CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

B6. MER (inclusief adviezen Cie. mer en aanvullingen)

Commissie Ruimte 16 oktober 2024, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Uiterwaarden Wamel, Dreumel en Heerewaarden29.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

47

Natuurontwikkeling op bestaand eigendommen Op een deel van de gronden binnen het plangebied die in de huidige situatie al als natuur zijn bestemd, en die deel uitmaken van de GNN, zou zich ook als het planvoornemen niet doorgaat, door ander vorm van terreinbeheer al (‘droge’) natuur kunnen ontwikkelen. Dit geldt niet voor de aanleg van de meestromende geulen. Op de percelen met een agrarische functie en pacht kan zich alleen natuur ontwikkelen indien een andere beheervorm wordt ingesteld en de pacht komt te vervallen. Dit is op voorhand echter nog geen zekerheid.

3.4

De effectbeoordeling Omdat sprake is van een iteratief ontwerpproces (zie paragraaf 3.2), waarbij één ontwerp steeds wordt doorontwikkeld en geoptimaliseerd, vindt ook de beoordeling van de milieueffecten van het planvoornemen gefaseerd plaats. Eerdere ontwerpversies zijn, zoals in paragraaf 3.2 is aangegeven, eerst getoetst op de eerdergenoemde (zie paragraaf 3.2) dominante effecten die bepalend zijn om te komen tot een haalbaar, betaalbaar en vergunbaar ontwerp, en er een Go-NoGo beslissing kan worden genomen. Hierbij hebben ook milieuargumenten een rol gespeeld. Vervolgens is het ontwerp doorontwikkeld tot het voorstel voor het DO2.0 dat de voorgenomen activiteit (het planvoornemen) vormt. Dit ontwerp wordt getoetst op alle beoordelingscriteria uit de NRD [2, 53]. Referentiepunt voor deze effectbeschrijving en –beoordeling is het nulalternatief zoals in de vorige paragraaf omschreven is (dus inclusief de genoemde autonome ontwikkelingen). De in paragraaf 3.1 genoemde thema’s zijn het uitgangspunt voor de effectbeschrijvingen van het voorstel voor het DO2.0. Binnen elk van deze thema’s zijn deelaspecten genoemd waarvoor een of meerdere beoordelingscriteria zijn gedefinieerd. Deze aspecten en beoordelingscriteria zijn opgenomen in tabel 3.1.

In deze tabel is tevens aangegeven of de effectbeschrijving kwalitatief plaatsvindt of kwantitatief op basis van bijvoorbeeld modelberekeningen. De basis voor deze tabel is opgenomen in de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau [2], en is aangevuld op basis van het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage [3] en de reactienota van de provincie Gelderland waarin alle binnengekomen zienswijzen op de concept NRD zijn beantwoord [4] en die heeft geleid tot de definitieve NRD [53]. Als toetsjaar voor de effectbeschrijving wordt 2035 aangehouden, zijnde tien jaar na planrealisatie. Voor de effecten tijdens de aanlegfase wordt 2023 als toetsjaar aangehouden. Naast de toetsing van het voorstel voor het DO2.0 op de beoordelingscriteria, worden eventuele mitigerende en compenserende maatregelen benoemd en eventuele voorstellen voor aanpassing van het voorstel voor het DO2.0. Dit leidt tot het Definitieve Ontwerp DO2.1, het voorkeursalternatief dat in de beide bestemmingsplannen wordt verankerd. Tevens vindt een toets op doelbereik van het uiteindelijke ontwerp plaats. Dit houdt in dat het planvoornemen en de eventuele varianten worden beoordeeld op de mate waarin ze voldoen aan de voor dit project benoemde doelstelling (zie paragraaf 2.2.1). Tabel 3.1: Thema Water

Beoordelingscriteria voor de effectbeschrijving Aspect Beoordelingscriteria Rivierkunde Effect op waterstanden in de Waal

-

48

Morfologie: Mate van sedimentatie in de Waal Diepte van de geulen/strangen en mate van aanzanding / dichtslibben hiervan Dwarsstroming in de vaargeul en effecten voor de scheepvaart Veranderingen in inundatiefrequentie en –duur

Methode Kwantitatief (modelonderzoek) Kwantitatief

Kwalitatief en Kwantitatief Kwantitatief

Thema

Aspect

Waterkeringen Grondwater

Oppervlaktewater

Natuur

Beschermde gebieden

Beschermde soorten

Bodem

Bodemkwaliteit

Aardkundige waarden

Beoordelingscriteria Veranderingen in sedimentatie van rivierslib en mogelijk herverontreiniging Effect op waterkeringen (stabiliteit, piping etc.) Waterkwantiteit: effect op kwel en grondwaterstanden, zowel binnen- als buitendijks. Invloed van verondieping Vonkerplas op grondwaterstroming <vervallen> Effecten op grondwaterkwaliteit Risico op verspreiding van verontreinigingen vanuit puntbronnen Waterkwantiteit: effect op oppervlaktewatersysteem Effecten op kwaliteit oppervlaktewateren Effecten van hergebruik vrijkomende grond Risico van blauwalg, met name in de eenzijdig aan de Waal aangetakte geul als gevolg van nalevering van nutriënten. Effect op Natura2000-gebieden (speciale aandacht voor stikstofdepositie in de aanlegfase; afzonderlijk ingaan op aanlegfase en eindfase en let op externe werking en cumulatie van effecten) Effect op overige beschermde gebieden (incl. beschrijving actuele en potentiële natuurwaarden NNN) Effect op beschermde flora en fauna en rode lijst soorten Kans op het ontstaan van nieuwe stikstofgevoelige habitats en gevolgen ervan voor de ontwikkeling van bv landbouw in de omgeving Effect op (water)bodemkwaliteit Beschrijving locaties met verontreinigd sediment of andere verontreiniging (puntbronnen), welk deel (waar en welke hoeveelheden) hiervan bij de uitvoering van het voornemen verwijderd wordt, en welk deel achterblijft na herinrichting.

Plus beschrijving kans op verspreiding van verontreinigingen. Manier waarop het vrijkomende verontreinigde materiaal verwerkt wordt (incl. relatie verondiepen van de Vonkerplas, rekening houdend met (gemeentelijk) beleid t.a.v. verondiepen van diepe plassen en daaraan gekoppeld de problematiek inzake het toepassen van nutriëntenrijk materiaal in de plas. Effect op aardkundige (geologische) waarden Beschrijving bodemsamenstelling van de toplaag na de geplande maaiveldverlagingen en de

