CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 quick scan en nader onderzoek ecologie

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding12.289 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Ecologie DPO Bokhoven In het kader van de Wnb soortenbescherming en gebiedsbescherming

Opdrachtgever: Lievense infra B.V.

Lievense Milieu B.V.

Documentnummer

DPRO-51.RAPO001.QSe KvK

Telefoon

Versie

30152124

088-9102000

3

Postadres

Internet

Datum

Ringwade 41 3439 LM Nieuwgein

Lievense.com

7-05-2020

Colofon Rapporthistorie 7 mei 2020 20 april 2020 21 februari 2020 18 juli 2018

Versie 3 Versie 3 Versie 2 Versie 1

Definitief Update Deels geüpdatet Definitief

Contactgegevens

Autorisatie Documentnummer

Versie

Status

DPRO-51.RAPO001.QSe

3

Aangepaste definitieve versie

Opgesteld door

Functie

Datum

Paraaf

Geverifieerd door

Functie

Datum

Paraaf

Adviseur ecologie

17-04-2020

Adviseur ecologie

18-07-2018

Functie

Datum

Adviseur ecologie

21-02-2020

Projectleider

18-07-2018

Akkoord projectleider

Paraaf

Inhoudsopgave 1

Inleiding

5

2

Wettelijk kader

7

3

Plangebied 3.1 Huidige situatie 3.2 Planontwikkeling

9 9 13

4

Onderzoekopzet 4.1 Beschikbare gegevens 4.2 Veldbezoek 4.3 Effectenbeoordeling

14 14 14 14

5

Beschermde soorten 5.1 Planten 5.2 Grondgebonden zoogdieren 5.3 Vleermuizen 5.4 Amfibieën 5.5 Reptielen 5.6 Vissen 5.7 Ongewervelden 5.8 Vogels 5.9 Bevindingen aanvullend veldbezoek zuidelijk tracé

16 16 16 18 19 20 20 20 20 23

6

Beschermde gebieden 6.1 Natura 2000-gebieden 6.2 Natuurnetwerk Nederland

24 24 25

7

Effectenbeoordeling 7.1 Inleiding 7.2 Toetsing beschermde soorten 7.3 Toetsing beschermde gebieden

26 26 26 29

8

Nee-tenzij beoordeling 8.1 Inleiding 8.2 NNN in Noord-Brabant 8.3 Relevante NNB gebieden 8.4 Toetsingskader nee-tenzij en instrumentarium? 8.5 Wezenlijke kenmerken en waarden 8.6 Alternatievenafweging 8.7 Redenen van groot openbaarbelang

31 31 31 31 34 34 35 35

9

Conclusie

36

10

Advies 10.1 Geldigheid onderzoeksgegevens

37 37

Overzicht bijlagen Literatuur Wetgeving en beleid Kaart regionale ligging Impressie plangebied

39 41 46 47

1 Inleiding In opdracht van Lievense infra B.V. heeft Lievense Milieu B.V. in 2018 een Quickscan Ecologie1 uitgevoerd voor de werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen van een nieuwe DPOleiding te Bokhoven. Omdat de scope van het project deels in gewijzigd, heeft Lievense Milieu B.V. de oude Quickscan aangepast en in februari 2020 een nieuwe versie opgeleverd. Omdat een deel van het plangebied, door de gewijzigde scope, niet was bezocht heeft Lievense in april een aanvullend veldbezoek en deze derde versie opgesteld. Lievense Infra B.V. is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de benodigde onderzoeken zodat Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) haar werkzaamheden kan uitvoeren. DPO is voornemens een nieuwe leiding onder de Maas aan te leggen tussen Vlijmen en Ammerzoden. Het aanleggen van de DPOleiding zal gebeuren middels een open ontgraving en horizontaal gestuurde boring (HDD). Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren worden een werkstrook en uitlegstrook ingericht. Deze Quickscan vormt de eerste fase in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). In bijlage 2 wordt de natuurwetgeving en het natuurbeleid nader toegelicht. De voorliggende toets leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor de geplande planontwikkeling.

Het doel van de Quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde planten- en diersoorten en daarmee mogelijk strijdig is met de soortenbescherming conform de Wnb; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000gebied) of het NNN en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing (Voortoets) en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing. Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden.

Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn, en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van algemene (niet strikt beschermde) soorten geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). 1

Lievense RO-52.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 18 juli 2018

5/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Lievense Milieu B.V. is door Normec Certification gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van Lievense Milieu B.V. voor de uitvoer van flora- en faunaonderzoeken zijn allen VCA gecertificeerd. Daarnaast is Lievense actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Lievense Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van het opgestelde activiteitenplan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van de Lievense infra B.V. en is haar eigendom.

6/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

2 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Natura 2000-gebieden, nationale natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland; het NNN), planten- en diersoorten (zie bijlage 2). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2.1

Soortenbescherming

In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (zie tabel 2.1). Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Tabel 2.1: Op hoofdlijn verboden per beschermingsregime Soorten Artikel Verboden Wnb Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van Vogelrichtlijn 3.1 nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 & 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding) Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Habitatrichtlijn Lid 2. Opzettelijk verstoren soorten uit bijlage I en 3.5 Lid 3. Eieren te rapen of vernielen II van de Bern Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en conventie en bijlage I voortplantingsplaatsen van de Bonn conventie Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Lid 1 a.

Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in bijlage van de Andere beschermde 3.10 wet onderdeel A) soorten Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel B)

Binnen de categorie andere beschermde soorten (ook wel nationaal beschermde soorten) hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren.

7/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Zo kan een soort vrijgesteld zijn voor verstoring bij bestendig beheer en onderhoud in de provincie Noord-Brabant, maar is deze dat niet in de provincie Limburg. Daarnaast hanteert de provincie Limburg bij enkele soorten alleen een vrijstelling in een bepaalde periode van het jaar. 2.2

Gebiedsbescherming

Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Provincies hebben de bevoegdheid om eigen beleid te voeren met betrekking tot de NNNgebieden binnen de provinciegrens. Zo hanteert de provincie Noord-Brabant de term Natuurnetwerk Brabant (NNB) en maakt de provincie Limburg onderscheidt tussen drie verschillende beschermingszones (Goudgroene natuurzone, Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene natuurzone). Werkzaamheden in of binnen de invloedsfeer van deze zones hebben ieder een eigen toetsing van wat wel en niet mag.

