij 100 50 ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld (art. 4 lid 1, Wgv)* 25 buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van 50 een geurgevoelig object (art. 5 lid 1, Wgv) Artikel 6 van de Wgv biedt de gemeente reeds de mogelijkheid om binnen een bepaalde bandbreedte maatwerk te leveren voor lokale situaties door het opstellen van een gemeentelijke verordening.
Op 16 december 2010 heeft de gemeenteraad van Maasdriel een gebiedsvisie en vervolgens de geurverordening vastgesteld, zoals bedoeld in de Wgv. De verordening is op 3 maart 2011 in werking getreden. Het plan is niet binnen de afgebakende kernen gelegen, er gelden geen afwijkende geurnormen. Voor het plan geldt derhalve een maximale geurbelasting van 8 ouE/m³. *In afwijking van de waarden (afstanden), genoemd in artikel 4, eerste lid onder a Wet geurhinder en veehouderij gelden: voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom: 50 meter voor een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom: 25 meter. De afstanden worden gemeten tussen het meest nabijgelegen emissiepunt voor veehouderijen met een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld en de gevels van de omliggende geurgevoelige objecten. De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een veehouderij waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld ter plaatse van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet-concentratie gebied. Op basis van artikel 3 en 6 van de Wgv gelden de in de volgende tabel weergegeven wettelijke waarden (norm) voor de geurbelasting en bijbehorende bandbreedtes voor een gemeentelijke verordening.
binnen bebouwde kom Geurbelasting [ouE/m3] min norm max concentratiegebied 0,1 3 14 niet-concentratiegebied 0,1 2 8
buiten bebouwde kom min norm 3 14 8 2
max 35 20
De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een veehouderij ter plaatse van geurgevoelige objecten is
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
19 - 49
afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet concentratie gebeid. De gemeente Maasdriel is gelegen in een zogenaamd niet-concentratiegebied. Voor niet-concentratiegebieden geldt als standaard norm 2 OU/m3 voor locaties binnen de bebouwde kom en 8 OU/m3 voor locaties buiten de bebouwde kom. Indien de berekende geur belasting lager is dan de van toepassing zijnde norm, staat dit de realisatie van een nieuw geurgevoelig object niet in de weg. De gemeente Maasdriel is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 8 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. 4.1.1.2 Onderzoek De geurhinder die feitelijk in een bepaald gebied op kan treden wordt bepaald door zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting in dat gebied. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Vaste afstanden De bestaande en nieuwe woning is aan te merken als een geurgevoelig object. Voor de bestaande woning, welke onderdeel vormt van een voormalige veehouderij, gelden uitsluitend de vaste afstanden van artikel 3 en 5 van de Wgv.
De woning moet minimaal 25 meter afstand zijn gelegen van een gevel van enig dierenverblijf en minimaal 50 meter van een veehouderij. Binnen de afstand van 50 meter rondom het plangebied is niets aanwezig. Voor de nieuwe woning geldt de vaste afstand van 25m op grond van artikel 4 en 5 Wgv. Deze contour ligt nauwelijks buiten het plangebied. Zodoende wordt voor zowel de bestaande als de nieuwe woning aan de vaste afstanden voldaan. Voorgrondbelasting De provincie Gelderland beheert middels I-GO Veehouderijen alle relevante gegevens van veehouderijen. Voor diercategorieën met een geuremissiefactor dient binnen een straal van 2 kilometer rond het de nieuwe VAB-woning beoordeeld worden. In de omgeving van de planlocatie zijn geen veehouderijen relevant vanwege diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Alle veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor in de omgeving van het plangebied worden reeds belemmerd door andere geurgevoelige objecten (woningen, bedrijfswoningen of sommige bedrijfsgebouwen) op kortere afstand. Het uitvoeren van een geuronderzoek is hiervoor niet nodig. Het plan leidt niet tot een belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijbedrijven. Beoordeling woon- en leefklimaat In de geurverordening is voor het grondgebied van de gemeente de achtergrondbelasting in geval van de maximale geursituatie in kaart gebracht.
Binnen het plangebied zelf is echter een veehouderij met geuremissiefactor gevestigd geweest, welk met voorliggend plan wordt beeindigd. De achtergrondbelasting in het plangebied werd in hoofdzaak beinvloed door de aan de Veilingweg gevestigde bedrijven, zie onderstaande afbeelding (plangebied aangeduid).
