CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c - Vooronderzoek milieu en omgeving

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente MaasdrielBij agendapunt: MIRT-onderzoek Gebiedsontwikkeling Alem en St. Andries17.959 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

MIRT onderzoek IRM Gebiedsontwikkeling Alem - Sint Andries Vooronderzoek milieu- en omgevingseffecten

Definitief 12 juli 2023

Auteurs Gaston Graaf Paul Hospers Teun van der Werf

Gemeente Maasdriel Dekker Groep Dekker Groep

Inhoud 1

2

3

4

INLEIDING ........................................................................................................................................................ 3 1.1

Achtergrond en aanleiding .................................................................................................................... 3

1.2

De onderzoeken..................................................................................................................................... 3

1.3

Doel vooronderzoek en leeswijzer ........................................................................................................ 4

BASIS VOOR ONDERZOEKEN ........................................................................................................................... 5 2.1

Werkwijze en proces ............................................................................................................................. 5

2.2

Context voor onderzoeken .................................................................................................................... 5

2.3

Beschikbare informatie .......................................................................................................................... 7

UITGANGSPUNTEN VOOR UITVOERING ONDERDEEL GRONDSTOFFENWINNING .......................................... 8 3.1

Belang van grondstoffenwinning ........................................................................................................... 8

3.2

Werkwijze .............................................................................................................................................. 9

3.3

Planning en fasering ............................................................................................................................ 17

3.4

Toegankelijkheid .................................................................................................................................. 20

3.5

Geen gebiedsvreemd materiaal .......................................................................................................... 20

3.6

Omgang met eventuele schade ........................................................................................................... 22

3.7

Toekomstig beheer .............................................................................................................................. 23

EFFECTENBEPALING, MILIEUASPECTEN EN AANDACHTSPUNTEN ................................................................ 26 4.1 4.1.1

Rivierbeheer (waterstand, morfologie, scheepvaart) ..................................................................... 26

4.1.2

Waterveiligheid (stabiliteit waterkering, golfslag) .......................................................................... 28

4.1.3

Hydrologie (kwel, grondwater, droogte) ......................................................................................... 29

4.2

Natuur.................................................................................................................................................. 30

4.2.1

Betekenis van Biodiversiteit ............................................................................................................ 30

4.2.2

Natuureffecten ................................................................................................................................ 33

4.3

Landbouw ............................................................................................................................................ 34

4.4

Milieu ................................................................................................................................................... 34

4.4.1

Bodem ............................................................................................................................................. 34

4.4.2

Waterkwaliteit ................................................................................................................................. 34

4.5

Landschap en wateroppervlak ............................................................................................................. 37

4.6

Leefomgeving ...................................................................................................................................... 48

4.6.1

Geluid .............................................................................................................................................. 48

4.6.2

Luchtkwaliteit (inclusief stikstof) ..................................................................................................... 49

4.6.3

Externe veiligheid ............................................................................................................................ 50

4.7 5

Water ................................................................................................................................................... 26

Archeologie .......................................................................................................................................... 50

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN .................................................................................................................. 53 5.1

Conclusie.............................................................................................................................................. 53

5.2

Aanbevelingen ..................................................................................................................................... 54

5.3

Vervolg (proces) ................................................................................................................................... 54

1

INLEIDING

Voorliggend rapport vormt een bijlage bij het hoofdrapport ‘MIRT-onderzoek Gebiedsontwikkeling Alem’. In dit rapport zijn de resultaten van verrichte onderzoeken weergegeven.

1.1

Achtergrond en aanleiding

Het MIRT-onderzoek1 naar de potentie voor een integrale gebiedsontwikkeling van de omgeving rond Alem en Sint Andries (Figuur 1) bevatte initieel geen uitgebreide milieuanalyses, omdat dat in deze fase niet gebruikelijk is.

Figuur 1-1: Plangebied

De eerste stap van het MIRT-onderzoek was het in beeld brengen van bestaande ruimtelijke waarden, wensen en aandachtspunten. Het verzamelen van de informatie, de rapportage daarover en het opstellen van potentiële oplossingsrichtingen is in overleg met de projectgroep (bestaande uit projectpartners) en klankbordgroep (bestaande uit gebiedspartijen) uitgevoerd. Hierbij zijn er vanuit de klankbordgroep zorgen geuit over (de effecten van) verschillende mogelijke maatregelen. Ook vanuit de projectgroep zijn er aanvullende vragen gesteld. Deze vragen en zorgen zijn serieus genomen en zijn aanleiding geweest om een vooronderzoek te verrichten en hiervoor een jaar de tijd te nemen. Het voorliggend vooronderzoek is het resultaat van deze vragen en de antwoorden daarop. Voor het bepalen welke vragen in dit stadium de aandacht vragen en de beantwoording van de vragen is in samenspraak met de projectgroep en klankbordgroep een Plan van Aanpak vooronderzoek milieu- en omgevingseffecten opgesteld (Bijlage A).

1.2

De onderzoeken

Dit vooronderzoek moet alle betrokkenen (omgeving én initiatiefnemers) een beter inzicht geven in de haalbaarheid van enkele (ideeën voor) inrichtingsmaatregelen voor de gebiedsontwikkeling. In vergelijkbare gebiedsontwikkelingen komt een groot deel van de gestelde vragen pas in latere fases aan bod. Dan is er immers een ruimtelijk ontwerp dat getoetst kan worden. Dat is er nu nog niet. Daarom worden veel vragen in dit stadium op hoofdlijnen beantwoord. De gestelde vragen kunnen grofweg in drie categorieën worden ingedeeld. 1.

1

Uitgangspunten grondstoffenwinning. De vragen gaan over de uitvoering van een eventuele grondstoffenwinning. De vragen hebben betrekking op de haalbaarheid en effecten van het onderdeel grondstoffenwinning.

MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) is een investeringsprogramma van het Rijk voor o.a. gebiedsontwikkelingen. Projecten die onderdeel zijn van het MIRT doorlopen een vast traject dat start met het zogenaamde MIRTonderzoek. Het MIRT-Onderzoek brengt de opgaven, potentie en betrokkenen van een project in beeld. Vervolgens komen de MIRTVerkenning en MIRT-Planuitwerking. De MIRT-Verkenning leidt tot een gewogen besluit over welke elementen onderdeel zijn van het project. De MIRT-Planuitwerking maakt het project concreet tot in detail.

2.

3.

Milieu- en omgevingseffecten grote maatregelen. De vragen gaan over de effecten op water, natuur, milieu, archeologie, landbouw en de omgeving/omwonenden van de grondstoffenwinning, ecologische nevengeul, grootschalige natuurontwikkeling, verplaatsen haven en maatregelen ten behoeve van waterstandsdaling. De vragen hebben betrekking op de haalbaarheid en effecten van de specifiek genoemde onderdelen. Aanvullende kansenanalyse. De vragen gaan over onderbelichte thema’s van de eerdere analyses: leefbaarheid, recreatie, dijkversterking en rivierbosontwikkeling. De vragen hebben betrekking op de meerwaarde die de gebiedsontwikkeling kan bieden. Deze vragen zijn geen onderdeel van dit vooronderzoek en de antwoorden hierop komen in de rapportage van het MIRT-onderzoek aan bod.

De onderzoeksopgave is in samenwerking met de klankbordgroep vastgesteld. Omdat in de klankbordgroep veel vragen en zorgen bestaan omtrent de grondstoffenwinning richten veel onderzoeken zich op dit onderdeel van de gebiedsontwikkeling.

1.3

Doel vooronderzoek en leeswijzer

Dit vooronderzoek is opgesteld met twee hoofddoelen: 1. 2.

Het beschrijven van de aanleiding voor en de wijze van uitvoering voor het vooronderzoek. Dit hoofdstuk heeft de aanleiding beschreven, terwijl hoofdstuk 2 ingaat op de manier van onderzoek doen. Het beschrijven en bundelen van de onderzoeksuitkomsten, als onderbouwing bij het MIRT Onderzoek. Het bespreken van de uitkomsten met betrokkenen wordt zo ook gefaciliteerd. Hoofdstuk 3 behandelt de uitkomsten van de vragen over de uitgangspunten van de zandwinning. Hoofdstuk 4 behandelt de uitkomsten van de vragen over de milieu- en omgevingseffecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de besprekingen met de betrokkenen.