8/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

3 Plangebied 3.1

Huidige situatie

Het plangebied is gesitueerd aan de Maas ter hoogte van Bokhoven (Noord-Brabant) en bestaat uit een noordelijk en zuidelijk tracé (zie figuur 1 en bijlage 3 voor de regionale ligging) Het zuidelijke tracé is onderzocht door IDDS2. Deze rapportage behandeld daarom uitsluitend het noordelijk tracé (zie figuur 3.2) én drie aanvullende locaties (zie locatie A t/m C in figuur 3.1) uit het zuidelijk tracé die niet eerder zijn onderzocht. In figuur 3.2 is het noordelijk tracé weergegeven, opgedeeld in vier deelgebieden. Het tracé bestaat uit delen boven en onder grond. De delen bestaan uit werkstroken (bouw weg en uitleggen van strengen) en open ontgravingen. Hiernaast vinden er horizontaal gestuurde boringen plaats. Het tracé is op te delen in vier deelgebieden: HDD-dijktracé (1), open ontgraving (2), HDD Maastracé (3) en het bestaande te verwijderen tracé (4). Deelgebied één en twee liggen in Gelderland. Deelgebied 3 in Noord-Brabant. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door een doorgaande weg (Harenseweg) en aan de zuidzijde door de Baronesse van Egmondweg. Aan de westzijde wordt het plangebied begrenst door agrarische percelen en het dorp Ammerzoden. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrenst door agrarische percelen. Deelgebied één (figuur 3.3) bestaat voornamelijk uit agrarisch grasland.

Het meest noordelijke deel bestaat uit maisveld en in het zuidelijke deel wordt de Maasdijk van onder doorgestoken. Vanaf de Maasdijk tot aan ca. 50 meter vanaf de rivier bestaat deelgebied één uit grasland waar ten tijde van het veldbezoek vee (rund) op stond. Op dit grasland staan enkele bomen en langs de rand loopt een haag van meidoorn. Het tracé loopt onder deze bomen door. Deelgebied twee (figuur 3.4) loopt door zowel grasland met vee als maisland en wordt doorkruist door de Maasdijk. Deelgebied drie (figuur 3.5) bevat meerdere agrarische percelen (onder andere Engels raaigrasland, maispercelen en een boomgaard) en doorkruist een drooggevallen sloot. Waar het huidige tracé, het werkterrein en open ontgraving samenkomen bevindt zich verwilderde ruigte en een rij sparren (figuur 3.6) welke in een driekwart vierkant om het plangebied heen staan. Een deel van deze bomenrij loopt over de geplande werkstrook. Deelgebied vier omvat het bestaande tracé dat in de eerste versie van deze quickscan geen deel uitmaakte van het onderzoeksgebied en daarom in deze vernieuwde versie enkel aan de hand van een bureaustudie wordt beoordeeld. Deelgebied vier bestaat voornamelijk uit agrarisch gebied dat deels wordt begraasd door koeien en deel bestaat uit het dorp Bokhoven. De uitlegstrook kruist de Baronesse van Egmondweg en loopt ruim langs een boerderij (zie figuur 3.7 en 3.8).

Ten noorden van de Sint Corneliusweg loopt de uitlegstrook langs een rij

2

IDDS Quikcscan Wet natuurbescherming – Leidingtracé Defensie pijpleiding Vlijmen en omgeving – 26 augustus 2019

9/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

bomen en ten noorden van de Maasdijk loopt de uitlegstrook parallel langs een bos (zie figuur 3.2 en 3.9). Noordelijk tracé

Zuidelijk tracé

A B C

Figuur 3.1: Plangebied bestaande uit het noordelijk tracé (= onderzoeksgebied) en het zuidelijk tracé

met daarin de aanvullend onderzochte locaties (A t/m C) weergegeven.

10/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

4 1

2 1

3

4

3

Figuur 3.2: Noordelijk tracé opgedeeld in vier deelgebieden (nummer 1 t/m 4)

11/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Figuur 3.3: Deelgebied één, gezien vanaf de

Figuur 3.4: Maisperceel in deelgebied twee

Maasdijk

Figuur 3.5: Maisperceel in deelgebied drie

Figuur 3.6: Bomenvierkant in deelgebied drie

Figuur 3.7: Bomenrij in deelgebied vier

Figuur 3.8: Boerderij in deelgebied vier

(Googlemaps, 2008)

(Bron:Googlemaps, 2008)

Figuur 3.9: Bomen ten noorden van de Sint

Figuur 3.10: Bosje in deelgebied vier waarlangs werkstrook

Corneliusweg.

zal lopen.

12/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

3.2

Planontwikkeling

DPO heeft het voornemen om een nieuwe pijpleiding aan te leggen die ten noorden van de Maas en ter hoogte van Vlijmen aansluit op de Morputten. De bestaande leiding tussen de twee aanmondingspunten (deelgebied vier; zie figuur 3.2) wordt verwijderd. De nieuwe leiding loopt onder de Maas door tussen Bokhoven en Ammerzoden. Om de aansluiting te realiseren moeten zowel de Maas als de Maasdijk worden gepasseerd, om dit mogelijk te maken worden deze delen aangelegd middels een HDD-boring (figuur 3.2). De HDD-boring onder de dijk (deelgebied één loopt onder de Maartensdijk waarbij die middels een open ontgraving uitkomt aan de Harenseweg. Middels deze open ontgraving wordt (vermoedelijk) het bestaande tracé ook verwijdert. Tussen de tracé delen die middels een HDD-boring worden aangelegd bevindt zich een deel van het tracé parallel aan de uitlopende straat van de Maasdijk, dit deel (deelgebied twee) zal worden aangelegd middels een open ontgraving. Het intredepunt voor het deel onder de Maas (deelgebied drie) bevindt zich aan de zuidzijde van de Maas, het uittrede punt ligt aan de noordzijde nabij een uitlopende straat van de Maasdijk. Tussen HDD-boringen wordt de leiding aangelegd in open ontgraving. Ten behoeve van de HDD-boring worden boorstrengen uitgelegd die door het bomenvierkant lopen.

In het zuidelijke tracé zijn een drietal locaties (A, B en C) gewijzigd ten opzichte van de uitgevoerde quickscan. Bij de aanvullende locatie A komt een werkstrook te liggen die van oost naar west over het agrarisch perceel loopt tot zes meter voor de openbare weg (zie figuur 3.1). Tot 2 meter voor locatie B loopt een werkstrook die vanaf het noorden over agrarische percelen wordt gelegd. De bestaande ondergrondse leiding die onder locatie B doorloopt wordt verwijderd. Direct langs locatie C komt een werkstrook en strengen van de leiding ten behoeve van de HDD boring te liggen. De werkzaamheden vinden uitsluitend gedurende de daglichtperiode plaats. ’s Nachts is geen kunstlicht op de werkterreinen aanwezig. De werkzaamheden worden i.v.m. het stormseizoen uitgevoerd in de periode van half april tot 1 oktober. Ten behoeve van de planontwikkeling hoeven geen bomen gekapt te worden.

