CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen eindrapportage

Gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Aanvullend voorbereidingskrediet woningbouw voetbalvelden Hurwenen12.804 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.1.3 Natuur Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De hoofdlijn van deze wet is dat beschermde gebieden en soorten niet aangetast mogen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. 4.1.3.1 Gebiedsbescherming Zowel door de gemeente, als door de provincie en het Rijk worden groenstructuren aangewezen die bescherming behoeven. Uit de inventarisatie is gebleken dat binnen het plangebied geen beschermde groenstructuren aanwezig zijn. Het meest nabijgelegen beschermd gebied ligt op ca. 170 meter ten noorden van het plangebied, ten noorden van de Waaldijk. Dit gebied is zowel aangewezen als Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (provinciaal kader) als als Natura 2000 (Rijksbeleid). Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald.

Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitatten of de habitatten van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Vanwege de beoogde ontwikkeling van het plangebied en de afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken is een stikstofberekening (gebruiksfase) noodzakelijk bij verdere planuitwerking. Indien uit de berekening blijkt dat sprake is van een depositie, dienen maatregelen getroffen te worden om deze teniet te doen (middels maatregelen in de planontwikkeling en/ of beperking van emissies door maatregelen in de omgeving). Op grond van het besluit Stikstofreductie en natuurverbetering (in werking 1 juli 2021) geldt voor het aspect stikstof een landelijke vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Dit betekent dat er voor de herontwikkeling van het plangebied met woningen en bijbehorende voorzieningen geen stikstofonderzoek (AERIUS berekening) voor de sloop en nieuwbouw benodigd is (uitgangspunt: wet- en regelgeving en jurisprudentie 4 mei 2022).

De zone tussen het plangebied en Natura 2000 gebied kan worden gekarakteriseerd als enkele woonstraten en een dijklichaam als scheiding tussen het dorp en de uiterwaarden. Gezien deze tussenliggende functies en de ruimtelijke opbouw van het gebied mag worden aangenomen dat de

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 28/39

effecten op overige beschermingsaspecten van het Natura 2000-gebied verwaarloosbaar zijn. Bij de planuitwerking kan de eventuele invloed met behulp van de effecten-indicator worden onderbouwd. Voor het overige geldt dat de ontwikkeling van het plangebied geen invloed heeft op de groenstructuur van het Gelders natuurnetwerk en de ontwikkelingsmogelijkheden van dit gebied niet beperkt. 4.1.3.2 Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en beschermde plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In het plangebied is sprake van enkele groenelementen en gebouwde objecten. Vast staat dat de aanwezige bebouwing bij herontwikkeling wordt gesloopt. Of/ in hoeverre groenelementen worden verwijderd is vooralsnog niet duidelijk. Dit is afhankelijk van de verdere planuitwerking. De overige gronden zijn ingericht als speeltuin en sportveld.

Deze velden worden ten dienste van het huidig gebruik intensief bewerkt (onkruidbestrijding, bemesting en maaien) en gebruikt (spel en sport). Als gevolg hiervan is er in dit deel van het plangebied sprake van een zekere verstoring. De gronden fungeren op dit moment mogelijk wel als foerageergebied en voor kleine diersoorten als routestructuur. Voor plantensoorten geldt dat de aanwezige planten in dit deel van het plangebied strak door de mens worden gereguleerd. Gezien de huidige functie is sprake van een zorgvuldig beheer van de gronden. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen dit deel van het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. Bij planuitwerking dient een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd, waarbij met name de clubgebouwen van de voetbalvereniging en het gemeenschapshuis aandachtspunt zijn in verband met potentiële gebouw-bewonende soorten. Afhankelijk van toekomstige ingrepen zijn ook de groenzones aan zuid-, oost- en westzijde van het plangebied een aandachtspunt. De gemeente Maasdriel beschikt over een kaart met waardevolle bomen en boomstructuren. In het plangebied zijn twee bomen als ‘waardevol’ aangewezen (zie onderstaande tabel). Waar mogelijk worden bestaande bomen behouden.

