BP Kerkdriel Ipperakkeren 17-87a Toelichting en regels - wijzigingen gemarkeerd
Tekst van het document
Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. Op circa 1.400 meter vanaf het plangebied is een geitenhouderij actief, namelijk de geitenhouderij aan de Drielse Veldweg 1 in Velddriel. Binnen een afstand van 250 meter van het plangebied liggen geen overige veehouderijen. Conform de genoemde handreiking is een advies van de GGD gewenst. Echter betreft het hier vervangende nieuwbouw waarbij het aantal personen dat een verhoogde kans heeft longontsteking te krijgen niet significant toeneemt.
Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van geitenhouderijen.
5.7.3 Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.
34
Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van een woning waar personen gedurende langere tijd verblijven. Er wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.
5.7.4 Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van een woning waar kinderen gedurende langere tijd kunnen verblijven. Er wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 4 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.
5.7.5 Conclusie Het aspect 'volksgezondheid' vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.8 Archeologie 5.8.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
5.8.2 Analyse Het plangebied kent, overeenkomstig de gemeentelijke archeologische beleidskaart, voor het over grote deel geen voorschriften voor archeologie. Slechts een klein deel van het meeste noordelijke deel van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Een uitsnede van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is hieronder weergegeven.
UITSNEDE ARCHEOLOGISCHE BELEIDSKAART
35
Dit heeft als consequentie dat een omgevingsvergunning voor het bouwen slechts verleend kan worden, indien vooraf een rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Alvorens de omgevingsvergunning verleend kan worden wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologische deskundige van de gemeente Maasdriel of een daarvoor in de plaats gestelde deskundige. Het voorgaande is niet van toepassing voor een bouwwerk waarbij geen graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm noodzakelijk zijn en tevens met een oppervlakte kleiner dan 5.000 m². Het oppervlak van het plangebied binnen de dubbelbestemming is ca. 275 m2. Omdat dit oppervlak kleiner is dan 5.000 m² behoeft geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
5.8.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.9 Cultuurhistorie 5.9.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.9.2 Analyse Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen beschermde monumenten aanwezig. Daarnaast zorgt het initiatief niet voor een verstoring van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het uitvoeren van een cultuurhistorisch onderzoek is niet noodzakelijk.
5.9.3 Conclusie Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.10 Natuurwaarden 5.10.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen: gebiedsbescherming; soortenbescherming; bescherming van houtopstanden.
5.10.2 Analyse Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Gelderland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op circa 3.700 meter afstand. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport (15 maart 2023, Notitie stikstofdepositie-onderzoek Ipperakkereren (ong.), Kerkdriel) is als bijlage 6 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat zowel in de gebruiksfase als aanlegfase wordt voldaan aan de genoemde grenswaarde. Hierbij is rekening gehouden met de fasering van de bouw en ingebruikname. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
36
Soortenbescherming
Quickscan Wet natuurbescherming Bij de ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Om na te gaan of er in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ontwikkelen heeft Econsultancy uit Boxmeer een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd 'Rapportage Quickscan Wet natuurbescherming Ipperakkeren (ong.) te Kerkdriel (21 juli 2021, 16275.003). Econsultancy concludeert dat voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent een functie van de onderzoekslocatie voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Ten aanzien van de huismus is een aanvullende inspectie van de geschikte opening op sporen en nestmateriaal benodigd. Indien tijdens de inspectie sporen en/of nestmateriaal wordt aangetroffen, is een aanvullend onderzoek naar de huismus benodigd. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door het aanwezige groen te verwijderen buiten het broedseizoen en sloopwerkzaamheden aan de bebouwing uit te voeren buiten het broedseizoen.
Indien in het broedseizoen gewerkt gaat worden, dient voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Ecologische nader onderzoek Op basis van de conclusies uit de quickscan Wet natuurbescherming dient een nader onderzoek naar de aanwezigheid van enkele beschermde soorten onderzocht te worden. Het gaat hierbij om beschermde zoogdieren (vleermuizen) en vogels (huismus). Averti heeft een nader onderzoek naar deze soorten uitgevoerd.: rapport 'Ecologische nader onderzoek Ipperakkeren, Kerkdriel' (20.2201; 1 november 2022). De rapportage is als bijlage 7 bijgevoegd. Averti concludeert dat in het nader onderzoek diverse beschermde natuurwaarden zijn vastgesteld in het projectgebied. Dit betreft onder andere een grote zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis, bestaande uit circa zeven satellietverblijfplaatsen verspreid over twee flatgebouwen, met aangrenzend niet-essentieel foerageergebied.