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
20 - 49
Gelet op de wettelijke norm van 8 ouE/m3 dient de achtergrondbelasting van 16 ouE/m3 in gemiddelde situaties als acceptabel beschouwd te worden. Zodoende kan op basis van de achtergrondbelasting (maximale geursituatie) geconcludeerd worden dat er ter plaatse van de woningen met een achtergrondbelasting < 1,5 ouE/m3 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.1.1.3 Conclusie Aan de vaste afstanden kan worden voldaan. Gesteld kan worden dat ten aanzien van de bewoning van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Ten gevolge van andere geurgevoelige objecten tussen de veehouderijen en het plangebied zullen de veehouderijen niet verder worden belemmerd dan al reeds in de huidige situatie het geval is. Het aspect geur vormt geen belemmering.
4.1.2 Geluid 4.1.2.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Bij de bouw van de woning dient de gevelisolatie van de betrokken woning zodanig te worden ontworpen, dat voor de binnenwaarde kan worden voldaan aan de eisen uit het bouwbesluit. Hierin staat geregeld dat de binnenwaarde maximaal 33 dB mag bedragen. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan kan door bevoegd gezag (Burgemeester en wethouders) een hogere grenswaarde worden vastgesteld, voor woningen. in het buiten stedelijk gebied (buiten bebouwde kom) geld een maximum te verlenen ontheffingwaarde Lden van 53 dB(A) (wgh art. 83, lid 1).
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
21 - 49
4.1.2.2 Onderzoek wegverkeer In het kader van het opstellen van het bestemmingsplan voor de realisatie van een woning aan de Achterdijk 6 is een akoestisch onderzoek ingesteld naar de geluidbelasting door wegverkeerslawaai op de gevels van de te bouwen woning op het perceel Bijlage 2). De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 47 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. 4.1.2.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.
4.1.3 Bodem 4.1.3.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 4.1.3.2 Onderzoek verkennend bodemonderzoek Aeres Milieu B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie van de nieuwe woonbestemmingen.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
22 - 49
Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met zink en somPCB. Ter plaatse van de tanks zijn geen verhogingen aangetoond. De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. *Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde; **het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; ***het gehalte is groter dan de interventiewaarde. (Meng)monster
Traject Zintuiglijke (m -mv) waarnemingen MM1 0,08 – 0,50 Geen bijmengingen / bijzonderheden MM2 0,00 – 0,50 Geen bijmengingen / bijzonderheden MM3 0,00 – 0,50 Geen bijmengingen / bijzonderheden MM4 0,50 – 1,00 Geen bijmengingen / bijzonderheden MM5 (Bovengrondse 0,08 – 0,50 Geen bijmengingen / tank) bijzonderheden M6 (Ondergrondse tank) 2,00 – 2,50 Matige olie-water reactie, matige brandstofgeur
Verhoogde component Zink Som PCB (µg/kgds) ---
Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing 143 * 107 * -----
Som PCB (µg/kgds) 272
*
---
---
---
---
---
---
---
---
---
Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met zink en somPCB. Ter plaatse van de tanks zijn geen verhogingen aangetoond. De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde; ** het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; *** het gehalte is groter dan de interventiewaarde. In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende streefwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 10 voor het analyserapport. Peilbuis
Filtertraject [m-mv] 2,05 – 3,05
Grondwaterstand [m-mv.] 0,80
1 (Centraal op locatie) 2 (Bovengrondse 1,85 – 2,85 0,80 tank) 4 (Ondergrondse 2,80 – 3,80 0,60 tank) Tabel 5.3: Toetsingsresultaten van de grondwatermonster
Verhoogde component Barium Xylenen ---
Gemeten concentratie [µg/l] en toetsing 230 * 0,3 * -----
Xylenen Minerale olie
0,57 230
* *
Het grondwater uit peilbuis 1 is licht verhoogd met barium en xylenen. Ter plaatse van de ondergrondse tank is het grondwater licht verhoogd met xylenen en minerale olie. Asbest De aangetoonde asbestconcentraties ter plaatse van ABG12 en ABG19 bij het west- en centraal zuidelijk gelegen pand aanleiding voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de bodem op de onderzoekslocatie.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
23 - 49