Hoofdstuk 6 geeft de conclusies.

2

BASIS VOOR ONDERZOEKEN

2.1

Werkwijze en proces

De onderzoeken zijn uitgevoerd door en in opdracht van de kerngroep, die bestaat uit gemeente Maasdriel en grondstoffenbedrijf Dekker. Afhankelijk van het onderzoek is een deskundig onderzoeksbureau ingeschakeld of is bureauonderzoek gedaan. De onderzoeken zijn in samenspraak met de projectgroep en de klankbordgroep uitgevoerd. Deze groepen zijn op vier momenten bij de onderzoeken betrokken. 1. Bij het bepalen van de onderzoeksagenda. Er wordt gezamenlijk besproken naar welke aspecten er onderzoek wordt gedaan. Dit gebeurde in de periode juli tot en met september 2021. De uitkomst hiervan heeft geleid tot een overzicht met vragen. 2. Bij het vaststellen van het Plan van Aanpak van de onderzoeken (proces, onderzoeksvragen – Bijlage A) en de uitvragen naar onderzoeksbureaus. Dit gebeurde in de periode september tot en met oktober 2021. 3. Bij de uitvoering van de onderzoeken. Afhankelijk van het te onderzoeken aspect is informatie gevraagd vanuit de projectgroep en de klankbordgroep. Deze informatie is gebruikt voor het onderzoek. 4. Bij de oplevering van de onderzoeken. Dit rapport en de aparte onderzoeksrapportages zijn gedeeld en besproken met de projectgroep en de klankbordgroep. De onderzoeken zijn uitgevoerd en besproken in de periode november 2021 - mei 2022.

2.2

Context voor onderzoeken

Gedetailleerd onderzoek naar maatregelen in een gebiedsontwikkeling wordt verricht op basis van een ruimtelijk ontwerp. Er is echter nog geen plan met ruimtelijk ontwerp voor de gebiedsontwikkeling. Dat heeft consequenties voor dit vooronderzoek: • •

•

Er zijn (ruimtelijke) uitgangspunten nodig. Deze zijn meestal verbonden aan het meest ingrijpende scenario, zodat de maximale effecten beoordeeld kunnen worden. Effecten worden beoordeeld op hoofdlijnen, (gebruikmakend van expertise en eenvoudige methodes om de vragen te kunnen beantwoorden: Is het veilig? Kan er een vergunning voor worden verleend? Welke effecten zijn relevant?). Effecten worden vergeleken met de huidige situatie.

Het plangebied, de (concept) potentiële oplossingsrichtingen en geformuleerde zoekgebieden vormen de ruimtelijke uitgangspunten. Het plangebied (Figuur 1-1) geeft aan waarbinnen maatregelen kunnen plaatsvinden. De potentiële oplossingsrichtingen (zie Hoofdstuk 4 van het MIRT Onderzoek) geven de locaties van te onderzoeken maatregelen weer. Voor het onderzoek naar de grondstoffenwinning en verplaatsen van de haven zijn zoekgebieden aangewezen, want specifieke contouren zijn van belang om onderzoeken uit te kunnen voeren. Deze zoekgebieden geven een maximale grens aan. Het zoekgebied verplaatsing haven (Figuur 2-1) is zo ingericht dat de haven minimaal zijn huidige oppervlak behoud en buiten de stroombaan van de eventueel te verlagen dam komt te liggen, terwijl het droge deel niet hoeft te verplaatsen. Het zoekgebied grondstoffenwinning (Figuur 2-2) ligt in het gebied waar Dekker grondeigenaar is. Voor de contouren is rekening gehouden met de dijkbeschermingszone van Waterschap Rivierenland en het behoud van de reeds bestaande landtong. Binnen dit zoekgebied was een specificatie nodig met enkele herinrichtingsmaatregelen voor de onderzoeken. Figuur 2-3 toont deze uitwerking. De randen waarop de winning in deze uitwerking is ingestoken liggen in het zuiden op de grenzen van het zoekgebied, en aan de noord- en westkant wat naar binnen, zodat de noordrand blijft bestaan.

Aan de zuidkant is eerst een brede ondiepe oeverzone (met nader te bepalen invulling) ingetekend. Dit vormt samen met de eveneens ingetekende zomerkade (oranje) de dijkzone. Een te maken eiland is in het westen ingetekend. In de noordoosthoek is een uitwisselzone ingetekend – hier wordt eerst (grof) zand gewonnen en later vanuit het plangebied (fijn) zand aangebracht om een schiereiland te maken.

Figuur 2-1: Zoekgebied verplaatsen haven

Figuur 2-2: Zoekgebied grondstoffenwinning

Figuur 2-3: Uitwerking van bouwgrondstoffenwinning en herinrichtingselementen voor het onderzoek

Naast deze ruimtelijke uitgangspunten zijn ook de randvoorwaarden en werkwijze van de ontzanding van belang voor het beantwoorden van de vragen. Er zijn daarom uitgangspunten voor de grondstofwinning opgenomen (hoofdstuk 3). Enerzijds worden met het opstellen van deze uitgangspunten al onderzoeksvragen beantwoord. Anderzijds vormen zij input voor de te verrichten onderzoeken, bijvoorbeeld naar milieueffecten van de uitvoering. Benadrukt wordt dat deze uitgangspunten voor het onderzoek niet betekenen dat deze ook het uiteindelijke plan vormen. Door de potentiële oplossingsrichtingen en zoekgebieden als uitgangspunten aan te houden onderzoeken we het maximale scenario, waarin de effecten het grootst zijn. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld de grondstoffenwinning de ruimtelijke contouren niet zal overschrijden (dus niet groter wordt en/of dichter bij de dijk komt dan wat is onderzocht).

2.3

Beschikbare informatie

Er is al veel gedetailleerd onderzoek beschikbaar waar gebruik van is gemaakt. Het Plan van Aanpak (Bijlage A) bevat een opsomming van dit onderzoek. Het bestaande onderzoek is aangevuld waar dat nodig is.

3

UITGANGSPUNTEN VOOR UITVOERING ONDERDEEL GRONDSTOFFENWINNING

De vragen in dit hoofdstuk gaan in op uitgangspunten en randvoorwaarden bij een eventuele grondstoffenwinning. De onderwerpen zijn op zichzelf van belang voor de haalbaarheid en effecten op de omgeving, terwijl sommige ook als basis dienen voor onderzoek naar milieuaspecten (Hfst. 4).

3.1

Belang van grondstoffenwinning

Bouwgrondstoffenwinning is voor meerdere ontwikkelingen van belang. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o Wat is het nationale belang van bouwgrondstoffenwinning en hoe is dat onderdeel van de nationale omgevingsvisie (NOVI)? o Welke ontwikkelingen in de regio hebben baat bij een grondstoffenwinning bij Alem? o Wat betekent het nationale belang voor het planproces? Kan er bijvoorbeeld een aanwijzing vanuit het Rijk komen? Nationaal belang Het winnen van bouwgrondstoffen langs de Nederlandse rivieren is van nationaal belang voor een toekomstbestendige economie, de woningbouw en het verbeteren van de infrastructuur. In de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt de duurzame winning van (bouw)grondstoffen expliciet aangemerkt als onderdeel van nationaal belang 13: Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. De NOVI neemt de circulaire economie als uitgangspunt, en gaat uit van verduurzaming van de nog noodzakelijke winning van (bouw)grondstoffen [1]. De nog noodzakelijke bouwgrondstoffenwinning is nodig voor het realiseren van de nationale belangen 5-7 uit de NOVI. Deze belangen hebben betrekking op het uitbreiden, herstellen en renoveren van het woningaanbod en de infrastructuur ten behoeve van mobiliteit. Zo moet tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot [1].

