Bijlage 1c - Vooronderzoek milieu en omgeving
Tekst van het document
Maatregelcombinatie 1+4 1+3+4
Max. daling -7,26 cm -8,41 cm
Max. opstuwing +0,35 cm +0,36 cm
Daling bij Lith -6,25 cm -7,32 cm
Rivierbeheer Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het rivierbeheer op de Maas ten behoeve van de scheepvaart en doorstroming (hoogwaterveiligheid). Dit beheer bestaat uit vegetatiebeheer, sedimentbeheer en nautisch beheer. Veranderingen in landgebruik beïnvloeden het vegetatiebeheer. Het sedimentbeheer wordt beïnvloed door veranderingen in morfologische processen (aanzanding en uitschuring). Ten slotte kunnen rivierverruimende maatregelen nautisch beheer beïnvloeden door het creëren van dwarsstroming. Per maatregel(combinatie) zijn de effecten op het rivierbeheer weergegeven. Tabel 4-3: Effecten op rivierbeheer door rivierverruimende maatregelen
Maatregel(combinatie) 1. Damverlaging 2. Dijkverlegging 3. Weerdverlaging 4. Doorstroming Heerewaarden
Effect op vegetatiebeheer Niet Beperkte toename Beperkte toename Niet
Effect op sedimentbeheer Beperkte toename Beperkte toename Toename Beperkte tot grote toename*
Effect op nautisch beheer Beperkte toename Beperkte toename Beperkte toename Beperkte tot grote toename*
1+4
Niet
1+3+4
Beperkt
Beperkte tot grote toename* Toename tot grote toename*
Beperkte tot grote toename* Beperkte tot grote toename
*Afhankelijk van ontwerp inlaat maatregel 4 Met een goed ontwerp van de specifieke maatregelen vallen naar verwachting de negatieve effecten te verminderen tot een niveau waarop de maatregelen vergunbaar zijn. Bijdrage aan dijkversterking Lith-Bokhoven Het dijktraject Lith-Bokhoven voldoet niet aan de norm en dient te worden versterkt [3]. Waterstandsdaling kan helpen de versterking te vergemakkelijken door een verminderde hoogteopgave. Die verminderde hoogteopgave kan kosten besparen en helpen bij het draagvlak. Waterschap Aa en Maas start na de zomer met een analyse over de mogelijke bijdrage van de berekende waterstandsdaling aan de dijkversterking. Pas daarna kunnen zij concrete uitspraken doen over de mogelijke bijdrage. Bronnen [1] Rivierkundige systeembeschouwing Alem – Sint Andries (Bijlage C) [2] BARRO - Besluit algemene regels ruimtelijke ordening [3] Actuele veiligheidssituatie - Waterveiligheidsportaal
4.1.2
Waterveiligheid (stabiliteit waterkering, golfslag)
Vergravingen kunnen effecten hebben op de waterveiligheid, door invloed op de dijk, stabiliteit van de oevers en door golfslag bij open wateroppervlaktes. Naar deze aspecten is onderzoek gedaan. Deze paragraaf gaat in op de volgende vragen. Stabiliteit bodem en waterkering o Wat zijn de effecten van de ontzanding op de stabiliteit van de waterkering? o Wat is het effect van de ontzanding op de bodemstabiliteit? o Onder welke randvoorwaarden dient de ontzanding plaats te vinden om de bodemstabiliteit te garanderen? o Met welke maatregelen/werkwijze kunnen de effecten geminimaliseerd worden? o Wat zijn de effecten van de vergraving voor een getijdengeul op de stabiliteit van de waterkering? Is de maatregel vergunbaar? Zo nee, hoe is deze vergunbaar te maken? o Met welke maatregelen/werkwijze kunnen de effecten geminimaliseerd worden? o Wat zijn de effecten van de vergraving voor een haven op de stabiliteit van de waterkering? Is de maatregel vergunbaar? Zo nee, hoe is deze vergunbaar te maken? o Met welke maatregelen/werkwijze kunnen de effecten geminimaliseerd worden? Golfslag o Met welke maatregelen/werkwijze kunnen de effecten geminimaliseerd worden? Algemeen o Zijn er aanbevelingen om de uitgangspunten te verbeteren? Onderzoeksmethode en toetsingskader De berekeningen van de zandwinput en het effect op de waterkering zijn uitgevoerd conform de vigerende normen en richtlijnen
[1]: • CUR-aanbeveling 113: Oeverstabiliteit bij zandwinputten • WBI (Regeling veiligheid primaire waterkeringen) 2017 De golfhoogte is met de formule van Bretschneider te bepaald. Voor de zandwinput, haven en getijdegeul zijn de volgende aspecten beschouwd: • Macrostabiliteit (dijk) • Piping (dijk) • Bekleding van de dijk • Verwekings- en bresvloeiing (talud)
Conclusie Stabiliteit bodem en waterkering De ontgraving voor de grondstoffenwinning heeft geen invloed op stabiliteit van de waterkering. Een talud van 1:4 voor de put is stabiel. Er is een hoog risico op verwekingsvloeiing van het talud van de zandwinning. Dit risico is te verkleinen door verflauwing van de taludhelling, door uitvoeringsmaatregelen te treffen en door aanvullende onderzoeken uit te voeren. Er is een klein risico op bresvloeiing. Voor de getijdengeul wordt aanbevolen om een 1,5 m dikke kleiige deklaag aan te houden onder geul en aanvullende onderzoeken uit te voeren. Er is waarschijnlijk geen effect van de getijdengeul op de dijkstabiliteit. Er is een groot effect van de vergraving voor een haven op de stabiliteit van de waterkering, voornamelijk op piping. Het is vergunbaar te maken door een deklaag te garanderen op de havenbodem of door een pipingscherm aan te brengen. De meest effectieve maatregel om effecten te minimaliseren is door op voldoende afstand van de teen te graven. Uit de wettelijke beoordeling, uitgevoerd in 2020, volgt dat een deel van het dijktraject bij Alem niet is goedgekeurd voor het faalmechanisme piping. Het betreft het gedeelte aan de noordkant, tussen de haven en circa 700 meter oostelijk hiervan. Het is niet zeker dat er daadwerkelijk een probleem is, hiervoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Het is interessant om de mogelijkheden van een combinatie van grondstoffenwinning, vergraving voor de haven en het verminderen van (het risico) op piping nader in beeld te brengen. Het doel hiervan zou moeten zijn om het bestaande risico op piping te verminderen, bijvoorbeeld door een pipingscherm aan te brengen. Golfslag Door bekleding aan te brengen op de oever kunnen de gevolgen van golfslag geminimaliseerd worden. De afslag van voorland is gering, dus enkel herstel is voldoende. Bronnen [1] Stabiliteit bodem en waterkeringen, voorverkenning gebiedsontwikkeling Alem. Sweco, 11 maart 2022 (Bijlage D)
4.1.3
Hydrologie (kwel, grondwater, droogte)
Vergravingen kunnen hydrologische effecten hebben. De grondwaterstand kan worden beïnvloed, en kwel en wegzijging bij situaties met hoog en laag water kunnen veranderen. Er is onderzoek gedaan naar de hydrologische effecten van een uitbreiding van de zandwinplas, het verplaatsen van de haven en de aanleg van een getijdengeul. Deze paragraaf gaat in op de vragen: o o o o o o o o
Wat zijn de effecten van de ontzanding op de grondwaterstanden? Wat zijn de effecten van de ontzanding op de kwel en wegzijging? Met welke maatregelen/werkwijze kunnen de effecten geminimaliseerd worden? Hoe beïnvloeden veranderingen in kwel en grondwaterstanden het functioneren van het ontwateringsgemaal en de overstort van het riool? Hoe beïnvloedt de zandwinning de effecten van droogte? Welke maatregelen kunnen genomen worden om eventuele problemen met droogte tegen te gaan? Kwalitatief oordeel over de te verwachten geohydrologische effecten op de stabiliteit van de kering van de getijdengeul. Kwalitatief oordeel over de te verwachten geohydrologische effecten op de stabiliteit van de kering van de verplaatsing van de haven.