Methode Kwantitatief en kwalitatief Kwalitatief en kwantitatief Kwantitatief

Kwantitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief

Kwalitatief en kwantitatief

Kwalitatief en kwantitatief Kwalitatief Kwalitatief

Kwantitatief Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief Kwalitatief

49

Thema

Aspect

Grondverzet

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Landschap

Cultuurhistorie Archeologie

Woon- en leefmilieu

Wonen en werken Recreatie

Verstoring Verkeer

Landbouw

Overige effecten Aanlegfase

50

Agrarisch grondgebruik

Kabels en leidingen Externe veiligheid Hinder tijdens de aanleg

Beoordelingscriteria situering van de strangen/geulen en de dimensionering ervan. Beschrijf op welke plaatsen welke hoeveelheden zand en klei worden afgegraven (uitgangspunt geen vermenging), hoe diep de geulen worden en hoeveel vermarktbaar materiaal wordt ‘gewonnen’. Waar wordt grond binnen het plangebied hergebruikt en waar gaat het naar toe indien de Vonkerplas niet wordt verondiept Effect op landschappelijke waarden Effect op visuele kwaliteit (visualisaties, viewpoints vanaf de dijk, vergelijking nu-straks) Effect op cultuurhistorische waarden (structuren en objecten). Effecten op archeologische waarden - archeologische verwachtingswaarde. - beschermde archeologische monumenten. Effect op woonfunctie Effect op leefbaarheid Effect op ontwikkelingsmogelijkheden bedrijven Effect op bestaande recreatieve functies (waaronder vismogelijkheden en parkeren tijdens evenementen) Mogelijkheden voor recreatief gebruik incl.

bereikbaarheid en afgeleide effecten zoals parkeren, afval en geluid Kans op verstoring door ongewenst gebruik Effect op verkeersafwikkeling Effect op verkeersveiligheid Effect op vitale infrastructuur Bereikbaarheid voor hulpdiensten Verandering areaal landbouwgrond Bereikbaarheid percelen Effect op kwaliteit agrarische grond (met name effecten van kwel op landbouw) Effect op ontwikkeling agrarische bedrijven Mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer Effect op kabels en leidingen Effect op externe veiligheid Effect op de omgeving tijdens de aanlegfase Stikstofdepositie Natura2000-gebieden

Methode

Kwalitatief en kwantitatief

Kwantitatief

Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief en Kwantitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwantitatief

4

BELEIDSKADER EN TE NEMEN BESLUITEN In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het vigerend beleidskader dat voor dit MER van belang is. Daarnaast wordt ingegaan op de belangrijkste besluiten die nog genomen moeten worden voordat de herinrichting van de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden kan aanvangen. In paragraaf 4.1 wordt ingegaan op het ter zake doende beleid voor de diverse overheidsniveaus. In paragraaf 4.2 wordt het algemene wettelijk kader behandeld. Specialistisch beleid voor bepaalde milieueffecten zoals bijvoorbeeld externe veiligheid of geluid wordt verder op in het MER bij het betreffende milieuaspect beschreven.

4.1

Beleidskader In deze paragraaf wordt per overheidsniveau ingegaan op de diverse ter zake doende beleidsdocumenten. Deze worden kort omschreven, waarna wordt aangegeven in hoeverre deze van invloed zijn op het project UWDH. Achtereenvolgens wordt onderscheid gemaakt in internationaal beleid, nationaal beleid, provinciaal en regionaal beleid en tenslotte het gemeentelijk beleid. Tabel 4.1

Samenvatting van het ter zake doende internationaal beleid Internationaal beleid Beleid Korte omschrijving Invloed op UWDH Mogelijk, plangebied is niet gelegen Habitatrichtlijn, HR [5] Deze richtlijn regelt de bescherming van binnen HR-gebied. Aan de noordzijde gebieden die van belang zijn voor het van de Waal t.h.v. Ophemert ligt wel voortbestaan van bepaalde een HR-gebied. Nader onderzoek naar leefomstandigheden voor flora en fauna. eventuele beïnvloeding noodzakelijk. Ja, plangebied is gelegen binnen VRVogelrichtlijn, VR [6] Bescherming van gebieden die een gebied. Geen Wnb vergunning bijzondere status hebben voor de noodzakelijk omdat initiatief reeds instandhouding van (bepaalde) groepen voorzien in het beheerplan voor het vogels. Natura 2000-gebied Rijntakken. Natura2000 [7] Europees netwerk van beschermde Ja, het plangebied maakt onderdeel uit gebieden. van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Geen Wnb vergunning noodzakelijk omdat initiatief reeds voorzien in het beheerplan voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. Ja, voor plangebied is KRW-opgave Kaderrichtlijn Water, Europese richtlijn gericht op het verbeteren aan de orde, gericht op KRW [8] van de kwaliteit van de watersystemen. Hierbij gaat het met name om vermindering waterkwaliteitsverbetering, onder van lozingen, duurzaam watergebruik en andere t.b.v.

de visstand, zie ook BPRW [20] en het terugdringen van grondwaterverontreiniging. stroomgebiedsbeheerplan [46]. Ja, er vindt bodemverstoring plaats. Verdrag van Malta [9] Europees verdrag ter behoud van het archeologisch bodemarchief. Deze is Verplichting tot uitvoering archeologisch nationaal verankerd in de Erfgoedwet. onderzoek. Richtlijn Het hoofddoel van deze Europese richtlijn is Project heeft geen Overstromingsrisco’s, de beperking van de gevolgen van hoogwaterdoelstelling. Bij eventuele ROR [10] overstromingen voor de gezondheid van aanpassingen aan waterkeringen mens, milieu, cultureel erfgoed en rekening houden met economische bedrijvigheid. overstromingsrisico’s.

51

Tabel 4.2

Samenvatting van het ter zake doende nationaal beleid Nationaal beleid Beleid Korte omschrijving Nationale Opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimte (SVIR) [11]. Focus op klimaat[80] verandering (incl. droogte), energietransitie, circulaire economie, stikstofproblematiek, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Als apart programma binnen de NOVI is de gebiedsagenda grote wateren in ontwikkeling. Besluit algemene regels In het Barro stelt het Rijk regels ter ruimtelijke ordening bescherming van de nationale ruimtelijke (Barro) [12] belangen zoals benoemd in de SVIR. Er zijn onder meer regels opgenomen ter bescherming van hoofdvaarwegen, erfgoed en hoofdwegen. Regels ten aanzien van hoofdwegen zijn uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Regeling algemene In de Rarro zijn (onder andere) regels ruimtelijke reserveringsgebieden voor nieuwe ordening (Rarro) [13] hoofdwegen, radargebieden en militaire terreinen aangewezen. Beleidslijn Grote Rivieren Beleidslijn met voorwaarden voor wonen, [14] werken en recreëren in het rivierbed.

Nieuwe activiteiten zijn enkel toegestaan indien het veilig functioneren van het waterstaatswerk is geborgd, er geen belemmering is voor vergroting van de afvoercapaciteit en er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. Nadere Uitwerking Dit is een programma van het Rijk om in de Rivierengebied (NURG) periode tot 2020 meer natuurontwikkeling in het rivierengebied te realiseren, rekening houdend met veiligheidseisen bij hoogwater. Sinds maart 2015 is Staatsbosbeheer (SBB) verantwoordelijk voor de uitvoering van dit programma. Nationaal Water Opvolger van het Nationaal Waterplan Programma 2022-2027 2016-2021 [16] met hoofdlijnen van het [69] nationaal waterbeleid. Het beschrijft de gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland, en de benodigde maatregelen en ontwikkelingen. Streven naar schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is

52

Invloed op UWDH Ja, waterveiligheid, klimaatverandering, waterkwaliteit en natuur en biodiversiteit zijn aangemerkt als nationale belangen.

