Bijlage 2 Bijlagenboek
Tekst van het document
8
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179271 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Soorten uitgesplitst naar beschermingsregels Vogelrichtlijn Huismus - Passer domesticus - Kansenkaart versienummer
29-11-2022
Habitatrichtlijn Boombewonende vleermuizen - Boombewonende vleermuizen - Kansenkaart versienummer 24-03-2023 Gebouwbewonende vleermuizen - Gebouwbewonende vleermuizen - Kansenkaart versienummer 24-03-2023 Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus - Kansenkaart versienummer 08-08-2024 Kamsalamander - Triturus cristatus - Kansenkaart versienummer 01-12-2022 Ruige dwergvleermuis - Pipistrellus nathusii - Kansenkaart versienummer 08-08-2024 Teunisbloempijlstaart - Proserpinus proserpina - Kansenkaart versienummer 02-12-2022 Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten Bruine kikker - Rana temporaria - Kansenkaart versienummer 28-11-2022 Bunzing - Mustela putorius - Kansenkaart versienummer 29-11-2022 Gewone pad - Bufo bufo - Kansenkaart versienummer 28-11-2022 Kleine watersalamander - Lissotriton vulgaris - Kansenkaart versienummer 28-11-2022 9
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179271 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Konijn - Oryctolagus cuniculus - Kansenkaart versienummer Veldmuis - Microtus arvalis - Kansenkaart versienummer
28-11-2022
29-11-2022
10
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Op 14-01-2025 heeft u de Beschermde SoortenIndicator (BeSI) geraadpleegd. Dit rapport geeft u inzicht in mogelijk nadelige effecten van uw werkzaamheid op beschermde plant- en diersoorten op de door u aangegeven locatie.
Werkzaamheid De werkzaamheid die u heeft aangegeven uit te willen voeren is: Bouwwerk of deel van een bouwwerk slopen, of asbest verwijderen
Locatie De locatie waar u deze werkzaamheid uit wil voeren, heeft u als volgt aangegeven:
Locatie : 146,369.79 /417,816.02
Oppervlakte : 2332
m2
De beschermde plant- en diersoorten die mogelijk nadelige effecten ondervinden van de uit te voeren werkzaamheid op de door u aangegeven locatie worden hieronder beschreven, inclusief een advies over hoe u met de soort rekening kunt houden. Bij iedere soort wordt vermeld of het een 1) vogel, 2) een zoogdier, 3) een andere diersoort dan vogel of zoogdier of 4) een plant is. Het BeSI-rapport heeft een signalerende functie. Informatie over de mogelijke vergunningsplicht van uw werkzaamheid krijgt u door de Vergunningcheck te doen. Dit rapport kunt u daarbij gebruiken om de vragen over natuur te beantwoorden. In de bijlage van het rapport worden de genoemde soorten uitgesplitst naar beschermingsregels. 1
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Antwoorden op vragen uit de Vergunningcheck Welke beschermde dieren en/of planten kunnen aanwezig zijn op de locatie van uw werkzaamheid? Vogels
Ja
Zoogdieren
Ja
Andere diersoorten dan vogels of zoogdieren
Ja
Planten
Nee
Zie de volgende pagina's voor meer informatie over de leefgebieden van deze wettelijk beschermde dieren en planten en een advies over hoe u met deze soorten rekening kunt houden.
Vogels Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het nest het hele jaar beschermd is?
Ja
Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het nest alleen tijdens het broedseizoen beschermd is?
Ja
Lees altijd de adviezen van de mogelijk aanwezige vogelsoorten. Sommige provincies hebben voor bepaalde soorten uitzonderingen.
Zoogdieren Kies alle zoogdieren die aanwezig kunnen zijn op de locatie van uw werkzaamheid. Vleermuizen
Ja
Eekhoorns
Nee
Steenmarters
Ja
Andere marterachtige dan steenmarters
Nee
Andere zoogdieren
Ja
2
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Soorten en adviezen Vogels Gierzwaluw Beschrijving leefgebied: De gierzwaluw leeft en broedt vooral in gebouwen en vangt zijn voedsel in de lucht. Het voedsel bestaat uit kleine insecten. De gierzwaluw broedt in spouwmuren, onder dakpannen, in spleten in muren, nestkasten/-stenen, zelden in boomholen. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de gierzwaluw is dat van eind april (soms half april) tot eind augustus (soms half september). De gierzwaluw broedt meestal in groepen variërend van tientallen nesten in één gebouw tot nesten verspreid in een complete woonwijk. De gierzwaluw is zeer honkvast en keert elk jaar terug naar dezelfde locatie. Daarom zijn de nesten jaarrond beschermd. Haal nesten van de gierzwaluw nooit weg. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12. Huismus Beschrijving leefgebied: De huismus komt meestal voor in de buurt van mensen en leeft dan vooral in struiken, het liefst met stekels die het hele jaar groen blijven, loofbomen en klimplanten. De huismus broedt in gebouwen, bijvoorbeeld onder dakpannen, en soms in klimop. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn.
Voor de huismus is dat van maart tot half augustus (soms tot eind september). De huismus is zeer honkvast en is het hele jaar rondom het nest aanwezig. Daarom zijn de nesten jaarrond beschermd. Haal nesten nooit weg. Houd daarnaast bij werkzaamheden rekening met het behoud van het leefgebied van de huismus. Bijvoorbeeld door struiken of klimplanten rondom de nesten te laten staan. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12.
3
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Kauw Beschrijving leefgebied: De kauw leeft vooral in een bebouwde omgeving. Ook in de kauw te vinden op akkers en kleinschalige weides en in kleinere bossen. Kauwen broeden vooral in gebouwen (schoorstenen), maar ook in holle bomen en zelfs in konijnenholen. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de kauw is dat van half maart tot begin juli. Dan zijn nesten beschermd. Spreeuw Beschrijving leefgebied: De spreeuw leeft in allerlei gebieden, meestal in de buurt van bebouwing en graslanden, soms in bossen en dan vooral aan de (bos)randen. De spreeuw broedt onder andere in holtes van bomen, in schoorstenen van gebouwen en in nestkasten. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de spreeuw is dat van half maart tot begin juli (soms tweede helft juli). Nesten zijn jaarrrond beschermd, tenzij in de omgeving voldoende geschikte plekken zijn om een nieuw nest te bouwen. Om dat vast te stellen is vaak vooraf extra onderzoek nodig. Kijk voor de regels over jaarrond beschermde nesten in de Omgevingsverordening van de provincie. In Limburg geldt een uitzondering, daar zijn nesten alleen in het broedseizoen beschermd.
