CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Technisch bijlagenrapport bestuurlijke agenda 2020 Werkzaak

Gemeenteraad 8 april 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Wijziging Gemeenschappelijke Regeling Werkzaak Rivierenland16.356 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

7.5.2 Begeleiding regulier Tot de doelgroep ‘begeleiding regulier’ rekenen we enerzijds de doelgroep die tot 2015 in aanmerking zou komen voor een Wajong-uitkering, als de doelgroep die tot 2015 een Wsw-indicatie zou krijgen maar nu niet in aanmerking komt voor beschut werk. Het gaat hier met name om de groep die aan de slag is met een loonkostensubsidie. Hiervoor gaven we aan dat het aantal loonkostensubsidies van belang is. Deze zouden vergeleken moeten worden met de landelijke ontwikkeling en de ontwikkeling waarmee het ministerie van SZW rekent (dat zich vertaalt in de gemeentelijke budgetten). Dat laat onverlet dat gemeenten hun eigen targets formuleren. Ministerie van SZW heeft voor deze groep gerekend met een begeleidingsvergoeding van €4000,- per persoon die met een loonkostensubsidie aan de slag is. Met dat bedrag wordt in de rijksvergoeding rekening gehouden. Dat bedrag zou vergeleken moeten worden met de werkelijke begeleidingskosten die WZR maakt. Naast de kosten per medewerkers, zouden de totale kosten vergeleken moeten worden met het budget dat gemeenten beschikbaar hebben. We merken op dat de werkelijke kosten niet per se binnen de vanuit het rijk beschikbare middelen moeten blijven. Belangrijker is dat gemeenten hun eigen beleid vaststellen, waarbij een reële kostenraming wordt gemaakt. Het beleid weerspiegelt de gemeentelijke wensen en behoeften.

Ook kan het zo zijn dat het financieel per saldo gunstiger is om extra te investeren in re-integratie, om zo te kunnen besparen op de uitgaven aan uitkeringen. Uiteindelijk gaat het om het totale financiële plaatje van WZR. Investeringen in re-integratie en uitvoering zouden moeten leiden tot een zo laag mogelijke uitkeringsafhankelijkheid.

7.5.3 Beschutte arbeid Gemeenten zijn in het kader van de Participatiewet verantwoordelijk voor het realiseren van beschutte arbeidsplekken. Gemeenten zijn verplicht om binnen de zogenoemde ‘taakstelling’ plekken te realiseren voor mensen met een indicatie. De aantallen van de taakstelling zijn opgenomen in een ministeriële regeling. De

62870 (definitieve versie) – Openbaar

taakstelling en de landelijke realisatie vormen een referentiecijfer voor de aantallen die door WZR worden gerealiseerd. Gemeenten stellen zelf de targets vast. Hier geldt ook dat het rijksbudget als referentiecijfer geldt voor de feitelijke uitgaven. Hetzelfde geldt voor de uitgaven per beschut werkplek. De begeleidingsvergoeding vanuit de rijksoverheid is € 7.500,-.

26

62870 (definitieve versie) – Openbaar

27

8. Ambtelijk overleg 8.1 Inleiding Samenwerken binnen gemeenschappelijke regelingen als die van Werkzaak ingewikkeld is. Er spelen verschillende, grote belangen. Het vraagt veel van alle deelnemers om zich telkens bewust te zijn van het grotere, bovenliggende en gemeenschappelijke belang. En het vraagt veel van de bestuurders om dit in een complexe omgeving steeds naar buiten goed uit te leggen. De kunst is om telkens met respect voor elkaars meningen en belangen te komen tot een gedragen, gemeenschappelijk resultaat. Voor een goede samenwerking zijn duidelijke overlegstructuren en besluitvormingsprocessen van groot belang. Maar nog belangrijker zijn de mensen die met elkaar de juiste keuzes moeten maken. Onze voorstellen in dit memo gaan met name in op het eerste. Of deze voorstellen in de praktijk ook de gewenste verandering teweegbrengen, hangt sterk samen met het tweede. Daarom doen we ook de oproep om de focus op de informele samenwerking niet uit het oog te verliezen, en te betrekken bij het eventueel wijzigen van de ambtelijke overlegstructuren.

8.2 Huidige ambtelijke overlegstructuur en knelpunten Er zijn rondom Werkzaak Rivierenland vier verschillende ambtelijke overleggen: 1.

Het beleidsoverleg: a.

Deelnemers: de beleidsmedewerkers van de deelnemende gemeenten binnen Werkzaak (Buren en Neder-Betuwe sluiten aan afhankelijk van de agenda).

2.

3.

4.

b.

Frequentie: gekoppeld aan de DB-vergaderingen.

c.

Initiatief, agenda en voorzitterschap belegd bij Werkzaak.

Het financieel overleg: a.

Deelnemers: de financieel adviseurs van de deelnemende gemeenten binnen Werkzaak.

b.

Frequentie: gekoppeld aan P&C-cyclus (begroting, bestuursrapportage, jaarverslag, etc.).

c.

Initiatief, agenda en voorzitterschap belegd bij Werkzaak.

Het strategisch managementoverleg: a.

Deelnemers: directie Werkzaak en MT-vertegenwoordigers van deelnemende gemeenten.

b.

Frequentie: ca. drie keer per jaar

c.

Onafhankelijk voorzitter vanuit secretarissenkring

Controllersoverleg: a.

Deelnemers: de concerncontrollers van de deelnemende gemeenten binnen Werkzaak

b.

Frequentie: niet structureel

8.2.1 Knelpunten per overleg We beschrijven hier de ervaren knelpunten die zich specifiek met betrekking tot de afzonderlijke overleggen voordoen. 1.

Het beleidsoverleg: a.

Rol: in het beleidsoverleg wordt de agenda van het DB ter kennisgeving gedeeld, en worden relevante ontwikkelingen (zowel lokaal, regionaal als landelijk) besproken. Er is (mede door volle agenda’s en relatief veel aanwezigen) beperkte ruimte voor verdieping. Daardoor ontstaat soms het gevoel dat het een overleg is waarin vooral veel gezonden wordt. Daarnaast proberen gemeenten soms eigen beleidswensen in te brengen; maar inhoudelijke keuzes liggen bij het AB op tafel. Daarmee is de rol van het beleidsoverleg niet altijd duidelijk.

62870 (definitieve versie) – Openbaar

b.

28

Vertegenwoordiging: alle deelnemende gemeenten binnen Werkzaak zijn vertegenwoordigd (Buren en Neder-Betuwe sluiten aan afhankelijk van wat er op de agenda staat. Daarnaast is er vaak een vertegenwoordiger van het UWV aanwezig. Werkzaak is vaak vertegenwoordigd met drie tot vier personen. Dat maakt dat de groep groot is, en soms het gevoel ontstaat dat er vooral eenrichtingsverkeer van Werkzaak naar de gemeenten plaatsvindt.