Ook is het paarterritorium van een gewone dwergvleermuis en de paarverblijfplaats van een ruige dwergvleermuis waargenomen. Verder is zwermgedrag waargenomen van circa vier gewone dwergvleermuizen, wat een indicatie is voor een potentiële massawinterverblijfplaats. Hoewel deze functies niet in alle drie de flatgebouwen zijn waargenomen, zijn deze alsnog in potentie geschikt. in de nabije omgeving van het projectgebied twee verblijfplaatsen van een kraamkolonie van de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen. Zowel aan de noord- als de zuidzuide van het projectgebied bevinden zich essentiële vliegroutes van deze kraamgroep richting nabijgelegen foerageergebieden. Ook zijn in de omgeving van het projectgebied diverse nesten met bijbehorend leefgebied van de huismus waargenomen. Deze zijn echter niet gebonden aan het projectgebied. Verder bevindt zich binnen het projectgebied het leefgebied van de egel. Deze soort is echter algemeen vrijgesteld voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
Voor het uitvoeren van de beoogde werkzaamheden is een ontheffing van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van artikel 3.5, tweede en vierde lid (voor het opzettelijk verstoren van vleermuizen en voor het beschadigen of vernielen van één grote zomerverblijfplaats, één paarverblijfplaats en één massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis), noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of het kappen van een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomerij van meer dan 20 bomen. Er is daarom geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van 'bescherme houtopstanden' worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden binnen het plangebied.
37
5.10.3 Conclusie Op grond van de Quickscan Wet natuurbescherming en het ecologische nader onderzoek wordt de ontwikkeling vanuit het aspect 'natuurwaarden' inpasbaas geacht. Voor het uitvoeren van de beoogde werkzaamheden is een ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk.
5.11 Waterparagraaf 5.11.1 Inleiding Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
5.11.2 Beleid In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
5.11.2.1
Nationaal niveau
Het Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.11.2.2
Provinciaal niveau
Het Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Gelderland voor de periode 2021-2027. Dit beleidsdocument gaat in op de betrokkenheid van de provincie vanuit diverse invalshoeken in op het gebied van water: water en ondergrond, drinkwater, waterveiligheid en wateroverlast, natuur, waterkwaliteit.
5.11.2.3
Waterschap Rivierenland
Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Rivierenland. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in: Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. In de Keur en beleidsregels wordt de compensatieverplichting geregeld bij plannen waarin sprake is van een toename van verhard oppervlak. Daarnaast beschikt waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Voor ruimtelijke ontwikkelingen dient gebruik gemaakt te worden van de uitgangsnotitie watertoets. Brochure Partners in Water In de brochure Partners in Water worden vier thema’s benoemd waaraan aandacht moet worden besteed in een watertoets: waterneutraal inrichten, schoon inrichten, veilig inrichten en bijzondere wateren en voorzieningen. In deze watertoets wordt hieraan op de volgende wijze invulling gegeven. 1. Waterneutraal inrichten. 2. Schoon inrichten. 3. Veilig inrichten. 4. Bijzondere wateren en voorzieningen.
38
5.11.2.4
Waterplan Bommelerwaard
Het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 is van toepassing. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. In de Keur en beleidsregels wordt de compensatieverplichting geregeld bij plannen waarin sprake is van een toename van verhard oppervlak. Daarnaast beschikt waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Voor ruimtelijke ontwikkelingen dient gebruik gemaakt te worden van de uitgangsnotitie watertoets.
5.11.3 Watersysteem 5.11.3.1
Bodem
Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een kleibodem. De waterdoorlatendheid is slecht.
5.11.3.2
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.
5.11.3.3
Grondwater
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied ligt 40-80
5.11.3.4
-mv. (bron: bodemkaart)
Waterschapsbelangen
Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
5.11.4 Hemelwater 5.11.4.1
Verhard oppervlak
Om de waterhuishoudkunidge situatie van de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen heeft Akertech een watertoets opgesteld: rapport 'Watertoets' (2022032 WT; 4 november 2022). De watertoets is als bijlage 8 bijgevoegd. Voor het bepalen van de benodigde berging is een analyse van het verhard oppervlak benodigd. De benodigde berging is bepaald aan de hand van het totaal verhard oppervlak in de toekomstige situatie. Om een goed vergelijk te maken met de bestaande situatie is ook het verhard oppervlak hiervan bepaald. Bestaande situatie Dak Dak sedum Groen Verharding Totaal
Verhard 1.479
Onverhard 0 705
1.865 3.344
705
39
Nieuwe situatie Dak Dak sedum Groen Tuinen (90% verhard) Verharding Totaal
Verhard 72 1.288 221 1.692 3.273
Onverhard
752 24 776
In bovenstaande tabellen is te zien dat de verharding van de bestaande situatie met 71 m² afneemt naar de nieuwe situatie. In de nieuwe situatie is 3.052 m² verhard oppervlak aanwezig. Hierbij worden de sedumdaken ook als verhard beschouwd (Waterschapsbeleid). Naast het verharde oppervlak van gebouwen en wegen wordt rekening gehouden met 245 m² aan particuliere tuinen. Hiervan wordt 90% verhard aangehouden (221 m2), waardoor het verhard oppervlak in de nieuwe situatie overeenkomt met 3.273 m².