Tabel 7: Overzicht waardevolle bomen binnen plangebied (bron: Waardevolle bomen en boomstructuren kaart, gemeente Maasdriel)

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 29/39

4.1.4 Water Water wordt meer en meer beschouwd als sturend element bij de inrichting van onze leefomgeving. Naast aandacht voor het vasthouden en bergen van water is afgelopen jaren ook de aandacht voor beleving en multifunctioneel gebruik toegenomen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe dat 100% van het vernieuwde verharde oppervlak gecompenseerd dient te worden door te voldoen aan voorzieningen benodigd voor een bui op het niveau T=10 + 10%. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Voor het plangebied gelden zowel kaders uit het Rijks- en provinciaal waterbeleid, als de beleidslijnen van Waterschap Rivierenland en de gemeente Maasdriel. Bestaand watersysteem Oppervlaktewater In de huidige situatie is het plangebied grotendeels onverhard. In het zuidoostelijk deel is een Awatergang aanwezig die verder in zuidwestelijke richting overkluisd is. Tevens ligt een A-watergang direct ten westen van de westelijke grens van het plangebied. Vanuit het rivierbed gelden geen beperkingen voor het plangebied. Grondwater De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is op basis van het meetnet Vitens aan de noordoostzijde van het plangebied NAP +2,93m ≈ 0,7m-mv.

In de nadere uitwerking van het plan worden de grondwaterstanden verder inzichtelijk gemaakt. Zowel het ontwerp van de waterberging als het bouw- en woonrijp maken worden hierop afgestemd. De reeds aanwezige gegevens leveren op voorhand geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. Toekomstig watersysteem Hemelwater Conform het beleid van de gemeente Maasdriel en Waterschap Rivierenland geldt dat het hemelwater gescheiden dient te worden gehouden van het huishoudelijke afvalwater. Het hemelwater dient bij voorkeur bovengronds te worden afgevoerd, naar een bergingsvoorziening binnen het plangebied. De berging dient vertraagd af te worden gevoerd naar oppervlaktewater. De bergingsvoorziening dient gedimensioneerd te worden op het niveau T=10+10% van 100% van het verhard oppervlak. Infiltratie behoort in dit geval niet tot de mogelijkheden, tenzij anders wordt aangetoond middels onderzoek naar de K-waarde. Bij de planvorming dient er rekening mee te worden gehouden dat hemelwater afkomstig van particulier terrein via de openbare ruimte wordt geborgen en afgevoerd. Vanwege de mogelijkheden van beheer wordt er in beginsel voor gekozen om geen wadi’s toe te passen. Een droogvallende waterberging (met vertraagde afvoer en overstort) behoort wel tot de mogelijkheden als oplossing.

Langs een voorziening voor hemelwaterberging dient ten behoeve van het beheer en onderhoud een schouw- en/of onderhoudsstrook te worden toegepast met een breedte van 4 meter. Oppervlaktewater Bij het ontwerp wordt zoveel mogelijk uitgegaan van het benutten en versterken van de A-watergangen met beschermingszones in en aan de rand van het plangebied. Indien aanpassingen aan deze watergangen gewenst zijn is een watervergunning nodig. Gezien de huidige staat van de watergangen kan hier naar verwachting overeenstemming over bereikt worden met het waterschap.

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 30/39

Voor de dimensionering van A-watergangen gelden vanuit de Keur de volgende ontwerpnormen: • Bodembreedte minimaal 0,7 meter; • Bodemhoogte 1 meter onder zomerpeil of boezempeil (uitgangspunt); • Bovenbreedte maximaal 8 meter tenzij varend onderhoud/ onderhoud van 2 zijden; • Naastgelegen beschermingszone 4 meter. Waterhuishoudkundige aspecten (bruggen, duikers, watergangen, laad- en losvoorzieningen, schouwpaden en onderhoudsstroken ten behoeve van waterhuishouding et cetera dienen te worden uitgevoerd volgens de huidige kaders en voorwaarden van Waterschap Rivierenland en WRP van de gemeente Maasdriel. Afvalwater Naar verwachting zal bij de herontwikkeling sprake zijn van functies waarbij huishoudelijk afvalwater ontstaat. Dit vuilwater wordt aangesloten op de bestaande riolering in Hurwenen. 4.2 Functies en gebruik

4.2.1 Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt veelal gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. (Geringe) afwijkingen in de lokale situatie zijn mogelijk, mits voldoende gemotiveerd. Bij het bepalen van de richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; • De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’.

Wanneer sprake is van ‘gemengd gebied’ kan de richtafstand met één trede worden verlaagd; • De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; • Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie; • De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen. De grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De bovenstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie (in omgevingstype ‘rustige woonwijk’).