13/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

4 Onderzoekopzet 4.1

Beschikbare gegevens

Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet te raadplegen. De geraadpleegde literatuur en internetbronnen staan weergegeven in bijlage 1. Tevens is gebruik gemaakt van de informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2018). Van de afgelopen tien jaar zijn de beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (tot maximaal 5 kilometer, afhankelijk per soortgroep) van het plangebied voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd en in het veld geverifieerd. 4.2

Veldbezoek

Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Met dit veldbezoek kan beoordeeld worden of de planten- en diersoorten die in de bestaande gegevens zijn genoemd, ook daadwerkelijk in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Daarnaast kan worden beoordeeld of ook andere beschermde soorten voorkomen of te verwachten worden op basis van de aanwezige terreinkenmerken en beheer. Het oriënterend veldbezoek is door Lievense Milieu B.V. op 12-06-2018 uitgevoerd. Het veldonderzoek is uitgevoerd door de heer D. Habers (werkzaam als ecologisch adviseur bij Lievense Milieu B.V.). Ten tijde van de inspectie was het 16 °C, overwegend bewolkt en droog met een zwakke wind (2 Bft) uit noordnoordoostelijke richting. Het aanvullend veldbezoek is uitgevoerd op 06-04-2020 door mevrouw K. Maes (werkzaam als ecologisch adviseur bij Lievense Milieu B.V.). Ten tijde van het aanvullend veldbezoek was het 17°C, zonnig en droog met een matige zuiderwind (4 Bft). 4.3

Effectenbeoordeling

De omvang van de werkzaamheden en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. Op basis van de effecten-beoordeling wordt beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (tijdens de uitvoering van de werkzaamheden) en langdurige effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en volledigheid van de uit te voeren werkzaamheden en planning daarvan.

14/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

In de effectenbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende daglichtperiode worden uitgevoerd en geen bomen en/of struiken verwijderd worden. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven. In dat geval kan de effectenbeoordeling pas na uitvoering van het nader onderzoek de effectenbeoordeling worden afgerond.

15/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

5 Beschermde soorten 5.1

Planten

Vanuit verspreidingsgegevens wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten in de directe omgeving (tot 1 kilometer) van het plangebied niet verwacht (NDFF, 2018). Zowel aan de noord- als zuidzijde bestaat het plangebied uit intensief beheerde agrarische percelen. De noordzijde bestaat voornamelijk uit weidegrasland en maisland en het zuidelijk deel bestaat uit Engels raaigras- en maisland. Door de aanwezigheid van voornamelijk intensief beheerd agrarische percelen worden groeiplaatsen van beschermde planten niet verwacht. Tijdens de veldbezoeken zijn geen beschermde planten aangetroffen. Op basis van de bureaustudie en het veldbezoek wordt het voorkomen van beschermde vaatplanten uitgesloten. Derhalve is het uitgesloten dat sprake is van negatieve effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde vaatplanten. 5.2

Grondgebonden zoogdieren

De verspreidingsgegevens van grondgebonden zoogdieren (Broekhuizen et. al., 2016; NDFF, 2018) geven aan dat in de omgeving (tot 5 kilometer) van het plangebied diverse beschermde grondgebonden zoogdierensoorten kunnen worden aangetroffen. Voor enkele van de mogelijk voorkomende soorten (onder andere bosmuis, haas, egel en vos) geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Gelderland, 2017 en Provincie Noord-Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze groep soorten geldt echter wel, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Deze vrijstelling geldt niet voor de in de verspreidingsgegevens vermelde bunzing en hermelijn, bever, das, eekhoorn en otter. -

-

De bever leeft in gebieden met een combinatie van open water met bos (BIJ12, 2017a). Dit habitat is aanwezig aan de noordoever van de Maas. Tijdens het veldbezoek zijn oostelijk van de boring meerdere gaten in de dijk waargenomen. Vermoedelijk zijn dit toegangen van een beverburcht (zie figuur 5.1). Deze toegangen liggen oostelijk van de geplande boring. Ter hoogte van de geplande boring zijn geen gaten aangetroffen. De bever zal het plangebied mogelijk gebruiken als onderdeel van het leefgebied. Zowel bunzing als hermelijn hebben een voorkeur voor kleinschalige landschappen. Deze soorten gebruiken oude holen van bijvoorbeeld konijn, muizen of gaten in wilgen omdat deze over het algemeen in de dekking van bosschages, houtstapels, heggen of andere lijnvormige elementen voldoende dekking bieden. De in deelgebied drie aanwezige maisvelden kunnen schuilplaatsen bieden en het zachthoutooibos langs de Maas kan dekking voor deze soorten bieden. Hiernaast kan het bos ten noorden van de Maasdijk beschutting bieden (in de vorm van bosschages en/of bramenstruiken) en mogelijk een verblijfplaats bieden (in de vorm van houtstapel, takkenhopen en/of oude konijnenholen ). Mogelijk gebruiken bunzing en hermelijn het plangebied als foerageergebied of als dekking.

16/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

-

De das leeft in allerlei soorten biotopen maar heeft een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen en rivierdalen. Het leefgebied van de das moet voldoende dekking, weinig verstoring en een goed vergraafbare bodem met groot voedselaanbod bevatten (BIJ12, 2017b). Mogelijk gebruikt de das het plangebied als foerageergebied waarbij zij dekking vindt in het maisland en het aanwezige bos langs de maas. De eekhoorn is vooral gebonden aan bossen met voldoende nestgelegenheid en voldoende foerageer mogelijkheden. In het plangebied is geschikt leefgebied aanwezig aan de noordoever van de maas (zie figuur 5.2) in de vorm van een zachthoutooibos, in het bomenvierkant in deelgebied drie (zie figuur 5.3 en 5.4) en in het bos ten noorden van de Maasdijk en in de bomen ten noorden van de Sint Corneliusweg (deelgebied vier). In het bos ten noorden van de Maasdijk is op circa 110 meter afstand van het werkterrein een nest aangetroffen dat eventueel in gebruik kan zijn door een eekhoorn (zie figuur 5.5.). De otter heeft de voorkeur voor ruige oeverzones met voldoende dekking en rust. Dit is aanwezig in het zachthoutooibos aan de noordoever van de Maas. Mogelijk gebruikt de otter het zachthoutooibos als vaste rust- of verblijfplaats. Binnen de invloedssfeer van het tracé is geen geschikt habitat aanwezig.

-

-

Op basis van de bekende verspreidingsgegevens, de habitatsituatie in het plangebied en de aanwezig dekking kan de aanwezigheid van bever, bunzing, hermelijn, das en eekhoorn niet worden uitgesloten. De aanwezigheid van otter en andere beschermde zoogdieren kan worden uitgesloten.