Berekeningsmethode en toetsingskader Er is onderscheid gemaakt in de realisatiefase (de periode waarin werkzaamheden worden uitgevoerd) en de gebruiksfase (de periode nadat de werkzaamheden zijn uitgevoerd). De invloed van de zandwinplas op de grondwaterstanden en kwel/wegzijging is bepaald voor de volgende situaties [1]: • gemiddelde situatie: gemiddeld rivierpeil over een periode van 10 jaar (2008-2019); • twee extreme situaties: o T=10 hoogwater situatie: hoogwaterstand die statistisch 1x per 10 jaar voorkomt, met een duur van tenminste 10 dagen;
o
T=10 laagwater situatie: laagwaterstand die statistisch 1x per10 jaar voorkomt, met een duur van tenminste 10 dagen. Om te beoordelen of er sprake is van een (ongewenst) effect op de omgeving, zijn de volgende toetsingscriteria gebruikt: • grondwaterstandsverandering van meer dan 5 centimeter; • verandering in kwel/wegzijging van meer dan 2%. Deze toetsingscriteria zijn gebaseerd op de richtlijn toetsing kwel en wegzijging van Waterschap Rivierenland voor het in kaart brengen van kwel- en grondwaterstandseffecten bij modelleringen. Voor de geohydrologische effectberekeningen is gebruik gemaakt van het MORIA model (Modellering Ondergrond Rivierenland Interactief en Actueel), versie 4.5. Conclusie Uit de berekeningen [1] blijkt dat de invloed van de uitbreiding van de zandwinning op de grondwaterstanden en kwel/wegzijging in de omgeving beperkt is. Dit geldt zowel bij een gemiddelde situatie, een T=10 hoogwatersituatie (hoog rivierpeil) als bij een T=10 laagwatersituatie (laag rivierpeil). Binnendijks treden er geen grondwaterstandsveranderingen op. Om de modelberekeningen te ondersteunen wordt geadviseerd om op extra peilbuizen te plaatsen, wat zal gebeuren na de MIRT startbeslissing. De verandering in de hoeveelheid kwel binnendijks bij Alem is enkel tijdens een T=10 hoogwatersituatie groter dan de toetsingsnorm van 2%. In absolute zin is de toename echter gering.
Zo gering zelfs dat deze toename niet leidt tot een grondwaterstandstoename binnendijks. De tijdelijke kweltoename zorgt voor een extra noodzakelijke afvoer van 62 m3/uur binnendijks van Alem (in de realisatiefase). In de gebruiksfase neemt deze af tot 19 m3/uur. De twee gemalen in Alem hebben een gezamenlijke bemalingscapaciteit van 1.320 m3/u. De verwachting is dan ook dat de gemalen met het extra waterbezwaar goed kunnen blijven functioneren. In de overige peilgebieden ten westen en noorden van de zandwinplas is de verandering van de kwel kleiner dan 2%. Er worden op basis van de berekeningsresultaten geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van rioolwateroverstorten, landbouw en natuur. Binnendijks, waar de bebouwing staat, treedt er geen grondwaterstandsverandering op waardoor de kans op zettingen als gevolg van de zandwinplasuitbreiding uitgesloten kunnen worden. Gelet op het feit dat de havenuitbreiding en de aanleg van de nevengeul zowel in oppervlak als in ontgravingsdiepte vele male kleiner/ondieper zijn dan de zandwinplasuitbreiding, zal de invloed van de havenuitbreiding en nevengeul waarschijnlijk beperkt zijn. Bronnen [1] Gebiedsontwikkeling Alem, Geohydrologisch onderzoek. Sweco, 1 maart 2022 (Bijlage E)
4.2
Natuur 4.2.1
Betekenis van Biodiversiteit
In deze fase wordt gekeken naar de mogelijkheden om in de gebiedsontwikkeling een positieve bijdrage aan biodiversiteit te leveren. Dit hoofdstuk gaat in op vragen over de betekenis van het verbeteren van de biodiversiteit. I.
II. III.
Wat wordt concreet bedoeld met biodiversiteit verbeteren? • Welke definitie wordt er gebruikt ten aanzien van het begrip biodiversiteit? • Naar welke soorten wordt gekeken? • Wordt de biodiversiteit bekeken over het plangebied als geheel, per deelgebied of beide? Hoe wordt de biodiversiteit gemonitord en hoe ziet de nulmeting eruit? Wat is de visie ten aanzien van soorten die (mogelijk; gewild of niet-gewild) verdwijnen ten gevolge van aanpassingen van/in het plangebied?
Achtergrond Biodiversiteit is de rijkdom en diversiteit van al het leven op aarde. Dat betekent dat biodiversiteit niet alleen gaat over individuele soorten, maar ook over de diversiteit aan ecosystemen, soorten en genen, en de samenhang daartussen [1]. De wereldwijde afname van de biodiversiteit gaat sneller dan ooit in de menselijke geschiedenis. Naar schatting is 25 procent van de soorten op aarde bedreigd, veelal door menselijk toedoen [2]. Ook in Nederland zijn er,
ondanks de huidige inspanningen, soorten en soortengroepen die nog steeds achteruitgaan. Dit terwijl biodiversiteit van onschatbare waarde is, niet alleen voor de natuur, maar ook voor het menselijk welzijn en de economie [2,3]. Biodiversiteit is opgenomen als nationaal belang in de nationale omgevingsvisie van het Rijk. Het begrip biodiversiteit is complex laat zich moeilijk vangen in een enkele maatstaf. Biodiversiteit is zeer breed en beslaat dus de variëteit in landschappen, soorten en genen. Op elk van die niveaus is er weer variëteit in structuur (onderlinge verbanden), samenstelling (types) en functionaliteit. Daarnaast maakt het ook verschil op welk geografisch schaalniveau (bijv. regio, land, continent, wereld) de biodiversiteit wordt bekeken [4]. Tal van organisaties en overheden werken aan biodiversiteitsherstel in Nederland. Het Rijk heeft de belangrijkste initiatieven op een rij gezet in het Programma Versterken Biodiversiteit [5]. De meest relevante ontwikkelingen staan hieronder beschreven: •
Deltaplan biodiversiteit Het deltaplan vormt zowel een plan als platform voor biodiversiteitsherstel in Nederland. In verschillende thema’s wordt door overheden, NGO’s, wetenschappelijke instellingen en bedrijven gewerkt aan het herstellen en beheren van lokale habitat-specifieke biodiversiteit [6,7].
•
Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) PAGW is het nationale investeringsprogramma voor ecologische waterkwaliteit en -natuur. Het is een aanvulling op de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) [8]. Het doel is het scheppen en beschermen van leefgebieden van formaat en samenhang, natuurlijke verbindingen en voorwaarden voor natuurlijke ontwikkeling. Voor het rivierengebied kent de PAGW vier kerngebieden met daartussen corridors en stapsteengebieden (Alem – St Andries vormt een expliciet benoemd stapsteengebied) [9].
•
Basiskwaliteit natuur (BKN) De BKN vorm een set van condities nodig is om ‘algemene soorten algemeen te laten zijn, blijven of worden’. Het gaat verder dan beschermde soorten en richt zich op de inrichting, het milieu en het beheer en gebruik van een landschap. Het is de minimale kwaliteit van het leefgebied van soorten die nodig is. Een BKN wordt momenteel ontwikkeld voor verschillende landschapstypes [10].
•
Natuurinclusiviteit Het programma versterken biodiversiteit spreekt verder van het belang voor natuurinclusieve landbouw en een natuurinclusieve energietransitie [5].
Definitie Wij volgen de definitie van biodiversiteit in al haar verscheidenheid: diversiteit in soorten en ecosystemen, in functionaliteit en structuur. Voor het geografisch schaalniveau volgen wij de PAGW– dus is het niveau van de rivieren / de Nederlandse delta leidend. Doelen ten aanzien van het gebied voor biodiversiteit worden dus geformuleerd om zoveel mogelijk de biodiversiteit op rivierniveau te bedienen. Hierbij kan gedacht worden aan grotere delen ooibos, die van belang zijn voor biodiversiteit op rivierniveau, maar niet overal langs de rivier passend zijn. Lokale biodiversiteit volgt in belang op het rivierniveau. Vaak zullen rivier- en lokale biodiversiteit elkaar versterken, soms zal het botsen. In het ecologisch onderzoek (zie 4.2.2) wordt specifiek gekeken naar de huidige staat van biodiversiteit, en met welke maatregelen de biodiversiteit verbeterd kan worden. Dat gaat in op lokaal niveau en rivierniveau. Soorten Samenhangende rivierbosnatuur (met onder andere bos, geulen en moerassen) is voor dit gebied passend vanuit PAGW. De precieze soorten waarnaar gekeken wordt, dienen in een vervolgstadium te worden bepaald. De biodiversiteit gaat echter verder dan soorten en er zal ook aandacht uitgaan naar belangrijke condities uit de BKN. Deze condities vormen vaak de basis voor (lokale) biodiversiteit.