Ja, de Waal is in het Barro aangewezen als Rijksvaarweg. Omdat over deze vaarweg schepen met klasse VIc mogen van, geldt een vrijwaringszone van 25 m aan weerszijden van de vaarweg.

Nee, plangebied is niet in het Rarro aangewezen.

Ja. invloed op functioneren en afvoercapaciteit van de rivier moet in kaart worden gebracht, rivierkundige toets van het ontwerp aan RBK

Ja, vanuit NURG ligt er een opgave om in het gebied (ter hoogte van Heerewaarden) circa 135 ha. natuur (o.a. natuurlijke graslanden) in te richten (NURG-opgave valt deels samen met het Gelders Natuurnetwerk). Ja, aandacht schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.

Anders omgaan met water, waterbeleid 21ste eeuw [17]

Hoogwater BeschermingsProgramma (HWBP) [38]

Deltaprogramma Rivieren [18]

Voorkeursstrategie Rivieren, Waal en Merwedes [19]

Beleidsnota richt zich op het hebben en houden van een veilig bewoonbaar land en het in stand houden en versterken van duurzame watersystemen. Waterbeheer dient te worden vormgegeven volgens de trits: vasthouden, bergen, afvoeren. Tevens introductie watertoets als criterium bij beoordeling van ruimtelijke plannen. In het HWBP werken Rijk en Waterschappen intensief samen om waterkeringen die zijn afgekeurd weer op orde te krijgen. Als onderdeel van het HWBP2 is de dijkverbetering TielWaardenburg aan de overzijde als prioritair project aangemerkt. Om Nederland te beschermen tegen overstromingen en voor te bereiden op extreme weersomstandigheden (onder andere door klimaatverandering) en te zorgen voor voldoende zoetwater, is het Deltaprogramma opgesteld. Voor de grote rivieren , waaronder de Waal, is een separaat programma ingesteld: het Deltaprogramma Rivieren. Hierin zijn onder andere de inmiddels gerealiseerde kribverlagingen en nieuwe langsdammen benoemd. De regiopartijen langs de Waal en de Merwede hebben gezamenlijk advies uitgewerkt voor de Deltacommissaris met maatregelen voor de regio. Dit heeft een strategie opgeleverd met een goede mix, een ruggengraat van grote ruimtelijke ingrepen (rivierverruiming) en dijkversterking, om het riviersysteem robuust te houden en mogelijkheden voor ontwikkeling te bieden.

De regio ziet waterveiligheid als een ‘motor’, voor het combineren van initiatieven, het zoeken van win-win. Voor de toekomst ligt de uitdaging voor dit met een integrale en afgestemde programmering in te vullen. Met als resultaat de best beschermde delta van de wereld te zijn en blijven.

Ja, duurzame omgang met hemelwater en watersysteem, rekening houdend met klimaatveranderingen. Opstellen watertoets verplicht bij bestemmingsplannen.

Nee, aanpassing (versterking) van de waterkering direct ten oosten van het plangebied UWDH (de winterdijk) is pas na 2025 aan de orde en maakt geen deel uit van de scope van dit project. Ja, aandacht voor effecten op waterstanden en aanzanding in de Waal in morfologisch onderzoek.

Ja passend. Dijkaanpassing t.p.v. plangebied is pas na 2025 voorzien. Uiterwaardenproject UWDH is benoemd als adaptief te programmeren maatregel.

53

Beheer- en ontwikkelplan Rijkswateren (BPRW) 2016-2021 [20]

Stroomgebiedbeheerplan Rijn 20162021 [46] Programma Stroomlijn [21]

Actief Bodembeheer Rivierbed [22]

Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen [23]

Natuurbeleidsplan [24]

54

Maatregelenpakket voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de rijkswateren. Het plan is een nadere invulling van het Nationaal Waterplan [16]. De KRW-maatregelen zijn hierin opgenomen. Uitgangspunten hierin zijn een sober en efficiënt beheer, goede bescherming tegen waterveiligheid door het voorkomen van wateroverlast en zorgen voor voldoende en schoon/gezond water. Het stroomgebiedbeheerplan beschrijft op welke wijze de Rijksoverheid invulling geeft aan de Europese KRW-richtlijn voor het noordelijk deel van Nederland. Dit programma is bedoeld om te voorkomen dat er waterstandsverhoging optreedt door vegetatieontwikkeling in het rivierbed. Door bomen en struiken die in de stroombaan van de rivier staan te verwijderen wordt gezorgd voor een betere doorstroming van de rivieren bij hoogwater zodat het risico op overstromingen wordt verkleind. Beleidsnotitie met regels voor een gebiedsgerichte toepassing van bestaande regelgeving met betrekking tot het omgaan met diffuus verontreinigde weerdgrond in het riviersysteem. Handreiking over het zorgvuldig omgaan met het herinrichten van voormalige zanden grindwinningslocaties en het gebruik van grond en bagger daarvoor.

Uitgangspunt is dat toepassingen op grond van het Bbk niet mogen leiden tot onaanvaardbare milieuhygiënische risico’s en dat het moet gaan om een nuttige en functionele toepassing van grond en baggerspecie en rekening wordt gehouden met de zorgplicht. Beleid gericht op vergroting oppervlak aan natuurgebieden, realisering van de EHS (thans NNN), het opheffen van versnippering en isolatie van natuurgebieden en het voorkomen van aantasting van de potenties voor natuurontwikkeling.

Ja, aandacht voor kans op het beïnvloeden van de waterkwaliteit, rekening houdend met KRW-doelen voor het plangebied, tevens uitgewerkt in factsheet NL93_8 [52] waarin nevengeul Wamel is benoemd.

Ja, voor het plangebied zijn KRWdoelen geformuleerd. Zie ook factsheet NL93_8 [52]. Ja, Stroomlijn is aangemerkt als autonome ontwikkeling en opgenomen in nulalternatief.

Ja, in verband met hergebruiksmogelijkheden vrijkomende grond.

Ja, deze handreiking is van belang indien de Vonkerplas gedeeltelijk wordt verondiept.

Natuurontwikkeling en eventuele compensatie dient te voldoen aan de principes uit dit plan

Tabel 4.3

Samenvatting van het ter zake doende provinciaal en regionaal beleid Provinciaal en regionaal beleid Beleid Korte omschrijving Invloed op UWDH Omgevingsvisie Gaaf In de omgevingsvisie staan de hoofdlijnen Ja, onder andere begrenzing van het Gelderland [26] van het beleid van de provincie Gelderland Gelders Natuur Netwerk is hierin verwoord op het gebied van verkeer, water, vastgelegd. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De provincie zet in op een duurzame economie en een veilige leefomgeving van hoge kwaliteit. Ligging van het Gelders Natuur Netwerk (GNN) is hierin vastgelegd. Ook het Deltaprogramma is overgenomen in de Omgevingsvisie. Dit betekent dat voor waterveiligheid op de lange termijn de provincie ook inzet op een samenspel van dijkversterking en rivierverruiming. Omgevingsverordening Regels m.b.t. de fysieke leefomgeving zijn Ja, bestemmingsplannen moeten Gelderland [27] grotendeels opgenomen in de voldoen aan de regels uit de Omgevingsverordening. De Wateromgevingsverordening. verordeningen en de Gelderse Vaarwegverordening zijn hier niet in geïntegreerd. Ontwerp Gelderse Vooruitlopend op de inwerkingtreding van Ja, bijdrage aan natuurversterking en Omgevingsvisie en de Omgevingswet stelt de provincie stimulering van de biodiversiteit. Omgevingsverordening Gelderland een nieuwe omgevingsvisie en Verordening bevat begrenzing GNN.