Turkse tortel Beschrijving leefgebied: De Turkse tortel leeft en broedt vooral in tuinen, parken, steden en op boerenerven. Advies voor deze soort: Werk buiten het broedseizoen; de periode waarin het nest wordt gebouwd of waarin eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de Turkse tortel is dat van half februari (soms begin februari) tot eind november. Dan zijn nesten beschermd.
4
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Zoogdieren Boombewonende vleermuizen Beschrijving leefgebied: Boombewonende vleermuizen leven in bossen, bosranden, lanen en parken. Ze verblijven daar in boomholtes, in scheuren in bomen en ruimten achter bast. Voorbeelden zijn de rosse vleermuis en de watervleermuis. Advies voor deze soort: De holtes en spleten waar boombewonende vleermuizen in leven zijn beschermd. Laat daarom in het leefgebied van boombewonende vleermuizen bomen staan. Hetzelfde geldt voor bossen, bosranden, lanen en parken omdat ze dienen als vliegroute en jachtterrein. Voorkom daarnaast het verlichten van de bomen en het leefgebied. Raadpleeg voor meer informatie over de rosse vleermuis en de watervleermuis de kennisdocumenten op de website van BIJ12. Gebouwbewonende vleermuizen Beschrijving leefgebied: Gebouwbewonende vleermuizen leven in alle typen landschappen. Deze vleermuizen verblijven in gebouwen, onder andere achter betimmering en daklijsten, in spouwmuren, of onder dakpannen. Advies voor deze soort: Spleten en openingen in gebouwen waarin vleermuizen leven, zijn beschermd. Voorkom het verlichten van gevels waarin vliegopeningen zitten en het dichtmaken van invliegopeningen en holle ruimtes in muren en daken. Behoud bomenrijen, bosjes en water omdat ze dienen als vliegroute en jachtterrein.
Voor meer info over de gewone en de ruige dwergvleermuis of de gewone grootoorvleermuis: zie de kennisdocumenten op de website van BIJ12 en eventueel verderop in dit rapport. Let op! Dit sluit het voorkomen van andere vleermuissoorten niet uit. Check daarnaast ook altijd natuurvriendelijkisoleren.nl. Gewone dwergvleermuis Soort Leefgebied: kraamverblijfplaats in gebouw Beschrijving leefgebied: De gewone dwergvleermuis komt in de zomer in tuinen, parken en bossen voor. Overdag verblijven ze in gebouwen, vaak achter betimmering en daklijsten, in spouwmuren of onder dakpannen. Advies voor deze soort: Dit gebouw kan door de gewone dwergvleermuis worden gebruikt als kraamverblijfplaats. Behoud open water, bomenrijen en bosschages en voorkom verlichting in het leefgebied. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12. Let op! Het gebouw kan door de gewone dwergvleermuis ook voor andere functies dan kraamverblijfplaats worden gebruikt. Bovendien is niet uitgesloten dat er ook andere vleermuissoorten voorkomen in dit gebouw. 5
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Huisspitsmuis Beschrijving leefgebied: De huisspitsmuis leeft in allerlei soorten gebieden. Voorwaarde is dat de bodem bedekt is met planten. Advies voor deze soort: In alle provincies geldt voor de huisspitsmuis het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Niettemin geldt de zorgplicht. Houd bij werkzaamheden rekening met het behoud van het leefgebied van de huisspitsmuis, bijvoorbeeld door te zorgen voor ruig terrein met veel kruiden. Ruige dwergvleermuis Soort Leefgebied: paarverblijfplaats in gebouw Beschrijving leefgebied: De ruige dwergvleermuis kan overal voorkomen. Overdag verblijft de ruige dwergvleermuis in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ook komen ze voor in spleten en gaten in bomen. Advies voor deze soort: Dit gebouw kan door de ruige dwergvleermuis worden gebruikt als paarverblijfplaats. Behoud openingen in gebouwen en voorkom verlichting van het leefgebied. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12. Let op! Het gebouw kan door de ruige dwergvleermuis ook voor andere functies dan paarverblijfplaats worden gebruikt. Bovendien is niet uitgesloten dat er ook andere vleermuissoorten voorkomen in dit gebouw.
Steenmarter Beschrijving leefgebied: De steenmarter leeft in Nederland op verschillende soorten plekken, maar is vooral te vinden in de buurt van dorpen, boerderijen en (zelfs in) grote steden. De steenmarter is vooral ’s nachts actief. Advies voor deze soort: Vermijd werkzaamheden in de kwetsbare periode. Voor de steenmarter is dit de periode dat de jongen worden geboren en bij de moeder blijven. Deze periode loopt van maart tot en met juli. In Friesland geldt voor de steenmarter het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In Limburg geldt van 15 augustus tot en met eind februari een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstelling geldt niet voor het doden van steenmarters. Kijk voor meer informatie in de Omgevingsverordening van de provincie.
6
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Andere diersoorten dan vogels of zoogdieren Bruine kikker Beschrijving leefgebied: De bruine kikker is een amfibie en leeft o.a. in sloten, poelen, vennen en tuin- en stadsvijvers. De soort leeft zowel in het water maar vaker nog op het land. De bruine kikker heeft een voorkeur voor water waar weinig of geen vis zit. Advies voor deze soort: In alle provincies geldt het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Niettemin geldt de zorgplicht; zorg daarom voor kleine oppervlaktewateren met weinig of geen vis zodat de larven van de bruine kikker niet worden opgegeten. Een deel van de dieren verblijft ook na de voortplanting in of bij het water. Laat daarom, ook in het kader van de zorgplicht, bij baggeren verwijderde modder en planten 24 uur op de oevers liggen zodat de bruine kikkers eruit kunnen kruipen. Gewone pad Beschrijving leefgebied: De gewone pad is een amfibie en plant zich voort in poelen, vijvers, vennen, sloten en weteringen en zwak stromende beken. De gewone pad leeft buiten de voortplantingstijd (maart) vooral op het land. Advies voor deze soort: In alle provincies geldt het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Niettemin geldt de zorgplicht; zorg daarom voor poelen, vijvers en sloten waarin de gewone pad zich kan voortplanten.