5.11.4.2
Berging hemelwater
Het hemelwater wat op de daken van de hoofdgebouwen valt wordt verwerkt via groene sedumdaken (robuust uitgevoerd). Hiermee wordt hemelwater op een duurzame manier verwerkt en vastgehouden en wordt tegelijkertijd de biodiversiteit versterkt. Via de verhardingen in het plangebied wordt hemelwater afgevoerd naar beoogde hooggelegenbergingsvoorzieningen onder de parkeerplaatsen voor en aan de zijkanten van de woonblokken. Voor de bergingsvoorziening kan bijvoorbeeld gekozen worden voor kratten ingepakt in folie met een leegloopconstructie (vertraagd) naar het gemeente riool. Bij de aanleg van 40 cm hoge kratten dient er ca. 230 m² berging aangelegd te worden. Door de gemeente is aangegeven dat een bergingsvoorziening op eigen perceel aangelegd dient te worden. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar, bijvoorbeeld onder de parkeervakken (ca. 400 m2 nieuwe parkeervakken op eigen terrein beschikbaar). De bergingsopgave kan gelijkmatig worden verdeeld over het plangebied, zodat overal voldoende berging aanwezig is. Bij de uitvoering wordt rekening gehouden met de aanleg van een gescheiden rioolstelsel in de toekomst.
5.11.5 Afvalwater Vuilwater afkomstig van de nieuwe appartementen en woningen wordt verwerkt via het gemengde rioolstelsel van de gemeente in de Ipperakkeren. Vanwege de marginale verschillen is dit qua capaciteit geen probleem.
5.11.6 Waterkwaliteit Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.
5.11.7 Conclusie Het aspect 'water' vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.12 Beperkingen in verband met militair vliegveld Volkel Het plangebied ligt op relatief op afstand van het militaire vliegveld Volkel. Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Volkel en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in: een geluidzonering; een obstakelbeheergebied; een radarverstoringsgebied; een vogelbeheersgebied; een risicogebied vanwege de opslag van munitie. Daarnaast gelden er beperkingen als gevolg van het industrielawaai op het vliegveldterrein, zoals opgenomen in de Wet geluidhinder. Voor het plangebied is alleen het radarverstoringsgebied van toepassing. De overige
40
beperkingen worden buiten beschouwing gelaten.
5.12.1 Radarverstoringsgebied Het militaire vliegveld beschikt over een radarsysteem. Radarsystemen dienen 'vrij zicht' te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten in de omgeving kunnen leiden tot een verstoring van het radarbeeld. Het radarverstoringsgebied is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en wordt gevormd door: een cirkel met een straal van 15 km gemeten vanaf de positie van de radar. De maximale hoogte van bouwwerken wordt hier bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf het punt op de top van de radarantenne (49 meter boven NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt op 15 kilometer afstand op een hoogte van 114 meter boven NAP; aanvullend voor windmolens buiten deze 15 kilometercontour een cirkel met een straal van 75 km gemeten vanaf de positie van de radar. Voor de tippen van de wieken van windturbines geldt hier een maximale hoogte van 114 meter boven NAP. Het plangebied ligt op een afstand van circa 20 km tot het radarsysteem, dus op meer dan 15 km. Omdat voorliggend initiatief niet leidt tot de realisatie van een molen of windturbine is het radarverstoringsgebied niet van toepassing op het planvoornemen. Het project voldoet aan de voorwaarden van het radarverstoringsgebied.
5.13 Milieueffectrapportage 5.13.1 Inleiding Om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, dient in een vroeg stadium te worden beoordeeld of de toekomstige activiteiten mogelijk significante effecten hebben op milieu, natuur of landschap. Een eerste stap in dit proces is een beoordeling of het planvoornemen voldoet aan de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.).
