Bijlage 10 Risicoanalyse leiding
Tekst van het document
Uit de resultaten van de risicoberekeningen blijkt dat de maximale verhouding van het berekende groepsrisico met de oriëntatiewaarden van het groepsrisico in de orde van 1/150.000 ligt. Deze zeer lage verhouding ten opzichte van de door de overheid acceptabel geachte oriëntatiewaarde wordt veroorzaakt door intrinsieke parameters zoals het tracé van de leiding en de reeds in het ontwerp en operatie van de leiding getroffen mitigerende maatregelen, zoals bijvoorbeeld gronddekking en automatisch bediende afsluiters. Door deze verhoudingswaarde behoeft volgens artikel 12 van het Bevb niet een volledige verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd, maar een beperkte verantwoording, waarbij in ieder geval ingegaan moet worden op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp aan deze leiding; • Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich in de leiding een calamiteit voordoet.
8.2
Overwegingen ten behoeve van verantwoordingplicht groepsrisico
De invullen van de verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico is een taak van het bevoegd gezag. Uit de risicoberekeningen blijkt dat het groepsrisico gering is, desalniettemin dient het bevoegd gezag gemotiveerd haar overwegingen te kunnen maken om de externe veiligheidsrisico’s ten gevolge van deze leiding in de plangebieden te accepteren en welke maatregelen getroffen zijn of moeten worden om het risico zoveel mogelijk te beperken. Door de verantwoordingsplicht wordt het bevoegd gezag gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de Veiligheidsregio (voorheen regionale brandweer). Deze externe risicoanalyse kan en zal door het bevoegd gezag als basisdocument worden gebruikt om advies van de Veiligheidsregio in te winnen. In navolgende paragrafen zijn ter ondersteuning van dat advies overwegingen opgenomen om een gefundeerder oordeel van het groepsrisico te kunnen uitvoeren. 8.3
Risico’s
Door het transport van brandbare vloeistoffen kan er bij een calamiteit een plasbrand optreden. Het maatgevend risico betreft een plasbrand door een breuk in de leiding als gevolg van graafwerkzaamheden. Hierdoor stroomt vloeistof uit de leiding en wordt ontstoken waardoor een plasband ontstaat.
40/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Een plasbrand is zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: zij moeten het gebied, afgeschermd van hittestraling, ontvluchten. Aanwezigen binnen de 35 meter van de plasbrand hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de grote hittestraling (Scenarioboek Externe Veiligheid). 8.4
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron, om zichzelf in veiligheid te brengen indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is bepalend voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. 8.4.1 Zelfredzaam vermogen De plangebieden voorzien niet in de realisatie van objecten in de nabijheid van deze leiding waarbij sprake is van langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen (zoals kleine kinderen, zieken en ouderen). De (toekomstige) gebruikers in de plangebieden vormen een gemiddelde bevolkingsgroep uit de samenleving, die als zelfredzaam worden beschouwd. 8.4.2 Ontvluchtingsmogelijkheden In de plangebieden die deze leiding doorkruist bevinden zich diverse doorgaande regionale wegen. De plannen bieden daarmee voldoende vluchtwegen. 8.4.3 Informatie- en alarmeringsmogelijkheiden Het bevoegd gezag dient burgers, die binnen het invloedsgebied wonend of werkzaam zijn, te informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit.
Belangrijk is om na te gaan wat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn om slachtoffers bij de diverse scenario’s te voorkomen en om na te gaan of het gebied zodanig ingericht is dat de zelfredzaamheid wordt bevorderd. Het is van belang dat duidelijk is waarheen gevlucht moet worden. Er moeten vluchtroutes zijn van de risicobronnen af. Met NL-Alert kan de overheid mensen in het rampgebied en in de directe omgeving van een (dreigende) noodsituatie met een tekstbericht informeren via de eigen mobiele telefoon. Hierdoor is een snelle alarmering op de locatie mogelijk. 8.4.4 Constructiemaatregelen Een goede bouwkundige constructie kan extra bescherming bieden tegen de hittestraling. Verder kan de kans op secundaire branden hiermee beperkt worden. Het nieuwe tracé van de leiding is echter zodanig gelegen dat vrijwel alle te passeren bebouwing op grote afstand (> 90m) van de leiding gelegen is. Ten oosten van de bebouwde kom Bokhoven wordt een sportveld gepasseerd. De meest nabij gelegen woning bevindt zich op 30 m afstand van het tracé. De leiding ligt aldaar in een horizontaal gestuurde boring op een diepte van 15 à 20 m. De kans op een calamiteit (plasbrand) op dit punt is nihil. Ten oosten van Vlijmen wordt de bebouwde kom eveneens gepasseerd met een horizontaal gestuurde boring, waarbij de leiding op een diepte van circa 15 à 20 m ligt.
Ook in dit geval is de kans op een calamiteit aldaar nihil.