Figuur 5.1: Potentiele beverburchten t.p.v. km-paal

Figuur 5.2: Zachthoutooibos aan de noordkant van

222

de Maas

Figuur 5.3: Bomenvierkant aan de zuidzijde

Figuur 5.4: Bomenvierkant aan de zuidzijde

17/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Figuur 5.5: Nest (rode cirkel) dat eventueel in gebruik kan zijn door eekhoorn.

5.3

Vleermuizen

De verspreidingsgegevens van vleermuizen (Broekhuizen et. al. 2016; NDFF 2018) geven aan dat in de regio van het plangebied vleermuizen kunnen voorkomen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd conform de Wnb. Uit de directe omgeving (tot 5 kilometer) van het plangebied zijn waarnemingen van baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis bekend. Baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger zijn gebouwbewonende vleermuizen (BIJ12 2017c, 2017d; Zoogdiervereniging, 2018) en gebruiken het plangebied mogelijk als onderdeel van hun foerageergebied. Laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis zijn boombewonende soorten (2017e, 2017f & Zoogdiervereniging, 2018). In deelgebied één staan enkele bomen waar de geplande uitlegstrook langsloopt. In deze bomen zijn geen geschikte holtes voor boombewonende vleermuizen waargenomen. In deelgebied drie, aan de zuidzijde van de Maas, staan meerdere naaldbomen in een vierkant (zie figuur 5.3 en 5.4). Deze bomen lopen in een rechte lijn en bieden voldoende dekking om in potentie te fungeren als vliegroute voor vleermuizen. In deze bomen zijn geen geschikte holen voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten aangetroffen.

Hiernaast kan in deelgebied vier het bosje ten noorden van de Maasdijk fungeren als foerageergebied-/ verblijfplaats voor vleermuizen. In de bomen direct grenzend aan het werkterrein zijn geen holtes aangetroffen. In de bomen ten noorden van de Sint Corneliusweg is wel een holte aangetroffen op circa 20 meter vanaf de werkstrook (zie figuur 5.6) en tevens kunnen deze bomen onderdeel zijn van foerageergebied.

18/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Figuur 5.6: Vleermuizenholtes in een boom ten noorden van de Sint Corneliusweg, deelgebied vier.

5.4

Amfibieën

De verspreidingsgegevens van amfibieën (NDFF, 2018; RAVON, 2016) geven aan dat in de omgeving (tot 1 kilometer) van het plangebied diverse amfibieënsoorten aanwezig kunnen zijn. De mogelijk voorkomende soorten zijn veelal nationaal beschermde soorten zoals: bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Gelderland, 2017 & Provincie Noord-Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze groep soorten geldt echter wel, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. In de ruime omgeving van het plangebied worden ook waarnemingen bekend (binnen 5 kilometer) van niet-vrijgestelde soorten: heikikker, kamsalamander en poelkikker. -

-

-

De heikikker is een soort van vochtige gebieden zoals hoog- en laagveen, moerassen en overstromingsgebieden (BIJ12, 2017g; Creemers & van Delft, 2009). Aan de noordzijde van de maas is geschikt habitat voor de heikikker te vinden. De geplande boring loopt onder het geschikte habitat door. Het geschikte habitat van de heikikker grenst aan deelgebied 1. De kamsalamander komt voor in bosrijk kleinschalig landschap met houtwallen en struweel in de buurt van voortplantingswater (BIJ12, 2017h; Creemers & Van Delft, 2009). De soort komt relatief veel voor langs grote rivieren, maar wordt zelden waargenomen in akkerbouwgebied. De soort heeft een voorkeur voor relatief grote, diepe en stilstaande geïsoleerde water. Dit is in het plangebied niet aanwezig. Mogelijk is dit habitat in het nabijgelegen zachthoutooibos aan de noordoever van de Maas aanwezig. Het winterhabitat van deze soort is vochtige, vorstvrije locatie buiten de invloed van grondwater, zoals bijvoorbeeld holletjes, onder stammen steenhopen of takkenstapels. Dit is in het plangebied niet aanwezig. Geschikt habitat van de poelkikker is bij voorkeur onbeschaduwd, voedselarm, schoon water waarvan de oever bij voorkeur begroeid is (BIJ12, 2017i; Creemers & Van Delft,

19/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

2009). Dit is aan de noordoever van de Maas in lichte mate aanwezig, dit habitat is echter ongeschikt vanwege de aanwezigheid van (grote) vis in de Maas, waardoor de overlevingskans van larven zeer klein is. De aanwezigheid van heikikker kan op basis van het veldbezoek niet worden uitgesloten. De aanwezigheid van andere strikt beschermde amfibieënsoorten wordt uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt voortplantings- en/of winterhabitat zoals beschreven in de kennisdocumenten en Creemers & Van Delft (2009). 5.5

Reptielen

De verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2018; RAVON, 2016) geven aan dat in de directe omgeving (tot 1 kilometer) van het plangebied geen waarnemingen van beschermde reptielen bekend zijn. Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens wordt de aanwezigheid van beschermde reptielen niet verwacht vanwege van het ontbreken van geschikt habitat zoals omschreven door Creemers en van Delft (2009). 5.6

Vissen

De verspreidingsgegevens van vissen (NDFF, 2018; RAVON, 2016) geven aan dat in de directe omgeving (1 kilometer) van het plangebied geen beschermde vissen voorkomen. In het plangebied is, op de Maas na, geen open water (in de vorm van o.a. watervoerende sloten) aanwezig. Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige biotopen en de geplande werkzaamheden wordt het voorkomen van beschermde soorten uitgesloten. 5.7

Ongewervelden

De verspreidingsgegevens van libellen, dagvlinders en overige ongewervelden geeft aan dat in de ruime omgeving (5 kilometer) van het plangebied geen beschermde soorten aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten of geschikt habitat voor beschermde soorten aangetroffen binnen de invloedssfeer van het tracé De aanwezigheid van beschermde libellen, dagvlinders of overige ongewervelden wordt uitgesloten door het ontbreken van waardplanten en geschikt habitat en op basis van de verspreidingsgegevens. 5.8

Vogels

Algemene broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn onder andere houtduif, merel, kleine karekiet, koolmees, kauw, ekster en kievit als algemene broedvogel waargenomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen bezette nesten aangetroffen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. De bomen in het plangebied zijn geschikt als onderdeel van het leefgebied van algemene broedvogels. Alle broedende zijn volgens de Wnb beschermd.