Gaaf Gelderland [81, omgevingsverordening op. Het ontwerp 82] hiervan is vrijgegeven. Inzet op een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland met focus op energietransitie, klimaatadaptie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Structuurvisie Provinciale structuurvisie voor het Ja passend. Zuidelijk deel plangebied WaalWeelde West [42] uiterwaardengebied en enkele binnendijks tot aan Bato’s erf is hierin opgenomen. gelegen locaties van de gemeenten Aanduiding natuurontwikkeling en twee Lingewaal, Neerijnen, Maasdriel en nevengeulen conform pre-verkenning Zaltbommel. De nadruk ligt op de thema’s zijn hierin opgenomen. Ter plaatse van hoogwaterveiligheid en natuur. Belangrijkste het voet-/fietsveer naar Varik is een maatregelen om de rivier meer ruimte te waalpleisterplaats ingetekend, en ter geven zijn een hoogwatergeul bij Varik en plaatse van Bato’s erf is een Heesselt (noot: inmiddels vervallen) en Waalvertierplek aangeduid. rivierkundige maatregelen bij Brakel. Ter stimulering van toerisme en recreatie is als onderdeel van het programma WaalWeelde de subsidieregeling Beleef de Waal ingesteld. Beheerplan Natura Voor elk Natura 2000-gebied dient een Ja, in het beheerplan staan in de 2000 38 – Rijntakken beheerplan te worden vastgesteld.

Hierin instandhoudingsdoelen en te realiseren [47] wordt aangegeven welke beleids- en natuurdoeltypen voor het plangebied beheersmaatregelen noodzakelijk zijn om (dat onderdeel uitmaakt van Natura de instandhoudingsdoelen van habitattypen 2000) nader uitgewerkt.

55

Natuurbeheerplan 2022. Agrarisch natuuren landschapsbeheer [28]

Agenda Vitaal Platteland 2017 [29]

Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) Gelderland [30] Ambitiedocument 20162020 [15]

Waterbeheerprogramma 2022-2027 [31]

Keur Waterschap Rivierenland 2014 [32]

Waterverordening Waterschap Rivierenland [33]

56

en soorten in het betreffende gebied te realiseren en hoe een en ander zich verhoudt tot andere vormen van (bestaand) gebruik. In de beheerplannen worden de instandhoudingsdoelen in omvang, tijd en ruimte nader uitgewerkt. Het Natuurbeheerplan bevat de beleidsdoelen, kaders en subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van (agrarische) natuurgebieden en landschaps- en waterelementen. Aangegeven wordt waar beheerwaardige natuur is en welke beheerdoelen hiervoor gelden. Aandacht voor reductie van meststoffen en natuurinclusief ondernemen. Met aandacht voor landschap, biodiversiteit, bodem en waterbeheer, ook buiten de GNN. De provincie heeft een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Daarop heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen. Ambitiedocument van de tien gezamenlijke regiogemeenten Rivierenland ter versterking van de belangrijkste speerpunten: agribusiness, economie en logistiek en toerisme en recreatie. In het waterbeheerprogramma geeft het waterschap de koers voor de langere termijn aan om doelen met betrekking tot waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen te halen. Daarnaast wordt aangegeven wat het waterschap in de planperiode 2022-2027 wil bereiken en hoe ze dat wil doen.

De Keur bevat regels van het Waterschap om te voorkomen dat dijken en oevers beschadigd raken en regels met betrekking tot onderhoud om de wateraanvoer en afvoer in het oppervlaktewater (sloten, beken, rivieren en andere waterlopen) te borgen. De oppervlaktewateren en dijken die bij het waterschap in beheer zijn en waarop de Keur van toepassing is, staan aangegeven op de Legger waterkeringen en de legger wateren. De Waterverordening bevat een kaart met alle regionale waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap en bevat onder andere de veiligheidsnormen die voor de betreffende keringen aan de orde zijn.

Ja, voor plangebied zijn natuur en beheertypen aangewezen: ‘rivier’, ‘rijke graslanden en akkers’, ‘kruiden- en faunarijk grasland’ en ‘om te vormen naar natuur’.

Ja, aandacht voormogelijkheden agrarisch natuurbeheer en reductie van het meststofgebruik. Ja, onderzoek nodig of cultuurhistorische waarden worden beïnvloed. Ja, aandacht voor de beleving van de Waal als belangrijke waarde in de regio en aangrijpingspunt om toerisme en recreatie te stimuleren. Ja, aandacht voor duurzaam watersysteem en waterveiligheid, rekening houdend met de zeven basisprincipes uit de Watervisie 2050.

Ja, aandacht voor regels keur bij aanpassing aan dijken of watergangen

Nee, de waterkeringen zijn gelegen buiten de begrenzing van het plangebied.

Tabel 4.4

Samenvatting van het ter zake doende gemeentelijk beleid (gemeente West Maas en Waal) Gemeentelijk beleid West Maas en Waal Beleid Korte omschrijving Invloed op UWDH Bestemmingsplan Plangebied is deels gelegen in dit Ja, dit bestemmingsplan zal worden buitengebied West bestemmingsplan. Gronden in het herzien om het planvoornemen Maas en Waal, plangebied zijn grotendeels aangeduid als planologisch te verankeren. correctie 2016 [34] ‘agrarisch – oeverwal’ en ‘agrarisch met waarden – uiterwaard’. Structuurvisie Dorpen Ruimtelijke visie voor alle dorpen in de Ja, onderkenning belang uiterwaarden 2025 West Maas en gemeente gericht op behoud en versterking als informeel natuurlijk uitloopgebied Waal [36] van de leefbaarheid. Per kern is een voor inwoners Wamel, Dreumel en dorpsontwikkelingsplan (DOP) opgesteld. Beneden-Leeuwen. Inzet op versterking Dreumel zet in op verbetering van de van de koppeling met de dorpen. landschappelijke beleving van de Waaldijk als belangrijk onderdeel van het recreatieve netwerk van fiets- en wandelroutes. Wamel zet in op versterking van de beleving van de Waalbanddijk met het dorp. Landschapsontwikkelings Aanvulling op de Structuurvisie Buitengebied Ja, passend.