41/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
8.4.5 Verzamelplaatsen Het inrichten van gebieden als verzamelplaats op het scenario plasbrand is in dit geval niet relevant, gezien de zeer geringe bebouwingsdichtheid. 8.5
Mogelijkheden van de hulpverlening
Bij hulpverlening gaat het zowel om de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval, als om het beperken van de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hulpverlening is in staat gedurende het eerste uren van een calamiteit de bestrijding in te zetten en de gewonden af te voeren naar de twee regionale ziekenhuizen Jeroen Bosch (locatie ’s-Hertogenbosch of locatie Drunen). Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun taken. 8.5.1 Bereikbaarheid Het leidingtracé is bereikbaar via diverse regionale doorgaande wegen. In de nabijheid van het tracé zijn twee brandweerkazernes, te weten Brandweerlocatie Brabant-Noord, Vogelstraat 45 te ‘s-Hertogenbosch en Brandweerlocatie Kazerne Drunen, Burgemeester Zwaansweg te Drunen. Op basis van routeplanners zal de brandweer na melding maximaal 15 minuten nodig hebben om de locatie van een calamiteit in de leiding te bereiken. De leiding doorkruist agrarische percelen. Het kan daarom moeilijk zijn om een calamiteit direct te benaderen, omdat velden doorkruist moeten worden. dat de wegverharding niet toereikend is of afmetingen van de weg niet geschikt zijn voor brandweervoertuigen) of om een geschikte opstelplaats nabij het object te creëren (i.v.m. zetting grond, of een te slappe ondergrond).
8.5.2 Bluswatervoorzieningen De leiding bevindt zich in het buitengebied van ’s-Hertogenbosch. Gezien de aard van het gebied wordt verondersteld dat de brandweer niet snel overal in het plangebied kan beschikken over voldoende bluswater uit zowel primaire (brandkranen) of secundaire (open water) bluswatervoorzieningen om een plasbrand te blussen. Woningen zijn echter gelegen op grote afstand van de leiding, voor gebouwen en bouwwerken in het buitengebied is het daarom ons inziens niet noodzakelijk dat aparte bluswatervoorzieningen worden aangelegd. Het tracé doorkruist twee percelen die als beperkt kwetsbaar worden aangemerkt, te weten een sportveld in de gemeente Bokhoven en een (natuur)camping aan het Engelermeer te ’sHertogenbosch. Beide percelen liggen in de onmiddellijke nabijheid van open water (de Maas, respectievelijk het Engelermeer), waarvan bij de eventuele bestrijding mogelijk gebruik gemaakt kan worden. Er is geen opstelplaats voor de brandweer aanwezig, dus in de praktijk kan de brandweer beslissen geen gebruik te maken van dit open water. De leiding ligt op deze beide locaties diep (horizontaal gestuurde boringen), waardoor het risico op een plasbrand nihil is. 8.5.3 Bronbestrijding De brandweer heeft geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding van een plasbrand uit deze leiding. De beheerder van de buisleiding dient de toevoer af te sluiten.
In de leiding zijn op diverse locaties afsluiterputten aanwezig met automatisch bedienbare afsluiters, waarbij de inbloklengte minder dan 10 kilometer bedraagt. Bij het automatisch inblokken (bijvoorbeeld bij constatering dat de nominale werkdruk afwijkt van de standaard, zoals dit bij een breuk in de leiding voorkomt) gebeurt het inblokken direct.
42/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Eventuele secundaire branden, die ontstaan zijn doordat het vuur is overgeslagen, zijn wel te bestrijden. Bebouwing rondom deze leiding staat echter op grote afstand. 8.6
Restrisico
De beschouwde risicobron (plasbrand) is een lokaal faalscenario, wat overigens overal langs de route zou kunnen optreden. De omvang van de plasbrand (de plasbrand zelf inclusief de zone rondom met een warmtestralingsniveau van 10 kW/m2) kan circa oplopen tot een diameter van circa 2 x 25 m. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van een dergelijke calamiteit mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks het geringe afgeleide (groeps-)risico en de reducties van het risico door de genoemde maatregelen is er altijd sprake van een restrisico. Het is aan het Bevoegd Gezag, om aan te geven of zij het restrisico acceptabel achten.