2.

Het financieel overleg: a.

Rol: binnen het overleg met de financials worden met name de P&C-stukken voorbereid en besproken. Daarbij ontstaat echter wel snel overlap met meer inhoudelijke discussies. Dat roept de vraag op hoe het financieel overleg zich verhoudt tot het beleidsoverleg.

b.

Vertegenwoordiging: alle deelnemende gemeenten zijn vertegenwoordigd in het financieel overleg. Soms sluiten ook beleidsmedewerkers aan, maar dat is niet gebruikelijk.

3.

Strategisch overleg: a.

Rol: de oorspronkelijke gedachte achter het strategisch managementoverleg was om ontwikkelingen te bespreken die impact hebben op de bedrijfsvoering van Werkzaak en/of de gemeenten. Grootste aandachtspunt daarbij zou de samenhang binnen het sociaal domein moeten zijn (bijv.: pak je eerst schulden aan voor re-integratie gestart wordt, en wat betekent dat voor de uitvoering bij enerzijds de gemeente en anderzijds Werkzaak, en welke afspraken maak je daarover). Daarbij zou het vooral om uitvoeringstechnische vraagstukken moeten gaan. In de praktijk gaat het echter toch vaak over de inhoud. Daardoor soms het beeld dat het beleidsoverleg op dat niveau ‘opnieuw’ wordt gevoerd.

b.

Vertegenwoordiging: het is de bedoeling dat de directie van Werkzaak als ook per gemeente een vertegenwoordiger van het MT aanwezig is. In de praktijk blijkt dat laatste niet altijd het geval. Er zijn veel wisselingen en er worden ook plaatsvervangers gestuurd.

4.

Controllersoverleg: a.

Rol: onduidelijk wat rol is ten opzichte van financieel overleg.

b.

Vertegenwoordiging: niet alle gemeenten zijn (consequent) aanwezig.

8.2.2 Overkoepelende knelpunten Naast de hiervoor genoemde knelpunten zijn er twee overkoepelende knelpunten, die sterk met elkaar samenhangen en voortkomen uit de onduidelijkheid over de rollen van de verschillende overleggen: •

Geen van de ambtelijke overleggen heeft een heldere, vooraf vastgelegde rol in de besluitvormingsprocedure. Tegelijkertijd worden op verschillende tafels inhoudelijke vraagstukken besproken; dat terwijl inhoudelijke besluitvorming plaatsvindt binnen het AB. Geen van de overleggen is qua proces echter aan het AB gekoppeld.

•

Daarnaast is er zeer beperkte samenhang en afstemming tussen de verschillende ambtelijke overleggen. Daardoor ontstaat minimaal het gevoel dat in verschillende overleggen dezelfde onderwerpen op tafel komen, of dat informatie die ook binnen andere overleggen van belang is niet wordt gedeeld. Dit wordt versterkt door voorgaand knelpunt: omdat overleggen geen duidelijke rol in het proces hebben, is ook niet duidelijk welke informatie uitgewisseld moet worden of in welke volgorde zaken in de verschillende overleggen besproken worden.

Tot slot komt nog een overkoepelend knelpunt naar voren wat betreft de vertegenwoordiging: er wordt door de gemeenten nooit over Werkzaak gesproken zonder dat Werkzaak vertegenwoordigd is. Dat is soms wel wenselijk / zinvol. Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat Werkzaak soms wel bilateraal met individuele (grotere) gemeenten afstemt. Dat geeft soms bij de andere gemeenten het gevoel dat zaken al beklonken zijn.

8.3 Mogelijke aanpassingen en oplossingen Er is een aantal maatregelen mogelijk om de hiervoor besproken knelpunten op te lossen of te verminderen:

62870 (definitieve versie) – Openbaar

•

29

Elk overleg een plek geven binnen één samenhangend proces: ieder overleg is uiteindelijk gekoppeld aan de besluitvormingsprocedure binnen het AB/DB van Werkzaak. Omdat de beleidsmedewerkers een belangrijke rol hebben in het adviseren van de bestuurders, en ook lokaal verantwoordelijk zijn voor goede afstemming, zou het logisch zijn het beleidsoverleg daarin een centrale rol te geven.

•

Waar nodig een gecombineerd overleg plannen: (met name) financiën en beleid overlappen elkaar in sterke mate. Het kan zinvol zijn om periodiek een gezamenlijk overleg te plannen waar zowel beleidsmedewerkers als financials aansluiten.

•

Overleg splitsen in een deel met en zonder Werkzaak: met name voor het beleidsoverleg kan het zinvol zijn om ook te overleggen zonder de aanwezigheid van vertegenwoordigers van Werkzaak. De reguliere overleggen zouden daartoe opgesplitst kunnen worden in een deel waarbij Werkzaak wel aansluit, en een deel waar alleen de gemeenten overleggen.

8.3.1 Kaders voor de ambtelijke overlegstructuren Op basis van de formele rollen, en de ervaren knelpunten in de huidige ambtelijke overlegstructuren, stellen we de volgende kaders vast voor de ambtelijke overleggen: •

Voorbereiding van het beleid behoort tot de opdracht van Werkzaak zoals deze is vastgelegd in de GR; Werkzaak is dus in principe initiërende partij voor wat betreft beleid met betrekking tot de taken die binnen Werkzaak uitgevoerd worden. Tegelijkertijd moet er voor de deelnemende gemeenten ruimte blijven om onderwerpen te kunnen agenderen. Werkzaak dient daarin een proactieve houden in te nemen.

•

Het AB is opdracht gevend en daarmee sturend orgaan richting Werkzaak, en de plek waar de besluiten genomen worden.

•

Tegelijkertijd past het binnen een goede samenwerking om beleidsontwikkeling in nauwe samenspraak met gemeenten te doen, en bestuurders ook op dit vlak te adviseren (uitgangspunt is daarbij: wat is goed voor Werkzaak als geheel, en hoe wordt aangesloten op lokaal beleid en lokale dienstverlening).

Deze kaders wijken in feite niet veel af van wat nu op papier het uitgangspunt is. De grootste uitdaging is dus vooral om er in praktijk handen en voeten aan te geven.

8.3.2 Beleidsoverleg als schakel in efficiënt besluitvormingsproces Het staat vast dat besluitvorming over Werkzaak in het AB plaatsvindt. Dat neemt niet weg dat er optimaler gebruik gemaakt zou kunnen worden van het beleidsoverleg. Dat vereist wel dat het beleidsoverleg een vaste plek heeft in het besluitvormingsproces. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: •

De cyclus van het beleidsoverleg wordt gekoppeld aan de cyclus van AB-overleggen.