Hoewel er in de huidige situatie wellicht bijzondere soorten kunnen voorkomen in het gebied, wordt gekeken naar de potentie van het gebied vanuit de abiotiek. Dit kan tot gevolg hebben dat toch wordt gekozen om een bepaald leefgebied om te vormen omdat daarmee een hogere biodiversiteitswaarde kan worden verkregen door uniciteit, bijvoorbeeld met hardhoutooibos.
Plangebied en deelgebieden Gegeven dat het rivierniveau leidend is, ligt de voornaamste focus op het hele plangebied. Dat betekent dat een achteruitgang in een deelgebied kan worden geaccepteerd als het hele plangebied erop vooruitgaat. Er wordt echter nog steeds belang aan deelgebieden gehecht. Er zijn analyses uitgevoerd en verbetervoorstellen gedaan door een ecologisch bureau. Deze vormen een belangrijke bron voor het bepalen van precieze doelen en de monitoring. Monitoring van biodiversiteit Op basis van de resultaten van het ecologisch onderzoek en de inbreng van PAGW kunnen doelstellingen voor biodiversiteit en de daarbij behorende maatregelen bepaald worden. Onderdeel daarvan is ook een monitoringsplan. Die kan pas worden opgesteld als de doelstellingen bekend zijn. Onderstaand is een doorkijk van het monitoringsplan gegeven. Wanneer vanuit PAGW een monitoringsystematiek wordt aangehouden wordt deze gevolgd om eenheid te behouden in het Nederlandse rivierengebied. Wanneer vanuit PAGW geen monitoringssystematiek wordt aangehouden, wordt het monitoringsplan opgesteld aan de hand van (een combinatie van) de ideeën van de BKN en het Deltaplan Biodiversiteit. De BKN werkt aan een methode om condities van het milieu, de inrichting en het beheer en gebruik van een gebied te beoordelen.
Dit omvat in ieder geval versnippering, grondwater, landschapselementen, verzuring, vermesting, pesticiden, maaibeleid, oude opstanden en exoten [10,11]. Betere condities werken biodiversiteit in de hand. Vanuit het Deltaplan Biodiversiteit wordt gewerkt aan monitoring middels ‘kritieke prestatie-indicatoren’ (KPI’s). Deze worden ontwikkeld voor een verscheidenheid aan situaties. De bedoeling is om biodiversiteitsprestaties direct en helder meetbaar te maken [12]. Naast de biodiversiteitsmonitoring dienen er voor projecten zoals deze inventarisaties te worden uitgevoerd door een ecologische deskundige (bij wet is gedefinieerd wie dat mag zijn). Hoewel deze inventarisaties vaak enkel op beschermde soorten gericht zijn, geven ze een goed beeld van de ecologische kwaliteit. Visie verdwijnende soorten Mogelijk heeft het project een effect op soorten. In een natuuronderzoek zal dit verder onderzocht moeten worden. Kader daarvoor is de Wet Natuurbescherming (Wnb). Hierin is vastgelegd hoe er juridisch gekeken dient te worden naar verdwijnende soorten. De bescherming van de van nature in het wild levende planten en diersoorten is vastgelegd in de verbodsbepalingen van Hoofdstuk 3 van de Wnb. Daarnaast kent de wet een algemene zorgplicht ter bescherming en instandhouding van alle wilde flora en fauna (artikel 1.11) [13].
Dat betekent dat het nadelige effecten op elke soort dienen te worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. De gebiedsontwikkeling dient deze wettelijke bepalingen te volgen. Het volgende deelhoofdstuk (4.2.2) geeft alvast een eerste doorkijk voor dit gebied. Het verdwijnen van een nu aanwezige soort in het plangebied is nooit uit te sluiten wanneer habitatverandering plaats vindt. Biodiversiteitsverbetering is leidend en voor het verdwijnen van soorten wordt eenzelfde soort visie gehanteerd als voor de deelgebieden: de verdwijning van een bepaalde soort door habitatverandering kan worden geaccepteerd als daarmee specifieke doelsoorten gefaciliteerd worden. Bronnen [1] Biodiversiteitsverdrag - Tekst van het Verdrag | Biodiversiteit.NL [2] Huidige staat van biodiversiteit - Global Assessment Report on Biodiversity [3] Belang van biodiversiteit - The links between biodiversity, ecosystem service and human well-being [4] Aspecten van biodiversiteit Indicators for monitoring biodiversity [5] Kamerbrief Programma versterken biodiversiteit | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl [6] Deltaplan Biodiversiteitsherstel - Deltaplan-Biodiversiteitsherstel-samengevat [7] Website Deltaplan Biodiversiteit - Over ons | Deltaplan Biodiversiteitsherstel [8] PAGW - Over het programma | PAGW [9] PAGW Rivierengebied - PAGW [10] Basiskwaliteit Natuur I - Op weg naar Basiskwaliteit Natuur
[11] Basiskwaliteit Natuur II - Basiskwaliteit Natuur | Vogelbescherming [12] Monitoring biodiversiteitsherstel - position-paper-prestatiemanagement-voor-biodiversiteitsherstel-_.pdf (samenvoorbiodiversiteit.nl) [13] Wat natuurbescherming - wetten.nl - Regeling - Wet natuurbescherming - BWBR0037552 (overheid.nl)
4.2.2
Natuureffecten
Een gebiedsontwikkeling heeft mogelijk invloed op wettelijk beschermde (natuur)waarden. Om na te gaan of dit (mogelijk) het geval is, is een verkennende quickscan [1] uitgevoerd, waaruit aandachtspunten vanuit de natuurwetgeving naar voren komen. Wanneer de planvorming is geconcretiseerd, zal aan de hand van de feitelijke ingrepen in het plangebied deze quickscan dienen te worden geconcretiseerd. Onderzoeksmethode en toetsingskader De wettelijk beschermde (natuur)waarden zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming Natura 2000, soortbescherming) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuur Netwerk, verder GNN). De mogelijke maatregelen in het kader van de gebiedsontwikkeling zijn op hoofdlijnen beschreven. Er is in beeld gebracht welke effecten deze kunnen hebben op natuurwaarden. Hierbij is uitgegaan van een worstcase scenario. Dat wil zeggen dat bij de toetsingen in de quickscan ervan uit wordt gegaan dat aanwezige natuurwaarden als gevolg van de uit te voeren werkzaamheden kunnen verdwijnen of kunnen worden verstoord. Er is onderscheid gemaakt tussen tijdelijke effecten (gedurende de realisatiefase) en permanente effecten (na de realisatie). Voor de gebiedsbescherming is uitgegaan van een bureaustudie. Voor de soortenbescherming is een combinatie gemaakt van een bureauonderzoek en een veldbezoek.
Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast is gebruik gemaakt van de verspreidingsatlas (verspreidingsatlas.nl) voor de verspreidingsgegevens van beschermde soorten en bij aanvang van de opdracht verkregen literatuur. Het veldbezoek is uitgevoerd op 14 april 2021. Conclusie Aangezien het projectgebied geen deel uitmaakt van een Natura 2000-gebied, zijn er geen directe effecten op aanwezige habitattypen of leefgebieden van Vogel- of Habitatrichtlijnsoorten. Effecten op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie zijn op voorhand niet uitgesloten. Het uitvoeren van een Aerius-berekening op basis van de emissies van inzet van machines en is daarom noodzakelijk, zodra deze bekend zijn (zie ook paragraaf 4.6.2). Drie deelgebieden van het projectgebied liggen (vrijwel) geheel in de GNN, van drie overige deelgebieden zijn delen onderdeel van de GNN. Dit betekent dat de ontwikkelingen nader dienen te worden getoetst aan de Verordening Ruimte van de Provincie Gelderland, zodra deze zijn geconcretiseerd.