Voorkom sterfte op wegen door in de paartijd, als de padden trekken, schermen te plaatsen en/of wegen tijdelijk af te sluiten. Kamsalamander Beschrijving leefgebied: De kamsalamander is een amfibie en leeft in en rond poelen met een goede waterkwaliteit. Vaak zijn er veel oever- en waterplanten aanwezig. Overdag zie je de kamsalamander zelden, dan schuilen ze tussen de planten op de oever of in het water. Advies voor deze soort: Vermijd werkzaamheden in het water in de voortplantingsperiode en werkzaamheden op het land buiten deze periode. Voor de kamsalamander betekent dit dat werkzaamheden in het water waarschijnlijk het beste kunnen worden uitgevoerd in de periode tussen oktober en januari en werkzaamheden op het land het beste tussen april en juli. Raadpleeg voor meer informatie het kennisdocument over deze soort op de website van BIJ12.
7
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Kleine watersalamander Beschrijving leefgebied: De kleine watersalamander is een amfibie en leeft in poelen, vennen, sloten, en tuin- en stadsvijvers. De kleine watersalamander overwintert in vorstvrije en ruimten zoals muizenholen, tussen boomwortels en in spleten in muren of hout. Advies voor deze soort: In alle provincies geldt het hele jaar een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Niettemin geldt de zorgplicht; zorg voor water en oevers met veel planten om te kunnen schuilen en stenen en houtstronken om onder te overwinteren. Kleine watersalamanders verblijven vanaf maart tot in de zomermaanden in het water. Laat daarom, ook in het kader van de zorgplicht, bij baggeren de verwijderde modder en planten 24 uur op de oevers liggen zodat de kleine salamanders eruit kunnen kruipen. Teunisbloempijlstaart Beschrijving leefgebied: De teunisbloempijlstaart is een vlinder en leeft op allerlei soorten bloemen. De rups leeft op voedselrijke natte plekken maar ook op verstoorde zandige plekken met teunisbloemen en harig wilgenroosjes. Advies voor deze soort: Laat teunisbloemen en harig wilgenroosje in de periode juni - september staan of controleer ze op de aanwezigheid van rupsen van de teunisbloempijlstaart.
8
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Hoe BeSI is gerealiseerd wordt beschreven in de onderstaande twee documenten: 1. Kwaliteitsborging Beschermde SoortenIndicator 2. Toelichting kansenkaarten beschermde soorten Bekijk deze documenten.
Disclaimer: In de Omgevingswet is vastgelegd dat iedere Nederlander zorgdraagt voor levende dieren en planten en hun directe omgeving. Dit noemen we de zorgplicht voor natuur. De Beschermde SoortenIndicator (BeSI) helpt u om aan deze zorgplicht te voldoen. In principe houdt BeSI rekening met alle Vogelrichtlijn-, Habitatrichtlijn- en andere wettelijk beschermde soorten. Ook wordt rekening gehouden met Rode-lijst soorten met een status ‘Bedreigd’ of ‘Ernstig bedreigd’. De voorwaarde die hierbij altijd geldt, is dat het mogelijk moet zijn om te berekenen hoe groot de kans is dat een soort voorkomt (kansenkaart). BeSI houdt alleen rekening met beschermde en bedreigde planten en dieren. Mogelijk gelden er ook andere natuurbeschermingsregels. Indien u daar meer informatie over wilt, kijk dan op https://iplo.nl/thema/natuur/ Het BeSI-rapport heeft alleen een signalerende functie van de mogelijk nadelige effecten van uw werkzaamheid op beschermde en bedreigde planten en dieren op de door u aangegeven locatie. Het BeSI-rapport is dus geen bindend advies. Het BeSI-rapport geeft geen informatie over een mogelijke vergunningsplicht van uw werkzaamheid. Het geeft ook geen enkel oordeel over de inhoud of status van een vergunningsplichtig voorgenomen werkzaamheid. Raadpleeg hiervoor de vergunningcheck uit het Omgevingsloket.
Het BeSI-rapport wordt gemaakt op basis van de huidige beschikbare informatie over beschermde en bedreigde planten en dieren. Als u later dan drie maanden na het maken van het BeSI-rapport start met uw werkzaamheid, dan wordt geadviseerd een nieuw actueel rapport te maken. Bewaar het door u gemaakte BeSI-rapport goed. Het kan zijn dat ernaar wordt gevraagd, bijvoorbeeld door de gemeente waar u de werkzaamheid uitvoert.
9
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI)
Soorten uitgesplitst naar beschermingsregels Vogelrichtlijn Gierzwaluw - Apus apus - Kansenkaart versienummer
28-11-2022
Huismus - Passer domesticus - Kansenkaart versienummer
29-11-2022
Kauw -
Corvus monedula Kansenkaart versienummer
29-11-2022
Spreeuw - Sturnus vulgaris - Kansenkaart versienummer
28-11-2022
Turkse tortel - Streptopelia decaocto - Kansenkaart versienummer
28-11-2022
Habitatrichtlijn Boombewonende vleermuizen - Boombewonende vleermuizen - Kansenkaart versienummer 24-03-2023 Gebouwbewonende vleermuizen - Gebouwbewonende vleermuizen - Kansenkaart versienummer 24-03-2023 Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus - Kansenkaart versienummer 08-08-2024 Kamsalamander - Triturus cristatus - Kansenkaart versienummer 01-12-2022 Ruige dwergvleermuis - Pipistrellus nathusii - Kansenkaart versienummer 08-08-2024 10
Aanvraagdatum : 14-01-2025 Rapportnummer : 179267 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Teunisbloempijlstaart - Proserpinus proserpina - Kansenkaart versienummer
02-12-2022
Overige wettelijk beschermde of rode lijst soorten Bruine kikker - Rana temporaria - Kansenkaart versienummer 28-11-2022 Gewone pad - Bufo bufo - Kansenkaart versienummer 28-11-2022 Huisspitsmuis - Crocidura russula - Kansenkaart versienummer 28-11-2022 Kleine watersalamander - Lissotriton vulgaris - Kansenkaart versienummer 28-11-2022 Steenmarter - Martes foina - Kansenkaart versienummer 30-11-2022
11
Bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Koningin Wilhelminastraat 49 te Hedel Hoofdstuk 22g
Bijlage 2 Bodemrapport
Status: vastgesteld
72
RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken Koningin Wilhelminastraat 49‐51 te Hedel
PROJECTNUMMER: B21.8413 Versie: 02
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. De Tweede Geerden 21 5334 LH Velddriel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel
PROJECTNUMMER: B21.8413 Versie: 02
OPDRACHTGEVER: De heer D. Quik
DATUM: 16 mei 2022
Auteur:
Autorisatie:
M. Schimmel MSc. Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B21.8413/R8413-02/MS
De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2 SAMENVATTING De heer D. Quik heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse verkennende en aanvullende (bodem)onderzoeken ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel. Voorafgaand is een historisch onderzoek uitgevoerd conform de norm NEN 5725:2017 met kenmerk B21.8413/HO+OFF-01/JHL, d.d. 31 januari 2022. De aanleiding voor de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen grondtransactie, bestemmingsplanwijziging, herontwikkeling van de locatie, de resultaten van het uitgevoerde historisch onderzoek en de resultaten uit de verkennende fase van de onderzoeken. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5740/A1:2016, NEN 5707:2015/C2:2017, de NEN 5897:2015/C2:2017, de CROW-publicatie 210 en afgeleid van de NTA 5755:2010. De diverse onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en (half)verhardingen (inclusief asbest, puin en asfalt) op de onderzoekslocatie vast te stellen, teneinde te bepalen of er bezwaren bestaan tegen de voorgenomen grondtransactie, bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling. Tevens wordt de eindsituatie vastgesteld. De aanvullende onderzoeken hebben als doel het vaststellen of sprake is van een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest en/of minerale olie. Verhoeven Milieutechniek B.V.
(certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Conclusies historisch onderzoek Reeds uitgevoerd historisch onderzoek en vervolgtraject Voorafgaand aan de diverse onderzoeken is een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de locatie conform de NEN 5725:2017 (Verhoeven Milieutechniek B.V., kenmerk: B21.8413/HO+OFF-01/JHL, d.d. 31 januari 2022). Op de onderzoekslocatie dient, in verband met de voorgenomen herontwikkeling een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 (verdachte strategie VED-HE-NL) te worden uitgevoerd. Daarbij vormen de (asfalt)verhardingen, puinlagen/-bijmengingen, voormalige bovengrondse dieseltank, nabij aanwezige boomgaarden en bestrijdingsmiddelenopslag aandachtspunten. Aangezien de locatie van de bestrijdingsmiddelenopslag onbekend is en in de omgeving boomgaarden aanwezig zijn (geweest), wordt geadviseerd om de teeltlaag op de gehele locatie op bestrijdingsmiddelen (OCB) te onderzoeken (verdachte strategie VED-HE-NL). Er dient daarnaast een verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 op de onderzoekslocatie in verband met de te verwachten puinlagen/-bijmengingen.
Verder zijn er geen overige gegevens van (kritische) bodembedreigende activiteiten bekend. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en proefgaten wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
3 Aanvullend historisch onderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, waar ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank in de ondergrond zintuiglijk olie is waargenomen en de grond analytisch licht verontreinigd is met minerale olie waarbij de norm voor nader onderzoek wordt benaderd, is aanvullend informatie ingewonnen bij (voorgaande) eigenaar. Deze heeft te kennen gegeven dat zich, voor zover bij hem bekend is, geen calamiteiten hebben voorgaande sinds 1995. Ook hebben zich zover als bekend in de periode 1987-1995 (tot aan de brand) zeker geen incidenten plaatsgevonden met brandstof gerelateerde producten. Wat zich in een verder verleden heeft afgespeeld kan niet met zekerheid worden gemeld. De oorzaak van het (zintuiglijk) voorkomen van olie in de grond is dan ook niet te achterhalen, maar deze ligt niet in de periode na 1987. Conclusies en aanbevelingen Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Verkennend onderzoek Voor het verkennend bodemonderzoek werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging, waarbij de (asfalt)verhardingen, puinlagen/-bijmengingen, voormalige bovengrondse dieseltank en (voormalige) boomgaarden met bestrijdingsmiddelenopslag aandachtspunten vormden.
Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gestelde hypothese formeel gezien aangenomen te worden, aangezien ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank licht verhoogd gehalte voor minerale olie is aangetoond die op de index van een 0,5 ligt in de boven- en ondergrond. De verhoogde gehalten voor minerale olie zijn mogelijk te relateren aan het gebruik van de voormalige bovengrondse tank (periode 1994-2016), waardoor Zorgplicht niet uitgesloten kan worden (verontreiniging ontstaan na 1987). De eindsituatie ter plaatse van de bovengrondse tank is ons inziens derhalve nog onvoldoende vastgesteld. Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit en de (oorspronkelijke) teeltlaag (overige NEN- en OCB-parameters) kan de gestelde hypothese worden verworpen aangezien in de onderzochte grond (inclusief teeltlaag) en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Deze aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn voor wat betreft de overige onderzoeken verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb.
Aanvullend onderzoek naar minerale olie Op basis van de resultaten van het aanvullend bodemonderzoek (inclusief aanvullende historische informatie van de eigenaar) kan niet worden bevestigd dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie, aangezien in geen van de onderzochte grondmonsters sterk verhoogde gehalten voor minerale olie zijn aangetoond. Tevens kan niet worden bevestigd dat op de locatie sprake is van een Zorgplicht, aangezien de aangetroffen licht verhoogde gehalten in zowel de boven- als de ondergrond heterogeen verspreid voorkomen vóór en onder de huidige bebouwing en niet duidelijk terug te herleiden zijn naar de voormalige bovengrondse tank. Met de aanvullende onderzoeksresultaten kan ons inziens geconcludeerd worden dat de eindsituatie ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank uiteindelijk in voldoende mate is vastgesteld. De voormalige bovengrondse tank heeft niet geleid tot een ernstige bodemverontreiniging. De aangetroffen licht verhoogde gehalten voor minerale olie en het zintuiglijk aantreffen van olie in de ondergrond hebben geen duidelijk aanwijsbare bron. Aangezien het terrein hier reeds sinds de jaren ’50 van voorgaande eeuw bebouwd en verhard is, wordt aangenomen dat de met olie verontreinigde grond historisch van aard is (ontstaan vóór 1987).
