Bijlage 10 Risicoanalyse leiding
Tekst van het document
Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen Kwantitatieve risicoanalyse (QRA)
Opdrachtgever: Defensie Pijpleiding Organisatie
Organisatie
Telefoon
Projectnummer
Lievense Infra B.V.
+31 (0)88 910 20 00
DPRO-60
Adres
Datum
Documentnummer
Tramsingel 2 4814 AB Breda
2 oktober 2020
DPRO-60-R-1-5, versie 5
Colofon Rapporthistorie 0 02-10-2019 1 14-02-2020 2 3
29-04-2020 31-08-2020
4
30-09-2020
5
02-10-2020
Eerste uitgave ‘Stand der techniek’ faalfrequentie toegepast en opmerkingen Bevoegd Gezag verwerkt Opmerkingen Bevoegd Gezag verwerkt Opmerkingen Bevoegd Gezag verwerkt, opname hoofdstuk m.b.t. verantwoording groepsrisico QRA berekeningen herzien op basis van de nieuwe SAFETI-NL versie Twee kleine tekstuele wijzigingen n.a.v. advies Veiligheidsregio d.d. 17 september 2020
Verantwoording Betreft een QRA op basis van het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen Contactgegevens ir. S.S. Dharampal +31 6-212-65-901 SDharampal@Lievense.com
Autorisatie Projectnummer
Documentnummer
Versie
Status
DPRO-60
DPRO-60-R-1-4
5
Definitief
Opgesteld door
Functie
Datum
Paraaf
Projectingenieur
2 oktober 2020
Functie
Datum
Senior Adviseur
2 oktober 2020
Functie
Datum
Senior Projectleider
2 oktober 2020
Geverifieerd door
Akkoord projectleider
Paraaf
Paraaf
Inhoudsopgave 1
Algemeen 1.1 Inleiding 1.2 Aanleiding 1.3 Opdracht 1.4 Huidige situatie versus nieuwe situatie 1.5 In- en uitvoer QRA berekening 1.6 Revisie
6 6 7 7 8 8 8
2
Kwantitatieve risicoanalyse 2.1 Algemeen 2.2 Externe veiligheid 2.3 Toegepaste software
9 9 9 9
3
Richtlijn externe veiligheid 3.1 Begrippen 3.2 Grenswaarde Plaatsgebonden Risico en richtwaarde Groepsrisico 3.3 Verantwoording groepsrisico
10 10 10 12
4
Projectgegevens 4.1 Algemeen 4.2 Buisleiding 4.3 Leiding- en procesgegevens 4.4 Voorbeeldstof 4.5 Stofeigenschappen (brandbaarheid) 4.6 Inventarisatie risico verhogende objecten: windturbines 4.7 Inventarisatie risico verhogende objecten: hoogspanningsmasten 4.8 Inventarisatie van kwetsbare objecten
14 14 14 14 15 16 17 17 18
5
Toegepaste faalfrequentie 5.1 Algemeen 5.2 Gebeurtenissenboom vrijkomend product 5.3 Faalfrequenties
20 20 21 21
6
Modellering 6.1 Omgevingsomstandigheden 6.2 Stofeigenschappen 6.3 Faalfrequentie transportleiding 6.4 Modellering scenario’s
26 26 35 36 36
7
Resultaten 7.1 Algemeen 7.2 Plaatsgebonden risico (PR) 7.3 Groepsrisico (GR)
37 37 37 38
8
(Beperkte) verantwoording groepsrisico 8.1 Elementen beperkte verantwoording Groepsrisico 8.2 Overwegingen ten behoeve van verantwoordingplicht groepsrisico 8.3 Risico’s 8.4 Mogelijkheden tot zelfredzaamheid 8.5 Mogelijkheden van de hulpverlening 8.6 Restrisico
40 40 40 40 41 42 43
9
Conclusies 9.1 Grootte Plaatsgebonden Risico en Groepsrisico 9.2 Beperkte verantwoording groepsrisico
44 44 44
Referenties [Ref. 1] [Ref. 2] [Ref. 3] [Ref. 4] [Ref. 5] [Ref. 6] [Ref. 7] [Ref. 8] [Ref. 9] [Ref. 10] [Ref. 11] [Ref. 12] [Ref. 13]
Handleiding Risicoberekeningen Bevb, RIVM, versie 3.1, 1 april 2020 Handleiding Risicoberekeningen Bevi, RIVM, versie 4.2, 1 april 2020 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), http://wetten.overheid.nl document met identificatienummer BWBR0028265 SAFETI-NL, RIVM, versie 8.30, juli 2020 QRA-selectiemethodiek “toxisch en/of ontvlambaar”, RIVM, 24 mei 2016 Handboek Risicozonering Windturbines, Agentschap NL – Ministerie van Economische Zaken, herziene versie 3.1, september 2014 Kaart met windparken, Windenergie Nieuws, ~februari 2016 Kaart met hoogspanningsmasten, hoogspanningsnet.com, ~februari 2020 Risicokaart, risicokaart.nl, ~februari 2020 Bevolkingsdata van Populator, Relevant, ~september 2019 Risicoanalyse voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen, Rapport 620120001, RIVM, 2006 Top50raster, Kadaster, juli 2019 Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, Deel 6: Aanwezigheidsgegevens, december 2003
Afkortingen AF
Andere Faaloorzaken
AMvB
Algemene Maatregel van Bestuur
BAG
Basisadministratie adressen en gebouwen
BEVB
Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen
BEVI
Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen
BRZO
Besluit Risico’s Zware Ongevallen 1999
CAROLA Computer Applicatie voor Risicoberekeningen aan Ondergrondse Leidingen met Aardgas CAS
Chemical Abstracts Service
CEV
Centrum Externe Veiligheid
CF
Clusterfactor
CLP
Classification, Labelling & Packaging
DN
Diameter Nominal
DNV
Det Norske Veritas
GR
Groepsrisico
ILT
Inspectie Leefomgeving en Transport (onderdeel van MIM)
KLIC
Kabels- en Leidingen Informatie Centrum
LC50
Lethal Concentration for 50 % of subjects (animals, typically mice or rats)
LOC
Loss Of Containment
MIM
Ministerie van Infrastructuur & Milieu
MSDS
Material Safety Data Sheet
NNI
Nederlands Normalisatie-instituut
ORW
Oriëntatiewaarde (oriënterende waarde)
PR
Plaatsgebonden Risico
QRA
Quantitative Risk Assessment (kwantitatieve risicoanalyse)
RD
Rijksdriehoeksnet
REVB
Regeling externe veiligheid buisleidingen
REVI
Regeling externe veiligheid inrichtingen
RION
Regeling informatie-uitwisseling ondergrondse netten
RIVM
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RRZO
Regeling risico’s zware ongevallen 1999
RRGS
Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen
SAFETI
Software for the Assessment of Flammable, Explosive and Toxic Impact
TPI
Third Party Interference
UDS
User Defined Source
WION
Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten
Wm
Wet milieubeheer
Wro
Wet ruimtelijke ordening
WT
Windturbine
1
Algemeen
1.1
Inleiding
Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) heeft Lievense Infra B.V. (Lievense | WSP) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) op basis van het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) van de nieuwe ondergrondse stalen ø10” kerosine transportleiding in het tracé Ammerzoden - Vlijmen. Het netwerk van DPO omvat onder andere de ø6” P11 transportleiding, ook bekend als KB6, tussen de depots 5KLD (Klaphek) en 5BED (Best). Een deel van het tracé loopt door een gebied, dat in de toekomst een bergboezemfunctie krijgt (HoWabo-project). De bestaande leiding, inclusief een afsluiters, in dit gebied diende uit dit gebied verwijderd te worden. Deze door Bevoegd Gezag opgedragen verlegging is gecombineerd met een aanpassing van de kruising met de Maas (Noordzijde van het interessegebied) waarmee tevens de woonkern Bokhoven vermeden wordt. De na de verlegging te vervallen en buiten dienst gestelde leiding wordt waar redelijkerwijs mogelijk uit de grond verwijderd of opgevuld met dämmer. Het toepassingsgebied van het Bevb betreft transportleidingen buiten een inrichting (bedrijf danwel bedrijfsterrein). Deze QRA behelst derhalve de kwantitatieve risicoanalyse van deze leiding in het openbare gebied. In het openbare gebied ligt deze leiding ondergronds met een minimale gronddekking van 1,20 m. Het tracé van de leiding is in figuur 1 weergegeven.