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten, algemene broedvogels, vogels met jaarrond beschermd nest (blauwe reiger, buizerd en oever-zwaluw, mogelijk bosuil, sperwer, ransuil en steenuil), vleermuizen, bever, das, kleine marterachtigen (wezel en bunzing), rugstreeppad, heikikker, kamsalamander, poelkikker, grote modderkruiper, kwabaal en rivierrombout is bekend in het projectgebied of kan niet op voorhand worden uitgesloten. In de verkennende quickscan is een voorlopige toetsing uitgevoerd op basis van de huidige inzichten in de visievorming. Wanneer de plannen zijn geconcretiseerd dient een gerichtere toetsing plaats te vinden van welke verbodsbepalingen waar en op welke manier kunnen worden overtreden. Op grond daarvan kan gerichter soortgericht onderzoek worden uitgevoerd op die locaties waar verbodsbepalingen mogelijk worden overtreden. Pas dan kan definitief worden vastgesteld of en zo ja, voor welke soorten een ontheffing soortbescherming Wnb dient te worden aangevraagd. Door de aangegeven werkzaamheden van vergraven waarbij ook bomen en struweel dienen te worden verwijderd, zijn de meest vergaande effecten op beschermde soorten te verwachten. Op basis van het soortgericht onderzoek kunnen specifiekere mitigerende maatregelen worden aangegeven. Door bosontwikkeling, inplant heggen en aanpassing beheer kan lokaal ook leefgebied worden aangetast van beschermde soorten.
Door in de planvorming hier zoveel mogelijk rekening mee te houden kunnen effecten hiervan worden geminimaliseerd. De verkennende quickscan laat zien dat een gebiedsontwikkeling niet zonder meer uitgevoerd kan worden, maar sluit een gebiedsontwikkeling ook niet uit. De aangegeven randvoorwaarden worden werkbaar en invulbaar geacht.
Bron [1] Verkennende quickscan natuurwetgeving Alem en Sint Andries. Arcadis, 12 mei 2022 (Bijlage F).
4.3
Landbouw
Landbouw is een belangrijke vorm van landgebruik in het plangebied. ZLTO-advies heeft hier onderzoek naar gedaan [1]. Zeven agrarische bedrijven zijn gevestigd in Alem. Vijf bedrijven hebben samen 82ha in eigendom en 95ha in pacht (2 bedrijven hebben deze gegevens niet gedeeld).Het grootste deel van de bedrijven geeft aan ambitie te hebben om op lange termijn actief te blijven. Daarvoor zijn ze afhankelijk van grondgebruik, aangezien ze grondgebonden activiteiten kennen. De wens vanuit de bedrijven is om meer grond te kunnen gebruiken, ook tegen de achtergrond van de opgave om het grondgebruik te extensiveren (meer land nodig voor hetzelfde aantal vee). Bij een ontwikkeling zal grond voor landbouw verdwijnen, wat gevolgen zal hebben (een gedetailleerd, kwantitatief beeld van de aard van de gevolgen is niet beschikbaar, de gegevens hiervoor zijn niet gedeeld met de onderzoekers). De ontwikkeling met maximale impact op de bedrijven, zoals gevraagd door ZLTO om te onderzoeken, leidt tot een reductie van 45% landbouwgrond en omzetting van 20% intensieve landbouwgrond naar natuurinclusieve landbouwgrond. Daarnaast liggen 15,7ha met agrarisch natuurbeheer binnen het zoekgebied delfstoffenwinning. In vervolgstappen moet gekeken worden wat er daadwerkelijk gebeurt en hoe hiermee kan worden omgegaan.
Zo kent de huidige voorbeelduitwerking (zie MIRT-Onderzoek, hoofdstuk 4), welke behoorlijk ambitieus is, minder omzetting van boerenland dan het extreemste scenario. Bron [1] Rapportage Keukentafelgesprekken Agrariërs Alem, ZLTO-Advies (Bijlage G)
4.4
Milieu 4.4.1
Bodem
Bij graafwerkzaamheden is de kwaliteit van de bodem een aandachtspunt. Er is in het verleden onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bovengrond van een deel van het zoekgebied zandwinning. Hieruit is een indicatief beeld verkregen. Voorafgaand aan werkzaamheden dient er nog nader onderzoek te worden uitgevoerd. Uit het historisch onderzoek blijkt dat er in het verleden klei is gewonnen en er hiertoe een spoorlijntje door het gebied liep. Afgezien van eventuele funderingsresten van dit spoorlijntje zijn er geen indicaties die wijzen op bodembedreigende activiteiten in het verleden. Er zijn 89 boringen tot 0,5 m -mv uitgevoerd in het gebied. Hieruit volgt dat een deel van de grond op basis van het voorkomen van zink of nikkel (veel voorkomend in de uiterwaarden langs de Maas) wordt ingedeeld in de toenmalige milieuklassen 2-4. Een ander deel van de grond wordt ingedeeld in de klassen 0-1. Bron [1] Roofgrondonderzoek Marensche Waarden 2007
4.4.2
Waterkwaliteit
Ingrepen in het watersysteem kunnen ook invloed hebben op de waterkwaliteit. Dit hoofdstuk gaat in op de volgende vragen: o o o o o
Wat is de huidige waterkwaliteit van de zandwinplas en het Gat van Sientje? Wat is het effect van de grondstoffenwinning op de waterkwaliteit in de zandwinplas? Wat is het effect van de getijdengeul op de waterkwaliteit in de zandwinplas en het Gat van Sientje? Wat zijn de risico’s op algenvorming en muggenplagen? Wat zijn eventuele maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit?
Huidige waterkwaliteit De waterkwaliteit in de plas is sterk afhankelijk van de waterkwaliteit in de Maas, omdat de plas in open verbinding staat met de Maas en het Maaswater langs en door de plas stroomt. Aangezien er geen directe
waterkwaliteitsmetingen voor de wateren rond Alem zijn is er een inschatting gemaakt op basis van het meetpunt bij Keizersveer. Hieruit blijkt de huidige kwaliteit matig is op basis van fosfaat en stikstofgehalten [1]. Wel is de waterkwaliteit in de Maas de laatste 20 jaar sterk verbeterd en de verbetering zet nog langzaam door. Effect van de grondstoffenwinning op waterkwaliteit in de zandwinplas De effecten zijn kwalitatief beoordeeld door ecoloog op basis van ecologische sleutelfactoren. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de uitvoeringsfase (UF, tijdens zandwinning) en de gebruiksfase (GF, na afloop zandwinning). De beoordeling staat in het schema hieronder (Figuur 4-6). De inschatting is dat de productiviteit positief verandert, maar het lichtklimaat en verwijdering op een negatieve wijze veranderen. Voor de verwijdering is dit tijdelijk.
Figuur 4-6: Beoordeling van zandwinning op ecologische waterkwaliteit
Effect van de getijdengeul De effecten zijn kwalitatief beoordeeld door ecoloog op basis van ecologische sleutelfactoren. De beoordeling staat in het schema hieronder (Figuur 4-7). Het blijkt dat de productiviteit, het lichtklimaat, de habitatgeschiktheid en verspreiding verbeteren [1].
Figuur 4-7: Beoordeling van effecten getijdengeul op ecologische waterkwaliteit
Risico op algen en muggen De kans dat een overschot aan voedingsstoffen in het water terechtkomt door zandwinning, is in het vorige hoofdstuk als zeer klein ingeschat. Het wordt daarom niet verwacht dat zandwinning zal leiden tot algenvorming. Het risico op algen- en kroosoverlast is in grote, diepe plassen sowieso klein, vanwege de diepte en de windwerking. De nevengeul verkleint juist het risico op algenvorming. Muggen hebben stilstaand, ondiep water nodig. De zandwinplas is een diepe put waarin muggen niet tot ontwikkeling kunnen komen. Daarom wordt niet verwacht dat de zandwinlocatie zal leiden tot meer muggen. Mochten er hier en daar lokaal gunstige omstandigheden zijn voor de ontwikkeling van steekmuggen, dan zorgt de hoge biodiversiteit door aanleg van natuurvriendelijke oevers en moeraszones voor voldoende predatoren (dieren die op muggen en muggenlarven jagen) om de hoeveelheden in toom te houden. De kans op plaagvorming wordt daarom zeer klein geacht. De nevengeul biedt wel ondiep water. Echter zal het grootste gedeelte van de nevengeul stromen, waardoor het ongeschikt is voor muggenlarven. Aan de oevers kunnen plassen ontstaan met stilstaand water. In gezonde watersystemen bestaat er een natuurlijk evenwicht. Andere insecten jagen namelijk op de larven en de volwassen muggen.