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
4 Aanvullend onderzoek naar PFAS Op basis van de resultaten voor de PFAS parameters in het onderzochte monster van de met asbest verontreinigde grond, voldoet de grond aan de functieklasse “wonen/industrie” uit het handelingskader. Verkennend en aanvullend onderzoek naar asbest Verkennend onderzoek Voor wat betreft asbest in de bodem en puinlagen is de hypothese gesteld van verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gestelde hypothese aangenomen te worden. In het mengmonster van de sporen baksteenhoudende kleiige bovengrond uit proefgaten B14 en B17 (MMASB04) is een gehalte van 503 mg/kg d.s. aan niet-hechtgebonden chrysotiel en amosiet asbest aangetoond. Uit aanvullende SEM-analyse is gebleken dat hiervan een gehalte van 67 mg/kg d.s. aan respirabele vezels (fractie < 0,5 mm) betreft, wat hiermee het criterium voor spoedeisendheid van (> 10 mg/kg d.s.) overschrijdt. Aangezien het gehalte voor respirabele vezels boven de risiconorm van 10 mg/kg d.s. is aangetoond, is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Hierdoor is sprake van spoed voor wat betreft het voorkomen van respirabele asbestvezels. Op basis hiervan dienen spoedig saneringsmaatregelen te worden genomen. Met spoedig wordt bedoeld binnen 4 jaar na het afgeven van een beschikking. Het totaal gewogen van circa 503 mg/kg d.s.
overschrijdt tevens de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s., waardoor reeds sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Aangezien sprake is van een onderzocht mengmonster is de locatie, exacte herkomst en omvang van de verontreiniging vooralsnog niet bekend. In de onderzochte mengmonsters van de overige grond en volledige puinlaag zijn geen noemenswaardige verontreinigingen met asbest aangetoond (max. 4,8 mg/kg d.s.). Aanvullend onderzoek Tijdens het aanvullend onderzoek is zowel zintuiglijk als analytisch een sterke verontreiniging aangetoond met asbest in de grond (tot 1,0 m-mv) ter plaats van proefgaten B14/AB101 en AB102. In de onderzochte bovengrond uit de overige proefgaten blijven de totaal gewogen gehalten beneden de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. Op basis hiervan is er enkel sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in de strook ten noordwesten van de schuur met voormalige asbesthoudende dakbedekking, veroorzaakt door niet-hechtgebonden asbest in fijne (< 20 mm) en respirabele (< 0,5 mm) fractie door afspoeling van de schuur met voormalige asbesthoudende dakbedekking, vermoedelijk zonder dakgoot. In de verontreiniging is ons inziens zowel verticaal als horizontaal in voldoende mate in beeld.
Aangezien de schuur al sinds 1995 geen asbesthoudend dak heeft, wordt ervanuit gegaan dat de verontreiniging met asbest hiervoor is ontstaan (vanaf 1955). Aangezien op basis van voorliggend verkennend en aanvullend onderzoek naar asbest de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. wordt overschreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest volgens de Wbb en is er in de voormalige afwateringzone aan noordzijde van de schuur sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Hierdoor is sprake van spoed voor wat betreft het voorkomen van respirabele asbestvezels. Op basis hiervan dienen spoedig saneringsmaatregelen te worden genomen. Met spoedig wordt bedoeld binnen 4 jaar na het afgeven van een beschikking. De verontreiniging met asbest(vezels) bevindt zich binnen een oppervlakte van maximaal 40 m2 tot een diepte van maximaal 1,0 m-mv. Op basis hiervan wordt de totale omvang van de sterke verontreinigingen met asbest en respirabele vezels geschat op circa 40 m3 grond.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
5 Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (verhardingen) op het maaiveld. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Asfaltonderzoek Het asfalt ter plaatse is opgebouwd uit drie lagen (OB, DAB en GAB). Op basis van de resultaten van de PAK marker en aanvullende PAK-analyse is voor de asfaltverharding vastgesteld dat de toplaag (tot 22 mm, rekening houdend met een freesnauwkeurigheid van 20 mm) teerhoudend is en derhalve niet geschikt voor hergebruik. De onderliggende lagen (DAG en GAB) zijn niet teerhoudend en geschikt voor koud hergebruik. Indicatief herbruikbaarheidsonderzoek Op basis van de analyseresultaten kan worden gesteld dat er indicatief geen overschrijdingen zijn van de maximale samenstellings- of emissiewaarden in uitloogmonster MMUITLOOG01. De puinfundering op de onderzoekslocatie voldoet derhalve indicatief aan de kwaliteit van een nietvormgegeven bouwstof.
Algehele conclusies en aanbevelingen Middels de voorliggende onderzoeken is een indicatie verkregen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en (half)verhardingen ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan vooralsnog bezwaren bestaan tegen de voorgenomen grondtransactie, bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling in verband met de aangetroffen ernstige asbestverontreiniging. De eindsituatie ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank is ons inziens uiteindelijk wel in voldoende mate onderzocht. Voor de onderzochte NEN/OCB parameters in de grond en/of in het grondwater zijn middels het verkennend en aanvullend bodemonderzoek geen ernstige verontreinigingen aangetoond die aanleiding geven tot vervolg. Op basis van de resultaten van het verkennend en aanvullend asbestonderzoek is aangetoond dat sprake is van een spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest, veroorzaakt door de afwatering van de voormalige asbestverdachte dakbedekking (verwijderd in 1995) op het maaiveld en onderliggende grond in de afwateringzone aan de noordzijde van de loods. In verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling dient hier rekening gehouden te worden met sanerende maatregelen.
De totale omvang van de sterke verontreinigingen met asbest en respirabele vezels wordt geschat op circa 40 m3 grond. De verontreinigingscontour is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Aanbevolen wordt om de grondverontreiniging met asbest(vezels) in de grond (spoedeisend) zo spoedig mogelijk te saneren. Op basis van het aanvullend onderzoek naar PFAS kan reeds een geschikte verwerkingslocatie voor de met asbestvezels verontreinigde grond worden geselecteerd.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
6 Alle sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. Voor de werkzaamheden dient een V&G-plan te worden opgesteld in verband met de aangetoonde gehalten voor asbest. Op basis van de CROW is bij de graafwerkzaamheden in de met asbest verontreinigde grond sprake van de veiligheidsklasse ‘Zwart niet vluchtig’. Voorafgaand dient een BUS-melding/saneringsplan opgesteld en ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Geadviseerd wordt de verontreiniging met asbest in zijn geheel te verwijderen middels ontgraving om de locatie geschikt te maken voor de beoogde gebruiksfunctie. Mocht de herontwikkeling niet doorgaan, dan is de asbestverontreiniging, met respirabele asbestvezels in de actuele contactlaag, nog steeds spoedeisend en blijft sanering noodzakelijk. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft enkel een adviserende rol. Het bevoegd gezag dient uiteindelijk een definitieve uitspraak te doen over eventueel te nemen vervolgstappen.