De lengte van de te verleggen leidingdeel bedraagt in totaal circa 6,7 km.
6/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Figuur 1: Leidingtracé te verleggen leidingdeel DPO
Door deze leiding wordt de brandbare vloeibare stof kerosine getransporteerd met een jaarlijkse bezettingsgraad van 100 %. Het transporteren van brandbare producten brengt risico’s met zich mee voor de omgeving. Leidingexploitanten zijn verplicht in het kader van externe veiligheid deze risico’s te inventariseren en te evalueren conform de ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’ (Handleiding Bevb) [ref. 1]. De leiding dient hierbij te voldoen aan de eisen van het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb) [ref. 3]. Indien een leiding niet aan het besluit voldoet is er sprake van een knelpunt ten aanzien van de vigerende wet- en regelgeving. 1.2
Aanleiding
DPO heeft Lievense opdracht gegeven deze leiding te toetsen in verband met externe veiligheid. Hierbij moet aan de eisen van het Bevb worden voldaan. In de Handleiding Bevb [ref. 1] zijn richtlijnen beschreven met betrekking tot de ‘risicogevaarlijke buisleidingen’. Verder worden er inzichten beschreven en toegelicht welke de leidingexploitant de mogelijkheid biedt om de ‘Stand der Techniek’ eigenschappen van de leiding en mitigerende maatregelen mee te nemen in de risico inventarisatie. 1.3
Opdracht
In opdracht van DPO voert Lievense een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uit volgens het Bevb voor het te verleggen gedeelte van een (in een nieuw tracé) stalen ø10” kerosine transportleiding betreffende het openbare gedeelte van het leidingtracé. De QRA is uitgevoerd op basis van de ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’ Versie 3.1 [ref. 1] en SAFETI-NL versie 8.30.
7/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
De volgende contactgegevens zijn relevant: Opdrachtgever: Defensie Pijpleiding Organisatie Postbus 90822 2509 LV Den Haag, Nederland Dhr. R.J. Nieuwenhuis Opdrachtnemer: Lievense Infra B.V. Tramsingel 2 4814 AB Breda Dhr. R.R. van der Meer Tel.: +31 (0)88 91 020 00 1.4
Huidige situatie versus nieuwe situatie
De huidige transportleiding van Defensie Pijpleiding Organisatie bevindt zich in een gebied dat ten gevolge van het Hoogwaterbeschermingsplan HoWabo een andere bestemming krijgt. Op last van het Bevoegd Gezag dient de leiding uit het betreffende gebied verwijderd te worden. De nieuwe leiding dient daarmee een tracé te volgen dat ook voldoet aan de richtlijnen van het Bevb. De leiding in het vervallen tracé wordt uiteraard buiten gebruik gesteld en wordt in het kader van de zorgplicht van de exploitant zoveel als redelijkerwijs mogelijk verwijderd uit de percelen. Een externe risico vergelijking tussen het bestaande tracé en het nieuwe tracé heeft daarmee geen zin en wordt derhalve niet uitgevoerd. 1.5
In- en uitvoer QRA berekening
De invoer en de resultaten van deze QRA berekeningen zijn tevens digitaal en in de vorm van PSU bestanden aan het Bevoegd Gezag ter beschikking gesteld. 1.6
Revisie
Dit betreft versie 4 van het QRA rapport. Het oorspronkelijk rapport (versie 0) was gebaseerd op gegevens uit het voorontwerp. In de versies 1 en 2 zijn meer details van het definitief ontwerp verwerkt, waarbij ‘Stand der techniek’ maatregelen meegenomen, de sluittijd van afsluiters in rekening gebracht, en zijn opmerkingen van het Bevoegd Gezag verwerkt. In versie 3, is naast tekstuele verbeteringen een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 8) toegevoegd ter ondersteuning van de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico door het bevoegd gezag. In deze versie, versie 4, is de QRA berekening herzien op basis van de nieuwe SAFETI-NL versie en zijn de referenties aangepast.
8/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
2
Kwantitatieve risicoanalyse
2.1
Algemeen
Teneinde te bepalen of leidingen voldoen aan de externe veiligheidseisen, vastgesteld in het Bevb, dient de leidingexploitant, een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uit te voeren. De QRA wordt gebruikt om beslissingen te nemen over de aanvaardbaarheid van risico’s in relatie tot onder andere het leidingtracégebied van de transportleiding. 2.2
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de grootte van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico worden als volgt omschreven: Plaatsgebonden risico:
Risico op een plaats buiten een inrichting (in dit geval een buisleiding), uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.
Groepsrisico:
Cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding.
De resultaten van de kwantitatieve risicoanalyse zijn getoetst aan de vastgestelde grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en een oriëntatiewaarde (OW) voor het groepsrisico. 2.3
Toegepaste software
Gerekend wordt met het door de overheid voorgeschreven en ontwikkelde software pakket SAFETI-NL [ref. 4], hetwelk is gebaseerd op het rekenpakket Phast van DNV in Londen. Beheerder van het programma SAFETI-NL is RIVM. Programma versie:
8.30
9/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
3
Richtlijn externe veiligheid
3.1
Begrippen
De externe veiligheid wordt gekarakteriseerd door twee begrippen, te weten (zie ook paragraaf 2.2): •
Plaatsgebonden Risico (PR);
•
Groepsrisico (GR).
In deze paragraaf worden de grens- en richtwaarden waaraan de beschouwde leiding dient te voldoen van beide begrippen beschreven en toegelicht. 3.2
Grenswaarde Plaatsgebonden Risico en richtwaarde Groepsrisico
Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats buiten een inrichting (in dit geval een locatie langs de transportleiding), uitgedrukt in de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting (in dit geval buisleiding), waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijk afvalstof betrokken is (Bevb, artikel 1). Het vaststellen van de aanvaardbaarheid van risico's is onderhevig aan het afwegen van verschillende belangen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is door de overheid in het Bevb [ref. 3] vastgesteld op 1 x 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten1, welke begrensd wordt door de zakelijk rechtzone van 5 m aan weerszijden van een buisleiding. Dit houdt in dat binnen deze iso-risicocontour (PR 10-6) geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Voor kwetsbare objecten geldt de kans van 1 x 10-6 per jaar als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten2 is deze waarde een richtwaarde. De grenswaarde moet bij de uitoefening van een aangewezen wettelijke bevoegdheid in acht worden genomen, terwijl met een richtwaarde zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden (Bevb, artikel 6). Afwijking van een richtwaarde kan bij alle beperkt kwetsbare objecten mogelijk zijn vanwege zwaarwegende belangen op het gebied van vervoer, ruimtelijke ordening en economie.
Afwijking is primair een verantwoordelijkheid van het ter zake van een besluit aangewezen bevoegde gezag. Bij afwijking dient voorafgaand overleg met alle betrokken bestuursorganen plaats te vinden. In de motivering van het betrokken besluit moet worden aangegeven waarom wordt afgeweken van de norm.
1
Kwetsbare objecten zijn objecten bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, waarbij grotere hoeveelheid mensen bijeen kunnen komen of zijn, bijvoorbeeld zieken- of verzorgingshuizen, een groot kantoor, winkel of een school. Voor de volledige opsomming van kwetsbare objecten wordt verwezen naar artikel 1 onderdeel l van de Bevi.
2
Een beperkt kwetsbaar object is bijvoorbeeld een sporthal, een sportterrein of een kampeerterrein. Voor de volledige opsomming van beperkt kwetsbare objecten wordt verwezen naar artikel 1 onderdeel b van de Bevi.