Ervan uitgaande dat de nevengeul door goed onderhoud een gezond watersysteem blijft, is de verwachting dat de nevengeul niet zal leiden tot een muggenplaag. Te nemen maatregelen De volgende maatregelen volgen uit de analyse. Hiermee kunnen negatieve effecten beheerst of teniet gedaan worden [1] • zoveel mogelijk natuurvriendelijke oevers, eilanden met natuurvriendelijke oevers en moeraszones aanleggen; • bij de aanleg van deze oevers en eilanden geen gebruik maken van met stikstof en fosfaat opgeladen grond. Afhankelijk van de stikstof- en fosfaatgehalten, kan de toegepaste grond in de oevers en eilanden worden afgedekt met schrale grond; • vrijkomende, niet verkoopbare grond voor gebruik laten onderzoeken op gehalten aan stikstof en fosfaat; • maak tijdens de ontwerpfase een goed beheer- en onderhoudsplan waarin wordt beschreven hoe de natuurlijke kwaliteiten gecontroleerd, onderhouden en gestimuleerd worden. Bronnen [1] Waterkwaliteit – Alem diversen onderzoeken (Bijlage H)
4.5
Landschap en wateroppervlak
Het creëren van extra wateroppervlak heeft ruimtelijke effecten. In dit hoofdstuk wordt de volgende vraag beantwoord: o o o o
Wat is de historische ontwikkeling m.b.t. oppervlaktewater? Wat is (het gebruik van) het huidige oppervlakte water rondom Alem? Hoe kan een (uitbreiding van een) plas worden vormgegeven? Hoe verandert extra wateroppervlak het aanzicht op Alem en het zicht vanuit Alem?
Voor de onderzoeken is globaal een onderzoeksgebied aangegeven waarop het onderzoek zich zal richten (Figuur 1-1). In dit specifieke onderzoek is ook het zoekgebied voor zandwinning van belang (Figuur 2-2 en 2-3). Historische ontwikkeling Om de hoeveelheid oppervlaktewater in perspectief te plaatsen wordt niet alleen gekeken naar de huidige situatie. Maar ook naar hoe de hoeveelheid wateroppervlak zich door de tijd heeft ontwikkeld. Daarom wordt aan de hand van 3 kaartbeelden een korte beschrijving gegeven van wat we zien en hoeveel wateroppervlak er in dat jaar aanwezig was in het onderzoeksgebied rond Alem. 1860 - In het kaartbeeld is duidelijk te zien dat Maas en Waal nog in open verbinding stonden met elkaar. Tussen de Forten Oud- en Nieuw Sint Andries stroomde het water van de Waal naar de Maas. De Maas stroomt hier nog westelijk van Alem waarmee Alem nog tot Provincie Brabant behoorde. De stroom van de Maas is breed en grillig en kent ter hoogte van de Marensche Waard ook een nevengeul (De Kil en de Snel). Opvallend is ook de ligging van de Maasloop dicht bij de dijk. De hoeveelheid oppervlaktewater is hier ca. 185 ha.
1950 - Tussen 1860 en 1950 vinden er ingrijpende veranderingen plaats rond Alem. Zo worden Waal en Maas van elkaar gescheiden en wordt het Lelyprofiel* van de Maas ten Oosten van Alem gesitueerd (na een eerdere verlegging van de Maasloop ter hoogte van de huidige sportvelden). De loop van de Maas is daarbij sterk gekanaliseerd en de uiterwaarden volledig in gebruik genomen voor landbouw en beweiding. De voormalige stroomgeulen zijn gedempt. De hoeveelheid oppervlaktewater is hier ca. 90 ha.
*Lelyprofiel: Het “Lelyprofiel” verwijst naar het plan van ingenieur Lely, Verbetering van de Maas voor grote afvoeren, waarmee na 1926 een verkorting en verruiming van de Maas, benedenstrooms van Grave is uitgevoerd. Ter markering van de hoofdgeul heeft Rijkswaterstaat in de jaren 1930 de bakenbomen geplant.
1980 - Delfstofwinning heeft zijn intrede gedaan in de uiterwaarden. Zo zijn langs de rivier plassen gemaakt en oude rivierlopen weer uitgegraven. (Marensche Waarden, Gat van Sientje, Drielsche Waard). Ook zijn kleiputten te zien en daarmee is de hoeveelheid wateroppervlak in de uiterwaarden weer toegenomen. De hoeveelheid oppervlaktewater is hier ca. 135 ha.
2020 - Tot 2020 zijn er slechts beperkt nog veranderingen waarneembaar in de uiterwaarden. Bij Heerewaarden hebben delfstofwinning en natuurontwikkeling nog tot meer water geleid. De hoeveelheid oppervlaktewater is hier ca. 170 ha.
De hoeveelheid oppervlaktewater rond Alem varieerde dus sterk en het ontstaan ervan is veranderd van een fysiologisch proces naar ingrijpen door de mens. Hierdoor zijn er verschillende typen water in het gebied aanwezig. Wat ook opvalt is dat de eerste plassen die zijn ontstaan door delfstofwinning een verbreding van de (voormalige) maasloop zijn. De latere zandwinningen (Zandmeren en Heerewaarden) zijn vrijliggend van de Maasloop gerealiseerd waardoor de herkenbaarheid van de (voormalige) maaslopen beter behouden blijft. Huidig oppervlaktewater De grotere eenheden van het oppervlaktewater rond Alem zijn onder te verdelen in een aantal typen wateren die elk ook een eigen functie en voorkomen hebben. Gezamenlijk vormen ze het gezicht van de uiterwaarden rond Alem: − Zomerbed / Lelyprofiel van de Maas (Figuur 4-8) − Voormalige stroomgeulen (Figuur 4-9) − Delfstofplassen (Figuur 4-10)
Figuur 4-8: Zomerbed / Lelyprofiel Maas
Figuur 4-9: Verlegde en (verder weg) oorspronkelijke Maasloop bij Alem
Figuur 4-10: Zandwinplas Marensche Waarden
In Figuur 4-11 zijn de verschillende watertypen weergegeven.
Figuur 4-11: Verschillende watertypen in het plangebied. Legenda staat hieronder.
Lelyprofiel en voormalige verlegging maasloop bij Alem Oorspronkelijke (en nog bestaande) Maasloop (1860)
Oorspronkelijke (maar niet meer aanwezige) Maasloop (1860) Plassen delfstofwinning Hoofdgebruik van het water Ook het gebruik van de wateren verschilt. Zo zorgt het Lelyprofiel voor de afvoer van het water en functioneert het als verkeersverbinding voor de scheepvaart. De inrichting van dit water is met rechte (soms verstevigde) oevers ook functioneel. Bakenbomen accentueren deze waterloop. De voormalige stroomgeulen hebben sterke gelijkenis met het huidige Lelyprofiel maar hebben een grilliger en flauwere oever. Ook het onderwatertalud is hier vaak flauwer. Het gebruik van deze wateren is divers: er bevinden zich aan watergebonden bedrijven en havens, maar ook jachthavens voor de pleziervaart en (zwem)strandjes. Daarnaast zorgen ze voor de afvoer van water bij hogere waterstanden en is er meer ruimte voor natuurontwikkeling door bijvoorbeeld natuurvriendelijke en / of beboste oevers. De plassen die zijn ontstaan als gevolg van delfstofwinning zijn te onderscheiden in 2 groepen. De aangetakte plassen en de geïsoleerde plassen. De aangetakte plassen ten zuiden van Alem hebben hoofdzakelijk een recreatieve functie met aan de randen ruimte voor strandjes en aanlegplaatsen. Bij de aangetakte plassen aan de noordzijde ligt het accent meer op natuurontwikkeling.
De geïsoleerde plassen hebben met name een natuurfunctie die onder invloed van kwelwater uit de Waal een andere watersamenstelling hebben. Hier ontwikkelt zich dan ook een ander type natuur. Beleving van het water Hoewel de hoeveelheid water rond Alem weer is toegenomen is dit water niet altijd even goed beleefbaar. Het is vaak niet zichtbaar, maar ook de inrichting van het gebied verwijst minder naar de aanwezigheid van water. Dit heeft verschillende oorzaken. De inrichting en het gebruik van het buitendijkse gebied is door de gecultiveerde gronden steeds meer gaan lijken op het binnendijkse gebied waardoor de inrichting minder wordt geassocieerd met de rivier. Je moet het water zien om de rivier te beleven. Hierdoor speelt de zichtbaarheid en dus de ligging van het water ten opzichte van openbaar toegankelijke plaatsen waarvan je het water kunt zien (wegen en fiets- en wandelpaden) een belangrijke rol in de beleving van hier rivierengebied. Door de steeds hoger gelegen uiterwaarden en de verder inslijtende Maasloop is dit visuele contact met het water verminderd. De locaties waarop het water vanaf de openbare weg goed te beleven is, zijn opgenomen in onderstaand kaartbeeld (Figuur 4-12), waarbij de foto’s (Figuren 4-13 t/m 4-16) corresponderen met enkele plekken.