20/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Vogels met een jaar rond beschermde nestplaats In de directe omgeving (tot 5 kilometer) van het plangebied zijn de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest aanwezig: boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en zwarte wouw (NDFF, 20183). -

-

-

-

-

-

Boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer foerageren in halfopen (agrarisch) gebied met bos of bosschage in de directe omgeving (BIJ12, 2017j). Deze soorten broeden echter overwegend in bomen. De bomen welke zich in deelgebied één bevinden bevatten geen nesten van deze soorten. Het bomenvierkant in deelgebied drie en de bomen in deelgebied vier (bos ten noorden van de Maasdijk) zijn in potentie geschikt voor bovengenoemde soorten. Tijdens het veldbezoek zijn in het bomenvierkant geen jaarrond beschermde nesten of sporen (zoals prooiresten) onder de bomen aangetroffen. In het bosje ten noorden van de Maasdijk zijn verschillende nesten aangetroffen en een roepende buizerd. Twee nesten liggen binnen 50 meter vanaf de werkzaamheden. Dit betreffen vermoedelijk nesten van algemene broedvogels (kraai of ekster; zie figuur 5.6). Een derde (groter) nest ligt op meer dan 100 meter vanaf de werkzaamheden (zie figuur 5.5.). Binnen het plangebied zijn waarnemingen van huismus bekend. De huismus is een soort die broedt in gebouwen (BIJ12, 2017k), vanaf haar verblijfplaats legt zij circa 200 meter af tot voorzieningen als een stofbad, water en foerageergebied. Het plangebied ligt te ver van de bebouwing waardoor verblijfplaatsen of leefgebied kunnen worden uitgesloten. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarneming van de slechtvalk bekend.

Deze soort broedt op grotere hoogtes zoals gebouwen en zendmasten. In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden zich geen geschikte broedlocaties, nestlocaties kunnen daardoor worden uitgesloten. De slechtvalk jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen (bijvoorbeeld agrarisch land), mogelijk gebruikt de slechtvalk het plangebied als foerageergebied. In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de grote gele kwikstaart bekend. Deze soort is vooral gebonden aan stromende beken, en in mindere mate aan stilstaand water. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden wordt deze soort niet verwacht. Ooievaar en roek foerageren in agrarisch gebied en grote open natuurgebieden (BIJ12, 2017l). Het nest van ooievaar heeft een grote omvang, roek broedt doorgaans in kolonievorm. Beide nestplaatsen zijn op afstand makkelijk te herkennen. Nesten van beide soorten zijn in en binnen de directe omgeving niet waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen geschikte potentiele nestlocaties waargenomen. Mogelijk gebruiken deze soorten het plangebied als foerageergebied (agrarisch gebied en grote open natuurgebieden). De steenuil maakt regelmatig gebruik van nestkasten, holtes in wilgen of oude schuren (BIJ12, 2017m). Deze zijn in het plangebied niet aanwezig. De aanwezigheid van

3

In de gegevens van het NDFF is niet geselecteerd op type waarnemingen zoals, bijvoorbeeld enkel broedvogeltellingen voor de vogels. De waarnemingen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie betreffen een overzicht van alle op het moment van opvragen goedgekeurde actuele waarnemingen, dus ook losse waarnemingen en niet alleen broedgevallen.

21/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

-

(potentiele) nestlocaties van deze soort binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden wordt uitgesloten. De steenuil jaagt voornamelijk in open terrein met lage vegetaties (weides), mogelijk gebruikt de steenuil het plangebied als foerageergebied. De zwarte wouw is als broedvogel voornamelijk te vinden in halfopen, bos- en waterrijke gebieden zoals rivierdalen met ooibossen en moerasgebieden. Dit habitat is aan de noordoever van de Maas in beperkte mate aanwezig in de vorm van een zachthoutooibos (zie figuur 5.2). Mogelijk gebruikt de zwarte wouw dit zachthoutooibos, wat grenst aan het plangebied (als essentieel leefgebied).

Tijdens het veldbezoek zijn verschillende algemene broedvogels (onder andere ekster, koolmees, merel, pimpelmees en wilde eend) waargenomen en een jaarrond beschermde broedvogel; de buizerd. De buizerd is waargenomen in het bosje ten noorden van de Maasdijk, op meer dan 50 meter vanaf de geplande werkzaamheden.

Figuur 5.6: Aangetroffen nesten (vermoedelijk algemene broedvogels) in het bosje ten noorden van de Maasdijk

22/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

5.9

Bevindingen aanvullend veldbezoek zuidelijk tracé

Tijdens het aanvullende veldbezoek zijn op twee van de drie locaties (A en B, zie paragraaf 3.1) spleten en holtes aangetroffen die kunnen dienen als vleermuizenverblijfplaats (zie figuur 5.7). De aangetroffen holte op locatie A is op circa 5 meter afstand vanaf de werkstrook, de holte op locatie B ligt op 2 meter afstand vanaf de werkstrook. Verder zijn er geen bijzonderheden (zoals jaarrond beschermde nesten) aangetroffen.

Figuur 5.7: Aangetroffen holtes/pleten. Links locatie A en rechts locatie B.

A B

23/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Figuur 5.8: Locaties van de aangetroffen holtes-/spleten (rode stip)

6 Beschermde gebieden 6.1

Natura 2000-gebieden

Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op circa 4,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het gaat om twee habitatrichtlijngebieden ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ (zie figuur 6.1)

Figuur 6.1: Globale ligging plangebied (globaal rood vierkant) ten opzichte van Natura 2000-gebieden

(gele vlakken)

24/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

6.2

Natuurnetwerk Nederland

De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland is in Brabant vastgelegd als het NatuurNetwerkBrabant (NNB), de begrenzing bestaat uit een provinciaal en rijksdeel (zie figuur 6.2). Zowel aan de noordzijde (ter hoogte van Bokhoven, noordelijk tracé deelgebied 4), midden (ten zuiden van De Omloop, noordelijk tracé deelgebied 3) als de zuidzijde (ten zuiden van de A59) is sprake van een overlap tussen plangebied en het NNB. De overlap bestaat uit een werkterrein ten behoeve van de uitvoering van een horizontaal gestuurde boring.

Figuur 6.2: Ligging van het plangebied (globaal zwarte kaders) ten opzichte van het NNB (groen= provinciaal deel en oranje=rijksdeel; bron Natuurbeheerplan).