Voor wat betreft de overige onderzochte grond (NEN, OCB en PFAS), grondwater (NEN) en asbest in grond- en puin-, asfalt-, en uitloogmonsters is op basis van voorliggend onderzoek de milieuhygiënische kwaliteit in voldoende mate onderzocht en bestaan geen verdere belemmeringen tegen de voorgenomen grondtransactie, bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling. Wel dient bij eventuele ontgraving van de licht met minerale olie verontreinigde ondergrond (op circa 2,0-2,5 m-mv) ter plaatse van boring PB10/B201, rekening gehouden te worden met de veiligheidsklasse ‘oranje vluchtig’ conform de CROW. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat, buiten de bekende verontreinigingen, rekening moet worden gehouden met de overige resultaten van voorliggende en voorgaande onderzoeken en dienen bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders altijd de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit te worden gevolgd. Tevens wordt geadviseerd om, na eventuele verwijdering van de aanwezige verhardingen en vegetatie, nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
7 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .................................................................................................................................................. 8
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 8
3.
LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 8 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 8 3.2. RESULTATEN HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725:2017) ....................................................................... 8
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE......................................................................................... 10 4.1. BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 10 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 10
5.
HYPOTHESE ............................................................................................................................................. 10
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 11 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................ 11 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 13
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 16 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 16 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 17 7.3. ASFALT ...................................................................................................................................................... 18
8.
RESULTATEN ........................................................................................................................................... 19 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 19 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 20 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 27
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 31 9.1. VERKENNEND EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK .............................................................................. 31 9.2. VERKENNEND EN AANVULLEND ONDERZOEK NAAR ASBEST ................................................................... 32 9.3. ASFALTONDERZOEK ................................................................................................................................. 33 9.4. INDICATIEF HERBRUIKBAARHEIDSONDERZOEK ...................................................................................... 33 9.5. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 33
10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 35 BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, proefgaten en peilbuizen en verontreinigingscontour asbest Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest, asfalt en uitloging Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Indicatieve toetsingen Bbk en PFAS Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest (incl. foto’s) Berekening asbest CROW toetsing Relevante gegevens historisch onderzoek
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
8 1.
INLEIDING De heer D. Quik heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse verkennende en aanvullende (bodem)onderzoeken ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel. Voorafgaand is een historisch onderzoek uitgevoerd conform de norm NEN 5725:2017 [1] met kenmerk B21.8413/HO+OFF-01/JHL, d.d. 31 januari 2022. De aanleiding voor de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen grondtransactie, bestemmingsplanwijziging, herontwikkeling van de locatie, de resultaten van het uitgevoerde historisch onderzoek en de resultaten uit de verkennende fase van de onderzoeken. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5740/A1:2016 [2], NEN 5707:2015/C2:2017 [3], de NEN 5897:2015/C2:2017 [4], de CROW-publicatie 210 [5] en afgeleid van de NTA 5755:2010 [6]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren J.P.G. Boerakker, M. Schimmel MSc. en ing. H.M.W. van der Donk.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De diverse onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en (half)verhardingen (inclusief asbest, puin en asfalt) op de onderzoekslocatie vast te stellen, teneinde te bepalen of er bezwaren bestaan tegen de voorgenomen grondtransactie, bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling. Tevens wordt de eindsituatie vastgesteld. De aanvullende onderzoeken hebben als doel het vaststellen of sprake is van een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest en/of minerale olie.
3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
De onderzoekslocatie betreft een voormalige groothandel in voedingsmiddelen voor de agrarische sector (J. Hoeflake B.V.). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Hedel, sectie H, nummers 695 en 2620. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn een bedrijfswoning met siertuin en diverse opstallen aanwezig. De locatie is grotendeels verhard met asfalt, stelconplaten en/of klinkers. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 3.035 m2. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.
Resultaten historisch onderzoek (NEN 5725:2017)
Voorafgaand aan de diverse onderzoeken is een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de locatie conform de NEN 5725:2017 (Verhoeven Milieutechniek B.V., kenmerk: B21.8413/HO+OFF-01/JHL, d.d. 31 januari 2022). Hieronder staan de conclusies van het historisch onderzoek vermeld. Voor het complete onderzoek wordt verwezen naar de genoemde rapportage. Voor de volledigheid zijn de relevante gegevens opgenomen in bijlage 10.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
9 Conclusies historisch onderzoek en vervolgtraject Uit het historisch onderzoek blijkt het volgende: Op de onderzoekslocatie was voormalige groothandel in voedingsmiddelen voor de agrarische sector (J. Hoeflake B.V.) gevestigd. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning met siertuin en diverse opstallen aanwezig; De locatie is grotendeels verhard met asfalt, stelconplaten en/of klinkers; Ter plaatse is sprake van een voormalige bovengrondse dieseltank (600 liter, gesaneerd onder KIWA-certificaat in 2016) en een voormalige bestrijdingsmiddelenopslag (locatie onbekend); Op de locatie is in het verleden een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd als gevolg van een brand en realisatie van een nieuwe loods. Uit de resultaten bleek destijds dat de brand geen verontreiniging had veroorzaakt en er geen belemmeringen voor de nieuwbouw waren; Op basis van historisch kaartmateriaal is geen sprake van voormalige/gedempte watergangen; Aan de overzijde van de Koningin Wilhelminastraat is sprake van boomgaarden (jaren 70 – heden), waarbij mogelijk OCB zijn toepast en rekening dient te worden gehouden met verwaaiing; De huidige bebouwing op de onderzoekslocatie is vanaf de jaren 50 gerealiseerd. De dakbedekking op de loodsen en een deel van de bedrijfsgebouwen is asbesthoudend (voorzien van dakgoten, druppelzone is verhard).