Figuur 4-12: Locaties waarop het water vanaf de openbare weg goed te zien is
Figuur 4-13: N322 bij Alem, de noordelijkste locatie van Figuur 4-12
Figuur 4-14: Berm bij het gat van Sientje, de westelijkste locatie van Figuur 4-12
Figuur 4-15: Veerweg bij Alem. De linker van de twee locaties in het midden van Figuur 4-12.
Figuur 4-16: Veerstoep Veer Alem. De oostelijkste locatie van Figuur 4-13
Inpassing zandwinning De plas die ontstaat als gevolg van delfstofwinning betekent een toename van het oppervlaktewater en dus verandering van het huidige beeld. Hoe deze plas wordt vormgegeven bepaalt in belangrijke mate hoe deze wordt beleefd. Bij het vormgeven van de plas wordt deze zo goed mogelijk in het landschap ingepast. Dat wil zeggen dat er zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het gebied om de beleving, leesbaarheid en waarden ervan te behouden en versterken. Hiervoor kan worden gevarieerd in omvang, verhoudingen, richting, ligging en vorm van de plas. Hieronder worden een aantal mogelijke inrichtingsprincipes voor de plas benoemt en nader toegelicht. Omvang De omvang van de plas dient in verhouding te zijn met de maat en schaal van het landschap. Hierbij is het belangrijk dat hoofd- en nevengeulen in balans zijn met de nieuw toe te voegen plas. De plas wordt daarmee onderdeel van de waterstructuur. Links: plas domineert waterstructuur Rechts: plas als onderdeel van waterstructuur Verhoudingen De verhoudingen van de plas zijn van belang om de plas richting te kunnen geven en daarmee aan te sluiten bij de omgeving. Links: een autonome vorm Rechts: ovaal met richting
Richting Met de richting van de plas kan worden aangesloten bij de stromingsrichting van het water. Zo wordt de leesbaarheid van het landschap versterkt. Links: richting haaks op de stroming Rechts: richting met stroming mee
Ligging De ligging van de plas beïnvloed ook de leesbaarheid van het landschap. Een situering over hoofd- en nevengeulen heen vertroebeld het beeld. Door deze (deels) buiten de bestaande waterstructuren te leggen blijven deze zichtbaar. Links: geen onderscheid meer tussen geulen en plas Rechts: plas en geulen te onderscheiden Vorm De vorm van de plas bepaalt of deze opgaat in de vormentaal van de rivier of er autonoom in is gelegen. Links: autonome vorm contrasteert met rivier Rechts: natuurlijke vorm gaat op in structuur
Met de vormgeving van de plas kan dus sturing worden gegeven aan de inpasbaarheid. Hiermee wordt voor een groot deel bepaalt of de plas afbreuk doet of een bijdrage levert aan het landschap en de beleving. Visualisaties Hoewel er nog geen ontwerp is, is het zoekgebied voor delfstofwinning al wel bepaald. Om een idee te geven van een mogelijk eindbeeld zijn er op vier locaties in het gebied fotomontages gemaakt. Hiervoor zijn (realistische) aannames gedaan voor de situering en vormgeving van de plas en het landschapsplan ten aanzien van overige inrichtingsmaatregelen (bos, weide, water, kades/dijken). De beelden zijn dus geen blauwdruk voor het uiteindelijke resultaat maar geven een goede indruk van de visuele impact van mogelijke delfstofwinning in de Marensche Waarden. Hieronder zijn de verschillende standpunten opgenomen vanaf waar de fotomontages zijn gemaakt (Figuur 417). Daarbij gaan we uit van de volgende maatregelen: − uitbreiding van de bestaande plas; − behouden bestaande oevers langs Maasloop; − accentueren oude maasloop door aanbrengen eiland ter hoogte van de steenfabriek; − verplaatsing van de haven richting het dorp.
Figuur 4-17: Standpunten van visualisaties en overzicht van nieuwe situatie
De beelden op de volgende pagina’s zijn ook op groter formaat te bekijken in Bijlage I
Locatie N322 bestaand:
Locatie N322 mogelijk toekomstbeeld:
Locatie Alem bestaand:
Locatie Alem mogelijk toekomstbeeld:
Locatie Veerweg noordwest bestaand:
Locatie Veerweg noordwest mogelijk toekomstbeeld:
Locatie Veerweg noordoost bestaand:
Locatie Veerweg noordoost mogelijk toekomstbeeld:
4.6
Leefomgeving 4.6.1
Geluid
Een indicatief geluidsonderzoek is uitgevoerd, bestaand uit inschattingen van (laagfrequent) geluid aan de hand van de in 3.2 en 3.3 beschreven werkwijze en planning [1]. Dit is getoetst aan de bestaande normen. Normen De gemeente Maasdriel heeft geen apart geluidbeleid opgesteld. Daarom wordt de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 gebruikt [2]. Daarin staan normen opgenomen voor verschillende dagdelen voor. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, dit is het gemiddelde geluidsniveau op een representatieve dag gemeten bij de gevel van een bewoond gebouw. Alleen de dag periode (07u-19u) is relevant, omdat buiten deze uren niet gewerkt wordt. De absolute grens voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is 50dB(A), terwijl de richtwaarde voor een rustige woonwijk bedraagt 45dB(A) bedraagt. Deze richtwaarde wordt aangenomen om hier van toepassing te zijn. Hogere waarden dan de richtwaarden kunnen mogelijk worden vergund, maar enkel op basis van een bestuurlijke afweging en goed gemotiveerd. De grenswaarde mag nooit worden overschreden. Resultaten Alhoewel er lawaaiarme grondverzetmachines worden ingezet en de zuiger die met drijvende leidingen gekoppeld is aan de drijvende verwerkingsinstallatie volledig geëlektrificeerd zijn, zullen de winningsactiviteiten van delfstoffen gepaard gaan met enige geluidemissie.
De delfstofwinningsactiviteiten zullen niet langer duren dan 10 jaar en binnen die 10 jaar zullen de geluidniveaus bij een individuele woning of woonboot vanwege het voortschrijdend karakter van de delfstofwinningsactiviteiten maar tijdelijk optreden. De delfstofwinningsactiviteiten vinden alleen in de dagperiode (07.00 – 19.00 uur) plaats. Door de drijvende leiding tussen de zuiger en de drijvende verwerkingsinstallatie, kan de drijvende verwerkingsinstallatie meer centraal in het project gebied worden gepositioneerd waardoor de optredende geluidniveaus bij de woningen en woonboten worden gereduceerd. Rond de projectlocatie waar de delfstofwinningsactiviteiten plaatsvinden zijn vier drie type woonomgevingen te onderscheiden, namelijk: 1. de woningen in de kern van Alem ten zuiden van de Veerweg; 2. de woningen ten noorden van Veerweg en ten zuiden van de Marensche Waarden; 3. de woonboten bij de jachthaven ‘de Maas’; 4. de woonboten bij de sluis Sint Andries. - Woningen in de kern van Alem De optredende geluidniveaus (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus L Ar,LT) bij de woningen van het dorp Alem variëren na de onderzochte maatregelen circa 30 dB(A) tot 48 dB(A). Aan de richtwaarde ‘rustige woonwijk’ zijnde 45 dB(A) kan bij de woningen aan de rand van de kern Alem na maatregelen bij de meeste fases worden gerespecteerd.
Slechts bij een aantal fases wordt de richtwaarde van 45 dB(A) bij een aantal woningen aan de rand van het dorp tijdelijk overschreden. Aan de grenswaarde van 50 dB(A) kan voldaan worden. - Woningen ten noord van de Veerweg De woningen tussen de projectlocatie en de Veerweg zijnde de woningen Veerweg 2, 2a 2b en 6 liggen vanuit het aspect geluid kritischer dan de woningen in het dorp Alem. Ze liggen ook dichterbij de projectlocatie waar de delfstofwinning plaatsvindt. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidniveaus (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT) variëren van 30 dB(A) tot 48 dB(A). De hoogte van de geluidniveaus zijn weliswaar vergelijkbaar met de geluidniveaus bij de woningen aan de rand van het drop Alem maar de optredende geluidsniveaus van meer dan 45 dB(A) duren wat langer. Dit geldt specifiek voor de woning Veerweg 2b. - Woonboten jachthaven ‘de Maas’ De optredende geluidniveaus (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus L Ar,LT) bij de woonboten bij de jachthaven ‘de Maas’ variëren van 30 dB(A) tot46 dB(A). Aan de richtwaarde van 45 dB(A) wordt bijna voldaan. Aan de grenswaarde van 50 dB(A) wordt ruimschoots voldaan.