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 31/39

Milieucategorie

Richtafstand

1

10 m

2

30 m

3.1

50 m

3.2

100 m

4.1

200 m

4.2

300 m

5.1

500 m

5.2

700 m

5.3

1.000 m

6

1.500 m

Tabel 8: Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden(bron: Bedrijven en Milieuzonering, VNG)

Voor de herontwikkeling van het plangebied wordt vooralsnog uitgegaan van de realisatie van gevoelige functies (woningen). Als de locatie als woongebied wordt ontwikkeld is daarmee geen sprake van een milieubelastende functie, die invloed heeft op gevoelige functies in de omgeving. Vooralsnog is dan ook uitsluitend getoetst of herontwikkeling met gevoelige functies milieutechnisch aanvaardbaar is. Daarbij mogen omliggende inrichtingen niet onevenredig belemmerd worden in hun functioneren door de ontwikkeling. Aanvaardbaarheid nieuwe functie De omgeving van het plangebied kan worden gekarakteriseerd als woonkern. Op enige afstand van het plangebied liggen een aantal niet-agrarische en agrarische inrichtingen. Voor deze inrichtingen is getoetst in hoeverre hun aanwezigheid invloed heeft op de herontwikkelingsmogelijkheden van het plangebied. De toets is in de navolgende sub-paragrafen omschreven. 4.2.1.1 Milieu-invloed niet-agrarische inrichtingen In onderstaande afbeelding zijn de niet-agrarische inrichtingen in de omgeving van het plangebied aangeduid. De afbeelding wordt gevolgd door een tabel waarin het type bedrijvigheid, de milieucategorie, aanbevolen afstand en daadwerkelijke afstand tot de grens van het plangebied zijn opgenomen. Zoals blijkt uit de onderstaande tabel (tabel 4) wordt voor vrijwel alle inrichtingen in de omgeving voldaan aan de richtafstand.

Voor de kleiwinning ten noorden van de Waaldijk geldt dat uit luchtfoto’s en archiefinformatie van de gemeente en Omgevingsdienst Rivierenland kan worden afgeleid dat de kleiwinning in de ‘Kil van Hurwenen’ reeds is beëindigd. De natuurlijke eindafwerking van het gebied heeft plaatsgevonden. Het gebruik van de gronden voor kleiwinning is dan ook niet meer aan de orde, waardoor het genoemde milieueffect niet zal optreden. Voor het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ kan op grond van de VNG-brochure geconcludeerd worden dat voor herontwikkeling van het plangebied geen belemmeringen gelden vanuit niet-agrarische inrichtingen uit de omgeving van het plangebied.

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 32/39

Toegestane bedrijvigheid o.g.v. bestemmingsplan

Milieucategorie VNG-lijst max*

Minimale aanbevolen afstand VNGlijst in rustige woonwijk (m)

Feitelijke afstand plangebied – bestemmingsvlak (m)

Voldoet: ja/ nee

1.

Waaldijk ongenummerd

Water - kleiwinning

5.1

500

190

nee

2.

Waaldijk 67

Bedrijf: vrachtwagenstalling, tevens aan het buitengebied gerelateerde bedrijven toegestaan

3.2

100

370

ja

3.

Groenestraat 2 – Waaldijk 61

Recreatie kampeerboerderij

3.1

50

460

ja

4.

Waaldijk 2 – 2b

Horeca – restaurant, tevens horeca in categorie 2/3 en cafés

2

30

630

ja

5.

Dorpsstraat 14

Maatschappelijk

2

30

30

ja

6.

Dorpsstraat 1

Bedrijf - Nutsvoorziening

2

30

65

ja

7.

Dorpsstraat 9 11

Maatschappelijk – begraafplaats, tevens algemene maatschappelijke functies toegestaan

2

30

230

ja

8.

Dorpsstraat 7a

Maatschappelijk – begraafplaats, tevens algemene maatschappelijke functies toegestaan

2

30

165

ja

9.

Molenstraat 30a

Bedrijf: las- en constructiebedrijf, tevens aan het buitengebied gerelateerde bedrijven toegestaan

3.2

100

230

ja

10.

Molenstraat 31a

Bedrijf: opslag, tevens aan het buitengebied gerelateerde bedrijven toegestaan

3.2

100

360

ja

11.

H.C. de Jonghweg 2

Maatschappelijk: begraafplaats, tevens algemene maatschappelijke functies toegestaan

2

30

540

ja

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 33/39

Toegestane bedrijvigheid o.g.v. bestemmingsplan

Milieucategorie VNG-lijst max*

Minimale aanbevolen afstand VNGlijst in rustige woonwijk (m)

Feitelijke afstand plangebied – bestemmingsvlak

Voldoet: ja/ nee

12.