•

Binnen het beleidsoverleg wordt besluitvorming in het AB inhoudelijk voorbereid: -

Op welke punten vinden gemeenten elkaar; waar is overeenstemming over?

-

Welke punten liggen gevoelig of vragen aandacht? Waar zitten verschillen (in belangen, effecten van keuzes, etc.) tussen gemeenten?

•

Wat is het gezamenlijk belang, kan een gezamenlijk advies aan het AB geformuleerd worden?

Dat betekent dat voor het beleidsoverleg op lokaal niveau al afgestemd is met de wethouder, en waar nodig met een financieel of juridisch adviseur.

•

Indien dit goed functioneert, ontstaat een proces waarbij de afstemming in details plaatsvindt in het beleidsoverleg, en besluitvorming op hoofdlijnen plaatsvindt in het AB. Daarmee wordt zowel recht gedaan aan de formele bevoegdheid van het AB als opdrachtgever van Werkzaak, als aan de inhoudelijke expertise van de beleidsmedewerkers.

62870 (definitieve versie) – Openbaar

30

8.3.3 Praktische kaders Een van de bijkomende knelpunten in de huidige overlegstructuren is dat de gehanteerde termijnen niet overal goed aansluiten op de lokale procedures en timing (met name aanleveren van stukken voor portefeuillehoudersoverleg). Met de huidige timing levert dat nu soms knelpunten op (bijvoorbeeld stukken die vrijdag binnenkomen en de maandag daarop direct in het PO besproken zouden moeten worden). Tegelijkertijd kan het te ver oprekken van termijnen de besluitvormingsprocedure omslachtig en traag maken. In de praktijk zal hier steeds gebalanceerd moeten worden voor een werkbare situatie.4 Wat we daarbij wel onderstrepen, is het belang van het samen optrekken in het opstellen van beleid en voorstellen. Dat betekent dat ook buiten het beleidsoverleg om actief contact is tussen Werkzaak en gemeenten. Beleidsadviseurs zijn dan vooraf op de hoogte van de stukken die zij kunnen verwachten, en wat (op hoofdlijnen) de strekking is. Inhoudelijke keuzes kunnen dan ook eerder al (al dan niet informeel) met de wethouder worden besproken. Ook de beleidsoverleggen kunnen dan effectiever benut worden; daar kan de focus gelegd worden op de gezamenlijke lijn en het adviseren van de bestuurders daarin.

8.3.4 Financieel overleg ondersteunend aan P&C-cyclus Het financieel overleg is gekoppeld aan de P&C-cyclus, en is vooral ondersteunend aan dit proces. De financieel adviseurs hebben een rol in het adviseren omtrent financiën en financiële verantwoording. Dat raakt soms aan de inhoud, dus de grootste uitdaging is dat er een zuivere scheiding blijft tussen het financieel overleg en het beleidsoverleg. Om de rollen zuiver te houden en te voorkomen dat aan verschillende tafels overleg wordt ‘overgedaan’, zouden de volgende uitgangspunten kunnen gelden: •

Op een beperkt aantal momenten in het jaar vindt een gezamenlijk overleg plaats van beleidsadviseurs en financieel adviseurs. Timing hangt samen met belangrijke momenten in de P&C-cyclus (in elk geval begroting en jaarrekening).

•

Voorstellen van financieel adviseurs gaan via het beleidsoverleg naar het AB.

•

Het financieel overleg vraagt om een inhoudelijke benadering. Betrokkenen vanuit gemeenten en Werkzaak overleggen niet zo zeer als financial, maar als businesscontrollers. Dat stelt eisen aan het profiel van de mensen die vanuit Werkzaak en gemeenten worden aangewezen als overlegpartners. Ons advies is dat hiertoe door gemeenten en Werkzaak gezamenlijke profielen worden opgesteld.

8.3.5 Overige overlegvormen incidenteel bij nut en noodzaak Het beleidsoverleg en het financieel overleg zijn structureel nodig voor een goede afstemming tussen Werkzaak en gemeenten, en tussen gemeenten onderling. Voor het strategisch overleg en controllers overleg is dat minder duidelijk. Het risico bestaat dat bij het frequent voortzetten van deze overleggen, overlap blijft met het beleidsoverleg. De volgende uitgangspunten zouden hier kunnen helpen: •

Voor andere overleggen dan het beleidsoverleg en financieel overleg geldt het ‘niet, tenzij’ principe. Dat betekent dat deze overleggen alleen ingepland worden wanneer nut en noodzaak daarvan aantoonbaar zijn. Het is nuttig als het van meerwaarde is voor de regionale samenwerking, en noodzakelijk wanneer het niet via het beleidsoverleg afgehandeld kan worden.

•

Wanneer extra overleg plaatsvindt, gaat dat in afstemming met het beleidsoverleg. Ook voorstellen aan het AB gaan via het beleidsoverleg.

Hier zijn regionaal in de griffierskring afspraken over gemaakt, in ieder geval voor de aanlevering van stukken die voor zienswijzen naar de raden moeten. 4

62870 (definitieve versie) – Openbaar

•

31

Voor het overige zijn de beleidsadviseurs verantwoordelijk voor afstemming met relevante stakeholders binnen de eigen gemeente. De financieel adviseurs adviseren de concerncontrollers.

8.4 Aandachtspunten met betrekking tot informele samenwerking Zoals we aan het begin al benadrukten, is samenwerken niet alleen een kwestie van formele besluitvormingsstructuren, maar vooral ook van menselijk handelen. De voorstellen die we doen voor het aanpassen van de structuur, staan of vallen met de nodige aandacht voor dat aspect. Daarom sluiten we af met deze aandachtspunten: •

De kern is dat vooraf toegewerkt wordt naar de benodigde besluiten en bijbehorende documenten en dat de verschillende spelers dit duidelijk op hun netvlies hebben staan. De ambtelijk medewerkers wachten niet af tot ze een document in hun postvak vinden om daar vervolgens iets van te vinden. Als ze het onderwerp belangrijk vinden, steken ze tijdig hun vinger op, ze melden zich bij Werkzaak Rivierenland en vragen hoe ze in het traject betrokken kunnen worden. Aan de andere kant stelt WZR zich gastvrij en betrokken op en nodigt de betrokkenen vanuit de gemeenten uit om reeds in een vroeg stadium te participeren om mee te denken en mee te kijken en samen te zoeken naar oplossingen. Kortom, betrokkenen weten elkaar te vinden, indien nodig en trekken gezamenlijk op, gericht op het gemeenschappelijk doe.

•

Een dergelijke samenwerking voorkomt dat mensen verrast worden met voorstellen. Het voorkomt dat mensen niet of onvoldoende op de hoogte zijn over de achterliggende gedachten en de onderbouwingen, omdat ze zijn meegegaan in het denk- en ontwikkelproces van de uitvoeringsorganisatie.