Ook als maximaal wordt ingezet op duurzaamheid, hergebruik en circulariteit blijft een groot aandeel aan primaire bouwgrondstoffen nodig voor de nationale bouwopgave. We bouwen immers meer dan dat we slopen. Naar verwachting kan tegen 2050 rond de 20% van de bouwopgave worden ingevuld door hergebruik van secundaire bouwgrondstoffen, in 2030 ligt dat lager [2]. Grootschalige import van bouwgrondstoffen is niet wenselijk. Aangezien het om enorme hoeveelheden gaat (jaarlijks gebruik is 100-150 miljoen ton [3], dat is 4-6 miljoen vrachtwagens) is het transport een belangrijke factor in de kosten en de milieu-impact. Het is dus beter bouwgrondstoffen van dichtbij te halen. Winningen van zand, grind en klei vinden voor meerdere redenen het beste langs de rivieren plaats. Ten eerste bevindt zich hier grover zand, wat nodig is voor betonproductie. Ten tweede faciliteert dat transport per schip, wat het aantal vrachtwagenbewegingen limiteert. Ten derde vallen hier passende maatschappelijke meerwaarden te behalen in combinatie met een winning, bijvoorbeeld: rivierverruiming en natuurontwikkeling. Dat laatste past weer bij het nationale belang van een toekomstbestendige economie, welke een ecologisch stabiel systeem met voldoende biodiversiteit als voorwaarde stelt. Het sluit ook aan bij de visie van provincie Gelderland.

In het recent verschenen Panorama op de Gelderse rivieren wordt opgemerkt dat naast de levering van grondstoffen voor de bouw en dijkversterking delfstoffenwinning een belangrijke bijdrage kan leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Ook kan het een bijdrage leveren aan de opgaven voor het rivierengebied, zoals rivierverruiming en natuurontwikkeling [4]. Regionale ontwikkelingen Zoals hierboven gesteld scheelt het voor een project in de kosten en milieu-impact wanneer bouwgrondstoffen van dichtbij en grotendeels over water worden aangevoerd. Het is daarom aannemelijk dat bouwgrondstoffen uit de gebiedsontwikkeling in de regio gebruikt worden. De volgende grote regionale ontwikkelingen hebben mogelijk direct baat bij bouwgrondstoffenwinning in de Marensche Waarden. Woningbouw is voorzien in gemeente Maasdriel en alle omliggende gemeenten, waarbij met name voor Den Bosch en Oss veel huizen gebouwd gaan worden. [5] Dijkversterkingen kennen een sterke behoefte aan klei. Waterschap Aa en Maas gaat de dijken aan de overzijde van de Maas tussen Bokhoven en Lith versterken rond 2030. Rond die periode zal ook de Heerewaardensche

afsluitdijk worden versterkt. Eerder vinden er dijkversterkingen in de regio plaats tussen Gorinchem en Dodewaard aan de noordzijde van de Waal en tussen Cuijk en Lith aan de zuidzijde van de Maas (2023-2027). [6] De voorziene verbreding A2 tussen Deil en Vught ligt vlakbij de eventuele zandwinning. De uitvoering, waarvoor veel bouwgrondstoffen nodig zijn, is gepland tussen 2025 en 2031. [7] Betekenis nationaal belang voor het planproces Het nationale belang van bouwgrondstoffenwinning maakt dat het voor gebiedsontwikkeling Alem-St Andries als een apart doel gezien kan worden. Het is daarmee een aanvullende reden om het MIRT-proces door te zetten. Een aanwijzing voor grondstoffenwinning bij Alem door het Rijk op basis van de aanwezigheid van bouwgrondstoffenwinning als nationaal belang in de NOVI is onwaarschijnlijk. De NOVI zelf dient als leidend principe en niet als afdwingbaar doel (het fungeert als een structuurvisie onder de Wro (Wet ruimtelijke ordening) en straks als omgevingsvisie onder de Omgevingswet). Medeoverheden, burgers en bedrijven zijn niet direct juridisch aan de visie in de NOVI gebonden [1]. De NOVI wordt wel vertaald in investeringsbeslissingen, programma’s en waar nodig in regelgeving. Theoretisch kunnen daar aanwijzingen voor bouwgrondstoffenwinning uit voortvloeien, bijvoorbeeld middels een rijksinpassingsplan [8].

Daar is momenteel echter geen sprake van. Mocht het in het onwaarschijnlijke geval toch tot een aanwijzing komen, dan blijven alle voorwaarden voor de vergunningverlening gelden. Conclusie Grondstoffenwinning is van nationaal belang en ook in de regio spelen op korte en middellange termijn enkele grootschalige projecten waar behoefte zal zijn aan grondstoffen. Voor grondstoffenwinning spelen rivierlocaties een belangrijke rol, zo ook een mogelijke grondstoffenwinning bij Alem. Het is echter niet aannemelijk dat specifiek voor de locatie een aanwijzing vanuit het Rijk of provincie zal plaatsvinden. Bronnen [1] Nationale omgevingsvisie - Nationale Omgevingsvisie [2] TNO & EIB analyse bouwopgave - Quickscan impact assessment (circulaire) bouwopgave MRA [3] Winning en verbruik van oppervlaktedelfstoffen - Compendium voor de Leefomgeving [4] Panorama Gelderse Rivieren - Gelders Panorama voor de Rivieren [5] Nationale Woningbouwkaart - Nationale Woningbouwkaart [6]Programmavoorstel Hoogwaterbeschermingsprogramma - Definitief programmavoorstel 2022-2027 en 2033 [7] Verbreding A2 - MIRT-verkenning A2 Deil Vught [8] Rijksinpassingsplan - De Wro in het kort - Kenniscentrum InfoMil

3.2

Werkwijze

De bouwgrondstoffenwinning vergt de inzet van machines. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o Hoe worden welke machines ingezet voor de winning? o Hoe worden welke machines ingezet voor de herinrichting? o Hoe worden welke machines ingezet voor het transport?

Werkwijze winning De bouwgrondstoffenwinning vindt plaats binnen de contouren van het zoekgebied zandwinning (Figuur 2-2). De contouren zijn de uiterste grenzen van de ontzanding. De uiteindelijke grenzen van de ontzanding kunnen ook meer naar binnen komen te liggen. De winning bestaat uit drie onderdelen: het verwijderen en verwerken van de bovengrond middels landmachines het winnen van fijn zand door een drijvende installatie het winnen van grof zand door een drijvende installatie Bovengrond De bovengrond bestaat uit kleiig materiaal dat eerst afgegraven dient te worden vanaf land en vervolgens verplaatst. Dit heet drooggrondverzet. Van die bovengrond kan een deel als klei vermarkt worden (om dijken mee te versterken of bakstenen mee te maken) en een deel elders in het gebied gebruikt worden (dit wordt roofgrond genoemd).

Het drooggrondverzet gebeurt door een ‘set drooggrondverzet’, welke bestaat uit de volgende machines: 1 hydraulische graafmachine 2 vrachtwagens 1 verwerkingsmachine (wiellader, bulldozer of graafmachine) Maximaal twee sets drooggrondverzet zijn gelijktijdig aan het werk in het plangebied, het merendeel van de tijd gaat het om één set. De (maximale) werktijden van deze machines zijn tussen 07:00 en 19:00. Het drooggrondverzet vindt enkel plaats op werkdagen en gaat als volgt: De graafmachine graaft de bovengrond op (Figuur 3-1, a) en laadt de opgegraven grond in een vrachtwagen (Figuur 3-1, b). De vrachtwagen rijdt vervolgens over een rijplatenbaan (Figuur 3-1, c) naar een schip om te verladen of een locatie in het gebied voor herinrichting of depotvorming (Figuur 3-1,d).