Maarten van Rossumstraat 2

Bedrijf: tuincentrum/ kwekerij, tevens aan het buitengebied gerelateerde bedrijven toegestaan

3.2

100

550

ja

13.

M. van Rossumstraat 2b

Sport - sportveld

4.2

300

590

ja

Tabel 9: Niet-agrarische inrichting omgeving plangebied met toetsing aanbevolen afstand vs. feitelijke afstand.

Daarnaast geldt voor alle niet-agrarische inrichtingen in de omgeving, dat op kortere afstand dan het plangebied reeds milieugevoelige functies aanwezig zijn. Voor deze inrichtingen kan dan ook geconcludeerd worden dat de herontwikkeling van het plangebied geen belemmering zal vormen voor de bedrijfsvoering of eventuele toekomstige bedrijfsontwikkeling (binnen de huidige planologische mogelijkheden). De aanwezige niet-agrarische inrichtingen binnen het plangebied, de voetbalclub en het gemeenschapshuis, verdwijnen bij de herontwikkeling. Zij beïnvloeden de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het gebied dan ook niet. Door het verdwijnen van deze functies zullen de milieueffecten op de bestaande woningen in de omgeving ook verdwijnen.

Afbeelding 13: niet-agrarische inrichtingen in omgeving plangebied op Verbeelding vigerend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 34/39

4.2.1.2 Milieu-invloed agrarische bedrijvigheid Ook de agrarische inrichtingen in de omgeving van het plangebied zijn geïnventariseerd en geanalyseerd. Voor het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ kan op grond van de VNG-brochure geconcludeerd worden dat voor herontwikkeling van het plangebied geen belemmeringen gelden vanuit agrarische inrichtingen uit de omgeving van het plangebied. Daarnaast geldt voor alle agrarische inrichtingen in de omgeving, dat op kortere afstand dan het plangebied reeds milieugevoelige functies aanwezig zijn. Voor deze inrichtingen kan dan ook geconcludeerd worden dat de herontwikkeling van het plangebied geen belemmering zal vormen voor de bedrijfsvoering of eventuele toekomstige bedrijfsontwikkeling (binnen de huidige planologische mogelijkheden).

Afbeelding 14: Agrarische inrichtingen in de omgeving van het plangebied

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 35/39

Toegestane bedrijvigheid o.g.v. bestemmingsplan

Vergunde situatie

Minimale, aanbevolen afstand in rustige woonwijk o.b.v. VNGlijst (m1)

Wgv/ Gemeentelijke geurverordening

Feitelijke afstand plangebied – bestemmingsvlak (m1)

Voldoet ja/ nee

1.

Dorpsstraat 21

Agrarisch – bouwvlak, glastuinbouw

Melding besluit tuinbouw bedekte teelt

30

xxx

300

Ja

2.

Molenstraat 20 – 22a

Agrarisch bouwvlak

Melding rundvee (melkrundvee en vrouwelijk jongvee)/ NB-wet-vergunning

100

50 (vaste afstand)

320

Ja

Toegestane bedrijvigheid o.g.v. bestemmingsplan

Vergunde situatie

Minimale, aanbevolen afstand in rustige woonwijk o.b.v. VNGlijst (m1)

Wgv/ Gemeentelijke geurverordening

Feitelijke afstand plangebied – bestemmingsvlak (m1)

Voldoet ja/ nee

3.

Molenstraat 32

Agrarisch bouwvlak

Melding (van rechtswege) rundvee (melk- of kalfkoeien en vrouwelijk jongvee)

100

50 (vaste afstand)

420

Ja

4b.

Molenstraat 37 (gekoppeld)

Agrarisch – bouwvlak, niet grondgebonden veehouderij

Geitenhouderij

50

PM

470

xxx

5.

Molenstraat 33

Agrarisch bouwvlak

Melding paarden

50

50 (vaste afstand)

380

Ja

6.

Molenstraat 25b en 27

Agrarisch bouwvlak

Melding akkerbouw

30

xxx *

310

Ja

7.

Waaldijk Agrarisch ongenummerd bouwvlak

(bedrijfsgebouw grondgebonden bedrijf)

100 (max)

50 (max)

330

Ja

Tabel 10: Agrarische inrichting omgeving plangebied met toetsing aanbevolen afstand vs. feitelijke afstand * xxx: Op de locaties Dorpsstraat 21 en Molenstraat 25b en 27 worden op basis van de vergunde situatie geen dieren gehouden. Toetsing aan de WGV (Wet geurhinder en veehouderij) of Gemeentelijke geurverordening is dan ook niet aan de orde.