10/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Vooruitlopend op de bevindingen uit deze QRA rapportage wordt vermeld dat geen afwijking van de richtwaarde voor het groepsrisico noodzakelijk is. Voor het groepsrisico wordt uitgegaan van de door de overheid als richtlijn vastgestelde aanvaardbare waarden per kilometer leiding conform het Bevb [ref. 3] en is de cumulatieve kans per jaar dat een groep van ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van aanwezigheid in het invloedsgebied van de buisleiding en een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is (Bevb, artikel 1) en is in het Bevb, artikel 12. als volgt in oriëntatiewaarden gekwantificeerd: •
10-4 per jaar voor 10 dodelijke slachtoffers
•
10-6 per jaar voor 100 dodelijke slachtoffers
•
10-8 per jaar voor 1000 dodelijke slachtoffers
Het groepsrisico geeft aandachtspunten langs het leidingtracé aan waar zich mogelijk een calamiteit met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarbij rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de buisleiding. In figuur 2 zijn de hiervoor vermelde oriëntatiewaarden uitgezet in een grafiek (F-N curve). Op de horizontale as is het aantal dodelijke slachtoffers weergegeven; op de verticale as de bijbehorende kans. In dit voorbeeld is de in het Bevb aangeduide oriëntatiewaarde (OW) aangeduid door een dikke blauwe lijn. Het door de programma’s berekende groepsrisico is in het figuur aangeduid met een oranje lijn. Zolang de oranje lijn in de resultaatsgrafieken van de rekenprogramma’s zich onder de blauwe lijn (OW) bevindt, is het berekende groepsrisico lager dan de door het Bevb aangeduide oriëntatiewaarde van het groepsrisico.
11/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Voorbeeld
Figuur 2: Oriënterende waarde F-N diagram (groepsrisico) conform het Bevb (Bron: RIVM)
Wanneer het berekende groepsrisico de oriëntatiewaarde (OW) niet overschrijdt, is het kleiner dan de door de overheid vastgestelde aanvaardbare waarde en wordt het dus acceptabel geacht. Als het GR wel wordt overschreden, blijkt een knelpunt aanwezig te zijn op basis van het wettelijk kader van het Bevb [ref. 3]. In overleg met betrokken partijen, waaronder het Bevoegd Gezag, dienen deze knelpunten gesaneerd te worden. 3.3
Verantwoording groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt een invulling gegeven in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht wordt het bevoegd gezag gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de Veiligheidsregio (voorheen regionale brandweer).
12/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
De verantwoordingsplicht behelst onder meer de volgende aspecten: 1. de mogelijkheden van zelfredzaamheid; 2. de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid; 3. aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied; 4. nut en noodzaak van de ontwikkeling; 5. mogelijke maatregelen; 6. restrisico. De omvang van de verantwoordingsplicht is afhankelijk van de resultaten uit de externe veiligheidsanalyse. Voor buisleidingen geldt dat volgens artikel 12 van het Bevb bij elk plan binnen het invloedsgebied in elk geval een beperkte verantwoording moet worden uitgevoerd. Wanneer het plan binnen de 100% letaliteitsgrens ligt (voor brandbare stoffen) of binnen de PR 10-8 contour (voor toxische stoffen) ligt, moet een uitgebreide verantwoording worden uitgevoerd, tenzij het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of wanneer het groepsrisico ligt tussen de 0,1 en 1 maal de oriëntatiewaarde en de toename van het groepsrisico minder is dan 10% (Bevb, artikel 12). Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen de punten 1 en 2 behandeld te worden.
13/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
4
Projectgegevens
4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk worden de door DPO aangeleverde leiding- en procesgegevens weergegeven die benodigd zijn voor het uitvoeren van een risicoberekening en bijbehorende analyse. 4.2
Buisleiding
Deze QRA betreft de kwantitatieve veiligheidsberekeningen van de buisleiding KB6 van DPO. Een buisleiding is conform het Bevb artikel 1 lid b gedefinieerd als leiding bestemd of gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, met de daarbij behorende voorzieningen. In het nieuwe tracé komen in de bij de leiding behorende belemmeringenstrook een tweetal afsluiterputten met blokafsluiters voor. Deze automatische afsluiters worden op afstand bestuurd en reageren op extreme drukvariaties zoals voorkomend bij een eventuele breuk in de leiding. De afsluiters zijn derhalve te beschouwen als bijbehorende voorziening, conform het Bevb. 4.3
Leiding- en procesgegevens
De leiding- en procesgegevens voor deze leiding zien er als volgt uit: Tabel 1.a: Overzicht leidinggegevens Leidinggegevens
Eenheid
10 inch - kerosine
Jaar ingebruikname
[-]
n.t.b. (2020 / 2021)
Leidingmateriaal
[-]
Staal
Materiaalkwaliteit
[mm]
API-5L Grade B (veld) / API-5L X52 (HDD boringen) Elasticiteitsmodulus
[MPa]
SMYS (= rekgrens)
[N/mm2]
207000 241 / 358
[mm]
273,1
[inch]
10
Nominale wanddikte rechte delen / bochten
[mm]
9,27
Lengte nieuw tracédeel
[km]
±6,7
[m]
≥1,20
Uitwendige diameter
Diepteligging (lees: gronddekking) 1)
1
In het verlegde gedeelte is een groot gedeelte als horizontaal gestuurde boring uitgevoerd, waarbij de leiding veel dieper ligt dan de minimale gronddekking van 1,20 m.
14/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Tabel 2.b: Overzicht proces- en productgegevens Procesgegevens Medium
[-]
Kerosine
Fase medium
[-]
Vloeistof
Type medium
[-]
Aardolieproduct, samenstelling van meerdere aardolieproducten
Maximale debiet in de leiding
[m3/uur]
100
Maximale bedrijfsdruk
[bar]
96
Ontwerptemperatuur
[⁰C]
-20 / +50
Vlampunt medium
[⁰C]
Kookpunt medium
[⁰C]
Toepassing van voorbeeldstof, zie 2.3.4 van [ref. 1]
Toxiciteit medium
[-]
Niet toxisch
Bedrijfsfrequentie (benuttingsgraad)
[%]
100
[sec]
55
Sluittijd
2
Met de “sluittijd” wordt bedoeld: de tijdperiode tussen falen van de buisleiding en het afsluiten van de buisleiding inclusief de tijd die de afsluiter nodig heeft om tot volledige afsluiting te komen in verband met terugslag. Hierbij geldt conform het Bevb een maximum van 1800 s. Volgens opgave van DPO is het systeem zodanig beveiligd dat middels automatisch, op afstand, werkzame afsluiters, de leiding in 55 sec ingeblokt wordt.