•

Ook is het ambtelijk overleg erop gericht dat discussie- en geschilpunten zoveel mogelijk uit de weg worden geruimd. Het ambtelijk escalatieniveau ligt op het niveau van de directeur van Werkzaak Rivierenland en de gemeentesecretarissen. Daarna legt de directeur van WZR de voorstellen neer bij het Dagelijks Bestuur, bij voorkeur met ambtelijke instemming. Als één of enkele geschilpunten resteren worden die opgelost op de tafel van het DB en/of het AB.

•

Tot slot: samenwerking is een vak! Dat vraagt aan de kant van Werkzaak en aan de kant van de gemeenten om professionals die hier goed op zijn voorbereid en daar voldoende tijd voor hebben. Ons advies is om gezamenlijk afspraken te maken over het gewenste profiel en de beschikbare tijd bij gemeenten en bij Werkzaak en dat ook vast te leggen.

62870 (definitieve versie) – Openbaar

32

Processtappen BC en AB In bijlage beschrijven we op procesniveau het doorlopen traject, en de keuzes die daaraan ten grondslag lagen.

B.1.1 Samenstellingen bestuurlijke en ambtelijke vertegenwoordiging Bij aanvang van het traject van de bestuurlijke agenda is besloten om de bestuurders daarin een initiërende rol te laten spelen. Zij zijn namelijk de aangewezen personen om op strategisch niveau de koers te bepalen voor een toekomstbestendige samenwerking. Daarnaast is besloten om dit te doen naast de reguliere vergadercyclus van het DB en AB, om rust en ruimte te creëren om vrijuit na te denken over de wensen en belangen ten aanzien van de toekomst van Werkzaak. Daarom werd een voorbereidingscommissie (BC) ingericht. Daarin was tevens de directeur van Werkzaak Rivierenland vertegenwoordigd. Gezien het belang van het traject is besloten dat alle acht bestuurders participeerden in de BC. Daarnaast is in overleg met de gemeentesecretarissen van de acht gemeenten een ambtelijke begeleidingscommissie (AC) samengesteld. Door een aantal gemeenten is besloten gezamenlijk één vertegenwoordiger in de AC te laten participeren. Tevens was er een vertegenwoordiger van Werkzaak Rivierenland binnen de AC.

B.1.2 Doorlopen traject met de BC De BC heeft ervoor gekozen zich vooral te richten op de hoofdvragen in dit traject, namelijk het aanpassen van de financiële verdeelsleutel en de governance. Op hoofdlijnen zijn daarbij de volgende stappen doorlopen: 1.

Het verkrijgen van eenduidigheid bij de opdracht

2.

Het verkrijgen van eenduidigheid over de ervaren knelpunten (vastgelegd in de startnotitie)

3.

Het in kaart brengen van wensen en voorstellen ten aanzien van oplossingen / alternatieven

4.

Het selecteren van een aantal uit te werken voorkeursscenario’s

5.

Het doorgronden van de financiële effecten van de verschillende scenario’s

6.

Het in beeld brengen van de inhoudelijke argumentatie voor de verschillende scenario’s

7.

Gezamenlijk tot een voorkeursvariant komen

In totaal is de BC elf keer samengekomen in de periode januari – december 2020 (dit betreft dus bijeenkomsten buiten de reguliere AB-vergaderingen van Werkzaak Rivierenland om).

B.1.3 Doorlopen traject met de AC De AC heeft zich gericht op het uitwerken van een voorstel voor aanpassing van de ambtelijke overlegstructuren en het implementeren van businesscasedenken in de begroting van Werkzaak Rivierenland. Daarnaast stond steeds de voortgang in de BC op de agenda, om de ambtelijk adviseurs bij te praten en vanuit hun perspectief aandachtspunten mee te nemen in het traject met de BC. De AC is tien keer bij elkaar gekomen in de periode april – november 2020. Vanaf juni 2020 werden daar ook standaard de aangehaakte financials bij uitgenodigd.

62870 (definitieve versie) – Openbaar

B.1.4 Doorlopen processtappen BC • Eerste bijeenkomst van de BC 30 januari • Vaststellen aanpak Berenschot voor bestuurlijke agenda 2020

4 maart

9-13 maart

• Tweede bijeenkomst van de BC • Bespreken en vaststellen startnotitie waarin de aanleiding, doelstelling en ervaren knelpunten worden beschreven • Afbakening van opdracht aan de AC • Gesprekken met individuele wethouders van de acht gemeenten, om verschillende beelden, wensen en aandachtspunten te inventariseren voor de ervaren knelpunten.

• Derde bijeenkomst van de BC • Bespreken van de opbrengst uit de individuele gesprekken en mogelijke scenario's en 18 maart aandachtspunten die daaruit te destilleren zijn.

15 april

• Vierde bijeenkomst van de BC • Bespreken memo met uitgangspunten en afbakening van de scenario's • Presentatie eerste berekeningen financiële effecten per scenario

13 mei

• Vijfde bijeenkomst van de BC • Beantwoorden technische vragen berekeningen • Gesprek over inhoudelijke afweging scenario's

12 juni

• Extra werksessie van de BC • Doel om tot inhoudelijke besluiten te komen • Er blijkt meer informatie en tijd nodig om tot goede afweging te komen

1 juli

• Zesde bijeenkomst van de BC • Presentatie nieuwe berekeningen (lange termijn en ingroeipad) • 'Inspanningsbereidheid' bij alle bestuurders voor voorkeursvariant

16 juli

• Zevende bijeenkomst van de BC • Afspraak over te nemen besluit m.b.t. inleenvergoeding 2021 • Procesafspraken m.b.t. rapportage en besluitvorming

22 oktober

• Achtste bijeenkomst van de BC • Afspraken over verdeelsystematiek Participatiewet en Wsw (ten aanzien van Wsw nog geen afspraken met betrekking tot eventuele toeslag)

16 nov.

• Negende bijeenkomst van de BC • Afspraken met betrekking tot de toeslag Wsw en verdere details verdeling en ingroei

3 dec.

• Tiende bijeenkomst van de BC • Bespreken conceptrapportage

33

62870 (definitieve versie) – Openbaar

B.1.5 Doorlopen processtappen AC

2 april

• Eerste bijeenkomst van de AC • Doornemen aanpak Berenschot voor bestuurlijke agenda 2020 • Inventariseren eerste aandachtspunten ambetlijke overlegstructuur

april

• Aantal individuele gesprekken om meer zicht te krijgen op knelpunten rondom ambtelijke overlegstructuren. Op basis daarvan stelt Berenschot een notitie op met de ervaren knelpunten en eerste aanzetten voor oplossingen.