Figuur 3-1: Drooggrondverzet

Fijn zand De bovenste zandlaag bestaat uit overwegend fijn zandig materiaal. Dit zandig materiaal wordt grotendeels vermarkt als ophoogzand en deels gebruikt voor herinrichting binnen het gebied. Het winnen gebeurt door de zandzuigcombinatie Rotterdam 6-7. De Rotterdam 6 is een zandzuiger en de Rotterdam 7 een simpele verwerkingsinstallatie. Op werkdagen is deze machine maximaal twaalf uur aan de slag tussen 07:00 en 19:00. Incidenteel wordt op zaterdag gewerkt (bijv. voor onderhoud). De Rotterdam 6-7 wint zand als volgt: De zandzuiger ontvangt stroom door een dikke kabel vanaf de wal. Voorzien van energie door de kabel woelt de zandzuiger de grond op door water te spuiten en zuigt vervolgens het zand-watermengsel op om naar de verwerkingsinstallatie te pompen. (Figuur 3-2). Het zand-watermengsel gaat vervolgens door een zeef om de grote delen (kleiballen, houtstukken en grof grind) eruit te halen (Figuur 3-3). Het overgebleven mengsel wordt met een laadsproeiarm in schip geladen die langszij ligt (Figuur 3-4), daar loopt het water overboord en blijft het zand in het schip. Het schip voert het af naar de bestemming (bijvoorbeeld een bouwproject in de regio waar ophoogzand voor nodig is).

Figuur 3-2: Zand-watermengsel

Figuur 3-3: Zeven van grote delen

Figuur 3-4: Laden van schip met sproeiarmen

De Rotterdam 6 en 7 liggen bij elkaar en verplaatsen zich door het gebied om het zand te winnen. Daarbij ligt de geluidsbron van deze combinatie minimaal 50 meter uit de kant (de wincontour). In de uitwerking (Figuur 2-3) ligt de wincontour op 180m van de dijk (150m beschermingszone + 30m ondiepe oeverzone). De geluidsbron van zandzuiger ligt dus nooit dichterbij dan op 230m van de dijkteen (Figuur 3-5, rode lijn). Afhankelijk van de oriëntatie van de machine (parallel of haaks op de wincontour) kan de voorsteven wat dichterbij dan de 50m van de kant liggen.

Figuur 3-5: Uiterste ligging van winwerktuigen. De winwerktuigen liggen op deze lijn of erbinnen. Rode lijn: Rotterdam 6-7; Oranje lijn: Zandzuiger Emmy, Beige lijn: Klasseerinstallatie Yvonne; Zwarte lijn: alle werktuigen; Blauwe lijn: insteek (aan de zuidzijde zijn het twee lijnen vanwege de oeverzone).

Grof zand Vanaf ongeveer 10m diepte bestaat de grond overwegend uit grof zandig materiaal. Dit zandig materiaal wordt vermarkt als industriezand, hiervan wordt beton geproduceerd. De zandzuig-klasseercombinatie Emmy-Yvonne wint het grove zand. De Emmy is een zandzuiger en de Yvonne is een klasseerinstallatie. Een klasseerinstallatie scheidt het zand op korrelgrootte en mengt ze vervolgens in de gewenste verhouding. Dat heet klasseren. Per werkdag is deze machine maximaal twaalf uur aan de slag tussen 07:00 en 19:00. De Emmy-Yvonne wint het zand als volgt. Het eerste deel is gelijk aan het proces van de Rotterdam 6-7: De zandzuiger ontvangt stroom door een dikke kabel vanaf de wal. Voorzien van energie door de kabel woelt de zandzuiger de grond om door water te spuiten en zuigt vervolgens het zand-watermengsel op. Het zand-watermengsel gaat door meerdere zeven. De kleinere korrelgroottes worden gescheiden in tanks met opstromend water (Figuur 3-6). De verschillende fracties komen in opslagtanks, van waaruit ze worden gemengd op ‘recept’ en worden geladen in een schip die langszij ligt. Het schip voert het af naar de bestemming (bijvoorbeeld een betoncentrale).

Figuur 3-6: Voorbeeld van een zandzuiger (achtergrond) en Klasseerinstallatie (voorgrond) (NB: dit is niet de Emmy-Yvonne). Bovenin: uitleg van klasseerproces (scheiden d.m.v. zeven en opstroomtanks).

De Emmy-Yvonne verplaatst zich door het gebied om het zand te winnen. Daarbij ligt de Emmy altijd minimaal 50m naar binnen vanuit de kant (wincontour). Dit is 80m vanaf de originele wincontour, omdat door de winning van het fijnere zand er minder dichtbij gewonnen wordt (dus 260m vanaf de dijkteen). De Yvonne ligt daar dan gemiddeld 120m achter (Figuur 3-6), wat neerkomt op 380m vanuit de dijkteen (Figuur 3-5)). Ook hier gaat het in principe om de geluidsbron, dat is het midden van de installatie.

Specificaties van het materiaal Drooggrondverzet

Type: Naam/voorbeeld: Inzet voor: Aandrijving Link naar specificaties

Type: Inzet voor

Aandrijving

Type: Naam/voorbeeld: Inzet voor:

Aandrijving Link naar specificaties

Type: Naam/voorbeeld: Inzet voor:

Aandrijving

Hydraulische Graafmachine Volvo 380E Afgraven bovengrond; reconstructie zomerkade; Diesel Volvo Brochure (pagina 20)

Vrachtwagen (50 ton) Roofgrond en klei verrijden binnen Marensche Waarden Diesel

Wiellader (Shovel) Volvo L90H Uitrijden grond (reconstructie schiereiland / dijkzone) Diesel Volvo L90H (machinevergelijker.nl)

Bulldozer CAT D6T Uitrijden grond (reconstructie schiereiland / dijkzone) Diesel

Specificaties van het materiaal Winwerktuigen Type: Naam/voorbeeld: Inzet voor Capaciteit [ton/u] Aandrijving Meer informatie

Zandzuiger Rotterdam 6/7 Zandwinning uit de fijne laag. Opspuiten schiereiland. 1.000 Elektrisch (nu nog Diesel) Bijlage B

Type: Naam/voorbeeld: Inzet voor:

Combinatie zandzuiger-klasseerinstallatie Emmy-Yvonne Afgraven grove laag. Korrelgroottes in juiste verhoudingen brengen voor transport naar betoncentrale 550

Gemiddelde capaciteit [ton/u] Aandrijving Link naar meer info

Elektrisch emmy-yvonne

Werkwijze Herinrichting De herinrichtingselementen gelegen bij de Marensche Waarden zijn onderdeel van de zandwinning en worden dus meegenomen in de werkwijzebeschrijving. De herinrichting rondom de zandwinning bestaat uit drie onderdelen (zie 2.2, Figuur 2-3). Dijkzone inclusief zomerkade Schiereiland Eiland Dijkzone De herinrichting van de dijkzone zal voornamelijk het aanleggen van een nieuwe zomerkade zijn. De machines voor de herinrichting van de dijkzone zijn onderdeel van een ‘set drooggrondverzet’: de verwerkingsmachine, in dit geval een graafmachine. Deze gaat aan de slag nadat het grond is gestort (Figuur 3-7). Schiereiland Het schiereiland wordt aangevuld nadat het grove zand is verwijderd. De aanvulling gebeurt met fijner zand of roofgrond uit het plangebied. Roofgrond wordt, nadat het door een vrachtwagen is gestort door een shovel of bulldozer uitgereden en/of in de plas gereden (Figuur 3-8). Fijner zand wordt door de Rotterdam 6-7 direct opgespoten (Figuur 3-9).

Figuur 3-7: Graafmachine maakt zomerkade

Figuur 3-8: Bulldozer aan het werk

Figuur 3-9: Opspuiten van zand

Eiland Het eiland wordt gecreëerd met roofgrond en fijn zand. Net zoals bij het schiereiland wordt het fijnere zand direct door de Rotterdam 6-7 opgespoten (Figuur 3-9). De roofgrond wordt ter plekke gebracht met een splijtbak. Een splijtbak is een drijvende bak die vanonder open kan. Deze wordt gevuld zoals schepen worden ingeladen (Figuur 3-10). De splijtbak wordt met een duwboot naar de juiste locatie geduwd en daar gelost (Figuur 3-11).