2)
4.4
Voorbeeldstof
Kerosine is een samenstelling van meerdere aardolieproducten. Conform paragraaf 2.3.4. van het Bevb (Handleiding Risicoberekeningen Bevb, versie 3.1 – Module C) In tabel 2 zijn de stofeigenschappen van n-nonaan (voorbeeldstof voor kerosine) weergegeven zoals aanwezig in het sofwareprogramma SAFETI-NL. Tabel 2: Fysische, chemische en toxische eigenschappen gehanteerde voorbeeldstof Fysische, chemische en toxische eigenschappen gehanteerde voorbeeldstof CAS-nummer
[-]
111-84-2
Chemische samenstelling
[-]
n-nonaan: C9H20
Vlampunt
[C]
31
Kookpunt (begin kookpunt van traject)
[C]
151
Classificatie aardolieproduct
[-]
K2
Reactiviteit ontvlambaarheid
[-]
H226, Ontvlambare vloeistof en damp
[-]
Geen H330- of H331-zin
-waarden [ref. 5] (acute toxiciteit bij ademhaling) 3
LC50 3)
QRA selectiemethodiek ‘toxisch en/of ontvlambaar’ [ref. 5]
15/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
4.5
Stofeigenschappen (brandbaarheid)
Kerosine in een mengsel van koolwaterstoffen komt als zodanig niet voor in het stoffen database bestand van het voorgeschreven programma SAFETI-NL [ref. 4]. Voor het uitvoeren van een QRA-berekening worden verschillende rekenmethodieken gehanteerd die afhankelijk zijn van de classificatie van de stoffen. In navolgend tabel 3 zijn de classificaties van risicogevaarlijke stoffen weergegeven conform de handleidingen voor risicoberekeningen uit [ref. 1] en [ref. 2]. Tabel 3: Classificatie risicogevaarlijke stoffen conform de Handleiding Risicoberekeningen Bevb / Bevi Classificatie
Reactiviteit
Definities conform ‘Handleiding
ontvlambaarheid/toxici
Risicoberekeningen Bevi / Bevb’
Rekenmethodiek
teit bij inhalatie 2 Chemicaliënleidingen (Toxisch, Inert en overig)
Toxisch
Stoffen, waarvan een probitrelatie afgeleid is in de ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevi’
Inert en overig
Stoffen kunnen in combinatie met andere stoffen brandvertragend of -verhogend zijn
Chemicaliënleidingen Klasse 0 (K0)
Zeer licht ontvlambaar
Buisleidingen met aardolieproducten met een kookpunt van ten hoogste 308 K (35 °C) en een vlampunt lager dan 273 K (0 °C)
Module D ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’
Aardgasleidingen (Aardgas)
Zeer brandbaar
Drooggasleidingen, Natgasleidingen, Hoogcalorisch gas, Zuurgasleidingen
Module B ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’
Licht ontvlambaar
Buisleidingen met vloeibare aardolieproducten, waarbij de brandbare vloeistof (klasse 1) een vlampunt heeft tot 296 K (23 °C) en niet valt onder klasse 0
Ontvlambaar
Buisleidingen met vloeibare aardolieproducten, waarbij de brandbare vloeistof (klasse 2) een vlampunt heeft gelijk aan of boven 296 K (23 °C) en ten hoogste 328 K (55 °C)
Matig ontvlambaar
Buisleidingen met vloeibare aardolieproducten, waarbij de brandbare vloeistof (klasse 3) een vlampunt heeft boven 328 K (55 °C) en ten hoogste 373 K (100 °C)
Klasse 1 (K1)
Klasse 2 (K2)
Klasse 3 (K3)
Klasse 4 (K4)
4)
Moeilijk ontvlambaar
Buisleidingen met vloeibare aardolieproducten, waarbij de brandbare vloeistof (klasse 4) een vlampunt heeft boven 373 K (100 °C)
Module D ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’
Module C ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’
Geen QRA benodigd wanneer de procestemperatuur lager is dan de vlamtemperatuur conform ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevi’
Stoffen kunnen zowel brandbaar als toxisch tegelijk zijn.
Op basis van het gemiddelde vlampunt en kookpunt van kerosine (en de voorbeeldstof n-nonaan) is deze stof ingedeeld als een K2 product.
16/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
4.6
Inventarisatie risico verhogende objecten: windturbines
Voor de inventarisatie van mogelijk nabije windturbines is gebruik gemaakt van databasegegevens van ‘Kaart met windparken’, zie figuur 3 voor de eerst nabijgelegen windturbines langs het tracé. De effectafstanden van de windturbines overlappen de leiding niet en is derhalve geen ‘domino-effect’ ten gevolge van windturbines aanwezig.
Figuur 3: Bestaande windturbines nabij de leiding
4.7
Inventarisatie risico verhogende objecten: hoogspanningsmasten
Voor de inventarisatie van mogelijk nabije hoogspanningsmasten is gebruik gemaakt van hoogspanningskaart. De leiding ligt op minimaal circa 70 m van de hoogspanningsmast en ligt derhalve niet binnen het valbereik (vakwerken tot circa 60 m) van de masten, zie figuur 4.
17/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
__ DPO Leiding
Figuur 4: Hoogspanningsmasten (Bron: https://webkaart.hoogspanningsnet.com)
4.8
Inventarisatie van kwetsbare objecten
De inventarisatie met betrekking tot (beperkt) kwetsbare objecten is uitgevoerd op basis van de risicokaart van Nederland risicokaart,nl, zie figuur 5.
18/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Figuur 5: Risicokaart
Op basis van de risicokaart wordt gesteld dat nabij het tracé van deze leiding geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Aanvullend op bovengenoemde risicokaart blijkt uit overleg met perceeleigenaren en/of inventarisatie van de bestemmingsplannen dat de nieuwe leiding één perceel doorkruist met dubbelbestemming camping (bij het Engelermeer) en één perceel (ten zuiden van waterkering Maas) waarbij de eigenaar mogelijk in de toekomst een (mini)camping wil gaan realiseren. De invloed van dit (toekomstig) perceelgebruik op het externe risico is in dit rapport nader onderzocht.
19/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
5
Toegepaste faalfrequentie
5.1
Algemeen
In de Handleiding Bevb [ref. 1] wordt er onderscheid gemaakt tussen ‘Algemene’ leidingen en leidingen die voldoen aan de ‘Stand der Techniek’ voorwaarden. Voor de leidingen die voldoen aan de ‘Stand der Techniek’ voorwaarden mag een lagere faalfrequentie gehanteerd worden dan de ‘Algemene’ leidingen. In de Handleiding Bevb [ref. 1] worden een zestal faaloorzaken vermeld. Voor elk van deze faaloorzaken is in de Handleiding Bevb [ref. 1] een set risico mitigerende maatregelen gedefinieerd die door de wetgever als ‘Stand der Techniek’ voorwaarden worden gezien. Als een leidingexploitant met betrekking tot een bepaalde faaloorzaak aan deze voorwaarden voldoet, mag een lagere faalfrequentie voor die betreffende faaloorzaak toegepast worden. Daar staat uiteraard een aantoningsplicht van de leidingexploitant tegenover. Naast bovengenoemde ‘Stand der Techniek’ voorwaarden kunnen er overige mitigerende maatregelen tijdens het ontwerp, aanleg, exploitatie of beheer van de leiding door de leidingexploitant genomen zijn, waardoor het risico verlaagd wordt. Deze extra inspanningen van de leidingexploitant, in de Handleiding aangeduid als ‘Maatregelen’, kunnen leiden tot een verlaging van de faalfrequentie behorende bij een faaloorzaak.
Een ‘Maatregel’ is alleen van toepassing op één faaloorzaak en indien meerdere ‘Maatregelen’ bij één faaloorzaak getroffen zijn, mag slechts één ‘Maatregel’ in rekening worden gebracht. De verlaging van de faalfrequentie door het toepassen van een ‘Maatregel’ wordt in het algemeen uitgedrukt in een zogenaamde ‘Clusterfactor’, bijvoorbeeld de waarde 2, 5 of 10. Met de reciproke waarde van deze ‘Clusterfactor’, mag de faalfrequentie van de desbetreffende faaloorzaak vermenigvuldigd worden; dit leidt tot een lagere faalfrequentie. Daarnaast zijn er ook mitigerende ‘Maatregelen’ mogelijk die niet als vaste ‘Clusterfactor’ in rekening worden gebracht, maar als een verlopende ‘Reductiefactor’. Voorbeeld van een dergelijke maatregel is de boven de leiding aangebrachte gronddekking. Hoe meer gronddekking (meer dan 84 cm), hoe groter de reductie. Deze reductie is in een dergelijk geval dus geen vaste factor, zoals bij de ‘Clusterfactoren’ het geval is, maar is afhankelijk van de gronddekking. Indien deze gegevens niet voorhanden zijn wordt de minimale gegarandeerde dekking meegenomen in de berekening. Tevens is de bedrijfsfrequentie van de leiding van invloed op de hoogte van de faalfrequentie. Indien een leiding slechts een deel van de tijd gebruikt wordt voor verpompingen heeft dit invloed op de kans op een bepaald effect bij een calamiteit.
Dit komt tot uitdrukking in een aanpassing van de faalfrequentie. Tenslotte is er in bepaalde gevallen spraken van een additioneel risico als gevolg van de aanwezigheid van risicoverhogende objecten nabij de leiding, zoals windturbines en hoogspanningsmasten. In dergelijke gevallen dient de faalfrequentie van het leidingsegment binnen het invloedsgebied verhoogd te worden.