43/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Conclusies
9
DPO heeft Lievense | WSP opdracht gegeven een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uit te voeren voor het te verleggen tracégedeelte (circa 6,8 km) tussen Ammerzoden en Vlijmen van de bestaande 10 inch kerosine transportleiding tracé Klaphek - Best, conform de laatste versie van de Handleiding Bevb [ref. 1]. Het toepassingsgebied van het Bevb betreft transportleidingen buiten een inrichting (bedrijf of bedrijfsterrein), derhalve zijn de kwantitatieve risicoanalyses uitgevoerd van het leidingtracé in de openbare ruimte. In de QRA berekening is rekening gehouden met de voor deze leiding genomen ‘Stand der Techniek’ voorwaarden, de sluittijd en is de correctiefactor voor diepteligging toegepast. 9.1
Grootte Plaatsgebonden Risico en Groepsrisico
De volgende conclusies kunnen op basis van de berekeningen getrokken worden: •
• •
•
9.2
Met in achtneming van de ‘Stand der techniek’ maatregelen, de sluittijd en de diepteligging van deze leiding treedt in het gehele tracé geen PR 10 -6 contour op. Het tracé voldoet daarmee aan artikel 6 van het Bevb; Uit inventarisatie van kwetsbare objecten op basis van de risicokaart blijkt binnen de nabije omgeving van de leiding geen kwetsbare objecten voor te komen; Uit inventarisatie van kwetsbare objecten op basis van bestemmingsplannen en gesprekken met perceeleigenaren blijkt de leiding twee percelen te passeren met daarin geprojecteerde kwetsbare objecten, te weten een perceel met een natuurcamping (Engelermeer) en een perceel ter hoogte van Bokhoven met een mogelijke (mini)camping. Uit de externe risicoberekeningen blijkt, dat ook in deze beide gevallen het plaatsgebonden risico ruim lager is dan 10-6 per jaar en het groepsrisico ruim lager is dan de oriëntatiewaarde. Het tracé voldoet daarmee aan artikel 12 van het Bevb, waarbij de uiteindelijke verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag genomen dient te worden; Het afgeleide groepsrisico van de maatgevende kilometer van deze leiding heeft een factor van 1/150.000 van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico ligt in deze plangebieden daardoor duidelijk onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dat betekent dat in dit geval een beperkte verantwoordelijkheid van het groepsrisico dient te worden uitgevoerd.
Beperkte verantwoording groepsrisico
Bij een calamiteit bij deze leiding is er een risico op een plasbrand. Een dergelijke plasbrand kan leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken, echter de route van de leiding is zodanig gekozen dat bebouwing in de onmiddellijke nabijheid van de leiding niet aanwezig is of de leidingdekking zodanig diep is dat de kans op rest- of groepsrisico zeer gering is. De in dit rapport genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die voor de hulpverleningsdiensten beter beheersbaar worden geacht. Ondanks het geringe risico en de eventuele reducties blijft er altijd sprake van een restrisico. Het is aan het bevoegd gezag om aan te geven of zij het restrisico acceptabel acht.
44/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Addendum Project Projectnummer Onderwerp Referentie Aan Auteur Datum
1
Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen DPRO-60 Addendum QRA, invloed aanpassing sluittijd DPRO-60-R-1-6-Erratum dhr. T. Verhoeven, gemeente 's-Hertogenbosch Shaswin Dharampal 26 oktober 2020
Aanleiding
Lievense heeft een Kwalitatieve Risico Analyse (QRA) uitgevoerd op basis van het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen van de nieuwe stalen ø 10” kerosine transportleiding in het tracé Ammerzoden – Vlijmen. De bevindingen zijn gerapporteerd in rapport DPRO-60-R-1-5. Gemeente ’s-Hertogenbosch, als Bevoegd Gezag, heeft Lievense gevraagd de invloed te beschouwen wanneer de snel afsluitende afsluiter in dit tracé, die in werking komt bij een eventuele calamiteit, onverhoopt niet zal functioneren. Dit addendum geeft de bevindingen weer wanneer het in werking treden van deze afsluiter bij een calamiteit in de QRA analyse genegeerd wordt. In plaats daarvan zal uitgegaan worden van de maximaal conform de ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’. in rekening te brengen uitstroomtijd van 1800 seconden (een half uur), voordat door de operatiekamer van de leidingexploitant succesvol wordt opgetreden door de pomp uit te zetten of de leiding in te blokken. Het zij gemeld dat dit een duidelijke bovengrensbenadering is, daar een calamiteit (met een grote drukgolfwijziging door het leidingsysteem als gevolg) binnen 1 minuut opgemerkt zal worden door de drukbeveiligingssystemen op het pompstation Klaphek, of al eerder door tussenliggende drukregistratiemeters.
1/3
2
Aanpassingslijst (belangrijkste wijzigingen)
Wijziging 1:
sluittijd 55 seconden wijzigt naar een standaard sluittijd van 1800 seconden conform de ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’;
Wijziging 2:
plasdiameter wijzigt (daardoor) van 10,6 m naar 36,7 m;
Wijziging 3:
1% letaliteitsafstand neemt (daardoor) toe van 25 m naar 34,4 m;
Wijziging 4:
resultaat 1: het plaatsgebonden risico (PR10-6) verandert niet en is niet aanwezig. resultaat 2: het groepsrisico neemt toe, maar blijft nog met een factor van circa 1/300 onder de oriëntatiewaarde van het groepsrisico, zie onderstaande grafiek
Factor 1/300
2/3
3
Conclusie aanpassing sluittijd i.r.t. de externe veiligheid
Uit de figuur op voorgaande pagina valt op te maken dat bij het verwaarlozen van een succesvolle ingreep door de automatisch snel sluitende afsluiter het berekende groepsrisico van de maatgevende km onder de oriëntatiewaarde van het Groepsrisico blijft liggen. De maximale waarde van het afgeleide groepsrisico bedraagt namelijk circa 1,5 x 10-8 ten opzichte van de oriëntatiewaarde (5 x 10- 6), circa 300 maal lager dan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Het Plaatsgebonden Risico (PR10-6) is ook in deze beschouwde situatie niet aanwezig
3/3