De gemetselde bedrijfsgebouwen aan de voorzijde zijn voorzien van dakpannen. Omstreeks 1995 heeft brand plaatsgevonden in een deel van de loods aan de achterzijde. De betreffende loods is herbouwd, waarbij het dak is vervangen door stalen profielplaten. Ter plaatse van de terreinverharding is mogelijk sprake van een asbestverdachte puinfundatie; Naar verwachting wordt er tijdens de voorgenomen herontwikkeling geen grond van de onderzoekslocatie afgevoerd. Op de onderzoekslocatie dient, in verband met de voorgenomen herontwikkeling een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 (verdachte strategie VED-HE-NL) te worden uitgevoerd. Daarbij vormen de (asfalt)verhardingen, puinlagen/-bijmengingen, voormalige bovengrondse dieseltank, nabij aanwezige boomgaarden en bestrijdingsmiddelenopslag aandachtspunten. Aangezien de locatie van de bestrijdingsmiddelenopslag onbekend is en in de omgeving boomgaarden aanwezig zijn (geweest), wordt geadviseerd om de teeltlaag op de gehele locatie op bestrijdingsmiddelen (OCB) te onderzoeken (verdachte strategie VED-HE-NL). Er dient daarnaast een verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 op de onderzoekslocatie in verband met de te verwachten puinlagen/-bijmengingen. Verder zijn er geen overige gegevens van (kritische) bodembedreigende activiteiten bekend.
Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en proefgaten wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten. Aanvullend historisch onderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, waar ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank in de ondergrond zintuiglijk olie is waargenomen en de grond analytisch licht verontreinigd is met minerale olie waarbij de norm voor nader onderzoek wordt benaderd, is aanvullend informatie ingewonnen bij (voorgaande) eigenaar. Deze heeft te kennen gegeven dat zich, voor zover bij hem bekend is, geen calamiteiten hebben voorgaande sinds 1995. Ook hebben zich zover als bekend in de periode 1987-1995 (tot aan de brand) zeker geen incidenten plaatsgevonden met brandstof gerelateerde producten. Wat zich in een verder verleden heeft afgespeeld kan niet met zekerheid worden gemeld. De oorzaak van het (zintuiglijk) voorkomen van olie in de grond is dan ook niet te achterhalen, maar deze ligt niet in de periode na 1987.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
10 4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale geologie en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.
Bodemopbouw
Op basis van het Dinoloket is ter plaatse van de onderzoekslocatie een circa 5,5 meter dikke slecht doorlatende deklaag aanwezig die is opgebouwd uit Holocene afzettingen. Dit is een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het onderliggende eerste watervoerend pakket is circa 52 meter dik en bestaat uit fijn tot midden zand van de Formaties van Kreftenheye en Sterksel. Hieronder bevindt zich een circa 2 meter dikke scheidende laag die is opgebouwd uit zandige klei, klei en midden zand behorend tot de Formatie van Stramproy. Hieronder bevindt zich het tweede watervoerend pakket tot circa 69 m-mv. 4.2.
Geohydrologie
De geohydrologie ter plaatse wordt sterk beïnvloed door de nabijgelegen rivier de Maas, en in mindere mate de Waal. De afzettingen van de Maas onderscheiden zich van die van de Waal. De stroomruggronden in het sedimentatiegebied van de Maas zijn nagenoeg kalkarm. Deze stroomruggronden zijn over het algemeen te beschouwen als infiltratiegebieden. De standen van het grondwater en het oppervlaktewater worden in dit gebied kunstmatig beheerst. Langs de Maas is plaatselijk een nauwe relatie aanwezig tussen de standen van het rivierwater en het grondwater. Of kwel of inzijging optreedt, is sterk afhankelijk van de waterstand van de nabij gelegen Maas. De stroming van het regionale (ondiepe) grondwater is globaal zuid tot zuidwestelijk gericht. De stromingsrichting van het ondiepe grondwater kan verder worden beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. 5.
HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie wordt voor de algemene kwaliteit uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Hierbij vormen de (asfalt)verhardingen, puinlagen/-bijmengingen, voormalige bovengrondse dieseltank en (voormalige) boomgaarden in de omgeving en bestrijdingsmiddelenopslag aandachtspunten. Daarnaast wordt voor de asfaltverharding uitgegaan van teerhoudend asfalt. Voor het indicatief funderingsonderzoek is geen hypothese gesteld.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
11 6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK
6.1.
Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken
Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VEDHE-NL) voor een oppervlakte van maximaal 4.000 m2. Voor de onverdachte ondergrond wordt, conform de NEN 5740:2009/A1:2016 voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL), minimaal 1 analyse ingezet. De boringen worden zowel in- als uitpandig geplaatst en doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv in verband met de bebouwing, verhardingen en te verwachten puinbijmengingen. Voormalige bovengrondse tank Aanvullend wordt, ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 voor een locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingsbron (VEP, < 100 m2).
Teeltlaagonderzoek (inclusief onbekende locatie voormalige bestrijdingsmiddelenkast) In verband met het gebruik van de locatie als sierplanten en struikenkwekerij, de onbekende locatie van de voormalige bestrijdingsmiddelenkast en de aanwezigheid van voormalige boomgaarden in de directe omgeving, is voorgesteld om ter plaatse van de locatie een teeltlaagonderzoek uit te voeren conform de onderzoeksstrategie voor een diffuse nietlijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL, < 4.000 m2). De (oorspronkelijke) teeltlaag wordt separaat bemonsterd (0,0-0,3 m-mv) en geanalyseerd op OCB. Hierbij worden werkzaamheden gecombineerd met de algemene kwaliteit. Aanvullend bodemonderzoek naar minerale olie in de grond In verband met het zintuiglijk en analytisch aantreffen van minerale olie (boven de achtergrondwaarde, index op 0,5) in de grond ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank tijdens de verkennende fase (PB10), is in een tweede fase aanvullend onderzoek voorgesteld en uitgevoerd middels 9 afperkende boringen, afgeleid van de NTA 5755:2010. Op basis hiervan kan worden vastgesteld of het verhoogde gehalte met minerale olie plaatselijk aanwezig is ter plaatse van de voormalige tank, of dat sprake is van enige heterogeniteit zonder duidelijk aanwijsbare bron.