- Woonboten nabij Sluis Sint Andries De woonboten bij de Sluis Sint Andries liggen ten opzichte van het projectgebied waar de delfstofwinningsactiviteiten plaatsvinden het meest kritisch. Door de aanleg van een tijdelijk depot of grondwal met een hoogte van 6,5 meter op de landtong kan wel voldaan worden aan de grenswaarde van 50 dB(A). Uit de berekeningen blijkt dat de richtwaarde van 45 dB(A) gedurende langere tijd wordt overschreden. De woonboten liggen wel in de directe nabijheid van de drukke Van Heemstraweg en dichtbij de sluis “St Andries’ waardoor het achtergrondgeluid ook hoger zal zijn dan bij de woningen ten zuiden van de projectlocatie. We verwachten dat het bevoegd gezag zal streven naar een geluidgrenswaarde in de vergunning van 45 dB(A). Een hogere waarde van meer dan 45 dB(A) tot maximaal 50 dB(A) is wel mogelijk maar kan alleen op basis van een bestuurlijke afweging waarbij de maatregelen, de kosten van de maatregelen, het referentieniveau, de tijdsduur van de werkzaamheden alsmede de tijdsduur van de optredende overschrijdingen ten opzichte van 45 dB(A) relevante factoren zijn. Maximale geluidniveaus Geluidpieken zullen optreden vanwege de inzet van het grondverzetmaterieel. Hier gelden aparte normen voor.
Aangezien de delfstofwinning activiteiten alleen maar in de dagperiode (07.00 – 19.00 uur) plaatsvinden kan ruimschoots voldaan worden aan de wettelijke grenswaarden voor de maximale geluidniveaus LAmax. Laagfrequent geluid Door de keuze van de juiste combinatie zuiger Emmy / verwerkingsinstallatie Yvonne verwachten we gezien de grote afstand (meer dan 300 meter) en het gegeven dat de zandklassering plaatsvindt met een ontwateringswiel (scheprad) geen hinder met betrekking tot laagfrequent geluid. Trillingen Gezien de grote afstand van het in te zetten materieel tot aan de omliggende woningen en woonboten hoeft naar onze mening niet te worden gevreesd voor trillinghinder. Indirect hinder De schepen varend van en naar het plangebied varen op redelijk korte afstand langs de woonboten bij de sluis Sint Andries. Bij deze woonboten wordt dan een geluidniveau LAeq berekend van 40 dB(A). Dit is 10 dB lager dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) zoals deze geldt voor wegverkeerslawaai.
4.6.2
Luchtkwaliteit (inclusief stikstof)
De zandwinning leidt tot emissies die milieu-effecten kunnen hebben. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o Wat zijn de normen voor luchtkwaliteit en stikstof bij een ontzanding? o Wat is het te verwachten effect op de luchtkwaliteit en stikstof van de ontzanding? o Wat is het te verwachten effect op stikstof van de hele gebiedsontwikkeling? Normen Titel 5.2 van de Wet milieubeheer bevat luchtkwaliteitseisen. Er mag pas een vergunning worden uitgegeven of een bestemmingsplan gewijzigd wanneer aannemelijk is gemaakt dat de normen niet worden overschreven. Het gaat zelfs verder dan dat: de activiteit mag niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van in de Wet milieubeheer opgenomen stoffen met een grenswaarde. In artikel 2 van het ‘Besluit Niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) is bepaald, dat een plan of ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt wanneer de toename lager is dan 3%. Voor stikstofdepositie geldt een vergunningsplicht onder de Wet Natuurbescherming, als er een toename is van >0,00 mol N/ha/jaar. In een dergelijk geval moet er gecompenseerd worden. Luchtkwaliteit De ontgronding wordt op basis van ervaring met soortgelijke projecten in principe vergunbaar geacht op het onderdeel luchtkwaliteit. Voorafgaand aan uitvoering dient wel gedegen onderzoek plaats te vinden.
Er zijn mogelijk eisen aan de werkwijze en het ontwerp van toepassing.
Stikstofeffecten Uit berekeningen [3] blijkt dat de activiteiten bij de zandwinning niet leiden tot een netto stijging van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Dit geldt wanneer er (zoals beoogd) gebruik wordt gemaakt van een elektrische wininstallatie. Hiervoor moet interne saldering met landbouwgrond (mestaanwending) plaats vinden. Voor genoemde activiteiten geldt dan geen vergunningplicht voor de Wet Natuurbescherming. Door het omvormen van bemeste landbouwgrond naar natuur en water vindt er per saldo een afname van stikstofdepositie plaats. Afhankelijk van de te maken combinatie kan deze afname worden ingezet ten behoeve van overige werkzaamheden binnen de gebiedsontwikkeling en/of voor de afname van de stikstofbelasting van omliggende natuurgebieden. Bron [1] Geluidsanalyse. (Bijlage J) [2] Handreiking - Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening - Kenniscentrum InfoMil [3] Stikstofinventarisatie. LBP Sight, 11 maart 2022. (Bijlage K)
4.6.3
Externe veiligheid
Het transport van gevaarlijke stoffen via de scheepvaart op de Maas en de Waal, de aanwezigheid van een hogedrukgasleiding ten zuiden van de Jan Klingenweg en de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven zijn aandachtspunten voor het aspect externe veiligheid. Op voorhand wordt geen effect verwacht op of van het transport van gevaarlijke stoffen via de scheepvaart op de Maas en de Waal. Bij vergravingen (bijvoorbeeld voor de getijdengeul die de Marensche Waarden met het Gat van Sientje verbindt) ter hoogte van de hogedrukgasleiding dient hier rekening mee te worden gehouden en overleg te worden gepleegd met de Gasunie. Mogelijk is een verlegging aan de orde. Naar de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven vanuit de Tweede Wereldoorlog is voor een deel van het zoekgebied zandwinning eerder onderzoek gedaan. Mede aanleiding hiervoor waren geruchten over een mogelijke munitiedump in het gebied. Aan de hand van beschikbare informatie en het verhoor van getuigen en locatiedeskundigen is onderzoek uitgevoerd. De conclusie van het onderzoek is dat het gebied (de Marensche Waarden) in het verleden (na afloop van de Tweede Wereldoorlog) al tot gemiddeld +2.5 meter N.A.P is vergraven. Hierdoor is de kans op het aantreffen van explosieven binnen het onderzoekgebied zeer gering. Er werd geen aanleiding gezien tot vervolgonderzoek [1].
Bron [1] Onderzoeksrapport Marensche Waard. Saricon, 30 mei 2008.
4.7
Archeologie
Bij vergravingen bestaat de kans dat er archeologisch waardevolle objecten naar boven worden gehaald. Dit hoofdstuk gaat in op de vraag: o Op welke manier wordt rekening gehouden met de archeologische waarden bij de ontzanding? Algemene verplichting Bij ontgrondingen bestaat de potentie om archeologische stukken naar boven te halen, maar tevens het risico deze te missen of beschadigen. Vandaar dat een archeologisch onderzoek een vereiste is voor het verkrijgen van een ontgrondingenvergunning [1]. Op basis van een dergelijk onderzoek wordt bepaald hoe er tijdens de graafactiviteiten rekening gehouden moet worden met eventuele archeologische vondsten. Marensche Waarden De manier waarop rekening gehouden wordt met archeologische vondsten is afhankelijk van de verwachtingswaarden. De Marensche Waarden bestaan uit grofweg drie delen qua archeologische verwachtingen waarbinnen een matige tot hoge verwachtingswaarde geldt. Het gaat om de dijkzone, het noordelijk deel (laat middeleeuwse kronkelwaard) en zuidelijk deel (middeleeuwse maasbedding) (Figuur 4-18). De verwachtingswaarden zijn gebaseerd op vooronderzoek van RAAP bij een eerdere MER [2], een masterthesis
[3] en het gemeentelijk beleid [4]. (zie overzicht hieronder). Een aantal eerdere vondsten (Figuur 4-19) suggereert dat er inderdaad vondsten verwacht kunnen worden. Bij recente boringen om het zandvoorkomen te bepalen is… aangetroffen (vraag gesteld aan uitvoerder).