Voor het plangebied is plan (LOP) West Maas [35] met handreikingen voor initiatiefnemers gesteld dat de uiterwaarden van de Waal meer ruimte moeten gaan bieden en Waal [43] die in het buitengebied aan de slag willen aan de grote wateropgave langs de met beheer of ontwikkeling van rivieren in het kader van de beleidslijn landschapselementen. Voor plangebied is Ruimte voor de rivier. Verschillende ingezet op natuurontwikkeling, behoud en mogelijkheden zullen betrekking hebben ontwikkeling van het Natura 2000-gebied op het verwijderen van kades, het (Vogelrichtlijn). Behoud van een aantal weidevogelgebieden ter hoogte van Wamel verlagen van het maaiveld en het realiseren van nevengeulen. De wielen en behoud van de aanwezige ‘wielen’. blijven behouden. Ja, er is sprake van grootschalig Gemeentelijk beleidskader (verankerd in Stappenplan grondverzet. Stappenplan dient grootschalig grondverzet thematisch bestemmingsplan) met vereisten doorlopen te worden en als bijlage bij West Maas en Waal en waaraan moet worden voldaan bij het bestemmingsplan voor West Maas Bestemmingsplan grootschalig grondverzet. Beleid is gericht en Waal te worden bijgevoegd.

op een zorgvuldige planontwikkeling, Thematische herziening Voorwaarde medewerkingsbereidheid grootschalig grondverzet gedegen onderzoek, borgen van bestemmingsplanprocedure [73, 83] voorwaarden en afspraken, zorgvuldige besluitvorming, borgen van toezicht, handhaving en nalevingsgedrag, tijdige realisatie en oplevering volgens afspraken en passend beheer en onderhoud met eventuele lokale betrokkenheid. Het afwegingskader bodemstoffen West Maas en Waal uit 2011 [37] is vervallen. Integrale visie op het buitengebied van Ja passend. Omgevingsvisie West Maas en Waal. Verdeling in drie buitengebied West gebiedstypen: komgronden, oeverwallen en Maas en Waal [87] uiterwaarden. In de Waaluiterwaarden is Natuur(ontwikkeling), inclusief het behoud, herstel en versterken van biodiversiteit, hier de belangrijkste functie. Wat begroeiing en

57

vegetatie betreft, volgt de gemeente de Vegetatielegger van Rijkswaterstaat. Deze geeft de norm voor begroeiing aan in het hele riviergebied. Verder wil de gemeente de wandel- en struinpaden in de Waaluiterwaarden behouden en waar mogelijk versterken. Tot slot moet er ook ruimte zijn voor kleinschalige voorzieningen in het kader van recreatief gebruik. Structuurvisie buitengebied 2020 West Maas en Waal, [35] komt te vervallen

Tabel 4.5

Samenvatting van het ter zake doende gemeentelijk beleid (gemeente Maasdriel) Gemeentelijk beleid Maasdriel Beleid Korte omschrijving Invloed op UWDH Bestemmingsplan Plangebied is deels gelegen in dit Ja, dit bestemmingsplan zal worden buitengebied Maasdriel bestemmingsplan. Gronden in het herzien om het planvoornemen [39] plangebied zijn grotendeels aangeduid als planologisch te verankeren. ‘natuur’, ‘water en ‘agrarisch met waarden’. Structuurvisie Maasdriel Beschrijving hoofdlijnen ruimtelijke ambities Kop van Heerewaarden is aangemerkt [40] gemeente Maasdriel. als uiterwaard die deel uitmaakt van de EHS (thans GNN) en behoort tot de N2000. Voor Bato’s erf is een project gedefinieerd om dit terrein verder op te schonen en in te richten als natuurgebied waar extensieve recreatie mogelijk is en mogelijk een kunstwerk (‘baken aan het water’). Structuurvisie WaalWeelde West [42]

Ontwerp Omgevingsvisie Bommelerwaard [88]

58

Ruimtelijke toekomstvisie om diverse initiatieven in de Waalse uiterwaarden van Zaltbommel, Lingewaarden, Maasdriel en Neerwijnen op elkaar af te stemmen. Zuidelijk deel van het plangebied (grondgebied Maasdriel) is hierin opgenomen. Intergemeentelijke toekomstvisie van Zaltbommel en Maasdriel voor de Bommelerwaard. Op de Bommeler Waardenkaart zijn de uiterwaarden als buitendijks land aangegeven. Fort Sint Andries is als bijzonder waardevol cultuurhistorisch element gemarkeerd en de primaire en overige waterkeringen zijn genoteerd.

Ja passend. Visie gaat uit van natuurontwikkeling n aanleg van een aantal nevengeulen in de Kop van Heerewaarden

Ja .passend. Plan is niet strijdig met de dertien kernopgaven die voor Maasdriel zijn benoemd, waaronder De leefomgeving is zoveel mogelijk klimaatbestendig, circulair, groen, biodivers en natuurinclusief Behouden en versterken van de landschappelijke en stedenbouwkundige kernkwaliteiten In het buitengebied is agrarisch ondernemen, wonen, natuur, erfgoed, recreatie en toerisme in balans.

-

-

4.2

We hebben een veilige schone en gezonde leefomgeving, zowel boven als onder de grond De inrichting van onze leefomgeving stimuleert ontmoeting en een gezonde levensstijl.

Te nemen besluiten en te verkrijgen vergunningen Om de voorgenomen herinrichting van de uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden mogelijk te maken, is het zoals in hoofdstuk 1 reeds is gesteld noodzakelijk om een nieuw ruimtelijk plan (in dit geval twee bestemmingsplannen vanwege de ligging van het plangebied op het grondgebied van zowel de gemeente Maasdriel als de gemeente West Maas en Waal) op te stellen. Dit ruimtelijk plan dient te voldoen aan de bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening, Wro. Naast besluitvorming over deze bestemmingsplannen, zullen tevens in het kader van verschillende andere wetten procedures moeten worden gevoerd. Onderstaand is een overzicht opgenomen van mogelijk relevante wet- en regelgeving: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze wet integreert een groot aantal sectorale wetten en vergunningen binnen een gemeente. Dit gaat onder meer om bouwvergunningen, kapvergunningen, sloopvergunningen en een aantal milieuvergunningen. Waterwet.

In deze wet is de doelstelling van het waterbeheer als volgt samengevat: ‘Het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met de bescherming en verbetering van chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de vervuiling van functies die krachtens de Waterwet zijn toegekend aan watersystemen.’ Indien als gevolg van het uitvoeren van werkzaamheden mogelijk verontreiniging van oppervlaktewater of de drinkwatervoorziening optreedt, is een vergunning op grond van de Waterwet nodig. Ook voor ingrepen in het zomer- en winterbed van de rivier is een vergunning in het kader van deze Wet nodig. Beide aspecten vallen onder de bevoegdheid van Rijkswaterstaat. De Keur is de basis voor vergunningen inzake waterkeringen en lossingen en valt eveneens onder de Waterwet. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszonde van de winterdijk dient tevens een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland te worden aangevraagd. Voor werkzaamheden buiten deze zone geldt een melding werken in watersysteem. Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 de voormalige Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelt de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom, van natuurgebieden en van individuele soorten flora en fauna.