25/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

7 Effectenbeoordeling 7.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de in hoofdstuk 3.2 omschreven planontwikkeling. Op basis van de verwachte effecten wordt inzicht gegeven over de kans dat de werkzaamheden leiden tot een overtreding van de Wnb. Waar een overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten wordt waar mogelijk een praktisch advies gegeven om de werkzaamheden alsnog zonder ontheffing (en overtreding) te kunnen laten doorgaan. 7.2

Toetsing beschermde soorten

Op basis van het literatuuronderzoek en veldbezoek wordt geconcludeerd dat er mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en (algemene broed-) vogels in of binnen de invloedsfeer van het plangebied voorkomen. Bovendien kan het voorkomen van algemene (vrijgestelde) grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën (in de omgeving van het plangebied) op basis van het oriënterend veldbezoek niet worden uitgesloten. Strikt beschermde planten, vissen, reptielen en ongewervelden worden op basis van dit onderzoek niet verwacht. Algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor. Voor de te verwachten soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Gelderland, 2017 en Provincie Noord-Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Omdat deze soorten jaarrond actief zijn kan geen voorkeurs periode worden aangegeven. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor de soortgroepen algemene beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geen ontheffing van de Wnb onderdeel soorten te worden aangevraagd.

Bever, bunzing, das, eekhoorn en hermelijn Naast bovenstaande algemeen voorkomende grondgebonde zoogdieren kan het voorkomen van bever, bunzing, das, eekhoorn en hermelijn niet worden uitgesloten. Deze soorten zijn vooral gedurende nacht en (ochtend) schemer actief. Binnen de nacht en schemering zullen deze soorten het plangebied mogelijk passeren of gebruiken als onderdeel van hun leefgebied.

26/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

-

-

-

-

Waarschijnlijk bevindt zich een beverburcht oostelijk van waar de boring de Maas doorkruist. Negatieve effecten op potentiele verblijfplaatsen van de bever worden niet verwacht vanwege de afstand tussen de burcht en de boring (ca. 250 meter). De das kan het plangebied gebruiken als foerageergebied, waarbij ze dekking vinden in het maisveld en het aanwezige bos langs de Maas. Vaste verblijfplaatsen zijn niet aanwezig. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Bunzing en hermelijn kunnen het plangebied als foerageergebied en doortrek gebruiken. Daarnaast hebben zij mogelijk verblijf-/ en schuilplaatsen in het bos ten noorden van de Maasdijk. Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied, enkel bramenstruiken die als doortrekroute gebruikt kunnen worden. Op basis hiervan worden negatieve effecten voor kleine marters uitgesloten. Eekhoorn vindt mogelijk zijn habitat aan de noordkant van de Maas, op circa 200 meter van de geplande HDD-boring. Gezien de afstand en aard van de werkzaamheden worden hier negatieve effecten op de eekhoorn niet verwacht. Verder is er enkel in het bos ten noorden van de Maasdijk een nest aangetroffen die eventueel als eekhoornnest gebruikt wordt. Dit nest ligt buiten de invloedsfeer (100 meter) van de werkzaamheden.

De bomen ten noorden van de Sint Corneliusweg en de bomen in het bomenvierkant maken mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van de eekhoorn. Aangezien eekhoorns mobiel en niet territoriaal zijn kunnen ze zich vrij makkelijk verplaatsen naar alternatieve foerageerplekken in de omgeving. Hiernaast worden bomen niet gekapt waardoor het plangebied na de werkzaamheden weer volledig beschikbaar wordt. Op basis hiervan worden negatieve effecten voor eekhoorn uitgesloten.

Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor de soortgroep grondgebonden zoogdieren geen ontheffing van de Wnb onderdeel soorten te worden aangevraagd. Vleermuizen Het plangebied is geschikt als vliegroute, foerageergebied en het biedt verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het bomenvierkant in deelgebied drie is geschikt als vliegroute voor vleermuizen. Negatieve effecten op foeragerende en overvliegende vleermuizen wordt uitgesloten omdat vleermuizen gedurende de schemer- en avonduren vliegen, en de werkzaamheden uitsluitend overdag worden uitgevoerd en het plangebied geschikt blijft als vliegroute. In deelgebied vier (ten noorden van de Sint Corneliusweg) zijn bomen aanwezig waarin mogelijk een verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is. Voornemens hier is om een werkstrook te plaatsen op circa 20 meter vanaf de potentiele verblijfplaats. De werkstrook is bedoeld voor transport en om de oude leiding te kunnen verwijderen. Vleermuizen kunnen stress ervaren door bijvoorbeeld trillingen en/ of boringen van machines die nabij de potentiele verblijfplaatsen plaatsvinden. Door buiten de winterperiode te werken (wanneer vleermuizen actief zijn) kunnen vleermuizen eventueel gewichtsverlies na aanleiding van stress makkelijker opvangen (Kleijn, 2008). Hiernaast is het belangrijk dat werkzaamheden niet langdurig aanhouden nabij een potentiele verblijfplaats.

Gezien de aard van de werkzaamheden en de periode van uitvoering (half april tot 1 oktober) worden negatieve effecten in deelgebied vier niet verwacht.

27/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Op de aanvullend onderzochte locaties in het zuidelijk tracé zijn op twee van de drie locaties holtes aangetroffen die mogelijk dienen als vleermuisverblijfplaats (locaties A en B). Het voornemen is om op 2 en 5 meter vanaf deze holtes een werkstrook neer te leggen, er vindt geen bomenkap plaats of open ontgravingen en dergelijke. Wel kan verstoring plaatsvinden door bijvoorbeeld trillingen en/of boringen. Gezien de erg korte afstand van de werkstrook tot de potentiele vleermuisverblijfplaatsen is het aan te bevelen de werkstrook te verleggen tot minimaal 20 meter vanaf de potentiele vleermuisverblijfplaatsen, buiten de winterperiode te werken en de duur van de werkzaamheden zo kort mogelijk te houden. Ten slotte is het gebruik van verlichting niet toegestaan omdat overvliegende- / foeragerende vleermuizen hierdoor verstoord kunnen worden. Daarom is het van belang om uitsluitend overdag de werkzaamheden uit te voeren. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor de soortgroep vleermuizengeen nader onderzoek en/of een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk mits er buiten winterperiode, uitsluitend overdag en op minimaal 20 meter afstand van de potentiele vleermuisverblijfplaatsen gewerkt wordt. Amfibieën Op basis van het aanwezige biotoop en de verspreidingsgegevens kan het voorkomen van heikikker niet worden uitgesloten.