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 36/39

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt voor vrijwel alle agrarische bedrijven in de omgeving voldaan aan de richtafstand. Voor de geitenhouderij ten zuiden van het plangebied geldt dat de geurbelasting op de meest nabijgelegen gevoelige objecten is beoordeeld in de revisievergunning van 11 mei 2004 en daarop volgende uitbreidingsvergunning van 6 februari 2007. Bestaande woningen aan de Marshallweg, Molenstraat en H.C. de Jonghweg zijn hierbij beoordeeld voor het aspect geur (voorgrondbelasting en cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting)). Nu bij de vergunningverlening geen sprake was van beperkingen vanwege geurinvloed op deze objecten en een aanbevolen afstand van 50 meter geldt, terwijl de feitelijke afstand 470 meter (en meer) bedraagt, kan worden aangenomen dat er vanuit de geitenhouderij geen sprake is van een negatieve milieu-invloed op het plangebied. Geadviseerd wordt bij verdere planuitwerking een geurberekening te laten uitvoeren ter volledige motivering van dit aspect. Voor het overige geldt dat geen sprake is van (agrarische) spuitzones, aangezien het plangebied niet grenst aan onbebouwde agrarische gronden die worden gebruikt voor planten- of boomteelt of vollegrondstuinbouw. 4.3 Gezondheidsaspecten geitenhouderij Uit VGO-onderzoeken is gebleken dat tot 2 km rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat.

Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Gelderland besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. Voor bestaande geitenhouderij geldt dat zij hun activiteiten kunnen voortzetten en, afhankelijk van de situatie, aanpassen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient eveneens afgewogen te worden of hiervan sprake is bij een voornemen tot woningbouw of ontwikkeling van andere gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij. Op basis van de momenteel uitgevoerde onderzoeken kunnen nog geen eenduidige conclusies worden getrokken of er sprake is van een causaal verband tussen veehouderijen en volksgezondheid. Dit wordt ook door de Gezondheidsraad geconcludeerd in haar advies van 14 februari 2018 hieromtrent. In dit advies wordt bovendien gesteld dat hoewel niet kan worden vastgesteld wat eventuele gezondheidseffecten veroorzaakt, dat het wel zinvol is om emissie-reducerende maatregelen bij veehouderijen te treffen. Vervolgonderzoek is noodzakelijk en gaande. Met de diverse zogenaamde VGO-onderzoeken, ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’, wordt hier invulling aan gegeven. Inmiddels is het onderzoeksprogramma VGO-3 gaande.

In april 2020 is het deelrapport ‘Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht’ als onderdeel van dit onderzoeksprogramma gepubliceerd en in november 2021 het rapport ‘Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Noord-Brabant en Limburg, actualisering 2017-2019’. De resultaten liggen in lijn met eerdere onderzoeksresultaten, stelt de minister in de bijbehorende Kamerbrief. In deze brief merkt de minister tevens op dat de oorzaak voor het vaker voorkomen van longontsteking (nog) niet bekend is.

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 37/39

Op basis van het rapport kan worden geconcludeerd “dat er een associatie is tussen het wonen nabij een geitenhouderij (tot 500 meter) en een verhoogde kans op longontsteking”, maar dat er over de onderzochte jaren “geen associatie is gevonden tussen het wonen binnen een straal van 1000 of 2000 meter afstand van een geitenhouderij en een verhoogde kans op longontsteking.” De uitgevoerde onderzoeken bieden tot dusverre dus nog geen inzicht in de oorzaak van het verhoogd risico op longontsteking rond geitenhouderijen. Vervolgonderzoeken, die momenteel worden uitgevoerd maar zijn vertraagd door COVID-19, moeten meer inzicht gaan geven. In de Kamerbrief stelt de minister dat, wanneer er inzicht is in de oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, er gekeken kan worden naar gerichte maatregelen die het risico voor omwonenden verkleinen. Nu de oorzaken nog niet bekend zijn, is er geen sprake van landelijke wet- of regelgeving met betrekking tot ontwikkeling van gevoelige functies in de nabijheid van geitenhouderijen. Het is aan het bevoegd gezag om een zorgvuldige afweging te maken over de aanvaardbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen, mede rekening houdend met gezondheidsaspecten. Het bestemmingsvlak van de geitenhouderij aan de Molenstraat 37 is gelegen op zo’n 470 meter tot het plangebied.