Aangezien in het grondwater geen verhoogd gehalte voor minerale olie is aangetoond boven de streefwaarde, wordt aangenomen dat de lichte olieverontreiniging is ‘ingekapseld’ in de kleigrond, waardoor verspreiding gering wordt geacht. Ten behoeve van het aanvullend onderzoek naar minerale olie in de grond wordt ter plaatse van boring PB10 uit het verkennend onderzoek, bij de voormalige bovengrondse tank, een diepere boring geplaatst ter verificatie en verticale afperking. Hieromheen worden, verspreid rondom boring PB10 in ringen, minimaal 8 boringen geplaatst ter horizontale afperking en/of verificatie heterogeniteit. Diverse grondmonsters worden geselecteerd voor analyses op minerale olie ter horizontale afperking en/of verificatie heterogeniteit.
Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
12 Aanvullend onderzoek naar PFAS In verband met de tussentijdse resultaten van het verkennend onderzoek naar asbest, waarbij een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest is aangetroffen ter plaatse van de druppelzone, is aanvullend een onderzoek naar PFAS geadviseerd. Hierbij wordt de bovengrond ter plaatse aangetroffen asbestverontreiniging onderzocht op PFAS (stoffenlijst Bodemplus). Het onderzoek naar PFAS zal worden uitgevoerd conform het handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (meest recente versie d.d. 13 december 2021). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. Verkennend onderzoek naar asbest Voor het verkennend onderzoek naar asbest wordt uitgegaan van de strategie voor een diffuus belaste verdachte locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging gehanteerd volgens de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 voor halfverhardingslagen (< 4.000 m2). Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest worden minimaal 14 proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarvan minimaal 2 proefgaten dieper worden doorgeboord tot in de onverdachte/ongeroerde ondergrond.
Hiervoor worden diverse beton-/asfaltboringen gerealiseerd met een diameter van 35 cm om te kunnen voldoen aan de normen. De overige proefgaten worden naast de beton-/asfaltverharding geplaatst. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Minimaal 3 mengmonsters van de meeste verdachte grond- en/of puinlagen worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm). Aanvullend onderzoek naar asbest In verband met de resultaten van het verkennend onderzoek naar asbest, is in een tweede fase, aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd om de verontreiniging met asbest in beeld te brengen. Het aanvullend onderzoek naar asbest is afgeleid van de NEN 5707/C2. Aangezien tijdens het verkennend onderzoek alle bebouwing was voorzien van dakgoten vindt geen afwatering meer plaats op het onverharde maaiveld en is tevens ook niet te achterhalen waar de verontreiniging exact is ontstaan. Geadviseerd is het aanvullend onderzoek naar asbest uit te voeren middels proefgaten om de verontreiniging ter plaatse van de proefgaten B14 en/of B17 te verifiëren en om de omvang van het mogelijk (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest vast te stellen.
Het aanvullend onderzoek wordt juist uitgevoerd middels proefgaten in plaats van proefsleuven aangezien ook sprake is van respirabele vezels en in verband met de beperkte toegang.
Het aanvullend onderzoek naar de aangetroffen verontreiniging met asbestvezels in de contactlaag wordt uitgevoerd conform/afgeleid van de NEN 5707/C2:2017, nader onderzoek naar asbest, onderzoeksstrategie ‘Vaststellen gemiddeld gehalte per RE’ en/of ‘Vaststellen omvang’. Op basis hiervan worden, ter verificatie, ter plaatse van proefgaten B14 en B17, nieuwe proefgaten (0,3 x 0,3 tot 0,5 m-mv) gegraven met in de actuele contactlaag (bovenste 10 cm) een afmeting van 1,0 x 1,0 m-mv. Voor de eventuele horizontale afperking worden, binnen de onderzoekslocatie, circa 7 extra proefgaten tot circa 0,5 m-mv. In eerste instantie wordt de toplaag (0,0-0,1 m-mv) uit proefgaten bij B14 en B17 separaat geanalyseerd op asbest (< 20 mm, inclusief SEM, < 0,5 mm). Op basis van de resultaten hiervan (uitsplitsing MMASB04 verkennend onderzoek) worden mogelijk aanvullende analyses uitgevoerd ter afperking van een eventuele ernstige asbestverontreiniging. Diverse (bodem)onderzoeken, Koningin Wilhelminastraat 49-51 te Hedel Rapportnr.: B21.8413 versie: 02 datum: 16 mei 2022
13 Asfaltonderzoek In verband met het bepalen van de verwerkingsmogelijkheden van de aanwezige asfaltverharding aan de voorzijde van het terrein, is geadviseerd tijdens het bodemonderzoek direct het asfalt te onderzoeken te laten onderzoeken conform CROW (publicatie 210). Voor de asfaltverharding wordt hierbij uitgegaan van één homogeen vak van maximaal 500 m2 aan asfaltverharding met een dikte van circa 15 cm, aangebracht voor 1995. Indicatief herbruikbaarheidsonderzoek In verband met de aanwezigheid van een puinfundering is indicatief herbruikbaarheidsonderzoek uitgevoerd. Voor het herbruikbaarheidsonderzoek is indicatief een uitlooganalyse opgenomen, waarbij vooralsnog uit wordt gegaan van één type puin. Het mengmonster wordt geanalyseerd op het uitloog- en samenstellingspakket bestaande uit: De metalen (antimoon (Sb), Arseen (As), barium (Ba), cadmium (Cd), chroom (Cr), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), seleen (Se), tin (Sn), vanadium (V), zink (Zn)), bromide, chloride, fluoride, sulfaat in het eluaat van het uitloogonderzoek Schudproef (L/S=10); Som-PCB; Som-PAK; Minerale olie (MO). Met het plaatsen van de boringen, proefgaten en peilbuizen is rekening gehouden met de bekende gegevens. 6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPRnormen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en, afgezien van een efficiënte maaiveldinspectie, protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schop, kernboor, ramguts en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is het opgeboorde en opgegraven materiaal zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). Tevens is gebruik gemaakt van een oliedetectiepan om de grond te beoordelen op het voorkomen van oliewaterreacties. In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data Bedrijf 1e fase (verkennende onderzoeken) 14 februari 2022 Verhoeven Milieutechniek B.V. 22 februari 2022 Verhoeven Milieutechniek B.V.