5.13.2 Toetsingskader besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. zijn in de onderdelen C en D van de bijlagen beoordelingsdrempels opgenomen, op grond waarvan bepaald kan worden of voor een bepaalde ontwikkeling een m.e.r.-beoordelingsprocedure of een m.e.r.-procedure uitgevoerd dient te worden. Deze drempels zijn indicatief. Dit houdt in dat het niet vanzelfsprekend is dat wanneer een ontwikkeling beneden deze drempelwaarden blijft, er geen m.e.r.-beoordeling of m.e.r. noodzakelijk is. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst, maar welke beneden de drempelwaarden blijft, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze toets wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Uit deze toets zijn twee conclusies mogelijk: Er is geen m.e.r.(-beoordeling) nodig, want belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is een m.e.r.-beoordeling dan wel direct een m.e.r. noodzakelijk, aangezien belangrijke negatieve milieugevolgen niet vallen uit te sluiten. In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' zijn de selectiecriteria beschreven die bepalen of er mogelijk sprake is van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu.
Hierbij moet worden gedacht aan de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en natuurlijk de mate van verontreiniging of hinder. Ten tweede is de locatie van de projecten natuurlijk van belang. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen of een project in de nabijheid van een gevoelig gebied is gelegen. Voorbeelden van gebieden die extra aandacht vragen zijn wetlands, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurgebieden en bij wet beschermde gebieden.
41
Bij de samenhangende beoordeling van bovenstaande kenmerken van een project en de potentiële aanzienlijke milieugevolgen dient het volgende te allen tijde te worden meegewogen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grens overschrijdende karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. De ontwikkeling is in het Besluit m.e.r. niet opgenomen in onderdeel C, maar kan wel geschaard worden onder onderdeel D, onder categorie D11.2 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." Hiervoor zijn de volgende drempelwaarden zijn opgenomen: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
5.13.3 Analyse Relevantie voor het plangebied
Omdat het planvoornemen ruim beneden de drempelwaarden valt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Naast het Besluit m.e.r. wordt ook de Wet natuurbescherming als afwegingskader gehanteerd. Indien er namelijk sprake is van significante negatieve effecten op een Natura 2000-gebied, geldt een plan m.e.r.-plicht. Bij de ontwikkelingen binnen het plangebied zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet aan de orde. Er is geen plan m.e.r.-plicht.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Naar aanleiding van het bovenstaande is het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van een besluit een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Gelet hierop worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, zodat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden uitgevoerd. In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van voorliggende bestemmingsplan diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor alle voor dit plan relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in dit hoofdstuk, blijkt dat het plan slechts beperkte milieueffecten heeft. Kenmerken van het plan Omvang van het project (relatie met drempel D-lijst)
Cumulatie met andere projecten
Gebruik natuurlijke hulpbronnen Productie afvalstoffen
42
D11.2 : ''de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van in totaal 48 woningen mogelijk. De indicatieve drempel uit de D-lijst wordt daarmee niet overschreden. Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, waardoor geen sprake is van cumulatie van milieueffecten met andere projecten. De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit.
Voor wat betreft de afvoer van (huishoudelijk) afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke resteffecten die aanleiding zouden geven tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Verontreiniging en hinder
Bodem
Het aspect 'bodemkwaliteit' wordt inpasbaar geacht, aangezien de te verwachten aanwezige verontreinigde stoffen mogelijk zijn verwijderd tijdens de realisatie van de huidige bebouwing. Voor wat betreft de bestemmingsplanprocedure is de bodemkwaliteit in voldoende mate onderzocht en in beeld gebracht. Om de aard van de verontreinigde stof te bepalen, dient een verkennend bodemondzoek uitgevoerd te worden.
Water Vanuit het aspect 'water' bestaan er geen belemmeringen.
Flora en fauna
Op basis van de uitgevoerde quickscan blijkt dat nader onderzoek naar vleermuizen en de huismus noodzakelijk is. Op basis van de conclusies uit het ecologische nader onderzoek blijkt dat voor het uitvoeren van de beoogde werkzaamheden is een ontheffing van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van artikel 3.5, tweede en vierde lid (voor het opzettelijk verstoren van vleermuizen en voor het beschadigen of vernielen van één grote zomerverblijfplaats, één paarverblijfplaats en één massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis), noodzakelijk. Uit het onderzoek naar stikstofdepositie is naar voren gekomen dat de stikstofdepositie zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Hierbij is rekening gehouden met de fasering van de bouw en ingebruikname. Het plan zal afzonderlijk – of in combinatie met andere plannen – geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Archeologie
Vanuit het aspect 'archeologie' bestaan er geen belemmeringen.
Geluid Vanuit het aspect 'geluid' bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen.