Deze wet is van toepassing indien er werkzaamheden worden uitgevoerd op plaatsen waar mogelijk beschermde planten- of diersoorten aanwezig zijn. Volgens deze wet mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. In sommige situaties geldt een uitzondering en kan een vrijstelling of ontheffing worden verkregen. Ook kan vanuit deze wet een melding houtkap aan de orde zijn. Voor meer informatie wordt verwezen naar hoofdstuk 12. Het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) bevat regels voor lozingen bij ontgraven of baggeren van de waterbodem en regelt een meldplicht (bij de Inspectie Leefomgeving en Transport, IL&T) voordat deze werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Ontgrondingenwet. Bij omvangrijke graafwerkzaamheden is een vergunning in het kader van de ontgrondingenwet noodzakelijk. Voorliggend MER zal tevens worden gebruikt ten behoeve van de besluitvorming over deze vergunning. Wet milieubeheer (Wm). Deze wet gaat uit van een integrale benadering van milieuproblematiek. Een aantal bedrijven en activiteiten behoeven een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer. Hierin zijn tevens luchtkwaliteitseisen opgenomen (hoofdstuk 5). De m.e.r.-procedure is opgestart op basis van hoofdstuk 7 uit de Wet milieubeheer. Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en handelingskader PFAS.

In verband met graafwerkzaamheden en afvoer dan wel toepassen van grond, bagger en bouwstoffen is deze regelgeving van toepassing.

59

-

-

-

-

Watertoets. Met ingang van februari 2001 is het verplicht om bij ruimtelijke plannen expliciet rekening te houden met het aspect water, middels het uitvoeren van een watertoets. Onderdeel hiervan is het opnemen van een waterparagraaf in een besluit dat ter toetsing aan de waterbeheerder dient te worden voorgelegd. Hierin dient onder andere te worden aangegeven of als gevolg van de realisering van het planvoornemen sprake is van een toename van het verhard oppervlakte, en op welke manier in de benodigde waterberging wordt voorzien. Wet geluidhinder. Deze wet richt zich op de bestrijding van geluidhinder door infrastructuur en bedrijvigheid en schrijft voor dat bepaalde akoestische grenswaarden (ook tijdens de aanlegfase van een bepaald planvoornemen) niet mogen worden overschreden. Erfgoedwet. Sinds 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg geïntegreerd in de Erfgoedwet. In deze wet wordt onder meer bepaald hoe men in de ruimtelijke ordening dient om te gaan met archeologische bodemschatten bij ruimtelijke ingrepen. In de vaststelling van bestemmingsplannen dient archeologie een onderdeel van de belangenafweging te zijn. Conform het verdrag van Malta [9] is het beleid gericht op behoud van aanwezige waarden. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is verplicht aangezien er grootschalige vergravingen in het plangebied zijn voorzien.

Bij de uitvoering kunnen vergunningen/meldingen nodig zijn in het kader van de Scheepvaartverkeerswet, Binnenvaartpolitieregelement, Wegenwet, Wegenverkeerswet, de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) etc.

Tenslotte zal op basis van het uiteindelijke voorkeursontwerp (Definitieve DO2.1) de begrenzing van het GNN worden aangepast in de provinciale Omgevingsverordening Gelderland [27].

Noot: Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen meerdere van bovenstaande wetten worden samengevoegd. Aangezien de beide ontwerp-bestemmingsplannen voor die tijd in procedure zijn gebracht, is voor wat betreft de hoofdvergunningen die gecoördineerd met de bestemmingsplanprocedure worden aangevraagd het bestaande wettelijk regime nog van toepassing. Een aantal uitvoeringsbesluiten wordt te zijner tijd door de betreffende aannemer aangevraagd. Hierbij dient het dan geldende wettelijk regime in acht genomen te worden.

60

5

VOORGENOMEN ACTIVITEIT: BESCHRIJVING VAN HET VOORSTEL VOOR HET DO2.0

5.1

Algemeen In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de voorgenomen activiteit. Dit is het voorstel voor het DO2.0. Zoals eerder is aangegeven is dit het resultaat is van een ontwerpproces waarbij het schetsontwerp via het basisontwerp, het DO1.5 en het DO1.99 na een aantal eerdere toetsingen steeds verder is geoptimaliseerd en aangepast op basis. Hierin is tevens rekening gehouden met de tussentijds gewijzigde projectdoelstellingen en de in hoofdstuk 2 genoemde ontwerpeisen om de ecologische kwaliteit te maximaliseren.

5.2

Begrenzing van het plangebied In afbeelding 1.1 is de initiële ligging van het plangebied afgebeeld. Dit is het oorspronkelijke zoekgebied waarbinnen het ontwerp voor de herinrichting van de uiterwaarden uiteindelijk is geland. Mede op basis van grondeigendommen (beschikbaarheid van de gronden) zijn gedurende het ontwerpproces bepaalde terreindelen vervallen dan wel toegevoegd. Als gevolg daarvan wijkt de begrenzing van het plangebied voor het voorstel voor het DO2.0, zoals weergegeven in afbeelding 5.1 af van het initiële plangebied uit afbeelding 1.1.

Afbeelding 5.1

Begrenzing van het plangebied van het voorstel voor het DO2.0

61

62

Afbeelding 5.2 Het voorstel voor het DO2.0 Noot: dit is dus niet het eindbeeld/voorkeursalternatief. Deze is namelijk opgenomen in hoofdstuk 8 van dit MER.

63

Afbeelding 5.2 (vervolg) Het voorstel voor het DO2.0 Noot: dit is dus niet het eindbeeld/voorkeursalternatief. Deze is namelijk opgenomen in hoofdstuk 8 van dit MER.

64

Afbeelding 5.2 (vervolg) Het voorstel voor het DO2.0 Noot: dit is dus niet het eindbeeld/voorkeursalternatief. Deze is namelijk opgenomen in hoofdstuk 8 van dit MER.

65

Afbeelding 5.2 (vervolg) Het voorstel voor het DO2.0 Noot: dit is dus niet het eindbeeld/voorkeursalternatief. Deze is namelijk opgenomen in hoofdstuk 8 van dit MER.

66

Afbeelding 5.2 (vervolg) Het voorstel voor het DO2.0 Noot: dit is dus niet het eindbeeld/voorkeursalternatief. Deze is namelijk opgenomen in hoofdstuk 8 van dit MER.

67

Afbeelding 5.2 (vervolg) Het voorstel voor het DO2.0 Noot: dit is dus niet het eindbeeld/voorkeursalternatief. Deze is namelijk opgenomen in hoofdstuk 8 van dit MER.