20/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
5.2
Gebeurtenissenboom vrijkomend product
Bij het onverhoopt vrijkomen van product uit een leiding kunnen afhankelijk van de stof verschillende gebeurtenissen optreden. 5.2.1 Faalscenario (gebeurtenis) en ontstekingskansen Conform de Handleiding Risicoberekeningen Bevb dient voor een aardolieproduct of een brandbare vloeistof als faalscenario het Pool fire (Brandbare plas) scenario te worden gehanteerd. De waarschijnlijkheid (ontstekingskans) waarmee een dergelijke gebeurtenis optreedt is per stofcategorie gestandaardiseerd in de ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’ [ref. 1] en de ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevi’ [ref. 2]. De Handleiding Risicoberekeningen Bevb geeft voor een Categorie 2 product als kerosine in Tabel 3 van de Handleiding alleen een kans voor directe ontsteking (P direkt=0.01). De kans voor vertraagde ontsteking is in de Handleiding op nul gesteld (Pvertraagd=0,00). Als schadelijk effect wordt door het programma SAFETI-NL [ref. 4] de warmtestralingsdosis op een hoogte van 1 meter boven maaiveld berekend. 5.3
Faalfrequenties
De in paragraaf 5.2 genoemde ontstekingskansen dienen meegenomen worden als vermenigvuldigingsfactor op de faalfrequentie voor het faalscenario Pool fire. De te hanteren faalfrequentie voor deze leiding is opgebouwd uit een aantal elementen, die in de volgende paragrafen nader worden toegelicht. 5.3.1 Opbouw van de faalfrequenties De voor de leiding gehanteerde faalfrequenties zijn als volgt opgebouwd: • • • • •
De basis faalfrequenties, zie paragraaf 5.3.2; Eventuele gereduceerde faalfrequentie op basis van ‘Stand der Techniek’ voorwaarden, zie paragraaf 5.3.3; Eventuele reductie van de faalfrequentie op basis van getroffen ‘Algemene Overige mitigerende maatregelen’, zie paragraaf 5.3.4; Eventuele reductie van de faalfrequentie op basis van een correctie voor een diepere ligging van de leiding, zie paragraaf 5.3.5; De gehanteerde faalfrequentie is in paragraaf 5.3.6 weergegeven.
21/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
5.3.2 Basis faalfrequenties In de Handleiding Bevb [ref. 1] wordt de faalfrequentie per kilometer leiding opgedeeld in een aantal faaloorzaken. Per faaloorzaak wordt een basis faalfrequentie weergegeven. Deze basis faalfrequenties zijn in tabel 4 weergegeven. Tabel 4: Algemene basis faalfrequentie ALGEMENE BASIS FAALFREQUENTIE Voor niet nader onderzochte buisleidingen (Bevb / Revb)
Faaloorzaak
Faaloorzaak
Beschadiging door derden
Beschadiging door Derden
Loss of Containment door
Faalfrequentie [km-1j-1]
Lek
Breuk
Lek
%
Breuk
%
Lek+breuk
22%
48%
9,86E-05
22
7,19E-05
48
1,71E-04
Mechanisch
1,45E-04
32
3,23E-05
22
1,77E-04
Inwendige corrosie
4,40E-05
10
5,71E-06
4
4,97E-05
1,32E-04
29
1,72E-05
11
1,49E-04
Natuurlijke oorzaken
1,35E-05
3
9,15E-06
6
2,27E-05
Operationeel en overige oorzaken
1,71E-05
4
1,38E-05
9
3,09E-05
4,50E-04
100
1,50E-04
100
6,00E-04
Uitwendige corrosie
Andere faaloorzaken
Totaal
78%
100%
52%
100%
5.3.3 Faalfrequenties ‘Stand der Techniek’ voorwaarden Bij toepassing van de ‘Stand der Techniek’ voorwaarden, biedt de Handleiding Bevb [ref. 1] de mogelijkheid om een gereduceerde faalfrequentie voor de desbetreffend faaloorzaak toe te passen. Indien de leiding voldoet aan deze ‘Stand der Techniek’ voorwaarden mogen de volgende faalfrequenties toegepast worden, zie tabel 5. Tabel 5: ‘Stand der techniek’ faalfrequenties 'STAND DER TECHNIEK' FAALFREQUENTIE Voor buisleidingen die voldoen aan 'stand der techniek'-voorwaarden (Bevb / Revb)
Faaloorzaak
Faaloorzaak
Beschadiging door derden
Beschadiging door Derden
Loss of Containment door Lek
Breuk
22%
48%
Mechanisch Inwendige corrosie Uitwendige corrosie
Andere faaloorzaken
78%
52%
Natuurlijke oorzaken Operationeel en overige oorzaken Totaal
100%
100%
Faalfrequentie [km-1j-1] Lek
%
Breuk
%
Lek+breuk
2,63E-05
22
1,77E-05
48
4,40E-05
3,86E-05
32
7,96E-06
22
4,66E-05
1,17E-05
10
1,41E-06
4
1,31E-05
3,52E-05
29
4,25E-06
11
3,95E-05
3,60E-06
3
2,26E-06
6
5,86E-06
4,56E-06
4
3,40E-06
9
7,96E-06
1,20E-04
100
3,70E-05
100
1,57E-04
22/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
De totale faalfrequentie van ‘Breuk van de leiding’ is, in het geval bij elke faaloorzaak aan de ‘Stand der Techniek’ voorwaarden wordt voldaan gereduceerd tot 24,7% van de oorspronkelijke faalfrequentie (de basis faalfrequentie). Per faalkansoorzaak is beschouwd of de leidingen aan de ‘Stand der Techniek’ voorwaarden voldoen. In tabel 6 staat de samenvatting hiervan weergegeven. Tabel 6: Van toepassing zijnde ‘Stand der Techniek’ voorwaarden DPO leiding Faaloorzaak Beschadiging door derden
Mechanisch
Inwendige corrosie
Uitwendige corrosie
Natuurlijke oorzaken Operationeel en Overige
Stand der Techniek voorwaarde, conform ‘Handleiding Risicoberekeningen Bevb’ [ref. 1] Duidelijk aangegeven bovengrondse markeringen van de buisleiding die vanuit elk gezichtspunt waarneembaar zijn. Van de regel kan worden afgeweken bij praktische beperkingen zoals bij bochten, bossages en obstakels. Periodieke communicatie met landeigenaren om deze bewust te maken en te houden van de aanwezigheid van de buisleiding. Geïmplementeerd KLIC/WION systeem met actief rappel. Leiding voor 1980 aangelegd: Mechanical Assessment van de leiding beschikbaar. Leiding na 1980 aangelegd: geen, is afgedekt door sterk verbeterde kwaliteitscontrole en kwaliteitsborging (QA/QC) bij de aanleg van een buisleiding. Bepaling van product corrosiviteit. Toepassing van ontwerpmaatregelen gebaseerd op corrosiviteit (bijvoorbeeld corrosietoeslag op wanddikte, toepassen corrosie inhibitie, toepassen corrosiebestendige staallegering van de buiswand en eventuele inwendige coating / “liner”). Effectief monitoring programma (bijvoorbeeld bewaking product kwaliteit middels sampling, chemicaliën injectie, sampling op metaalafgifte). Toepassing van passende coating en kathodische bescherming conform NEN 3654. Effectief monitoring programma van kathodische bescherming en van coating. Het constructief ontwerp in relatie tot zettingen en spanningen is bekend, gedocumenteerd en er zijn passende maatregelen getroffen.
Gespecificeerd werkgebied m.b.t. debiet, druk, temperatuur, trip settings. Geautomatiseerde procesbewaking en procesbeveiliging. Monitoring van relevante DCS of Scada-data om binnen dit werkgebied te blijven opereren. Verandering van werkgebied alleen toegestaan middels vastgestelde procedures, zoals bij wijzigingen (Management of Change, MoC).
Van toepassing Ja
Ja -N.v.t.
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
-Ja
Ja
Ja
Ja
Ja Ja Ja
Ja
Ja
Op basis van de getroffen ‘Stand der Techniek’ voorwaarden en bedrijfsfrequentie (buisleiding in gebruik) worden de volgende faalfrequenties toegepast, zie tabel 7.