Figuur 3-10: Laden van een schip

Figuur 3-11: Een splijtbak lost een lading

Specificaties Materiaal Reconstructie eiland (voor andere reconstructie delen, zie specificaties materiaal drooggrondverzet en winwerktuigen) Type: Inzet voor: Aandrijving

Splijtbak 800 m3 Verplaatsen bovengrond naar eiland Nvt (wordt geduwd door duwboot)

Type: Inzet voor Aandrijving

Duwboot Duwen splijtbak Diesel

Werkwijze Transport De klei, het ophoogzand en het industriezand worden getransporteerd vanuit het gebied. Een uitgangspunt van de winning is dat alle transport van bouwgrondstoffen per schip gaat. Er worden dus geen bouwgrondstoffen met vrachtwagens het gebied uit gereden. De klei wordt via een laadponton op een schip gereden (Figuur 3-10). Dat laadponton wordt hiertoe tijdelijk in het gebied gelegd. Het zand wordt langszij bij de R6-7 (Figuur 3-4) en Emmy-Yvonne geladen. De schepen gaan vervolgens de Maas op of de sluis door richting de Waal. Afhankelijk van de bestemming wordt een groot of klein binnenvaartschip ingezet. Specificaties van het materiaal Transport

Type: Naam/voorbeeld: Inzet voor: Capaciteit Aandrijving Link informatie

Groot binnenvaartschip Rotterdam 30 / 48 Transport van klei en zand 3000 ton Diesel Green Award Silver voor MDB Rotterdam 30

Type: Naam/Voorbeeld Inzet voor Capaciteit Aandrijving Specificaties

3.3

Klein binnenvaartschip Cotrans 6 Transport van klei en zand 1000 ton Diesel 70m lengte, 7,5m breedte, 3m diepte

Planning en fasering

De bouwgrondstoffenwinning vindt plaats in verschillende fases. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o o

Wat is de werkindeling van de winning? Gedurende welke termijn wordt de grondstoffenwinning uitgevoerd en wanneer worden de delen opgeleverd?

Werkindeling winning De bouwgrondstoffenwinning bestaat uit drie onderdelen, of lagen. De eerste laag is het verwijderen van de bovengrond, de tweede laag bestaat uit het winnen van relatief fijn zand en de derde en diepste laag bestaat uit het winnen van relatief grof zand (zie 3.2). Deze drie lagen gelden voor het hele wingebied. Tevens is reconstructie voorzien van de dijkzone, inclusief oeverzone, voor het eiland en het schiereiland (zie 2.2). De verschillende lagen kunnen uiteraard niet op dezelfde plek tegelijk afgegraven worden. De machines benodigd voor de verschillende lagen (zie 3.2) zullen als een treintje door het gebied bewegen: na de eerste laag te hebben afgegraven komen de machines voor laag 2 etc. Op deze manier wordt voorkomen dat heel het gebied tegelijkertijd op de schop gaat. Er zijn winvlakken bepaald waarbinnen wordt afgegraven (Figuur 3-12). Wanneer 1 laag geheel is verwijderd in een winvlak (binnen de getekende contouren) wordt er gestart met de volgende laag.

Figuur 3-12: Winvlakken (A, B1, B2, C1, C2)

Uitvoering en oplevering Het winnen start het eerste jaar in vak A, zodat de meerwaarden dichtbij Alem als eerst opgeleverd kunnen worden. Deze meerwaarden bevinden zich in de dijkzone met in ieder geval de oeverzone en zomerkade. Vervolgens start de winning in vak B1, de winning van de fijnere laag en later de grovere laag in vak A loopt dan

door. Tussen vakken B1 en B2 is een tijdelijke zomerkade voorzien op de plaats van een bestaande hoogte in het veld (Figuur 3-12, rood-oranje scheiding). Op deze manier wordt de winvolgorde A-B1-C2-C1-B2 mogelijk. Deze volgorde heeft de voorkeur, want het maakt de snelle oplevering van de dijkzone bij Alem mogelijk (nabij vak A en B1), maar het zorgt ook voor ruimte in de tijd bij het uitwisselen bij het schiereiland (vak C2). Aangezien het verwijderen van de bovengrond minder tijd in beslag neemt volgen deze werkzaamheden wel de ‘logische’ volgorde A-B1-B2-C. Figuren 3-13 en 3-14 en Tabellen 3-1 en 3-2 geven de planning in de tijd weer. Er is 9 jaar werk voorzien met een buffer van een jaar (ontgrondingsvergunningen worden normaliter voor 10 jaar uitgegeven). Beide winwerktuigen zijn 7 jaar actief in deze planning.

Figuur 3-13: Planning en fasering voor westelijk deel van de winning.

Figuur 3-14: Planning en fasering voor oostelijk deel van de winning

Tabel 3-1: Overzicht van winning in de 5 winvakken per jaar. BoGr = Bovengrond; Fijn = Fijne laag; Grof = Grove laag; m = maanden Onderdeel

Jaar 1

Jaar 2

Jaar 3

Jaar 4

Vak A

BoGr Fijn 6m

Fijn 6m

Fijn 2m Grof12m Fijn10m

Grof6m

Vak B1

BoGr

Vak C2 Vak C1

BoGr

Vak B2

Fijn 3m Grof6m Fijn 9m BoGr

Jaar 5

Jaar 6

Grof12m

Grof2m

Fijn 6m BoGr Fijn 6m

Grof10m Fijn12m

BoGr

Jaar 7

Jaar 8

Jaar 9

Grof4m Grof8m

Grof8m

Fijn 8m

Grof4m

Grof9m

Jaar 7

Jaar 8

Jaar 9

Jaar 10

Tabel 3-2: Jaarplanning van de (her)inrichting Onderdeel Zomerkade A-B1 Zomerkade B2-C1 Oeverzone A-B1 Oeverzone B2-C1 Eiland Schiereiland

Jaar 1

Jaar 2

Jaar 3

Jaar 4

Jaar 5

Jaar 6

Jaar 10

Het hierboven besproken uitvoeringsschema is niet definitief, maar vormt een voorstelbare planning. Elementen die wel vaststaan zijn: 1) Oplevering van de dijkzone (zomerkade en oeverzone) in het eerste jaar. 2) Maximale uitvoering van 10 jaar.

3.4

Toegankelijkheid

Om in de toekomst van het gebied gebruik te kunnen maken is toegang nodig. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o

Hoe is de toegankelijkheid van het gebied gedurende uitvoering van de grondstoffenwinning en na oplevering er van?

Huidige toegankelijkheid Het grootste deel van de Marensche Waarden wordt verpacht en gebruikt voor landbouw. Voor wandelaars loopt er een klompenpad langs Alem, welke door een deel van de Marensche Waarden gaat [1]. Wandelaars kunnen ook via het pad vanaf de Veerweg tegenover het Moleneind het gebied betreden. Het water is vanaf de kant niet goed toegankelijk. De jachthaven is voor vaarverkeer ontsloten via de oude Maasarm. Toegankelijkheid tijdens de uitvoering Tijdens de uitvoering staat de veiligheid voorop. Plekken waar winactiviteiten gaande zijn zullen daarom niet toegankelijk zijn. Echter zullen veel delen van het gebied wel toegankelijk zijn, omdat daar in de fasering rekening mee wordt gehouden. Daar waar nog niet gewerkt wordt, of daar waar deelgebieden worden opgeleverd zijn deze toegankelijk. De dijkzone (incl. nieuwe zomerkade) wordt het eerst opgeleverd (zie 3.3). Hier kan het bestaande klompenpad op worden aangesloten, waardoor het toegankelijk wordt voor wandelaars. Het is ook mogelijk om een gecombineerd voet-fietspad over de nieuwe zomerkade te realiseren. Daarmee zou er een langzaam verkeersverbinding kunnen ontstaan tussen de jachthaven en Moleneind waardoor dit is gescheiden van gemotoriseerd verkeer op de dijk. Het is mogelijk om ook toegang tot het water te bieden indien die wens leeft, bijvoorbeeld in de vorm van een strandje en/of visplekken.