12 mei

• Tweede bijeenkomst AC • Update over traject met de BC en toelichting op scenario's en financiële effecten. • Bespreken memo ambtelijke overlegstructuur en eerste aanzet businesscasedenken

17 juni

• Derde bijeenkomst van de AC • Voorbespreken bijeenkomst met AC + financials (met name: financiële effecten scenario's en businesscasedenken)

23 juni

• Extra bijeenkomst AC + financials • Toelichting op financiële effecten scenario's • Toelichting op voorstel implementeren businesscasdenken in begroting Werkzaak

13 mei

• Vierde bijeenkomst AC (+ financials) • Bespreken aangepaste memo ambtelijke overlegstructuren • Bespreken eerste uitwerking businesscasdenken

15 sept.

• Vijfde bijeenkomst AC (+ financials) • Procesupdate

13 oktober

• Zesde bijeenkomst AC (+ financials) • Voorspreken BC 22 oktober

• Zevende bijeenkomst AC + extra verdiepingssessie (+ financials) 3 + 6 nov. • Doornemen specificaties financiële verdeling en openstaande punten daarin

17 nov.

• Achtste bijeenkomst AC (+ financials) • bespreken uitkomsten BC 16 november

24 nov.

• Negende bijeenkomst AC (+ financials) • Bespreken conceptrapportage

34

35

62870 (definitieve versie) – Openbaar

Gevolgen herziening gemeentefonds voor financiering Werkzaak Rivierenland Bijdrageonderdeel

Huidige Rijksfinanciering

Voornemen herziening gemeentefonds

Gevolgen voor de voorkeursvariant

Bijstand

Gemeenten ontvangen jaarlijks een budget voor de bijstand. Hieruit betalen gemeenten de bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies.

De bijstand wordt niet gefinancierd via het gemeentefonds. Gemeenten ontvangen hiervoor een separaat budget. De rijksoverheid is niet voornemens om de financiering van de bijstand aan te passen.

Dit heeft geen gevolgen voor de verdeelsleutel zoals uitgewerkt in de voorkeursvariant.

Re-integratie

Gemeenten ontvangen reintegratiemiddelen voor de nieuwe doelgroepen in de Participatiewet in de integratieuitkering sociaal domein. Daarnaast ontvangen gemeenten het klassieke reintegratiebudget via de algemene uitkering in het gemeentefonds.

Het voornemen is om de begeleidingsmiddelen voor beschutte arbeid op te nemen in een decentralisatie-uitkering. Dit budgetonderdeel blijft apart zichtbaar. De middelen voor begeleiding en re-integratie klassiek komen in de algemene uitkering in het gemeentefonds en maken onderdeel uit van een breder cluster. Er moet rekening mee worden gehouden dat de middelen voor re-integratie niet meer apart zichtbaar zijn.

De middelen voor nieuw beschut kunnen in lijn met de voorkeursvariant worden ingebracht in de verdeling van de rijksbijdragen over de gemeenten.

Wsw

Gemeenten krijgen budget naar rato van het historisch aantal Wsw’ers, gecorrigeerd voor de verwachte ontwikkeling van het aandeel.

De Wsw komt in een decentralisatie-uitkering. De systematiek verandert naar verwachting niet.

De Wsw wordt afgerekend op basis van werkelijke kosten. Dat staat los van de Rijksfinanciering. De herziening van het gemeentefonds heeft hier geen invloed.

Uitvoering Participatiewet

Gemeenten ontvangen in het cluster inkomen en participatie in de algemene uitkering in het gemeentefonds middelen voor de uitvoering van de Participatiewet. In het cluster zitten naast middelen voor de uitvoering, middelen voor het minimabeleid. De verhouding uitvoering/minimabeleid is 2:1. LIAS PAUW berekent hoe hoog de middelen voor de uitvoering zijn.

Er komt naar verwachting een breed cluster waarin de middelen voor uitvoering, reintegratie en minimabeleid worden gebundeld.

Na de herziening van het gemeentefonds kunnen de middelen voor de uitvoering van de Participatiewet op dezelfde wijze zoals in de voorkeursvariant worden overgeheveld.

De overige reintegratiemiddelen gaan via het bredere cluster over naar de financiering van WZR.

62870 (definitieve versie) – Openbaar

36

Gemeentelijke bijdrage Wsw B.3.1 Huidige systematiek 1.

Gemeenten betalen thans een bijdrage voor de Wsw aan Werkzaak Rivierenland.

2.

Deze bijdrage bestaat uit een deel Wsw-loonkosten (inclusief de loonkostensubsidie Wsw voor begeleid werken) en een deel bedrijfsvoeringskosten.

3.

Het deel Wsw-loonkosten wordt één op één afgerekend.

4.

De bedrijfsvoeringskosten worden naar rato verdeeld over het aantal bijstandsgerechtigden, het aantal mensen met een loonkostensubsidie en het aantal Wsw’ers. De bijdrage voor het deel Wsw wordt naar rato van het aantal Wsw’ers verdeeld over de gemeenten.

B.3.2 Nieuwe systematiek 1.

Vanaf 2021 wordt voor het jaarlijks bepalen van de gemeentelijke Wsw-bijdrage in jaar t onderscheid gemaakt tussen de loonkosten Wsw, de bedrijfskosten Wsw en de bedrijfsopbrengsten Wsw. De bedragen worden verdeeld op basis van realisatiecijfers in de jaarrekening.

2.

In jaar t-1 betalen gemeenten een voorschot. In jaar t+1 komt de eindafrekening. Dat kan betekenen dat gemeenten moeten bijbetalen of dat gemeenten geld terug krijgen.

3.

De gemeentelijke bijdrage voor de loonkosten Wsw is gelijk aan de huidige berekening.

4.

De bijdrage voor de bedrijfskosten Wsw wordt als volgt berekend: a.

De directe bruto loonkosten van de reguliere medewerkers die zowel werken met Wsw’ers als met andere doelgroepen worden voor wat betreft het Wsw-deel naar rato van het aantal Wsw’ers in de gemeenten toegedeeld.

b.

Huisvestingskosten: de productiehallen worden verdeeld op basis van het aantal Wsw’ers en overige doelgroepen die in de hallen werkzaam zijn.

c.

De overhead (= totale bedrijfskosten minus de totale directe bruto loonkosten minus de huisvestingskosten voor de productiehallen) wordt verdeeld naar rato van de reguliere personeelskosten (= totale kosten bij a gedeeld door de totale reguliere directe personeelskosten van WZR).

5.

De verrekening van de bedrijfsopbrengsten Wsw met de bijdrage Wsw wordt als volgt berekend: De aan de Wsw toegerekende omzet wordt berekend door de totale opbrengst van Werkzaak Rivierenland te vermenigvuldigen met het aantal Wsw’ers met een dienstbetrekking bij WZR gedeeld door het aantal mensen vanuit andere regelingen die bij WZR werkzaam zijn. Dat bedrag wordt verdeeld over de gemeenten naar rato van het aantal Wsw’ers.