De afstand van het plangebied tot de meest nabijgelegen hoek van een bestaande stal binnen het betreffende bouwvlak bedraagt circa 530 meter. Uit voorzorg kan ervoor worden gekozen geen nieuwe woningen dichterbij geitenhouderijen toe te staan dan al bestaande woningen. De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden (vooralsnog) aanvaard. Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tussen de geitenhouderij aan de Molenstraat en het plangebied is reeds een aanzienlijk aantal burgerwoningen gelegen, waarvan een deel toebehoort aan de bebouwde kom van Hurwenen. Aangezien er geen sprake is van harde kaders vanuit landelijke wet- en regelgeving vindt er bij de planologische wijziging een zorgvuldige belangenafweging plaats tussen aspecten als leefbaarheid, woningbouwbehoefte en gezondheid. 4.4 Kabels en leidingen Ruim 400 meter ten zuiden van het plangebied loopt een hoogspanningsleiding (150 kV-verbinding Tiel Zaltbommel). Zowel de bebouwingsvrije zone als de magneetveldzone zijn niet dusdanig breed dat ze beperkingen opleggen aan het plangebied.

Voor het overige zijn geen relevante kabels of leidingen aanwezig in/ direct rond het plangebied. 4.5 Gebiedszonering Het plangebied is niet gelegen binnen een waterwingebied of aardkundig waardevol gebied. Wel is het plangebied en omgeving in de provinciale Omgevingsverordening aangewezen als Intrekgebied. Dit waterbeschermingsgebied is gericht op het veilig stellen van de waterkwaliteit in waterwingebied op lange termijn (duizend jaar). Winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas is in dit gebied niet toegestaan. Binnen het plangebied is geen winning van fossiele energie voorzien.

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 38/39

In de gemeentelijke Visie zon en wind Maasdriel is het plangebied aangewezen als ‘bebouwd landschap’. Voor de dorpen, gelegen in bebouwd landschap, geldt dat de kansen voor windturbines zeer schaars zijn, vanwege de noodzakelijke bebouwingsvrije zone. Zonnevelden aan dorpsranden worden tot 2030 niet toegestaan, tenzij lokaal geïnitieerd en/of innovatief. De meeste kansen voor zonnepanelen binnen de bebouwde omgeving liggen op daken. Voor het plangebied geldt dat niet wordt ingezet op windturbines en dat zonnepanelen waar mogelijk innovatief worden geïntegreerd in de bebouwde omgeving. 4.6 Aandachtspunten  Bij de verdere planuitwerking dient tevens getoetst te worden aan het Besluit MER. De milieugevolgen dienen in dat kader inzichtelijk te worden gemaakt. Er van uitgaande dat de gemeente (lees: het bevoegd gezag) initiatiefnemer blijft, kan worden volstaan met een motivering in het ruimtelijke plan.  Zoals omschreven wordt er van uitgegaan dat de kleiwinning ten noorden van het plangebied is afgerond. De kleiwinningsconcessie was (vooralsnog) echter niet beschikbaar ter verificatie;  Door het bevoegd gezag dient een zorgvuldige afweging van het aspect ‘gezondheid’ plaats te vinden, met name met het oog op de geitenhouderij in de omgeving van het plangebied.

 Zoals bij elke ruimtelijke ontwikkeling zullen in het vervolg van de procedure de noodzakelijke (milieutechnische) onderzoeken uitgevoerd moeten worden. Te denken valt aan planschade, geluid (wegverkeerslawaai), bodem, archeologie, stikstof, eventueel asbest en geur. Overige aspecten, zoals externe veiligheid en luchtkwaliteit, kunnen naar verwachting in het ruimtelijk plan verantwoord worden. Indien gewenst kunnen de onderzoeken voor een deel op korte termijn reeds in gang gezet worden. Of dit zinvol/ wenselijk is, is onder andere afhankelijk van: o ‘Houdbaarheid’ van het onderzoek en verwachte doorlooptijd van de procedure. o Of de toekomstige invulling van het plangebied van belang is voor het aspect ‘onderzoek’. Bij een planschaderisicoanalyse en het stikstofonderzoek is het bijvoorbeeld noodzakelijk enig zicht te hebben op de toekomstige situatie om het onderzoek uit te kunnen voeren.

Haalbaarheidsonderzoek woningbouw VV Hurwenen

16 mei 2022, versie 1.0

BHS22010/20220512/22-018-HHO

Pagina 39/39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11549813/1