Figuur 4-18: Zones in Marensche Waarden met verschillende verwachtingswaarden: dijkrand (oranje), Middeleeuwse Maasbedding (groen-blauw), Middeleeuwse kronkelwaard (licht groen).
Figuur 4-19: Archeologische vindplekken nabij de Marensche Waarden [5]
Tabel 4-4: Overzicht verwachtingswaarden van de archeologische deelgebieden
Deelgebied Tegen dijkrand
Noordelijk deel (Laat Middeleeuwse Kronkelwaard)
Zuidelijk deel (Middeleeuwse Maasbedding)
Onderzoek RAAP [2]
Thesis Hemert [3]
Gemeentebeleid [4]
Verwachting
Hoge verwachting Romeinse tijd en ouder
Hoge verwachtingen
Benodigde Actie
Behoud bestaande situatie/vroegtijdig onderzoek
Hoge verwachting Romeinse tijd en ouder Behoud bestaande situatie/vroegtijdig onderzoek
Verwachting
verspoelde resten Romeinse Tijd/Middeleeuwen
Benodigde Actie
Geen restricties, begeleiding bij graafwerk nodig
Watergerelateerde objecten uit de Romeinse tijd; verspoelde resten Romeinse Tijd/Middeleeuwen Begeleiding bij graafen baggerwerk nodig
Verwachting
Watergerelateerde objecten uit de Middeleeuwen; verspoelde resten
Watergerelateerde objecten uit de Middeleeuwen; verspoelde resten
Geen vrijstelling bij projecten groter dan 1.000m2 en dieper dan 30cm Hoge verwachtingen
Geen vrijstelling bij projecten groter dan 1.000m2 en dieper dan 30cm Middelmatige verwachtingen
Benodigde Actie
Romeinse Tijd/Middeleeuwen Begeleiding bij graafwerk nodig (staat in MER niet zo vermeld, wel in onderzoek)
Romeinse Tijd/Middeleeuwen Begeleiding bij graafen baggerwerk nodig
Geen vrijstelling bij projecten groter dan 5.000m2 en dieper dan 150cm
Het deel tegen de dijkrand ligt buiten het zoekgebied zandwinning en zal niet ontgraven worden. In de rest van de Marensche Waarden geldt selectief archeologisch begeleiding als sterke aanbeveling, zowel bij graaf- als baggerwerkzaamheden. Nader archeologisch onderzoek is dan nodig indien belangrijke vondsten gedaan worden tijdens de ontgronding. Vooraf zal er een Programma van Eisen opgesteld worden voor archeologische begeleiding, waarin maatregelen als het trainen van graafmachinisten in het herkennen van archeologische resten kunnen worden opgenomen. Ook de begeleiding door (amateur) archeologen van de werkzaamheden is een mogelijkheid. Hier is op andere plekken (bijvoorbeeld in Over de Maas) goede ervaring mee op gedaan. Eventuele archeologische vondsten kunnen bijdragen aan het zichtbaar maken van het historische verhaal van de plek door deze te presenteren met bijvoorbeeld informatieborden of in een locatie in het dorp.
Bronnen [1] Beleidsplan zandwinning Beleidsplan Zand- en kleiwinning Gelderlan.pdf (gelderland.nl) [2] Vooronderzoek RAAP - Microsoft Word - NO1347-MADA.doc (dekkergroep.nl) [3] Thesis van Hemert - Microsoft Word - 000-tekst-app.V2.1-3mb.versie.doc (dekkergroep.nl) [4] Gemeentebeleid archeologie - agp 7 RUIMTE 03.04.13 rv Archeologiebeleid Maasdriel (openarchivaris.nl) b_NL.IMRO.0263.BP1134-VG01_tb1.pdf (ruimtelijkeplannen.nl) [5] Archeologische Vindplekken - Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie (gelderland.nl)
5
CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN
5.1
Conclusie
Gemeente Maasdriel en familiebedrijf Dekker zijn de initiatiefnemers voor een onderzoek naar de mogelijkheden voor een integrale gebiedsontwikkeling van de omgeving rond Alem en Sint Andries. Dit doen zij in samenwerking met het Rijk, provincies Gelderland en Noord-Brabant en de waterschappen Aa en Maas en Rivierenland en in afstemming met Staatsbosbeheer en de betrokkenen bij de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Daarnaast is ook een klankbordgroep bij het onderzoek betrokken. De doelstellingen voor de gebiedsontwikkeling zijn 1) ontwikkeling riviernatuur, 2) versterken leefbaarheid en toeristisch-recreatieve potentie, 3) optimaliseren rivierbeheer en 4) duurzame grondstoffenwinning. Vanuit verschillende overheidspartijen zijn in het kader van het onderzoek vragen gesteld, bijvoorbeeld over de kansen voor waterstandsdaling en natuurontwikkeling. Vanuit partijen in de klankbordgroep zijn zorgen geuit over de gebiedsontwikkeling, en met name over de mogelijke grondstoffenwinning. De zorgen gaan bijvoorbeeld over de invloed van vergravingen op het grondwater, de toepassing van materiaal van buiten het gebied, mogelijke schade aan woningen en het verdwijnen van landbouwgrond.
Om de vragen en zorgen te adresseren zijn in overleg met alle betrokken partijen 1) uitgangspunten voor grondstoffenwinning geformuleerd en 2) een reeks onderzoeken uitgevoerd de mogelijke invloed van de gebiedsontwikkeling en grondstoffenwinning op het milieu en de leefomgeving. De aanwezigheid van goede kwaliteit zand en klei is de reden dat grondstoffenwinning in de Marensche Waarden wordt onderzocht. De grondstoffen zijn van belang voor ontwikkelingen zoals woningbouw en dijkversterkingen. Voor winning geldt een werkwijze met wettelijke uitgangspunten: bepaalde werktijden, geborgd beheer, nulmetingen voor schade bij risico en milieu-eisen. De extra uitgangspunten voor grondstoffenwinning laten zich als volgt samenvatten: • Geen toepassing van gebiedsvreemd materiaal • Afvoer van grondstoffen volledig per schip • Elektrisch winnen • Oplevering van de meerwaarden eerst. • Meer nulmetingen voor schade dan wettelijk bepaald en gezamenlijke kijken naar de mogelijkheden voor een schadeloket De uitgevoerde onderzoeken kennen nog niet de diepgang van een volledige milieueffectrapportage. Daar is de planvorming nog niet ver genoeg voor gevorderd. De onderzoeken zijn op basis van plannen op hoofdlijnen (zoals een zoekgebied voor zandwinning en potentiële oplossingsrichtingen) uitgevoerd.
Uit de onderzoeken ontstaat een beeld van een in potentie haalbaar en uitvoerbaar plan dat kan worden uitgewerkt tot op het niveau dat aan alle wettelijke eisen wordt voldaan en het vergunbaar is. Per aspect zijn de conclusies als volgt. • Rivierbeheer. Verschillende maatregelen kunnen leiden tot een waterstandsdaling van 1,6 – 8,4 cm. Dat kan een bijdrage leveren aan waterveiligheid en specifiek aan het dijktraject Lith-Bokhoven. Met een goed ontwerp zijn de maatregelen naar verwachting vergunbaar. • Waterveiligheid. De ontgraving voor de grondstoffenwinning heeft geen invloed op stabiliteit van de waterkering. Met inachtneming van maatregelen is er waarschijnlijk geen effect van de getijdengeul op de dijkstabiliteit. Er is wel een groot effect van de vergraving voor een haven op de stabiliteit van de waterkering. Dit deel van het dijktraject bij Alem is bij de wettelijke beoordeling, uitgevoerd in 2020, niet goedgekeurd voor het faalmechanisme piping. Er is een kans om door een combinatie van grondstoffenwinning, vergraving voor de haven en bijvoorbeeld een pipingscherm aan te brengen het risico op piping te verminderen. Voor een stabiel talud van de grondstoffenwinning zijn werkbare aanbevelingen geformuleerd. • Hydrologie. Uit de berekeningen blijkt dat de invloed van de uitbreiding van de zandwinning op de grondwaterstanden en kwel/wegzijging in de omgeving beperkt is.