6.

Gemeenten die alleen de Wsw laten uitvoeren door Werkzaak Rivierenland, betalen per Wsw’er een toeslag van €1.000- per Wsw’er per jaar. Deze bijdrage is ter vergoeding van de schaalvoordelen en de kosten die gemaakt zouden worden als de uitvoering van de Wsw in een krimpsituatie zou zijn terecht gekomen, als er niet voor gekozen zou zijn om de uitvoering Wsw te combineren met de uitvoering van de Participatiewet.

37

62870 (definitieve versie) – Openbaar

Berekening herverdeeleffecten B.4.1 Totaal te verdelen bedrag In de paragrafen hierna gaan we na wat de effecten van de verdeelsleutel in de voorkeursvariant zijn voor de individuele gemeenten. We gaan uit van de voor 2020 verwachte uitgaven bij Burap 2020. De incidentele kosten als gevolg Corona (Corona-bijdrage Wsw en Tozo) laten we buiten beschouwen. Het te verdelen totaalbedrag is samengesteld uit de componenten in de volgende tabel. x€1.000,Bijs ta nds uitkeringen en loonkos tens ubs idies Ws w-loonkos ten Re-integra tie Bedrijfs voering Totale uitgaven

Uitgaven 44.163 22.041 4.195 13.026 83.424

Toelichting: •

Bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies: Betreft het totaal aan verwachte uitgaven van WZR aan bijstandsuitkeringen, loonkostensubsidies en BBZ.

•

Wsw-loonkosten: Totale Wsw-loonkosten van WZR.

•

Re-integratie: De verwachte re-integratiekosten van WZR.

•

Bedrijfsvoering: In deze post zin verschillende kosten opgenomen. Het gaat om de uitvoeringskosten voor de bijstand, het saldo van bedrijfskosten en bedrijfsopbrengsten Wsw en de inleenvergoeding voor de nieuwe doelgroepen vanuit de Participatiewet.

•

Totale uitgaven: de som van de uitgaven op de verschillende onderdelen van WZR. In de paragrafen hierna laten we zien wat de verdeling van de gemeentelijke bijdragen is in de bestaande verdeelsleutel. Tevens tonen we de effecten van de verdeelsleutel in de voorkeursvariant.

B.4.2 Bijdrage uitvoering Wsw In de volgende laten we de financiële gevolgen zien van het toepassen van de voorkeursvariant. Hui di ge bi jdra ge (x€1.000,-) Ni euwe bi jdra ge (x€1000,-) Verandering bijdrage Wsw (x €1.000,-) Hui di ge bi jdra ge per Ws w-er (€) Ni euwe bi jdra ge (€) Verandering per Wsw-er(€)

B 2.327 2.267 -59 27.698 26.991 -708

C 3.510 3.278 -232 25.811 24.103 -1.708

M 1.771 1.652 -120 25.303 23.596 -1.708

NB 1.379 1.347 -33 29.988 29.281 -708

T 8.027 7.521 -505 27.117 25.410 -1.708

WMW 0 0 0 0 0 0

WB 3.502 3.288 -213 28.013 26.306 -1.708

Z 3.521 3.314 -207 29.099 27.391 -1.708

Tot. 24.037 22.668 -1.369 27.377 25.817 -1.559

Toelichting: •

Huidige bijdrage en huidige bijdrage per Wsw’er: Deze reeks laat de bedragen zien die gemeenten momenteel inbrengen voor de uitvoering van de Wsw door WZR. In 2020 gaat het in totaal om 24,0 mln. euro. Dat bedrag is gelijk aan de optelsom van de Wsw-loonkosten en bedrijfskosten naar rato van het aantal Wsw’ers in het totaal aantal cliënten van WZR. Het bedrag per Wsw’er is de huidige bijdrage gedeeld door het aantal Wsw’ers. De bijdrage WMW is gelijk aan nul, omdat de Wsw’ers van WMW aan de slag zijn bij in het werkbedrijf van het Rijk van Nijmegen.

•

Nieuwe bijdrage en nieuwe bijdrage per Wsw’er: Dit bedrag wordt berekend door de Wsw-loonkosten te vermeerderen met de specifiek aan de Wsw toegerekende bedrijfskosten en te verminderen met de aan de Wsw toegerekende bedrijfsopbrengsten. De nieuw bijdragen onderbouwen we hierna.

•

Verandering bijdrage Wsw en verandering per Wsw’er: Dit betreft het verschil tussen de bijdragen van de gemeenten aan WZR voor de Wsw volgens de oude methodiek en de nieuwe methodiek.

38

62870 (definitieve versie) – Openbaar

De volgende tabel laat de onderbouwing zien van de bijdragen volgens het voorkeursscenario, zoals gepresenteerd in de tabel hiervoor (nieuwe bijdrage (x€1.000,-). Loonkos ten Ws w (x€1.000,-) Bedri jfs kos ten (x€1.000,-) Bedri jfs opbrengs ten (x€1.000,-) Toes l a g (x€1.000,-) Bijdrage per gemeente (x€1.000,-) Loonkos ten Ws w per Ws w-er (€) Bedri jfs kos ten per Ws w-er (€) Bedri jfs opbrengs ten per Ws w-er (€) Toes l a g per Ws w-er (€) Bijdrage per gemeente per Wsw-er (€)

B 2.136 644 596 84 2.267 25.425 7.663 7.097 1.000 26.991

C 3.201 1.042 965 0 3.278 23.538 7.663 7.097 0 24.103

M 1.612 536 497 0 1.652 23.030 7.663 7.097 0 23.596

NB 1.275 352 326 46 1.347 27.715 7.663 7.097 1.000 29.281

T 7.354 2.268 2.101 0 7.521 24.844 7.663 7.097 0 25.410

WMW 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

WB 3.218 958 887 0 3.288 25.740 7.663 7.097 0 26.306

Z 3.246 927 859 0 3.314 26.826 7.663 7.097 0 27.391

Tot. 22.041 6.728 6.231 130 22.668 25.104 7.663 7.097 0 25.669

Toelichting: •

Loonkosten Wsw en de loonkosten per Wsw’er: Deze reeks laat de werkelijke loonkosten Wsw zien die WZR voor de deelnemende gemeenten maakt. De bedragen per Wsw’er zijn verschillend, omdat verschillende Wsw’ers verschillende loonkosten hebben. Dat is met name afhankelijk van de hoogte van het salaris en of men aan de slag is via begeleid werken.

•

Bedrijfskosten: De bedrijfskosten zijn de kosten voor de uitvoering van de Wsw. Het gaat om loonkosten van de begeleiders, andere reguliere medewerkers, materiaalkosten, huisvestingskosten en dergelijke. De kosten in deze reeks zijn de kosten die specifiek aan de Wsw kunnen worden toegerekend.