Bedrijven en milieuzonering
Vanuit het aspect 'milieuzonering' bestaan geen belemmeringen.
Luchtkwaliteit Vanuit het aspect 'luchtkwaliteit' bestaan geen belemmeringen.
43
Externe veiligheid Vanuit het aspect 'externe veiligheid' bestaan geen belemmeringen. Plaats van de projecten Bestaand grondgebruik
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied Opname vermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.
Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)
Het plangebied is in de huidige situatie reeds bestemd ten behoeve van woondoeleinden. Het plangebied is grotendeels verhard. Het bestaande grondgebruik levert geen belemmeringen op in relatie tot de beoogde ontwikkeling. Niet van toepassing. Wetlands: niet van toepassing Kustgebieden: niet van toepassing Berg- en bosgebieden: niet van toepassing Reservaten en natuurparken: niet van toepassing Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: Nee. Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: nee. Niet van toepassing
5.13.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
44
Hoofdstuk 6 Haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.
6.1 Financieel Kostenverhaal Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, wanneer het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Voor voorliggend plan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente
45
46
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
7.2 Afstemming met andere regelgeving 7.3 Planregels De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Verkeer (artikel 3) De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: wegen, voet- en fietspaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; verblijfsvoorzieningen in de vorm van pleinen e.d.; nutsvoorzieningen, waaronder begrepen leidingen en bijbehorende voorzieningen; kunstwerken; watergangen, waterretentie, waterzuivering en -infiltratie; voorzieningen voor openbaar nut, waaronder begrepen (ondergrondse) afvalcontainers en informatiezuilen; ondergrondse parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - parkeervoorzieningen'; ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden': voor het behoud en herstel van de aanwezige archeologische waarden, een en ander met de bijbehorende voorzieningen. Op en in de gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
47
Wonen (artikel 4)
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep of bedrijf aan huis. Er is sprake van drie woongebouwen met 48 woningen. Bij de opzet van het bestemmingsplan is gekozen voor een gedetailleerde regeling.
Waarde - Archeologie 6 (artikel 5)
Binnen deze bestemming dient voor bodemingrepen met een diepte van ten minste 30 cm en een oppervlakte groter dan 5.000 m² nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. In de bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen teneinde te bestemming te verkleinen dan wel te laten vervallen indien op basis van onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Hoofdstuk 3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 6)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene gebruiksregels (artikel 7) In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.
Algemene afwijkingsregels (artikel 8)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.
Algemene wijzigingsregels (artikel 9) In dit artikel is een algemene wijzigingsregel opgenomen. Het bevoegd gezag kan, voor zover niet reeds op grond van een andere bepaling van deze regels omgevingsvergunning kan worden verleend, omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.
Algemene procedureregels (artikel 10)
In dit artikel zijn procedureregels opgenomen. Bij het stellen van nadere eisen, worden in ieder geval de volgende procedureregels in acht genomen
Overige regels (artikel 11) In dit artikel zijn overige regels opgenomen. De overige regels betreffen onder meer de geldende gemeentelijke parkeernormen en waarborging voldoende waterberging. Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 12)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.
Slotregel (artikel 13) Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
48
Hoofdstuk 8 Procedure Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn: 1. Inspraak 2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 3. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 4. Vaststelling door gemeenteraad 5. Ter inzagelegging vastgesteld bestemmingsplan
8.1 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft contact gezocht met de direct omwonenden/grondeigenaren en heeft hen geïnformeerd over voorliggend initiatief. De memo van de omgevingsdialoog is als bijlage 9 bijgevoegd.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties. Het verslag van dit overleg wordt ter zijner tijd ingevoegd.
8.3 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Op grond van de gemeentelijke inspraakverordening wordt het ontwerp bestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn kan door één ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan kunnen worden ingebracht. Het verslag van de terinzagelegging en de beantwoording van de ingekomen zienswijzen wordt ter zijner tijd ingevoegd.
8.4 Vaststelling door gemeenteraad Het bestemmingsplan ‘Kerkdriel herziening 2022, Ipperakkeren 17-87a’ is door burgemeester en wethouders vastgesteld d.d. 6 juli 2023..
8.5 Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan Na de publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan hebben belanghebbenden zes weken de tijd om tegen het plan in beroep te gaan. Het bestemmingsplan treedt de dag na afloop van de beroepstermijn in werking.