68

5.3

Beschrijving van het voorstel voor het DO2.0 In afbeelding 5.2 is het voorstel voor het DO2.0 afgebeeld. Onderstaand wordt dit ontwerp nader toegelicht. In aanvulling hierop is in hoofdstuk 10 van dit MER een nadere toelichting gegeven op de een aantal ontwerpwijzigingen die gedurende het proces zijn doorgevoerd om hiermee inzichtelijk te maken hoe het ontwerp in de loop der tijd is gegroeid, waarom bepaalde keuzes voor varianten op onderdelen zijn gemaakt en welke milieuoverwegingen hierbij een rol hebben gespeeld. 1)

In het meest noordoostelijk deel van het plangebied, ter plaatse van de Willem-Alexanderbrug (N323) bij Beneden Leeuwen, is op de beschikbare gronden direct aan de oever van de Waal een gebied aangewezen dat wordt ingericht als verruigd (kruiden- en faunarijk) grasland. Het gebied wordt als een kleine afzonderlijke begrazingseenheid beheerd. Waar sprake is van begrazing worden rasters en toegangspoorten aangebracht.

2)

Op het gedeelte tussen de Hul en de Veerweg is in het voorstel voor het DO2.0 een permanent stromende nevengeul ontworpen. Het dwarsprofiel van de geul Wamel is in afbeelding 5.3 opgenomen. De geul is iets meer dan 30 m breed en ter plaatse van de instroom van de rivier ligt de bodem op 2,04 m+NAP. De geul begint bij de Hul in het voormalige haventje van de steenfabriek achter de terp en eindigt in de oevergeul achter de langsdam. De geul steekt vrijwel direct achter de bestaande oeverwal door naar de reliëf-arme vlakte die erachter ligt. De geul eindigt voor de kabels en leidingen. Daarnaast wordt de locatie waar de oude Tielsche krib heeft gelegen (rivierkaart 1830) niet doorsneden. De vergravingsdiepte van de nevengeul bedraagt ongeveer 5 meter bij de instroom, 4,5 meter bij de uitstroom en 4 meter in het centrale deel. Nabij de instroom van de nevengeul wordt een inlaatwerk aangebracht. Dit inlaatwerk is ook oversteekbaar voor wandelaars. Over de nevengeul wordt nabij de uitstroom een beheer- en onderhoudsbrug gerealiseerd.

Afbeelding 5.3 3)

Principeprofiel meestromende nevengeul

Ten zuidwesten van deze strang heeft het veer naar Tiel in het verleden aangemeerd en heeft het vroegere veerhuis gestaan. Bij de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal is de zomerkade ter plekke dijkwaarts verlegd en is de hele oeverzone geëgaliseerd. De oude veerweg is thans nog als structuur in het landschap zichtbaar in de vorm van de populierenlaan vanaf Wamel tot aan de verlegde Zomerdijk. Door het aanbrengen van twee grote lindebomen wordt de locatie van het oorspronkelijke veerhuis in het verlengde van de oude Veerweg als historisch relict in het landschap gemarkeerd. Op deze locatie zijn tevens leidingen gelegen waaronder een hoge druk gasleiding en elektriciteitskabels. Deze leidingen zijn gerespecteerd in het voorstel voor het DO2.0. Daarom is het verder doortrekken van de nevengeul en/of het ter plekke verlagen van de uiterwaard hier niet mogelijk.

69

70

4)

Vanuit de Natura 2000- en de GNN-opgave dient binnen het plangebied nieuw areaal aan ooibos gecreëerd te worden. In het voorstel voor het DO2.0 is ervoor gekozen om zachthouten ooibos te realiseren in het driehoekig perceel aan de Dorpsstraat (eigendom Staatsbosbeheer) dat ook in het schetsontwerp uit de pre-verkenning al was voorzien. De invloed van ooibos op deze locatie op de doorstroombaarheid bleek uit de resultaten van de eerste toetsing inpasbaar te zijn. Deze locatie maakt het mogelijk om de doorkijkjes vanaf de Winterdijk door de bestaande bosschages aan de dijkvoet over de uiterwaarden te handhaven.

5)

In de binnenbocht van de Waal, waar ook het Veer naar Tiel aanmeert, is de nevengeul Tielse Plaat ontworpen. De locatie van de instroom is gekozen op basis van de aanwezige kabels en leidingen. Bij de uitstroomvoorziening is de bestaande voet van een strekdam als erosiebestendige basis gebruikt om de uitstroom vast te leggen. Om de Veerweg oversteekbaar te houden en bij het veer te komen, wordt ter plaatse van de kruising van de Veerweg met de nevengeul een overrijdbaar inlaatkunstwerk (utiliteitsbrug) gerealiseerd. De bodem van de geul en het inlaatwerk is zodanig geoptimaliseerd om zo gunstige mogelijke situaties te creëren voor de stroomminnende fauna bij de verschillende afvoeren in de seizoenen. Om de openbare toegankelijkheid van het gebied (middels struinpaden) te borgen, zonder daarbij de doorstroombaarheid van de nevengeul te belemmeren, is er voor gekozen om een recreatieve brug aan te leggen in het benedenstroomse deel van de nevengeul.

6)

Nu is besloten af te zien van de gedeeltelijke verondieping van de Vonkerplas met gebiedseigen materiaal, blijft de omgeving van de Vonkerplas grotendeels ongemoeid, met uitzondering van het gebied waar de geul Dreumel begint (zie onder) en het Vaticaan. Tussen de Vonkerplas en de Waaldijk ligt Het Vaticaan. Dit is een cultuurhistorisch waardevol relict dat is ontstaan na een eerdere dijkdoorbraak omstreeks 1850, waarna de Waaldijk om deze wielen is heen gelegd. Deze wielen met omliggende begroeiing blijven gehandhaafd. Het landschappelijk beeld wordt verder versterkt door twee kleinere percelen in het oostelijk deel in te richten als extra ooibos.

7)

De een eenzijdig aangetakte strang die uitmondde in de Vonkerplas is in het voorstel voor het DO2.0 herontworpen tot een nevengeul die aan de westzijde van de Vonkerplas in de Waal achter de langsdam instroomt. Dit is de nevengeul Dreumel. Nabij de instroom is een inlaatwerk voorzien dat oversteekbaar is voor wandelaars. Er is een zo noordelijk mogelijk instroompunt gekozen (instroomhoogte 2,36m+NAP), halverwege naast de Vonkerplas; op de locatie waar ook de overlaat naar de plas ligt. Hiervandaan is het nog ca 800 m tot aan de uitstroom in de bestaande strang van Dreumel. Er is overwogen om de instroomlocatie zuidelijker te leggen, bij de monding van het vroegere havengeultje, maar omdat het verhang (hier ca 20 cm) zich vooral in dit gedeelte zal concentreren. Doordat deze geul nagenoeg permanent watervoerend zal zijn, wordt tevens een bijdrage geleverd aan het tegengaan van de vissterfte. De geul ligt hier in de laagte tussen de oeverwal en de leikade en volgt dus de landschappelijke patronen. Dit gebied is dat na de aanleg van de kribben vanaf 1860 aangezand en is gaandeweg steeds hoger geworden, waarbij direct achter deze zone een laagte ontstond. In de ontwerponderbouwing [55] wordt hier nader op ingegaan. Het aanwezige depot aan de zuidzijde van de Vonkerplas maakt vanwege de eigendomssituatie en de kwaliteit van de grond geen onderdeel meer uit van het plan.

Ten zuiden van het depot wordt een brug voor beheer en onderhoud over de nevengeul gerealiseerd.