Omdat geschikte habitat voor heikikker zich niet bevindt in werkterreinen maar boven de HDD-boring kunnen negatieve effecten op habitat van heikikker echter worden uitgesloten. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor de soortgroep amfibieën geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. (Algemene) broedvogels Het plangebied biedt mogelijkheden als broedlocatie van diverse algemene vogelsoorten. Werkzaamheden die tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van (nesten van) broedende vogels. Dergelijke verstoring is niet toegestaan en hier wordt geen ontheffing voor verleend. Voor het broedseizoen (verschilt per soort) wordt in de wet wordt geen standaardperiode aangehouden, doorgaans kan globaal uitgegaan worden van 15 maart tot 15 augustus. Omdat de werkzaamheden door het stormseizoen niet buiten het broedseizoen kunnen worden uitgevoerd is een overtreding van de Wnb mogelijk aan de orde. Om verstoring en/of vernietiging van nesten te voorkomen dienen maatregelen (bijvoorbeeld een broedvogelcheck of het broedvogelvrij houden) voor algemene broedvogels te worden genomen. De maatregen dienen in een ecologisch werkprotocol te worden uitgewerkt.

Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moet voor de soortgroep algemene broedvogels een EWP worden opgesteld om verstoring en/of beschadiging van nesten te voorkomen.

28/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats In en in de omgeving van het plangebied zijn potentiele nestlocaties van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en zwarte wouw aanwezig. Hiernaast is ook foerageergebied aanwezig van bovenstaande soorten en slechter, ooievaar, roek en steenuil. -

In het bosje ten noorden van de Maasdijk zijn binnen 50 meter afstand van de werkzaamheden twee nesten aangetroffen, vermoedelijk van kraai of ekster. Op een ruimere afstand (circa 100 meter) van de werkzaamheden is een groter nest aangetroffen, mogelijk van een jaarrond beschermde vogelsoort als boomvalk, buizerd, havik, sperwer of ransuil. Gezien de ruime afstand tot het nest, de natuurlijke blokkade van bomen en het feit dat voldoende foerageergebied aanwezig blijft, worden negatieve effecten uitgesloten.

-

Potentiele nestlocaties van de zwarte wouw bevinden zich in het zachthoutooibos aan de noordoever van de Maas, op circa 150 meter van het werkterrein. Gezien de afstand tot het werkterrein en de tijdelijke aard van de werkzaamheden worden negatieve effecten voor de zwarte wouw uitgesloten. Mogelijk wordt het plangebied gebruikt als (essentieel) foerageergebied door bovengenoemde soorten en slechtvalk, ooievaar, roek en steenuil. Tijdens de werkzaamheden is een deel van het foerageergebied niet beschikbaar. Het plangebied maakt onderdeel uit van een groter aangesloten foerageergebied waardoor er ruim voldoende alternatief habitat aanwezig is waar deze soorten tijdelijk naar kunnen uitwijken. Gezien de aard en tijdelijkheid van de werkzaamheden worden negatieve effecten op deze soorten niet verwacht.

-

Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor de soortgroep vogels met een jaarrond beschermde nestplaats geen nader onderzoek en/of een ontheffing in het kader van de Wnb te worden aangevraagd. 7.3

Toetsing beschermde gebieden

Natura 2000-gebied Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op circa 4,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het gaat om twee habitatrichtlijngebieden ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkeulen’. Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot de Natura 2000-gebieden worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht, deze rijken doorgaans tot enkele honderden meters. Negatieve effecten door stikstofdepositie kunnen echter niet worden uitgesloten. Aanbevolen wordt om een stikstof voortoets uit te voeren. Natuurnetwerk Nederland Zowel aan de noordzijde (ter hoogte van Bokhoven), midden (ten zuiden van De Omloop) als de zuidzijde (ten zuiden van de A59) is sprake van een overlap tussen plangebied en het NNB. De overlap bestaat uit een werkterrein ten behoeve van de uitvoering van een horizontaal gestuurde boring. Op deze locaties kunnen de werkzaamheden een negatieve invloed hebben

29/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vanuit het provinciale natuurbeleid is daarom een nee-tenzij beoordeling uitgevoerd (hoofdstuk 8).

30/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

8 Nee-tenzij beoordeling 8.1

Inleiding

Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden geldt in Nederland de planologische bescherming van gebieden. Deze beschermde gebieden zijn vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. De bescherming van het Nationaal Natuurnetwerk is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro: Stb 2016 nr. 351) en uitgewerkt in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen. De bescherming van het NNN staat geheel los van de Wet natuurbescherming. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt vastgelegd op kaart. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen. 8.2

NNN in Noord-Brabant

In de provincie Noord-Brabant is het NNN uitgewerkt in Interim omgevingsverordening NoordBrabant (2019) als NatuurNetwerk Brabant (hierna NNB). Het NNB is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden in de provincie Noord-Brabant. De huidige beheertypen en ambities zijn vastgelegd in de natuurbeheertypenkaart. 8.3

Relevante NNB gebieden

Zowel aan de noordzijde (ter hoogte van Bokhoven, figuur 8.1), midden (ten zuiden van De Omloop, figuur 8.2) als aan de zuidzijde (ten zuiden van de A59, figuur 8.3) is sprake van een overlap tussen plangebied en het NNB. De overlap in deze gebieden bestaat uit een werkterrein ten behoeve van de uitvoering van een horizontaal gestuurde boring/ sleufloze techniek om te verwijderen. Op basis van het Natuurbeheerplan is vastgesteld dat de volgende natuurbeheertypen aanwezig zijn: - N01.03 Rivier en moeraslandschap (noord) - N03.01 Beek en bron (midden) - N12.02 Kruiden- en Faunarijkgrasland (zuid)

31/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Tevens is in het noorden nog een deel om te vormen tot natuur (N00.01) en is het middelste deel aangewezen als Ecologische verbindingszone. In het noordelijk deel is het de ambitie om N01.03 en het nog om te vormen deel te transformeren tot N11.01 Droog schaal grasland. Per deelgebied is de ligging van de natuurbeheertype en het plangebied weergegeven op kaart (zie figuur 8.1 tot en met 8.3).

Figuur 8.1: Overlap tracé en NNB noordzijde noordelijk tracé ter hoogte van Bokhoven. Het werkterrein is aangegeven met zwarte kaders, de zalmroze kleur duit N00.01 (nog om te vormen naar natuur) aan en de blauwgrijze kleur duidt N01.03 (Rivier en moeraslandschap) aan.

32/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

Figuur 8.2: Overlap tracé en NNB ter hoogte van de Omloop. Het tracé (zwart kader) gaat hier onder de EVZ en NNB heen (blauw) die is aangewezen als N03.01 Beek en bron.

Figuur 8.3: Overlap zuidelijke tracé (zwart kader) en NNB (groen) ter hoogte van de A59, het gekleurde vlak duidt het beheertype N12.02 Kruiden en Faunarijkgrasland aan.

33/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

8.4

Toetsingskader nee-tenzij en instrumentarium?