Aanvullend bodemonderzoek Het verkennend bodemonderzoek heeft zich niet gericht op de drupzones. Om hiervoor de bodemkwaliteit vast te stellen is aanvullend onderzoek uitgevoerd,zie 4. In de druppelzones ter plaatse van stal 1 en schuur 2 is een achtergrondwaarde-overschrijding voor de parameter asbest aangetroffen. De omvang van de asbestverontreiniging, boven de interventiewaarde ter plaatse van stal 2 en schuur 1 bedraagt, (ca. 27 x 1,5 x 0,2) = ca. 8 m³ en bevindt zich in de grondlaag tussen 0–0,20 m-mv. In zowel de zandige als kleiige grondlaag (0,30-0,50 m-mv) ter plaatse van de druppelzones van stal 1 en schuur 2, is een achtergrondwaarde-overschrijding voor de parameter PCB’s aangetroffen. In de keiige grondlaag (0,30-0,50 m-mv) ter plaatse van de druppelzones van stal 2 en schuur 1 is geen overschrijding van de parameter PCB’s aangetroffen. Gezien de asbesthoudende golfplaten reeds in de jaren ’70 zijn aangebracht, betreft het een historische bodemverontreiniging. Op basis van de beschikbare gegevens kan worden geconcludeerd dat er minder dan 25m³ ernstig verontreinigde grond aanwezig is, waardoor er geen sprake is van een ernstige verontreinigde verontreiniging op de onderzoekslocatie. 4.1.3.3 Conclusie De resultaten van dit verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Wel is ter plaatse mogelijk sprake van een asbest in bodemverontreiniging. Ten aanzien van de aangetoonde verhoogde asbestconcentraties in de bodem wordt geadviseerd om direct voorafgaand of na sloop van de asbesthoudende dakbedekkingen (verontreinigingsbron) een nader onderzoek uit te voeren naar de verspreiding van de asbest in de bodem. Het uitvoeren van grondroerende activiteiten (graven of andere grondbewerking) ter plaatse en in de directe omgeving van ABG12 en ABG19 is niet toegestaan zonder instemming van de bevoegde overheid. Op basis van het aanvullend onderzoek ter plaatse van de druppelzones kan worden geconcludeerd dat er minder dan 25m³ ernstig verontreinigde grond aanwezig is, waardoor er geen sprake is van een ernstige verontreinigde verontreiniging op de onderzoekslocatie. Gezien er geen sprake is van een ernstige bodemverontreinging kunnen de sterke verontreinigingen met asbest en PCB's doormiddel van een plan van aanpak gravend worden gesaneerd.
4.1.4 Externe veiligheid 4.1.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. De risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde voor kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risico aanvaarding.
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
24 - 49
4.1.4.2 Onderzoek Uit de provinciale risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen: het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; het invloedsgebied van een EV-relevante buisleiding; de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; het invloedsgebied van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.
Volgens de risicokaart van de Provincie Gelderland zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die gevaarlijke stoffen transporteren of opslaan. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen. Aanvullend op de risicokaart is tevens de risicoatlas hoofdvaarwegen Nederland geraadpleegd. Uit deze risicoatlas, opgesteld door AVIV in opdracht van Rijkswaterstaat, volgt dat de 10-6 contour voor de Maas op de oever ligt behoudens een enkele plaats in Rotterdam. Daarmee is deze transportroute geen belemmering in het kader van externe veiligheid voor dit plan. 4.1.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid is niet relevant. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
25 - 49
milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 4.1.5.2 Onderzoek Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. De omgeving kan worden beschouwd als rustig buitengebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure. Categorie bedrijvigheid De afstand tot het dichtstbijzijnde niet agrarisch bedrijf is meer dan 100m (achterdijk 8) en de afstand tot het dichtstbijzijnde dierenverblijf (extensief) is meer dan 170m (Achterdijk 10). In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarvan de hindercontouren over het plangebied liggen.
4.1.5.3 Conclusie Door de nieuwe bestemming Wonen worden enerzijds de bestaande bedrijven in de directe omgeving niet belemmerd in hun activiteiten en vergunde rechten. Tevens wordt anderzijds ter plaatse van het plangebied een voldoende woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.1.6 Luchtkwaliteit 4.1.6.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.1.6.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit
(ontwerp) Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6 NL.IMRO.0263.BP1240-ON01
26 - 49
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van de realisatie van 1 nieuwe woning. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied herziening 2022, Achterdijk 6' is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de Atlas Leefomgeving Luchtkwaliteit.