Deze voorzieningen zijn toegankelijk zolang er niet te dichtbij gewonnen wordt. De verwachting is dat deze voorzieningen in het eerste jaar kunnen worden opgeleverd. Voor het opgeleverde gebied geldt dat in overleg zal moeten worden uitgewerkt welke delen voor wie toegankelijk zijn. Daarbij is onderscheid te maken naar agrarisch gebruik, natuur en recreatie en toerisme (wandelen, fietsen, vissen, varen). De jachthaven zal te allen tijden toegankelijk blijven via de oude Maasarm. Binnenvaartschepen zullen de oude Maasarm ook gebruiken om naar de plas te gaan. Toegankelijkheid na de uitvoering Via nieuwe wandelpaden (en mogelijk fietspad) zijn de dijkzone en het schiereiland straks toegankelijk. Ook het water zal vanaf de kant vrij toegankelijk zijn. Voor boten is na het vertrek van de installaties ruimte op de plas, dit geldt niet voor bijv. jetski’s, zoals ook nu al is vastgelegd in het gemeentelijk beleid [2]. De jachthaven is nog altijd ontsloten via de oude Maasarm. Bronnen [1] Klompenpad Alem - Alemschepad [2] Waterrecreatie Maasdriel - Waterrecreatie Maasdriel

3.5

Geen gebiedsvreemd materiaal

Deelnemende partijen zorgen dat er in de gebiedsontwikkeling en de eventuele grondstoffenwinning geen gebiedsvreemd materiaal wordt toegepast. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o o

Wat is gebiedsvreemd materiaal? Welke juridische opties zijn er om het werken met gebiedsvreemd materiaal uit te sluiten?

Definitie gebiedsvreemd materiaal Dekker en gemeente Maasdriel hebben aangegeven in de uitvoering van de gebiedsontwikkeling te willen werken met een gesloten grondbalans. Een gesloten grondbalans betekent voor gebiedsontwikkeling Alem-St Andries dat er alleen gewerkt wordt met grond dat van binnen het plangebied komt. Er vindt dus geen aanvoer en toepassing plaats van materiaal bedoeld om de grond aan te vullen van buiten het plangebied. Het plangebied is het omlijnde gebied in Figuur 1-1. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt als er voor de realisatie van maatregelen specifiek materiaal nodig is dat niet voor handen is binnen het plangebied. Voorbeelden hiervan zijn een bekleding van een getijdegeul of een kwelscherm. Deze grondstromen worden inzichtelijk gemaakt. Er vindt bij grondstofwinning uiteraard wel afvoer van materiaal uit het gebied plaats.

Vastleggen uitsluiten gebiedsvreemd materiaal Afspraken (zoals werken met een gesloten grondbalans) kunnen worden vastgelegd op verschillende manieren op verschillende momenten in de voorbereiding. De onderstaande opties kunnen ook gecombineerd worden. Optie A - Intentieovereenkomst/samenwerkingsovereenkomst Deelnemende partijen kunnen in onderlinge overeenkomsten afspraken maken. Intentie- en samenwerkingsovereenkomsten zijn voorbeelden van onderlinge overeenkomsten. Deze overeenkomsten kunnen in principe in iedere fase gesloten worden, maar worden vaak in de beginfase gesloten. Ze worden gebruikt als middel om voortgang en bedoelingen van partijen vast te leggen. Daarbij is ook ruimte om specifieke uitgangspunten, verplichtingen etc. (bijv. uitsluiten gebiedsvreemd materiaal) op te nemen. Een handboek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) beschrijft de juridische status van de intentieovereenkomst als volgt: ‘[Het] is niet onomstreden, maar indien zich een geschil voordoet zal de overeenkomst wel degelijk kunnen worden aangemerkt als een bindend document waarmee partijen niet vrijblijvend kunnen omgaan. De wijze van opstelling van de intentieovereenkomst is daarbij van groot belang. Het is immers niet de titel van de overeenkomst (intentie) maar de inhoud die bepalend is voor de juridische status’ [1].

Optie B - Anterieure / realisatieovereenkomst Een bestemmingsplanwijziging is nodig om de gebiedsontwikkeling uit te voeren. Daarbij zijn de kosten voor de initiatiefnemer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) wordt dit geregeld via een exploitatieplan of anderszins, bijvoorbeeld een anterieure overeenkomst (realisatieovereenkomst) tussen gemeente en initiatiefnemer. Pas na de ondertekening van een anterieure overeenkomst zal een bestemmingsplanwijziging worden doorgevoerd. Een anterieure overeenkomst en bestemmingsplanwijziging komen aan het eind van de planuitwerkingsfase aan bod. Een anterieure overeenkomst legt afspraken vast tussen de gemeente en een ontwikkelende partij over het ontwikkelen van een bepaald gebied (grondexploitatie). Bij de anterieure overeenkomst hebben alle partijen veel onderhandelingsruimte. Men mag naast de kosten afspraken maken over (financiële) bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij is ook ruimte om specifieke uitgangspunten, verplichtingen etc. (bijv. uitsluiten gebiedsvreemd materiaal) op te nemen [2,3]. Optie C - Vergunningen Vergunningen zijn nodig voor een gebiedsontwikkeling. Vergunningen beschrijven de goedkeuringen voor een ontwikkeling en de bijbehorende verplichtingen en voorwaarden (de voorschriften). Afspraken (bijv.

uitsluiten gebiedsvreemd materiaal) kunnen als voorschrift worden opgenomen, wat betekent dat de vergunde ontwikkeling niet mag plaatsvinden, tenzij aan die afspraak wordt voldaan. Het aanvragen en opstellen van vergunningen komt aan het eind van de planuitwerkingsfase aan bod. Voor een gebiedsontwikkeling met grondstoffenwinningen zijn minimaal een ontgrondingsvergunning, waterwetvergunning, vergunning wet natuurbescherming en milieuvergunning (wabo) nodig. De ontgrondingsvergunning leent zich specifiek om ruimtelijke afspraken in op te nemen, want hierin staat het uiteindelijke inrichtingsplan [4,5]. Er moet wel een wettelijke basis moet zijn om voorschriften op te nemen. Optie D - Onderzoeken Tal van onderzoeken (bijv. stabiliteit, archeologie) zijn nodig voor het opstellen van een milieueffectrapportage (MER, tijdens Verkenning) en het verkrijgen van vergunningen (planuitwerkingsfase). Een project verplicht zich impliciet aan een gesloten grondbalans te houden door een gesloten grondbalans in het onderzoek als uitgangspunt te nemen. De (milieu)effecten van toepassen van grond van buiten het plangebied zijn immers niet onderzocht, en kunnen dus ook niet vergund worden.

Bronnen [1] Theoretische benadering intentie-overeenkomst - intentie-overeenkomsten (vng.nl) [2] Anterieure overeenkomst 1 - Wat is een anterieure overeenkomst? - Kenniscentrum InfoMil [3] Anterieure overeenkomst 2 - Anterieure overeenkomst [4] Ontgrondingenvergunning - Ontgronding, vergunning (gelderland.nl) [5] Zand en kleiwinning - Beleidsplan Zand- en kleiwinning (gelderland.nl)

3.6

Omgang met eventuele schade

Er wordt een plan opgesteld waarbij zo min mogelijk kans is op schade als gevolg van grondstoffenwinning voor de omgeving. Dat wordt met onderzoeken vooraf onderbouwd. Het plan en de onderbouwende onderzoeken worden aan de bevoegde instanties (provincie, gemeente, waterschap) ter toetsing voorgelegd. De onderzoeken zullen ook door de onafhankelijke m.e.r.-commissie worden beoordeeld. Voorschriften in vergunningen en monitoring tijdens uitvoering van werkzaamheden borgen een zorgvuldige uitvoering. Borging zal ook plaatsvinden in aanvullend hieraan te sluiten overeenkomsten. Voor situaties waarbij schade als gevolg van werkzaamheden zoals vergravingen desondanks toch plaatsvindt zal deze schade worden vastgesteld en gecompenseerd. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o o o o

Reikwijdte: Welke type schade wordt op welke plekken gemonitord? Hoe zien de nulmeting en het monitoringsplan eruit? Hoe en door wie wordt bepaald of schade het resultaat van de vergraving is? Hoe ziet de herstelregeling eruit?