49
50
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Inrichtingsschets
Bijlage 2
Parkeeronderzoek
Bijlage 3
Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek verkeerslawaai
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
Bijlage 6
Stikstofdepositie-onderzoek
Bijlage 7
Ecologisch nader onderzoek
Bijlage 8
Watertoets incl. aanvulling
Bijlage 9
Verslag omgevingsdialoog
51
52
Regels
53
54
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 1.1
Begrippen plan
Het bestemmingsplan Kerkdriel herziening 2022, Ipperakkeren 17-87a met identificatienummer NL.IMRO.0263.IMRO-VG01 van de gemeente Maasdriel. 1.2
bestemmingsplan
1.3
aan huis verbonden bedrijf
1.4
aan huis verbonden beroep
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, gericht op consumentenverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang zodanig is dat de activiteit in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Het in een woning en/of bij die woning behorend (al dan niet vrijstaand) bijgebouw uitoefenen van een beroep of beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied. 1.5
aan- of uitbouw
Een ruimte die aan het hoofdgebouw is gebouwd, die functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw, maar die ruimtelijk een ondergeschikte aanvulling vormt op het hoofdgebouw. 1.6
aanduiding
1.7
aanduidingsgrens
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.8
ambachtelijk bedrijf
1.9
bebouwing
Een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen, alsook in verband hiermee en als nevenactiviteit van ondergeschikt belang- het verkopen en/of leveren van goederen. Één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10
bed & breakfast
1.11
bedrijf
Een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als ondergeschikte toeristisch-recreatieve activiteit. Onder een bed & breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. Een inrichting, waarbinnen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden vergelijkbaar met of zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van inrichtingen. 1.12
bedrijfsgebouw
1.13
bedrijfswoning
Een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. Een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bestemd voor één persoon, gezin of andere groep van personen, van wie huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is.
55
1.14
bedrijventerrein
1.15
begane grond
Terrein, waarop hoofdzakelijk de vestiging van bedrijven is toegestaan. De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder. 1.16
bestaand
Bestaand en/of vergund op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.17
bestemmingsgrens
1.18
bestemmingsvlak
1.19
bevoegd gezag
De grens van een bestemmingsvlak. Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. Bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wabo of opvolgende wetgeving. 1.20
bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.21
bijgebouw
1.22
bouwen
1.23
bouwgrens
1.24
bouwlaag
1.25
bouwperceel
1.26
bouwperceelgrens
Een vrijstaand of aan het hoofdgebouw aangebouwd gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw. Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. De grens van een bouwvlak. Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een kelder en de ruimte(n) in de kap. Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. De grens van een bouwperceel. 1.27
bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.28
bouwwerk
1.29
bouwwijze
Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. De wijze van bouwen van een woning, te weten vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd of gestapeld, waarbij: a. b. c. d.
56
ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' wordt het hoofdgebouw van een woning niet begrensd door scheidsmuren van andere hoofdgebouwen; ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' wordt het hoofdgebouw van een woning naar één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw begrensd; ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' wordt hoofdgebouw van een woning naar twee zijden door scheidsmuren van naastgelegen hoofdgebouwen begrensd, met uitzondering van de hoofdgebouwen die de aldus gevormde rij beëindigen; ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' wordt in één gebouw, bestaande uit meer lagen, meer woningen gebouwd.
1.30
coffeeshop
1.31
detailhandel
1.32
discotheek
1.33
evenement
1.34
gebouw
Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse en het verstrekken van verdovende en/of hallucinerende stoffen, met eventueel als nevenactiviteit het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide kleine etenswaren. Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormen. een activiteit, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, sportieve, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden. Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.35
gestapeld
woningen boven een andere woning of functie. 1.36
hoofdgebouw
Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.37
horeca
Een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt. de horecabedrijven zijn in drie categorieën te onderscheiden: a. b.
c.
categorie 1: vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden, (alcoholische) dranken en/of logies worden verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren of zowel overdag als in de avonduren plaatsvindt, zoals een café, restaurant, hotel en pension; categorie 2: vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waarvan de exploitatie zowel overdag als in de vroege avonduren plaatsvindt, zoals een lunchroom, broodjeszaak, ijssalon, cafetaria, snackbar, automatiek, afhaalrestaurant; categorie 3: vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, een aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals bardancings, discotheken, nachtclubs en coffeeshops.
1.38
kinderdagverblijf
1.39
kleinschalige dienstverlening
opvang van kinderen in een crèche of daarmee vergelijkbaar verblijf, gedurende één of meer dagdelen per week, het hele jaar door. Dienstverlening in een omvang, vergelijkbaar met de omvang van een aan huis verbonden beroep met maximaal vijf werkzame personen. 1.40
maatschappelijk
Voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, gezondheidszorg en openbare dienstverlening.