•

Bedrijfsopbrengsten: De opbrengsten zijn specifiek aan de Wsw toegerekend door het aantal Wsw’ers die omzet genereren te delen door het totaal aantal medewerkers vanuit regelingen die omzet genereren. De opbrengsten worden naar rato van het aantal Wsw’ers over de gemeenten verdeeld.

•

Toeslag: Afgesproken is dat de gemeenten die de Wsw laten uitvoeren door WZR en niet participeren in de uitvoering van de Participatiewet een toeslag betalen van €1.000,- per Wsw’er. Deze toeslag wordt betaald omdat de betreffende gemeenten voordeel hebben van de gemeenschappelijke uitvoering in WZR, maar daar geen directe bijdrage aan leveren (schaalvoordeel, afwenden frictiekosten als gevolg van de krimp Wsw). In onderzoek van Cedris (2013) is berekend dat rekening gehouden moet worden met extra kosten van 1500 euro per Wsw’er als het SW-bedrijf krimpt, zonder compensatie vanuit de nieuwe taken in de Participatiewet. Door een toeslag van 1000 euro per Wsw’er wordt het berekende voordeel voor Buren en Neder-Betuwe gedeeld met de zes gemeenten die er voor kozen om de uitvoering van de Participatiewet en de Wsw regionaal te bundelen.

•

Bijdrage per gemeente; betreft de totale bijdrage per gemeente voor de uitvoering van de Wsw in het voorkeursscenario.

B.4.3 Bijdrage uitvoering Participatiewet De volgende tabel laat de totale gemeentelijke bijdragen zien aan WZR voor de bijstand, uitvoering en reintegratie. Incidentele betalingen en ontvangsten in verband met Corona hebben we niet opgenomen (compensatie Wsw en Tozo). De bijstandsuitgaven veronderstellen we gelijk aan de bijstandsbudgetten. Huidige bijdrage aan WZR (x€1.000,-) Nieuwe bijdrage (€1.000,-) Herverdeeleffect (€1.000,-)

B 2.327 2.267 -59

C 13.803 13.758 -45

M 6.749 6.811 62

NB 1.379 1.347 -33

T 31.832 31.604 -227

WMW 4.217 4.360 143

WB 13.318 13.481 163

Z 9.799 9.794 -4

Tot. 83.424 83.424 0

Toelichting: •

Huidige bijdrage: betreft de betalingen van de gemeenten aan WZR voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wsw berekend volgens de huidige verdeelsleutel.

39

62870 (definitieve versie) – Openbaar

•

Nieuwe bijdrage: betreft de betalingen van de gemeenten aan WZR voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wsw berekend volgens het voorkeursscenario. Hierna geven we een onderbouwing van deze bedragen.

•

Herverdeeleffect: laat het verschil zien tussen de nieuwe bijdrage en de bijdrage berekend volgens de huidige verdeelsleutel. We zien dat gemeenten in totaal hetzelfde betalen. Sommige gemeenten gaan bij toepassing van het voorkeursscenario meer betalen (een +) en andere gemeenten gaan minder betalen (een -). De belangrijkste verklaring voor de verschillen is dat voor de bedrijfsvoeringskosten het cluster inkomen en participatie vanuit de algemene uitkering in het gemeentefonds wordt ingebracht. In dit budget wordt rekening gehouden met schaalvoordelen. Dat betekent dat een gemeente met relatief weinig bijstandsgerechtigden per bijstandsgerechtigde meer budget ontvangt dan een gemeente met relatief veel bijstandsgerechtigden. In de huidige systematiek worden de bedrijfsvoeringskosten verdeeld naar rato van het aantal cliënten. Dat betekent dat alle gemeenten feitelijk een min of meer gelijk bedrag per bijstandsgerechtigde betalen. Met andere woorden, in de huidige systematiek draagt de ene gemeente (met relatief veel bijstandsgerechtigden) ten laste van het beschikbare rijksbudget meer af aan WZR dan de andere gemeente (met relatief weinig bijstandsgerechtigden). Dat wordt in de voorkeursvariant recht getrokken.

De volgende tabel toont de onderbouwing van de nieuwe bijdragen die worden betaald bij toepassing van de verdeelsleutel volgens het voorkeursscenario. x€1.000,BUIG en BBZ Re-i ntegra ti ebudget Ba s i s vergoedi ng ui tvoeri ng Ws w-bi jdra ge Nog te verdel en Totaal gemeentelijke bijdragen

B 0 0 0 2.267 0 2.267

C 7.532 846 1.265 3.278 836 13.758

M 3.790 258 702 1.652 409 6.811

NB 0 0 0 1.347 0 1.347

T 17.316 2.220 2.668 7.521 1.879 31.604

WMW 3.224 205 583 0 348 4.360

WB 7.547 442 1.398 3.288 806 13.481

Z 4.753 304 888 3.314 535 9.794

Totaal 44.163 4.275 7.505 22.668 4.814 83.424

Toelichting: •

BUIG en BBZ: Betreft de bijdrage van gemeenten vanuit het BUIG-budget, bijzondere bijstand en BBZ. Het BUIG-budget wordt definitief vastgesteld in september van het lopende jaar. Bijzondere bijstand en BBZ worden na afloop van het jaar vastgesteld bij de jaarrekening van WZR.

•

Re-integratiebudget: het re-integratiebudget bestaat uit de het klassieke re-integratiebudget voor de bijstand. Dit bedrag ontvangen gemeenten via de algemene uitkering in het gemeentefonds. De begeleidingsvergoeding voor de nieuwe doelgroepen in de Participatiewet is opgenomen in de integratieuitkering sociaal domein. In de berekening van de gemeentelijke bijdragen worden de re-integratiebudgetten gehanteerd in de septembercirculaire van het lopende jaar.

•

Basisvergoeding uitvoering: Gemeenten ontvangen via het cluster inkomen en participatie in de algemene uitkering in het gemeentefonds, een vergoeding voor de uitvoering van de Participatiewet. Het bedrag wordt jaarlijks volgens een vaste formule berekend door LIAS PAUW. Dit bedrag wordt gehanteerd voor de bijdrage aan WZR. We gaan uit van het basisbedrag, zonder de uitkeringsfactor. Op deze wijze is het bedrag ongevoelig voor de trap-op-trap-af systematiek in het gemeentefonds. Dat biedt meer zekerheid over het jaarlijkse bedrag dat wordt meegenomen in de verdeling van de kosten over de gemeenten.

•

Wsw-bijdrage: Voor de berekening van de Wsw-bijdrage verwijzen we naar de uitleg hiervoor. Het bedrag in deze reeks is gelijk aan de gemeentelijke bijdragen voor de Wsw zoals hiervoor berekend volgens het voorkeursscenario.