23/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Ja
Tabel 7: Faalfrequenties op basis van de ‘Stand der Techniek’ maatregelen GEHANTEERDE FAALFREQUENTIE (inclusief 100% benuttingsgraad) Berekening faalkans aspecten Basis-/'stand der techniek'- faalfrequentie
Faaloorzaak
Beschadiging door derden Mechanisch Inwendige corrosie Uitwendige corrosie Natuurlijke oorzaken Operationeel en overige oorzaken Totaal
Voorwaarden stand der techniek stand der techniek stand der techniek stand der techniek stand der techniek stand der techniek
Faaloorzaak Beschadiging door Derden
Andere faaloorzaken
Loss of Containment door
Faalfrequentie [km-1j-1]
Lek
Breuk
Lek
%
Breuk
%
22%
48%
2,63E-05
22
1,77E-05
79
3,86E-05
32
7,96E-06
9
1,17E-05
10
1,41E-06
2
3,52E-05
29
4,25E-06
5
3,60E-06
3
2,26E-06
2
4,56E-06
4
3,40E-06
4
1,20E-04
100
3,70E-05
100
78%
100%
52%
100%
5.3.4 Overige getroffen algemene risico mitigerende maatregelen Naast de in de voorgaande paragrafen vermelde ‘Stand der Techniek’ maatregelen kunnen ook overige maatregelen getroffen zijn die risico reducerend zijn en als reducerende factor op de betreffende faalfrequentie in rekening mogen worden gebracht. Een eis hierin is wel dat de mitigerende maatregelen op in de handleiding en besluit voorgeschreven wijze zijn aangebracht en van kracht zijn. Er is geen informatie bekend met betrekking getroffen tot overige risico mitigerende maatregelen en zijn derhalve de clusterfactoren niet toegepast van [ref. 1]. 5.3.5 Correctiefactoren diepteligging In de Handleiding Bevb [ref. 1] wordt aangegeven dat op de faalfrequentie Beschadiging door derden een correctiefactor voor de diepteligging mag worden toegepast. Deze correctiefactor wordt middels onderstaande vergelijking in rekening gebracht. Correctiefactor = e-2,4*(Z1-Z0)
Vergelijking 1
Waarbij: • •
Z0 = werkelijke diepteligging van de leiding (bovenkant buis); Z1 = referentiediepte van 0,84 m.
De leiding ligt in het gehele tracé op een grotere diepte dan de referentiediepte van 0,84 m. In dit nieuwe tracé wordt namelijk veelal gebruik gemaakt van horizontaal gestuurde boringen, waardoor voor het grootste deel de leiding op grote diepte het gebied doorkruist.
24/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Op basis van de diepteligging van de leiding in relatie tot het maaiveld is voor de faaloorzaak ‘Beschadiging door derden’ (TPI) de faalfrequentie gecorrigeerd. Deze berekende correctiefactor kan variabel zijn per leidingsegment, omdat de diepteligging variabel kan zijn. 5.3.6 Gehanteerde faalfrequentie Met alle door de leidingexploitant getroffen risico mitigerende maatregelen, stand der techniek voorwaarden en correctiefactor voor diepteligging wordt de volgende faalfrequentie gehanteerd, zie tabel 8. Tabel 8: Gehanteerde faalfrequentie 10 inch kerosine leiding van DPO GEHANTEERDE FAALFREQUENTIE Berekening faalkans aspecten Basis-/'stand der techniek'- faalfrequentie
Faaloorzaak
Beschadiging door derden Mechanisch Inwendige corrosie Uitwendige corrosie Natuurlijke oorzaken Operationeel en overige oorzaken Totaal
Voorwaarden stand der techniek stand der techniek stand der techniek stand der techniek stand der techniek stand der techniek
Faaloorzaak Beschadiging door Derden
Andere faaloorzaken
Loss of Containment door Lek
Breuk
Lek
%
Breuk
%
22%
48%
2,63E-05
22
1,77E-05
79
3,86E-05
32
7,96E-06
9
1,17E-05
10
1,41E-06
2
3,52E-05
29
4,25E-06
5
3,60E-06
3
2,26E-06
2
4,56E-06
4
3,40E-06
4
1,20E-04
100
3,70E-05
100
1,05E-04
100
2,67E-05
100
78%
100%
Totaal (met STANDAARD diepteligging VAN 1,20 m), maximale waarde
N.B.
Faalfrequentie [km-1j-1]
52%
100%
De geel gemarkeerde faalfrequenties betreffen de faalfrequentie voor deze leiding bij een door de leidingeigenaar voorgeschreven minimale gronddekking van 1,20 m. Dit is de maximale faalfrequentie, waarbij het variabele deel van de faalfrequentie gevormd wordt door de correctiefactor diepteligging (zie paragraaf 5.3.5), Grote delen van het leidingtracé zijn uitgevoerd als HDD waarbij er een grotere gronddekking aanwezig is dan 1,20 m. De faalkans van dat segment wordt dan automatisch lager. In het invoerbestand is de faalfrequentie per segmentdeel ingevoerd, derhalve rekening houdend met de daadwerkelijke gronddekking in dat segmentdeel.
25/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
6
Modellering
6.1
Omgevingsomstandigheden
6.1.1 Gebiedsfuncties en populaties Het toepassingsgebied van het Bevb [ref. 3] is het openbare gebied buiten de inrichtingsterreinen. De QRA is gericht op het ondergrondse deel in het openbare gebied langs de leiding. Hiervoor is voor buisleidngen het zogenoemde ‘No Free Field Modeling’ gebruikt voor het berekenen van de plaatsgebonden risicocontouren en groepsrisico, omdat er geen sprake is van een terreingrens. De terreinen aan de uiteinden van het beschouwde leidingdeel vallen binnen het toepassingsgebied van het Bevi. De topografie vanuit het Kadaster [ref. 12] is als ondergrond in het rekenmodel gebruikt. Hierbij zijn enkel de relevante delen van deze kaart gebruikt. Voor de populatiegegevens is gebruik gemaakt van de Populatie data in beheer van Relevant [ref. 10]. In paragraaf 4.8 is op basis van de risicokaart een inventarisatie van kwetsbare objecten uitgevoerd. Uit deze inventarisatie kwamen geen nabijgelegen kwetsbare objecten naar voren. Wel zijn op basis van bestemmingsplannen en gesprekken met perceeleigenaren twee (beperkt) kwetsbare objecten (gebiedsfuncties) geïnventariseerd. Deze objecten worden in de navolgende paragrafen toegelicht.
6.1.2 Geprojecteerd kwetsbare object: Natuurcamping Engelermeer Nabij de Engelermeer zijn er plannen om in de toekomst een (natuur) camping te realiseren op een perceel waarin ook de nieuwe transportleiding van DPO wordt aangelegd. De beoogde ontwikkeling van het perceel als natuurcamping wordt overigens in een ander gedeelte van het perceel gerealiseerd dan waar de leiding zal worden aangelegd, zie figuur 6.A t/m figuur 6.C. Het aantal beoogde standplaatsen op deze camping bedraagt 59. Tevens zal een huidige boerenschuur verbouwd worden tot een groepsaccommodatie van 20 personen. In de QRA berekening is conform de PGS 1 deel 6 (Ref.[12]) een populatiedichtheid van 200 personen/ha conservatief aangehouden in verband met mogelijke gezinnen (volgens de PGS 1 deel 6 (Ref.[12]) is een dichtheid van 130 personen/ha voldoende, gerekend is met de conservatievere dichtheid van 200 personen/ha behorende bij een toeristische locatie 3). Met deze grootte wordt deze camping conform Artikel 1 lid l sub d van het Bevi als een (geprojecteerd) kwetsbaar object gezien. Het zij hier opgemerkt dat volgens [PSG1, Deel 6] de aanwezigheidsgegevens van campings, etc. betrekking hebben op de zomerperiode (ca. 40% van het jaar). In de QRA berekeningen is er echter conservatief van uitgegaan dat deze bevolkingsdichtheid het gehele jaar aanwezig is.
3
De hier gehanteerde bevolkingsdichtheid van 200 personen/ha behoort bij een intensief gebruikte kampeerplaats met stacaravans, tijdens piekdagen in de zomer. Zie ook de afleiding van de bevolkingsdichtheid voor een soortgelijke camping in paragraaf 6.1.3.
26/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Op het moment van op stellen van deze QRA is de stand van zaken met betrekking tot ontwikkeling van de natuurcamping onbekend.