De provincie staat geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toe die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB. Daarnaast mag het voornemen gestelde ambities niet belemmeren. Hierbij hanteert de provincie het ‘nee, tenzij’4 principe. Onder voorwaarden worden ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan, wanneer het functioneren van de NNB niet wordt aangetast en de waarden worden verbeterd. In de nee-tenzij beoordeling komen de volgende elementen aan bod: - Aantasting wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB-gebied, zowel voor actuele als potentiële waarden en op lokaal, regionaal en landelijk niveau. - Aantasting (robuuste) verbindingen. - Negatieve effecten op beschermde en typerende soorten. - Alternatievenafweging. - Redenen van groot openbaar belang. Als ecologische (wezenlijke) waarden en kenmerken van een NNN-gebied gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Ook vormen de volgende aspecten een kernkwaliteit van het NNN: - uitwisselingsmogelijkheden (doel 'verbinden'); - natuurlijke eenheid en aaneengeslotenheid (doel 'vergroten'); - kwaliteit van het NNN en van leefgebied van soorten (doel 'kwaliteitsverbetering).

De kwaliteit wordt gevormd door de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, hieronder wordt onder andere het volgende bedoeld: natuurdoelen en kwaliteit, geomorforlogische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de - kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaard. 8.5

Wezenlijke kenmerken en waarden

De volgende bestaande natuurbeheertypen zijn aanwezig: N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond (noordelijke tracé t.h.v. Bokhoven), N01.03 Rivier en moeraslandschap (noordelijke tracé t.h.v. Bokhoven), N03.01 Beek en bron (midden t.h.v. De Omloop) en N12.02 Kruiden- en Faunarijkgrasland (zuid t.h.v. de snelweg). De twee natuurbeheertypen (N00.01 en N01.03) in het noordelijk deel zijn opgenomen met de ambitie dit om te vormen tot N11.01 Droog schaal grasland. De werkzaamheden bestaan uit het inrichten van een werkterrein om een HDD boring te kunnen uitvoeren en ter hoogte van de EVZ uit het sleufloze verwijderen van de oude lijding. De uitvoering van deze werkzaamheden kunnen leiden tot het beschadigen van aanwezige flora typerend voor de natuurbeheertypen. Omdat in zijn geheel onder de watergang Luisbroeksche Wetering wordt geboord (deelgebied midden) worden, indien de waterstand behouden blijft, geen effecten verwacht. Omdat de werkzaamheden van tijdelijke aard zijn 4 ‘Nee, tenzij-principe’: Ingrepen met een negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden

mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren.

34/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

worden negatieve effecten op de aaneengeslotenheid en verbinding uitgesloten, de gebieden blijven onderdeel van het NNB. Tevens leidt het effect niet tot permanente veranderingen in het veld waardoor de ambities voor het noordelijk deel alsnog kunnen worden behaald. Het voorkomen van beschermde en typerende soorten is reeds omschreven in hoofdstuk 5 de mogelijke effecten zijn uitgewerkt in hoofdstuk 7. Door de tijdelijke aard van de werkzaamheden kunnen de aanwezige waardes, oppervlaktes, verbinding, oppervlakte en kwaliteit worden behouden. 8.6

Alternatievenafweging

De nieuwe leiding wordt aangesloten op het bestaande tracé, de oude leiding word verwijderd. Door de aansluiting op het resterende tracé is er slechts beperkte ruimte in de ligging, knelpunten zijn daarom opgelost door een HDD boring uit te voeren. De minimale verplaatsingsmogelijkheid voor de boringen leiden niet tot een locatie buiten het NNB. Een alternatieve locatie of inrichting is niet mogelijk, omdat het project locatie gebonden is. De planning van de uitvoering is gebonden aan het stormseizoen, werkzaamheden nabij de rivier (deelgebied noord) mogen alleen in een korte periode buiten het stormseizoen worden uitgevoerd. Het voortplantingsseizoen (o.a. broedseizoen) valt binnen het stormseizoen. T.a.v. beschermde en typerende soorten dienen de adviezen zoals omschreven onder de Wnb soortenbescherming te worden opgevolgd (dat wil zeggen; werken buiten de kwetsbare periode). 8.7

Redenen van groot openbaarbelang

De bestaande pijpleiding van Defensie wordt deels vervangen. Het vervangen is noodzakelijk om transport door de leiding in de toekomst op een veilige manier te kunnen garanderen. Het transport door de leiding is noodzakelijk voor de uitvoering van werkzaamheden door Defensie, de te vervangen leiding is daarmee van belang voor de (openbare) veiligheid. Voor het voornemen word gesteld dat deze noodzakelijk zijn in het kader van groot openbaar belang.

35/50 — DPRO-51.RAPO001.QSe Quickscan ecologie DPO Bokhoven 20 april 2020

9 Conclusie De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde diersoorten. Als volgt de conclusies op basis van deze uitgevoerde quickscan: - In het plangebied worden geen beschermde planten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden verwacht, derhalve kunnen negatieve effecten op deze soortgroepen worden uitgesloten. Voor deze soortgroepen behoeven geen mitigerende maatregelen genomen te worden (anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht) en is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb niet aan de orde. - Het gebruik van het plangebied en omgeving door beschermde grondgebonden zoogdieren (eekhoorn, bunzing en hermelijn), vleermuizen (baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) en algemene en jaarrond beschermde broedvogels (boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer) kan niet worden uitgesloten. De werkzaamheden leiden echter niet tot negatieve effecten voor deze soortgroepen, mits buiten de winterperiode, uitsluitend overdag en op minimaal 20 meter afstand van de potentiele vleermuisverblijfplaatsen gewerkt wordt. Een nader onderzoek en/of ontheffing is dan niet aan de orde. - In het plangebied zijn algemene broedvogels aanwezig.

Omdat de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen moet een EWP worden opgesteld om verstoring en/of beschadiging van nesten (en daarmee knelpunten met de Wnb) te voorkomen. - De zorgplicht geldt voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. - Het plangebied ligt buiten beschermd Natura 2000-gebied, maar negatieve effecten door stikstofdepositie kunnen niet worden uitgesloten. Een stikstof voortoets wordt aanbevolen. - Een deel van de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen NNN-gebied. Uit de nee-tenzij toets is gekomen dat er geen alternatieven zijn en dat door de tijdelijke aard van de werkzaamheden de aanwezige waardes, oppervlaktes, verbinding, oppervlakte en kwaliteit behouden kunnen worden mits de adviezen uit hoofdstuk 9 worden opgevolgt.

Opgemerkt wordt dat het mogelijk voorkomen van beschermende soorten niet een belemmering hoeft te zijn voor de voortgang van de bestemmingswijziging . Op basis van de uitgevoerde onderzoeken behoeft voor het voornemen geen ontheffing of vergunning van de Wnb te worden aangevraagd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10086992/1