•

Nog te verdelen: De totale (verwachte netto) uitgaven van WZR bedragen 83,4 mln. euro. Dat is exclusief incidentele kosten en baten die samenhangen met Corona. In het voorkeursscenario voor de verdeelsleutel is dat bedrag hoger dan de som van de hiervoor genoemde bedragen. Dat leidt tot een verschil dat nog moet worden verdeeld. De Participatiewet is gericht op de doelgroep van de Participatiewet, die bestaat uit mensen in de bijstandsuitkering en mensen die aan de slag zijn met een loonkostensubsidie. Het restbedrag wordt

40

62870 (definitieve versie) – Openbaar

naar rato van het aantal klanten (bijstand plus loonkostensubsidie) verdeeld over de gemeenten. De aantallen die worden gehanteerd worden ontleend aan de septembercirculaire van het lopende begrotingsjaar. Totaal gemeentelijke bijdragen: Het totaal van de gemeentelijke bijdragen is gelijk aan het totaal van kosten

•

en baten van Werkzaak Rivierenland. Het bedrag wordt vastgesteld bij de jaarrekening.

B.4.4 Bijstandsbudget Vanuit de solidariteitsgedachte worden de budgetten overgeheveld naar WZR. Het resultaat op het BUIG-budget is de uitkomst van gezamenlijk beleid en wordt daarom verevend tussen de gemeenten. Een voordeel van het inbrengen van het bijstandsbudget is bovendien dat jaarlijkse fluctuaties voor individuele gemeenten worden gedempt. Dat laten we zien in de volgende tabel. Maasdriel Zaltbommel Tiel West Maas en Waal West-Betuwe Culemborg Totaal

2010 -11% -24% -10% -10% -13% -29% -16%

2011 -1% -14% -23% -16% -23% -27% -21%

2012 2% 3% -12% -15% -11% -2% -7%

2013 -10% -6% -13% -24% -10% -1% -10%

2014 -9% -7% -17% -28% -8% -4% -12%

2015 -13% -15% -14% -23% -5% -4% -11%

2016 -10% -8% -15% -16% -20% -3% -12%

2017 -5% -1% -12% -4% -6% -3% -7%

2018 -1% 6% -5% 9% 7% 2% 1%

2019 5% 9% -1% 7% 30% 1% 7%

De tabel toont de jaarlijkse procentuele saldi van de individuele gemeenten 5. Een tekort is in rood aangegeven. Een positief saldi is zwart. Ook geven we het saldo voor alle zes gemeenten gezamenlijk aan. De conclusie is dat het saldo van jaar tot jaar flink kan verschillen. Zo had Zaltbommel in 2011 een tekort van 14%. In 2012 sloeg het tekort om naar een besparing van 3%. Ook zien we jaarlijks, ondanks het gemeenschappelijk beleid, jaarlijks grote verschillen tussen de gemeenten. De volgende grafieken geven een nadere indicatie van de jaarlijkse verschillen. Gemiddeld jaarlijks BUIG-saldo en variatie

Jaarlijkse gemiddelde verandering BUIG-saldo en variatie 40%

40% 30%

30%

20% 20%

10% 0%

10%

-10%

0%

-20%

-10%

-30% -20%

-40% -50%

-30% 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

De grafiek links toont het totale procentuele saldo voor de gezamenlijke gemeenten (rode lijn). Het lichtblauwe vlak daarachter toont een indicatie van de jaarlijkse spreiding van het procentuele saldo over de WZR-gemeenten6. De grafiek rechts toont de jaarlijkse verandering van de saldi (rood). Het blauwe vlak daarachter geeft een indicatie van de jaarlijkse spreiding in de veranderingen van het saldo7. De financiering van het BUIG-budget zoals opgenomen in de voorkeursvariant leidt ertoe dat het materiële saldo voor alle gemeenten in het samenwerkingsverband gelijk is aan het gemiddelde op de rode lijn. Datzelfde geldt voor de jaarlijkse verandering

In de jaren 2010 tot en met 2018 wordt voor West Betuwe het saldo van Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal gezamenlijk genomen. 6 De onderste rand van het licht blauwe vlak toont het gemiddelde minus tweemaal de standaarddeviatie. De bovenste rand toont het gemiddelde plus tweemaal de standaarddeviatie. 7 Idem 5

62870 (definitieve versie) – Openbaar

41

van het saldo. Met andere woorden de jaarlijkse fluctuaties worden voor alle gemeenten gedempt. Het financieel risico van het jaarlijks BUIG-budget wordt daardoor minder.

B.4.5 Ingroei De bestuurders in de BC hebben de voorkeur uitgesproken om de nieuwe verdeelsleutel in een periode van vier jaar stapsgewijs in te voeren. Het aandeel van de nieuwe financiering is 25% in 2022 en loopt elk jaar met 25% op. In 2025 is de nieuwe systematiek volledig ingevoerd. De nieuwe systematiek voor de Wsw zou moeten gaan gelden vanaf 2021. De meerjarige gevolgen voor de herverdeeleffecten laten we zien in de volgende grafiek.

In 2021 wordt de nieuwe bijdragesystematiek voor de Wsw volledig geïntroduceerd. Dat betekent dat De bijdragen voor Buren en Neder-Betuwe omlaag gaan en de bijdragen voor de andere gemeenten omhoog. In 2022 wordt de nieuwe systematiek voor de Participatiewet voor 25% geïntroduceerd. Elk jaar komt daar 25% bij. In 2025 zien we de structurele herverdeeleffecten, zoals we reeds hiervoor berekenden.

42

62870 (definitieve versie) – Openbaar

Berenschot is een onafhankelijk organisatieadviesbureau met 350 medewerkers wereldwijd. Al 80 jaar verrassen wij onze opdrachtgevers in de publieke sector en het bedrijfsleven met slimme en nieuwe inzichten. We verwerven ze en maken ze toepasbaar. Dit door innovatie te koppelen aan creativiteit. Steeds opnieuw. Klanten kiezen voor Berenschot omdat onze adviezen hen op een voorsprong zetten. Ons bureau zit vol inspirerende en eigenwijze individuen die allen dezelfde passie delen: organiseren. Ingewikkelde vraagstukken omzetten in werkbare constructies. Door ons brede werkterrein en onze brede expertise kunnen opdrachtgevers ons inschakelen voor uiteenlopende opdrachten. En zijn we in staat om met multidisciplinaire teams alle aspecten van een vraagstuk aan te pakken. Berenschot B.V. Europalaan 40, 3526 KS Utrecht Postbus 8039, 3503 RA Utrecht 030 2 916 916 www.berenschot.nl /Berenschot

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9708399/1