Figuur 6.A: Camping nabij de Engelermeer – leidingtracé
27/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Figuur 6.B: Camping nabij de Engelermeer – ontwerp camping
28/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Figuur 6.C: Camping nabij de Engelermeer – leidingtracé en camping
29/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
6.1.3 Geprojecteerd (beperkt) kwetsbare object: (mini)camping t.h.v. Bokhoven Bij besprekingen met perceeleigenaren heeft de perceeleigenaar van een perceel ter hoogte van Bokhoven aangegeven in de toekomst mogelijk een (mini)camping te willen realiseren. De huidige bestemming van het perceel is een terrein voor sportdoeleinden, in onderstaand figuur is de kruising van het perceel met een rode lijn aangegeven in een aanzicht en op het huidige bestemmingsplan.
Figuur 7: Kruising perceel ten zuiden van de Maas (Huidige bestemming perceel (lichtgroen gekleurd: sportdoeleinden).
30/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Conform de Bevi, Artikel 1, lid 1.b, sub f valt de huidige bestemming van het terrein (het object), zijnde ‘sportdoeleinden’, onder de definiëring van een beperkt kwetsbaar object, namelijk: ‘kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet onder onderdeel l, onder d, vallen’, waarbij Onderdeel I, lid d als volgt is gedefinieerd: ‘kampeeren andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.’ De door de eigenaar in de toekomst gewenste bestemming, zijnde een ‘kampeerterrein’, kan conform de Bevi derhalve wel onder ‘kwetsbaar object’ vallen, daar de toekomstige grootte van de (mini-)camping nog niet bekend is. In de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 1, Deel 6: Aanwezigheidsgegevens (uitgegeven door VROM, december 2003), hierna aangehaald als referentie [PGS1, Deel 6] worden aanwezigheidsgegevens weergegeven die gehanteerd mogen worden bij diverse typen gebieden/ bestemde percelen. In paragraaf 3.2 van [PGS1, Deel 6] worden de volgende aanwezigheidsgegevens aangegeven voor de Ruimtelijke Bestemming: ‘Buitensport en recreatie’
Het hier betreffende terrein is te kenschetsen als een terrein voor extensief gebruik, derhalve zou voor dit terrein als populatiedata 36 personen/ha gehanteerd mogen worden. Het zij hier opgemerkt dat dat volgens deze publicatie deze populatie ‘in het weekend, ’s avonds en zomers’ aanwezig kan zijn, niet continu. In dezelfde paragaaf van [PSG1, Deel 6] zijn ook capaciteitsgegevens van kampeerbedrijven geresumeerd en zijn door VROM de volgende aanwezigheidsgegevens afgeleid:
De huidige eigenaar heeft de intentie om in de toekomst een mogelijk mini-camping te beginnen. De karakteristieken van een mini-camping zouden volgens bovenstaande aanwezigheidsgegevens overeen komen met een populatie van 60 personen/ha.
31/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
In oudere publicaties werden volgens [PSG1, Deel 6] de volgende aanwezigheidsgegevens gehanteerd:
Het zij hier opgemerkt dat volgens [PSG1, Deel 6] de aanwezigheidsgegevens van campings, etc. betrekking hebben op de zomerperiode (ca. 40% van het jaar). In vakantieperioden en in de weekenden zijn daarbij pieken aanwezig. Op de topdagen kunnen er op aantrekkelijke plaatsen 75 eenheden/ha = 225 personen/ha aanwezig zijn. In [PSG1, Deel 6] wordt uiteindelijk in onderstaande tabel geresumeerd welke bevolkingsdichtheden in veiligheidsanalyses gehanteerd kunnen worden:
In deze QRA rapportage zijn voor dit perceel als ‘worst case’ de maximale in [PSG 1, Deel 6] aangegeven populatiedata gehanteerd ter grootte van 200 personen/ha. met kansverdeling 12 / 88 % binnen/buiten in de dag situatie en 76 / 24 % binnen/buiten in de avond en nacht situatie 4.
4
Hoewel deze bovenstaande kansverdeling binnen/buiten is in het software programma SAFETI-NL is ingevoerd negeert SAFETI-NL deze handmatig ingevoerde kansverdeling voor recreatiegebieden en hanteert voor deze bevolkingsdichtheid alsof deze in zijn geheel (100%) buiten aanwezig is, derhalve een conservatieve benadering.
32/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Motivaties voor toepassing van deze ruime bovengrensbenadering: 1. Ruim hogere bevolkingsdichtheid dan volgens huidige bestemming ‘Sportdoeleinden’ (zijnde ca 36 personen/ha); 2. Ruim hogere bevolkingsdichtheid dan volgens toekomstige intentie huidige eigenaar met perceel (mini-camping): ca. 60 personen/ha); 3. Hoger bevolkingsdichtheid dan wanneer er in de toekomst sprake zou zijn van een intensief campeerbedrijf of toeristische attractie (180-200 personen/ha.); 4. Met een ‘worst-case’ bevolkingsdichtheid van 200 personen/ha wordt daarmee ruim tegemoet gekomen aan de mogelijke plannen van de huidige eigenaar met dit perceel en is het beoogde tracé met de bijbehorende diepteligging (horizontaal gestuurde boring) geen belemmering voor de huidige eigenaar. Daarnaast is geen beperking gehanteerd in de aantallen over het jaar, dat wil zeggen dat in de QRA berekeningen ervan uitgegaan is dat deze bevolkingsdichtheid het gehele jaar op het terrein aanwezig is, hoewel volgens [PSG1, Deel 6] voor zowel de bestemming ‘Sportdoeleinden’ als de bestemming ‘Camping, etc.’ er van uitgegaan mag worden dat deze bevolkingsdichtheden gedurende het jaar beperkt aanwezig zijn, zie ook de voetnoot op de vorige pagina. De leiding passeert het betreffende perceel middels een horizontaal gestuurde boring, zie figuur 8, met een gronddekking van circa 15 à 20 m.
Met deze HDD, dat tevens als risico mitigerende maatregel conform het Bevb, kan worden beschouwd, wordt een toekomstig gebruik van dit perceel als (mini) camping niet belemmerd.
33/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Figuur 8: HDD nabij (mini)camping
34/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
6.1.4 Invloedsgebied en populatiegegevens De bepaling van het groepsrisico (GR) en het plaatsgebonden risico (PR) gebeurt aan de hand van het type populatie en de aantallen binnen het invloedsgebied (binnen 1% letaliteitsgrens) van de transportleiding. Een belangrijk onderdeel hierin zijn de aanwezigheidspercentages en of de personen zich binnen of buiten een gebouw bevinden. In het populatiebestand is een onderverdeling in de dag- en nacht-populatie gemaakt. Ook voor de aanwezigheidspercentages zijn de standaardwaarden voor de dag (44%) en nacht (56%) van het gehanteerde rekenprogramma SAFETI-NL [ref. 4] aangehouden. De kansverdeling van de bevolking voor binnen of buiten een gebouw is conform [ref. 1]: • •
gedurende de dag binnen (93%) en buiten (7%) én; gedurende de nacht binnen (99%) en buiten (1%).
De kansverdeling binnen en buiten uit het populatiebestand is ongewijzigd gelaten, omdat deze in de BAG gegevens zijn opgenomen. Daar waar populatiekernen zijn toegevoegd, buiten de BAG gegevens, is deze kansverdeling wel gewijzigd. Voor beide campings is de aangehouden kansverdeling (kampeerbedrijf/toeristische locatie conform PGS1 deel 6, Ref.[12]) in paragraaf 6.1.1 gegeven. SAFETI-NL rekent echter niet met deze parameters en gaat er van uit, dat de populatie zich bij deze bestemmingsdoeleinden standaard buiten bevindt, hetgeen een bovengrensbenadering is voor het groepsrisico, zie ook de voetnoot op pagina 32. 6.1.5 Topografie Voor het bepalen van de plaatsgebonden risico’s zijn de actuele topografische kaarten gekalibreerd aan het RD-stelsel in SAFETI-NL. Hierbij is eerst kwantitatief bepaald welke objecten binnen de 10-6 PR risicocontouren vallen, waarna kwalitatief beoordeeld is of de objecten mogelijk knelpunten vormen. 6.1.6 Ruwheidslengte Bij het onverhoopt vrijkomen van product is de mate van verspreiding onder andere afhankelijk van de ruwheidslengte, waarin de oneffenheden in het gebied zijn verdisconteerd. In de risicoberekeningen wordt, conform [ref. 1], uitgegaan van 100 mm als standaard ruwheidslengte. Hiervan mag worden afgeweken en een hogere waarde gebruik worden gemaakt van de ruwheidskaart van het KNMI (beschikbaar op de website bij RIVM-CEV).