57
1.41
nevenactiviteit
1.42
omgevingsvergunning
1.43
ondersteunende horeca
Een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo of opvolgende wetgeving. het consumeren van betaalde (kleine) eetwaren en/of dranken in een inrichting die geen hoofdbestemming horeca heeft, waarbij: a. b. c. d. e.
de horeca-activiteit uitsluitend in samenhang met en ondersteunend aan de hoofdactiviteit plaatsvindt; de openingstijden van de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de hoofdactiviteit; de toegang tot de horeca-activiteit dezelfde toegang betreft als die van de hoofdactiviteit; er in het pand (vrij toegankelijke) sanitaire ruimte aanwezig is; er voor de horeca-activiteit geen reclame mag worden gemaakt, bijvoorbeeld door middel van uithangborden, menukaarten voor het raam, 'sandwichborden' op straat, in de media.
1.44
(openbare) nutsvoorziening
1.45
overig bouwwerk
1.46
overkapping
Een bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation. Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met maximaal één gesloten wand. 1.47
1.48
peil
in geaccidenteerd terrein (in de nabijheid van dijken): ten hoogste 15 cm boven het gemiddelde oorspronkelijke omliggende terrein; in vlak terrein, voor zover dat oorspronkelijk hoger ligt dan de kruin van de weg: ten hoogste 15 cm boven het oorspronkelijke terrein; in vlak terrein, voor zover dat oorspronkelijk lager ligt dan de kruin van de weg: ten hoogste 15 cm boven de kruin van de weg. portiek
Overdekte ruimte voor de ingang van een gebouw of leidend naar de ingang van een gebouw. 1.49
risicovolle inrichting
1.50
seksinrichting
Inrichting, die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), met een plaatsgebonden risico dat reikt tot buiten het tot de betreffende inrichting behorende bouwperceel. De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.51
voorgevel
1.52
webwinkel
De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de meest gezichtsbepalende gevel. Een bedrijf dat zich toelegt op het (doen) thuis leveren van goederen op schriftelijke, telefonische of elektronische order van klanten en dat op de bedrijfslocatie geen directe contactmogelijkheden (balie, showroom, afhaalcentrum) met klanten biedt. 1.53
woning
Een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.
58
1.54
zakelijke dienstverlening
Dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksaantrekkende functie, zoals een wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, hypotheekverstrekker, postkantoor, telefoon-/ telegraaf-/ telexdienst, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven.
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de bouwhoogte van een bouwwerk
2.2
de dakhelling
2.3
de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.4
de inhoud van een bouwwerk
2.5
de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6
de diepte van een woning
2.7
het bebouwingspercentage
de buitenwerks gemeten afstand tussen de voorgevel en de achtergevel van de woning. het percentage van een bouwperceel dat met bebouwing mag worden bebouwd. 2.8
a. b. c.
Peil
in geaccidenteerd terrein (in de nabijheid van dijken): ten hoogste 15 cm boven het gemiddelde oorspronkelijke omliggende terrein; in vlak terrein, voor zover dat oorspronkelijk hoger ligt dan de kruin van de weg: ten hoogste 15 cm boven het oorspronkelijke terrein; in vlak terrein, voor zover dat oorspronkelijk lager ligt dan de kruin van de weg: ten hoogste 15 cm boven de kruin van de weg.
59
60
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 3.1
Verkeer Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, voet- en fietspaden; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. verblijfsvoorzieningen in de vorm van pleinen e.d.; f. nutsvoorzieningen, waaronder begrepen leidingen en bijbehorende voorzieningen; g. kunstwerken; h. watergangen, waterretentie, waterzuivering en -infiltratie; i. voorzieningen voor openbaar nut, waaronder begrepen (ondergrondse) afvalcontainers en informatiezuilen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen.
3.2
Bouwregels
Op en in de gronden als bedoeld in 3.1 mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de hoogte niet meer mag bedragen dan hieronder is aangegeven: Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bewegwijzering Licht- en andere masten Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Max. hoogte 8m 8m 4m
3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.3.1 Uitvoeren werken of werkzaamheden Het is verboden op de gronden binnen deze bestemming zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren: a.
het (ver)graven, verruimen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.
3.3.2 Uitsluiting werken of werkzaamheden Het onder 3.3.1 vervatte verbod geldt niet voor de werken of werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan omgevingsvergunning is verleend; b. die ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren; c. die betreffen het normale beheer en onderhoud.
61
Artikel 4 4.1
Wonen Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
wonen; aan huis verbonden beroep;
met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, parkeervoorzieningen, watergangen waterretentievoorzieningen en voorzieningen voor waterzuivering en -infiltratie.