Reikwijdte Alle schade veroorzaakt door grondstoffenwinning door Dekker wordt door Dekker vergoed, mits een causaal verband is vastgesteld. Daarom is het van belang te weten welke schade kan ontstaan, en wat het risico daarop is. Bouwkundige schade kan bij zandwinningen ontstaan vanwege grondwatereffecten of door trillingen vanwege werkzaamheden. Het risico hierop wordt, als onderdeel van de vergunningverlening, voor de uitvoering in beeld gebracht op basis van gedetailleerd onderzoek. Aan de hand van het risico wordt beoordeeld waar metingen en bouwkundige vooropnames noodzakelijk zijn. De provincie schrijft in de ontgrondingenvergunning voor bij welke opstallen een bouwkundige vooropname moet worden gedaan. Dekker kan desgewenst in aanvulling hierop ook aan andere bewoners wier woningen dicht bij de ontgraving liggen een vooropname aanbieden. Dit zal in overleg met de gemeente en omwonenden worden bepaald. Ook zal onafhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek monitoring van eventuele effecten op het grondwater nabij de dijk worden uitgevoerd. Naast bouwkundige schade kan er bij een planologische wijziging (zoals een nieuw bestemmingsplan dat zandwinning mogelijk maakt) planschade optreden. Planschade is er als onroerende zaken (bijvoorbeeld woningen) in waarde dalen of er inkomensschade is doordat er nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.

Om vast te stellen of er een risico is op planschade wordt er door een onafhankelijk deskundig bureau onderzoek uitgevoerd (een planschaderisicoanalyse). Dit onderzoekt vergelijkt de bestaande planologische situatie met de nieuwe situatie. Uit dit onderzoek blijft of en zo ja hoe veel planschade er is. Tussen de initiatiefnemer (Dekker voor de ontzanding) en de gemeente zal voorafgaand aan het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan een planschadeovereenkomst worden gesloten. Hierin wordt vastgelegd dat als er planschade is, Dekker dit dient te vergoeden. Als iemand meent dat er sprake is van planschade dan kan diegene een aanvraag tot vergoeding van planschade indienen bij de gemeente. De gemeente legt dit voor aan een commissie, die advies uitbrengt. Op basis van dit advies neemt de gemeente een besluit. Desgewenst kan Dekker, indien de planschaderisicoanalyse uitwijst dat er planschade is, dit direct (minnelijk) met degene die de schade lijdt regelen. Dit gebeurt dan op basis van de uitkomst van de planschaderisicoanalyse en mede in overleg met de gemeente. Een derde vorm van mogelijke schade is nadeelcompensatie. Dit gaat over schade die voortvloeit uit (rechtmatige) overheidsbesluiten. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitvoeren van een bouwproject of een langdurige wegopbreking.

Uitgangspunt is om schade door dergelijke nadelen door een goede planvorming en uitvoering te voorkomen. Voor zover onevenredige schade niet voorkomen kan worden (en er een causaal verband is met de grondstoffenwinning) zal Dekker dit met degene die schade lijdt minnelijk regelen. Nulmeting en Monitoringsplan voor Bouwkundige schade Een nulmeting, of vooropname, voor bebouwingen waar risico bestaat wordt voor de start van de realisatie uitgevoerd. De vooropname wordt, met toestemming van de bewoner/eigenaar, gedaan door een onafhankelijk bureau. De keuze voor welk bureau dit uitvoert wordt in overleg tussen Dekker en de bewoner(s) gemaakt. Dit bureau volgt een standaard protocol en rapporteert in beeld en geschrift over de bevindingen. Het rapport gaat naar een notaris, de eigenaar en Dekker. De monitoring (en dus constatering) van eventuele schade aan bebouwing gedurende de uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats door de bewoner/eigenaar zelf.

Nulmeting en Monitoringsplan voor Grondwatereffecten De grondwatereffecten worden in onderzoeken berekend. De daadwerkelijk optredende effecten worden vervolgens gemeten en gemonitord. Momenteel zijn er twee grondwatermonitoringsputten in Alem. Deze gelden als 0-meting. Afhankelijk van het risico worden extra peilbuizen geplaatst. Deze worden geplaatst na de startbeslissing over de MIRT-verkenning, zodat er metingen van enkele jaren beschikbaar zijn als aanvulling op de 0-meting. De peilbuizen hebben dataloggers die de grondwaterstanden registreren. De data wordt periodiek uitgelezen. Schadebepaling Schade die optreedt tijdens de werkzaamheden (en dus niet al bij de vooropname is vastgesteld) is mogelijk ontstaan door de werkzaamheden. Een onafhankelijk bureau stelt vast of er sprake is van een causaal verband op basis van de vooropname, de aard van de schade, de verrichte werkzaamheden en gemonitorde grondwaterstanden ten tijde van de schade. In het geval een bewoner schade aan de woning heeft waarvan wordt vermoed dat deze door de werkzaamheden wordt veroorzaakt kijken de bewoner en Dekker hier samen naar. Daarbij kan er vervolgens een onafhankelijk bureau worden ingeschakeld om het vast te stellen. De keuze voor welk bureau dit uitvoert wordt in overleg tussen Dekker en de bewoner(s) gemaakt.

De kosten hiervoor worden binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid gedragen door Dekker. Schade aan bebouwing zonder vooropname wordt beoordeeld indien er voldoende reden is te veronderstellen dat het met de vergraving te maken kan hebben. De werkzaamheden kunnen worden stilgelegd wanneer er veel schade optreedt. Ook na de werkzaamheden kan schade ontstaan als gevolg van de vergraving. Bovenstaande blijft gelden na het beëindigen van de werkzaamheden. Vanuit de klankbordgroep is de wens uitgesproken voor één schadeloket bij de gemeente die ook na de winning bestaan blijft. Bij verdere doorgang van de gebiedsontwikkeling wordt in overleg met de betrokken partijen gekeken of dit mogelijk is. Herstelregeling De verantwoordelijkheid voor de compensatie ligt bij Dekker. Het vastgestelde schadebedrag wordt door de verzekeraar van Dekker (of door Dekker indien het bedrag binnen het eigen risico valt) overgemaakt naar de persoon aan wiens eigendom schade is ontstaan. De gesloten verzekering garandeert de aanwezigheid van middelen om de schade te compenseren. Het schadebedrag wordt na het vaststellen overgemaakt. De eigenaar regelt zelf het herstel op zijn of haar verkozen manier. Dekker kan op verzoek van een bewoner het herstel ook regelen.

3.7

Toekomstig beheer

Wanneer de gebiedsontwikkeling af is, is beheer essentieel om de gerealiseerde waarden in stand te houden. Dit hoofdstuk gaat in op de vragen: o o o

Welke onderdelen behoeven beheer na afloop van de herinrichting? Wat zijn de wettelijke verplichtingen voor de betrokken partijen in het algemeen en per onderdeel? Wat zijn de opties om het beheer te borgen?

Te beheren onderdelen De invulling van de gebiedsontwikkeling staat nog niet vast, welke elementen er onderdeel van worden ligt nog open. Per categorie maatregelen kunnen wel de behoeften voor beheer worden weergegeven. -

-

Natuur Hieronder valt het in stand houden en/of ontwikkelen van specifiek aangeduid habitat en vegetatiegroei in de uiterwaarden Infrastructuur Hieronder vallen (nieuw aan te leggen) openbare wegen, fietspaden, bruggen en wandelpaden. Overig Hieronder vallen objecten bedoeld voor recreatie en het schoonhouden van de openbare ruimte.

Verplichtingen beheer Het grootste deel van de natuur in Nederland wordt beheerd door terrein beherende organisaties zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. In het plangebied heeft Staatsbosbeheer al gronden in eigendom. Zij hebben de wettelijke verplichting dit te (blijven) beheren: Staatsbosbeheer is een rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT). De organisatie is bij wet ingesteld en als zodanig een zelfstandig bestuursorgaan van de Rijksoverheid, ressorterend binnen het domein van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De wettelijke taak is het beheren en duurzaam tot maatschappelijk nut brengen van de toevertrouwde terreinen. Deze taak is geborgd in de Wet Verzelfstandiging Staatsbosbeheer (zie ook: Staatsblad 1997, 514) [1]. Het is gebruikelijk dat bij natuurontwikkeling afspraken worden gemaakt met dergelijke organisaties over beheer na afronding van de ontwikkeling van terreinen die nu nog niet in hun eigendom zijn. Tot op het moment dat dit is gebeurd is de terreineigenaar verantwoordelijk voor een goed beheer van haar eigendommen. Provincie Gelderland heeft in haar beleidsplan Zand- en Kleiwinning de verplichting vastgelegd om een beheerplan op te stellen (Figuur 3-15, [2]). Dit beheerplan moet worden ingediend en goedgekeurd voor er een vergunning verleend kan worden.