Hiervan is in de voorliggende rapportage geen gebruik van gemaakt. 6.1.7 Weerstation De weerroos behorende bij het weerstation Gilze-Rijen is als input voor de berekeningen gebruikt. De parameters behorende bij deze weerroos kunnen niet worden gewijzigd in het gehanteerde rekenprogramma SAFETI-NL [ref. 4]. 6.2
Stofeigenschappen
Kerosine komt als zodanig niet voor in het stoffen database bestand van het voorgeschreven programma SAFETI-NL [ref. 4]. Het Bevb schrijft n-nonaan voor als representatieve voorbeeldstof voor K2 vloeibare aardolieproducten. De gebruiker kan hierin geen veranderingen aanbrengen.
35/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
6.3
Faalfrequentie transportleiding
Voor de gehanteerde faalfrequentie van deze leiding wordt verwezen naar hoofdstuk 5. Rondom deze leiding zijn geen risico verhogende objecten (zoals windturbines en hoogspanningsmasten) aanwezig, die een invloed hebben op de faalfrequentie van de leiding. Met deze risico verhogende invloed is derhalve geen rekening gehouden in de QRA berekening. Modellering scenario’s
6.4
Conform het Bevb is het scenario gemodelleerd als een ‘Pool fire’. De berekening van de plasdiameter van het uitgestroomde medium is in tabel 9 weergegeven. Tabel 9: Berekening van de plasdiameter bij breuk van de leiding Omschrijving
Symbool
Eenheid
Uitwendige diameter leiding
Do
mm
10 inch DPO 273,1
Nominale wanddikte leiding
tn
mm
9,27
Maximale debiet van de pomp 5
Qpomp
m3/uur
100
Sluittijd 1
t
sec
55
3
Uitstroomvolume bij de pomp (= Qpomp / 3600 * t)
Vpomp
m
Leidinglengte tussen pompen / eventuele afsluiters
L1
m
6706
Maximale bedrijfsdruk 6
pa
bar
96
Inwendige diameter van de buisleiding
Di
mm
254,5
Compressibiliteit van het aardolieproduct Uitstroomvolume expansie vloeistof, zie 2.2.2.1 van Handleiding Risicoberekeningen BevB, Module C
Ce
Pa-1
8,80E-10
Ve
m3
2,9
Leidinglengte hellende leiding
L2
m
0
Inwendige straal van de buisleiding
Ri
mm
127,3
Uitstroomvolume leegloop
Vleeg
m3
0,0
h
cm
5
Vtot
m3
4,4
d
m
10,6
Plashoogte (standaard)
7
Totale uitstroomvolume Plasdiameter vloeibare aardolieproduct ZONDER erosiekrater (uit pi . d2 = Vtot / h)
1,5
5
Gegevens verkregen van opdrachtgever.
6
Als bovengrensbenadering is hier voor de maximale bedrijfsdruk de ontwerpdruk aangehouden.
7
In de invoergegevens van SAFETI-NL staat bij Pool fire Elevation 0.01 m vermeld. Dit is niet gelijk aan de plashoogte bij een plasbrand. De 0,01 m is overleg met de Helpdesk van Safeti ingevoerd, zie Handleiding Risicoberekeningen, module d, paragraaf 3.2.1 versie 3.1 om aan te duiden dat de uitstroming verticaal en ondergronds is. De plashoogte van 5 cm wordt niet in Safeti ingevoerd; wel de diameter van de plasbrand (dat volgt uit de totale uitstroomvolume gedeeld door de plashoogte van 5 cm).
36/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
7
Resultaten
7.1
Algemeen
Op basis van de gemodelleerde scenario’s treden mogelijk plaatsgebonden risicocontouren rondom de transportleidingen op ten gevolge van de warmtestraling nabij potentiële calamiteit. In paragraaf 3.2 zijn de toelaatbare grenswaarden voor het Plaatsgebonden Risico en Groepsrisico beschreven. In de navolgende paragrafen worden de resultaten weergegeven van de beschouwde transportleiding. 7.2
Plaatsgebonden risico (PR)
Figuur 9 toont het resultaat van de berekeningen; er worden geen risicocontouren rondom de beschouwde transportleiding weergegeven.
Figuur 9: Globale PR-risicocontouren van de 10 inch kerosine leiding van DPO
Het maximaal aangetroffen plaatsgebonden risico voor deze leiding kleiner is dan PR 10-8 per jaar, terwijl volgens het Bevb, artikel 6 de grenswaarde voor (beperkt) kwetsbare objecten PR 10-6 per jaar bedraagt.
37/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
Ter plaatse van beide geïnventariseerde (geprojecteerde) kwetsbare objecten (natuurcamping en (mini)camping) is daarmee automatisch het PR in deze percelen ruim lager dan 10-6 per jaar en wordt daarmee voldaan aan de eisen van het Bevb. Voor dit nieuwe gehele tracé geldt derhalve, dat de PR lager is dan 10-6 per jaar, waarmee wordt voldaan aan artikel 6 van het Bevb. 7.3
Groepsrisico (GR)
Ter bepaling van de hoogte van het GR dient de maatgevende kilometer van de leiding beschouwd te worden. Langs het tracé zijn geen locaties met concentraties van woon populatiekernen binnen het invloedsgebied van de leiding.
Figuur 10: Samenvatting maatgevende effectzones (SMEZ) uit SAFETI-NL
De 1% letaliteitsafstand (invloedsgebied) bedraagt voor de leiding maximaal circa 25 m (drempelwaarde berekend bij 10 kW/m2 warmtestraling bij de maximale windsnelheid,zie contourgebied in figuur 11). Dit is tevens de minimale berekeningsgrens ten opzichte van de buisleiding voor de aan te houden bevolkingspopulatie.
Figuur 11: 1% letaliteitsgebied ‘Pool fire’, warmtestraling 10 kW/m2
38/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
In figuur 12 is het GR van de maatgevende kilometer weergegeven langs de te verleggen 6,7 km leidingdeel. Uit deze figuur blijkt dat het berekende groepsrisico lager is dan de oriëntatiewaarde. De leiding voldoet derhalve aan de eisen voor het groepsrisico conform het Bevb [ref. 3]. In de berekeningen van het groepsrisico is voor beide (geprojecteerde) kwetsbare objecten (natuurcamping en (mini)camping) het toekomstige gebruik verwerkt in de QRA berekening.
Factor 1/150.000
Figuur 12:
Maatgevend optredend groepsrisico is ruim lager dan de oriëntatiewaarde
Het aantal fatale slachtoffers in de dag en nacht situatie is bij het groepsrisico minder dan 10. De maximale factor bij de combinatie dag/nacht van deze kilometerleiding wordt gevonden bij 6 slachtoffers en een frequentie van circa 2 *10-8. Uit figuur 12 valt daarbij op te maken dat het berekende groepsrisico van de maatgevende km ruim onder de oriëntatiewaarde van het Groepsrisico ligt, de maximale waarde van het afgeleide groepsrisico bedraagt namelijk circa 2 x 10-8 (= 1/50.000.000) ten opzichte van de oriëntatiewaarde (0,003), derhalve 150.000 maal lager dan de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico ligt voor het plangebied daarbij ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dat betekent dat in dit geval een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient te worden uitgevoerd voor deze leiding (Bevb, artikel 12).
39/44 — DPRO-60 — Tracé wijziging ø10” kerosine leiding Ammerzoden - Vlijmen — DPRO-60-R-1-5, versie 5 — 2 oktober 2020
8
(Beperkte) verantwoording groepsrisico
8.1
Elementen beperkte verantwoording Groepsrisico