4.2
Bouwregels
4.2.1 Toegestane bouwwerken Op en in de gronden als bedoeld in 4.1 mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming: a.
maximaal het bestaande aantal woningen per bestaand bouwperceel, overeenkomstig de bouwwijze zoals hierna per bouwvlak door middel van een aanduiding is aangegeven:
Aanduiding
[gs] b. c. d.
bouwwijze gestapeld
bijgebouwen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; overkappingen, uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'.
4.2.2 Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. woningen mogen uitsluitend worden gesitueerd binnen het bouwvlak; b. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de voorgevel van de woning naar de zijde van de aangeduide gevellijn te worden gericht; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is aangegeven; d. per bouwperceel mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingspercentage' is aangegeven; e. woningen mogen plat of met een kap worden afgedekt. In het laatste geval bedraagt de dakhelling minimaal 30° en maximaal 65°, met dien verstande dat indien de bestaande dakhelling kleiner is, de bestaande dakhelling is toegestaan; f. onderkeldering van het hoofdgebouw is toegestaan tot een diepte van maximaal 3 m, uitgezonderd onderkeldering voor zwembaden waarbij de diepte maximaal 6 m mag bedragen; g. een toegang van buitenaf tot kelders mag uitsluitend aan de achtergevel worden gesitueerd; h. het vloerpeil van de woning mag maximaal 30 cm boven de kruin van de weg te liggen
4.2.3 Bijgebouwen en aan- en uitbouwen Voor het bouwen van bijgebouwen en aan- en uitbouwen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', onverminderd het bepaalde onder b en met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' ruimte dient te worden gereserveerd voor een onderdoorgang voor het langzaam verkeer; b. per bouwperceel mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingspercentage' is aangegeven; c. binnen elk bouwvlak mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' niet meer bedragen dan 85 m², onverminderd het bepaalde onder b.
62
d.
e.
indien het oppervlak van het bouwperceel meer dan 400 m² bedraagt, mag de onder d. genoemde oppervlakte worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot een totale bebouwde oppervlakte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen van maximaal 150 m²; het onder b. genoemde bebouwingspercentage mag hierbij niet worden overschreden; de goothoogte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen mag maximaal 3 m bedragen, de bouwhoogte maximaal 5 m;
4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de hoogte niet meer mag bedragen dan hieronder is aangegeven: Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Overkappingen met een open constructie en pergola's Erfafscheidingen en/of terreinafscheidingen gelegen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens of in het verlengde daarvan Overige erfafscheidingen en/of terreinafscheidingen alsmede overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde vlaggenmasten vlaggenmasten
max. hoogte 3m 1m
2m
6m
De bebouwde oppervlakte van overkappingen mag per bouwperceel maximaal 50 m² bedragen, met dien verstande, dat het in 4.2.3 onder c. bedoelde bebouwingspercentage niet mag worden overschreden.
4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Verboden gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. detailhandel, dienstverlening, horeca of maatschappelijk; b. bedrijfsactiviteiten, waaronder tevens begrepen aan huis verbonden bedrijf.
4.3.2 Aan huis verbonden beroep Gebruik van ruimten binnen de woning, met inbegrip van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, is toegestaan, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tot ten hoogste 45 m² mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep; b. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de aan huis verbonden activiteit; d. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd.
4.3.3 Voorwaardelijke verplichting geluidswering Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan alleen worden verleend indien middels een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is aangetoond dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden.
4.3.4 Voorwaardelijke verplichting stikstofdepositie a.
Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop dit bestemmingsplan van toepassing is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de realisatieplanning zoals opgenomen in het stikstofdepositie-onderzoek opgenomen in bijlage 2 bij de regels.
63
b.
in afwijking van het bepaalde onder a mag een andere realisatieplanning worden aangehouden, onder voorwaarde dat middels een nieuw onderzoek wordt aangetoond dat de dan geldende depositiegrenswaarde niet wordt overschreden.
4.4
Afwijken van de gebruiksregels
4.4.1
Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van aan huis verbonden bedrijf
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.1 ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/ of aan- of uitbouwen en bijgebouwen voor een aan huis verbonden bedrijf, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het betreft bedrijfsactiviteiten die vallen onder categorie 1 of 2 als genoemd in Bijlage 1 Staat van inrichtingen dan wel uit een oogpunt van invloed op het woon- en leefmilieu vergelijkbaar zijn met de bedrijven; b. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van de aan- en uitbouwen en de bijgebouwen, tot ten hoogste 50 m² mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden bedrijf; c. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; d. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd; e. het bedrijf dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving; f. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de aan huis verbonden activiteit.