Dit betekent dat voor de terreinen waar een ontgronding betrekking op heeft, het beheer wettelijk gezien moet worden geborgd. Figuur 3-15 laat zien dat naast natuurbeheer ook andere zaken zoals recreatie en landschap in een beheerplan moeten worden opgenomen om een ontgrondingenvergunning te krijgen.

Figuur 3-15: Het onderdeel beheer in beleidsplan Zand- en kleiwinning Gelderland [2]

Rijkswaterstaat heeft de wettelijke taak de vegetatie in de uiterwaarden te beheren zodat het gelijk is aan de manier waarop het in de vegetatielegger staat opgenomen. In samenwerking met grondeigenaren borgen zij dit. De wegenwet bepaalt wie de verantwoordelijkheid draagt over openbare wegen [4]. Dit is de relevante overheidsinstantie, in het geval van de gebiedsontwikkeling Alem – St. Andries zijn dat de Provincie (Van Heemstraweg) en de gemeente (overige wegen). Wanneer een weg (bijvoorbeeld fietspad) op het eigendom van een andere organisatie dan de verantwoordelijke overheid valt kunnen er afspraken over beheer worden gemaakt middels overeenkomsten.

Grondeigenaren dragen verantwoordelijkheid voor beheer van hun gronden, bijvoorbeeld over het schoonhouden daarvan. Grondeigenaren kunnen beheerovereenkomsten met andere partijen sluiten om aan hun beheer te voldoen. Beheer borgen Naast de wettelijke verplichtingen kan beheer geborgd worden in een anterieure overeenkomst, in aparte beheerovereenkomsten en via subsidiëring. Het is gebruikelijk om ook een beheerplan bij te voegen in een anterieure of realisatieovereenkomst. Een anterieure overeenkomst legt afspraken tussen de gemeente en een particuliere partij over het ontwikkelen van een bepaald perceel (grondexploitatie) [5,6], zie ook paragraaf 3.5. Een beheerovereenkomst wordt gesloten tussen eigenaar en beherende partij om onroerend goed (gronden, met of zonder gebouwen daarop) te beheren. De beheerovereenkomsten bestaan er in grote diversiteit. Een aantal gebruikelijke bepalingen die in een beheerovereenkomst staan zijn: de vergoeding die de beheerder ontvangt, de werkzaamheden die de beheerder uitvoert en de duur van de overeenkomst [7]. Het Natuurbeheerplan van de Provincie Gelderland beschrijft wat de huidige en de gewenste beheerdoelen zijn voor verschillende typen gebieden.

In dat plan begrenst en beschrijft de provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, natuurbeheer, agrarisch natuur-, landschaps-, en waterbeheer en beheer van landschapselementen kan plaatsvinden. Het faciliteert daarmee goed natuurbeheer. Bronnen [1] Wettelijke Taak Staatsbosbeheer - Over Staatsbosbeheer [2] Beleidsplan Zand- en kleiwinning Provincie - Beleidsplan [3] Uiterwaardenbeheer - Uiterwaardenbeheer | Rijkswaterstaat [4] Wegenwet - wetten.nl - Regeling - Wegenwet - B [5] Anterieure overeenkomst I - Wat is een anterieure overeenkomst? [6] Anterieure overeenkomst II - Anterieure overeenkomst [7] Uitleg beheerovereenkomst - Beheerovereenkomst [8] Gelders natuurbeheer - Natuurbeheerplan

4

EFFECTENBEPALING, MILIEUASPECTEN EN AANDACHTSPUNTEN

4.1

Water 4.1.1

Rivierbeheer (waterstand, morfologie, scheepvaart)

Rivierverruiming zorgt dat water meer ruimte kan innemen tijdens hoogwater, waardoor dan de waterstanden minder hoog uitkomen. Die waterstandsdaling kan direct bijdragen aan de waterveiligheid, de opgave voor dijkverhoging verminderen of rivierkundige ruimte creëren voor opstuwende ontwikkelingen in uiterwaarden. Rondom Alem zijn vier rivierverruimende maatregelen in beeld. Deze paragraaf gaat in op de vragen: o o o o

Welke maatregelen kunnen bijdragen aan waterstandsdaling? Wat zijn de gevolgen van (een combinatie van) deze maatregelen voor de waterstand in de as van de rivier? Hoe beïnvloeden de maatregelen het rivierbeheer (vegetatiebeheer, sedimentbeheer, nautisch beheer)? En wat betekent dit voor de vergunbaarheid? Hoe kan een eventuele waterstandsdaling benut worden bij de beoogde dijkversterking LithBokhoven?

Rivierverruimende maatregelen Vier maatregelen kunnen zorgen een significante hoeveelheid waterstandsdaling. Dit betreft de volgende maatregelen [1]. 1.

Doorstroombare dam Een verlaging van de dam tussen de jachthaven en het voetbalveld (blauw aanduiding, figuur 4-1), zodat met hoogwater dat deel doorstoombaar wordt. Zo ontstaat er een stroomvoerende hoogwatergeul (blauwe lijn, figuur 4-2). Een brug komt op de plek van de dam om Alem te ontsluiten.

Figuur 4-1: Locatie te verlagen dam

2.

3. 4.

Figuur 4-2: Extra stroombaan bij hoogwater

Dijkteruglegging Alem Een verschuiving van de dijk ten oosten van Alem naar binnen met ongeveer 100-180 m (Figuur 4-3). De dijk wordt afgegraven op maaiveld en de nieuwe dijk komt op de grens van de Gebiedsreservering voor lange termijn Maas uit het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO, artikel 2.4.6) [2]. Weerdverlaging langs de Maas Een verlaging van het maaiveld in de uiterwaard ten westen van de Maas (Figuur 4-4). Hydraulische optimalisatie buitenpolder Heerewaarden Een verbetering van de doorstroombaarheid in de buitenpolder Heerewaarden (Figuur 4-5). Concreet komt dat neer op het doorsteken van een oeverwal, het graven van een nieuwe geul en lokaal verlagen van het maaiveld. De geul en het doorsteken van de oeverwal zijn conform de wensen van Staatsbosbeheer voor dit gebied.

Figuur 4-3: Locatie dijkteruglegging

mogelijke

Figuur 4-4: Locatie weerdverlaging

mogelijke

Figuur 4-5: doorstroming

Verbeterde

Waterstandseffecten De waterstandseffecten bij maatgevend hoogwater zijn berekend en in grafieken samengevat (Bijlage C). De tabel hieronder geeft per maatregel de maximale waterstandsveranderingen in de as van de rivier weer, en de verandering bij Lith [1]. Tabel 4-1: Waterstandseffecten van rivierverruimende maatregelen.

Maatregel 1. Damverlaging 2. Dijkverlegging 3. Weerdverlaging 4. Doorstroming Heerewaarden

Max. daling -5,34 cm -1,66 cm -1,71 cm -1,60 cm

Max. opstuwing +0,32 cm +0,32 cm +0,29 cm +0,83 cm

Daling bij Lith -4,70 cm -1,45 cm -1,53 cm -1,21 cm

De maatregelen hebben in combinatie een ander effect op de waterstand dan simpelweg een optelling. Twee combinaties zijn gemodelleerd: 1+4 en 1+3+4. De gemodelleerde combinaties zijn uitgezocht op verwachte aanvulbaarheid en haalbaarheid. De verbeterde doorstroming in de Heerewaarden maakt de hoogwatergeul die ontstaat bij het verlagen van de dam effectiever. De dijkverlegging wordt in dit stadium niet kansrijk geacht door de hoge (maatschappelijke) kosten ten opzichte van de baten. De tabel hieronder geeft per combinatie de maximale waterstandsveranderingen in de as van de rivier weer, en de verandering bij Lith [1]. Tabel 4-2: Waterstandseffecten voor combinaties van rivierverruimende maatregelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13065403/1