8)

In het voorstel voor het DO2.0 vervolgt de nevengeul Dreumel vanaf het depot aan de zuidzijde van de Vonkerplas vervolgens de oorspronkelijke contouren van het landschap (bestaande strang en eerdere klei-ontgraving). Plaatselijk wordt deze wel verdiept om de doorstroomfrequentie te bevorderen. De geul mondt uit in de haven bij de scheepswerf van Dreumel. Ter plaatse van de kruising met de gasleiding is de vergraving beperkt en blijft ruim boven de hoogte die noodzakelijk is als dekking, waardoor de leiding niet wordt beïnvloed. De aanwezige depots binnen het plangebied nabij de scheepswerf zijn in de referentiesituatie niet langer aanwezig (zie ook overzicht autonome ontwikkelingen in paragraaf 3.3 van dit MER) waardoor realisatie van de geul mogelijk is.

9)

Ten noorden van Bato’s erf is in het voorstel voor het DO2.0 voor deze locatie voorzien in de realisering van een ongestuurde overstromingsvlakte. Dit is een laaggelegen gebied dat frequent kan overstromen waarna het water wordt vastgehouden en langzaam kan uitzakken. Dergelijke vlaktes zijn belangrijk voor de voortplanting van bijvoorbeeld de winde, maar ook Natura 2000-soorten als de porseleinhoen, watersnip en steltlopers profiteren hiervan. Hiervoor is het nodig de randzonde rondom de vlakte te sluiten zodat een geïsoleerd lager gebied ontstaat. In het voorstel voor het DO2.0 is een randhoogte van 5,1 m+NAP ontworpen omdat daarbij de kans op variatie aan vegetaties het grootst is. Zowel bovenstrooms als benedenstrooms is een gedeelte dat het eerst overstroomt en als overlaat fungeert, zodat tijdens een overstroming een beperkte doorstroming ontstaat. Het tijdstip waarop de vlakte droog valt, bepaalt de vegetatie die zich hier kan ontwikkelen: Bij droogval tussen medio april en medio juni: nat grasland; Bij droogval tussen medio juni en medio juli: zachthouten ooibos; Bij droogval na medio juli: moeras. Aan de zijkant van deze overstromingsvlakte zijn enkele poelen voor de kamsalamander ontworpen.

10) Ter plaatse van Bato’s erf wordt in het voorstel voor het DO2.0 het areaal ooibos uitgebreid met zowel hard- als zachthout op het grondgebied waarop thans de hoogwatervrije vergunning is gelegen. Uit de rivierkundige berekening is gebleken dat het doorstroombaar maken van dit gebied door het uit te voeren als grasland geen effecten op de waterstanden heeft.

Afbeelding 5.4

Uitbreidingslocaties ooibos bij Bato’s erf

11) Ten zuiden van Bato’s erf wordt de bestaande eenzijdig aangetakte strang Varikse Plaat doorontwikkeld tot een stromende nevengeul. De bodem ligt hier op 70 cm-OLR, hetgeen hier overeenkomst met een hoogte van 1,25m+NAP. De nevengeul Varikse plaat lijkt qua ontwerp op de nevengeul Wamel. Na een korte passage door de oeverwal via de vlakke uiterwaard die relatief recent is ontstaan. Ter hoogte van De Voorn stroomt de nieuwe nevengeul uit in een kort restant van de voormalige strang. Deze is in het eerst traject vrijwel precies breed genoeg om aan het gewenste principeprofiel te voldoen. Enkel het meest zuidelijke deel van de geul moet wat uitgediept worden. Nabij de instroom van de nevengeul wordt een inlaatwerk gerealiseerd dat oversteekbaar is voor wandelaars. Ter hoogte van de

71

toegangsweg naar het voet- en fietsveer wordt een utiliteitsbrug gerealiseerd waarmee het veer bereikbaar blijft. Richting het zuiden wordt een brug over de nevengeul aangelegd ten behoeve van het beheer en onderhoud. Voor het perceel van Staatsbosbeheer aan de Oude Oven is voorgesteld deze te beheren als natuurlijk grasland. De beide restanten van de oude eilanden De Voorn en Heerewaarden die buitendijks zijn komen te liggen door de aanleg van de afsluitdijk zijn voorzien om te worden ingericht als gestuurde overstromingsvlakte. Voor deze maatregel is hoofdzakelijk een aanpassing van het beheer nodig, waarbij het water na een overstroming vanuit de rivier wordt vastgehouden in plaats van direct weer wordt uitgelaten. Dit kan eenvoudig door de bestaande sluizen te sluiten op het moment dat het waterpeil in de bekade gebieden een bepaald hoog niveau heeft bereikt. Er staat dan, afhankelijk van de bodemhoogte, tot maximaal 2 m water in de bekade gebieden. Door wegzijging en later in het jaar ook verdamping zal het peil weer dalen en na circa 2 tot 3 maanden is het gebied weer grotendeels droog. De huidige grazige vegetatie zal daarom grotendeels in stand blijven. Om vissterfte te voorkomen, vindt een extra vergraving plaats door de aanleg van een poel nabij de uitstroom. Hier worden vissen tijden slaag water opgevangen.

12) In het voorstel voor het DO2.0 is de eenzijdig aangetakte strang Heerewaarden vervangen door een stromende nevengeul. Bij de keuze voor het tracé volgt dit grotendeels de bestaande strang van Heerewaarden. Om hier een stromende nevengeul mogelijk te maken is deze strang aan de bovenstroomse zijde doorgetrokken tot aan de Waal. De geul begint in hetzelfde kribvak als waar de nevengeul van de Varikse Plaat begint. Er is overwogen om de Varikse Plaatgeul door te trekken in de geul van Heerewaarden, maar dat bleek niet mogelijk omdat enkele tussenliggende percelen niet beschikbaar zijn voor het project. Ook zou het hydrologisch lastig zijn om een aansluiting te maken, omdat de geul van Heerewaarden hoger begint dan de geul van de Varikse Plaat eindigt. In het zuidelijke deel van het tracé wordt de strang van Heerwaarden gevolgd. De breedte van deze strang wordt niet veranderd, zodat de huidige structuur herkenbaar blijft. Deze strang ligt deels in de dijkzone, waar het waterschap beperking oplegt aan het graven in de bodem. De diepte van de nieuwe geul is daarom afgestemd op de huidige bodemligging van de strang en dit is een van de redenen waarom bij Heerewaarden, net als bij Dreumel, geen permanent stromende nevengeul mogelijk is en daarom gekozen is voor een grotendeels stromende nevengeul. Dit betekent dat deze geul ca. 85% van de tijd mee stroomt.

Voor het tracé van de stromende nevengeul van Heerewaarden is gebruik gemaakt van een van de laagtes die in het terrein te vinden zijn. Het gaat hierbij om de geul die vermoedelijk tussen ca. 1700 en 1795 nog deel uitmaakte van de Waalbedding. Na enkele honderden meters wordt deze geul relatief wat dieper, omdat op die plaats de oeverwal aan de rivierzijde hoger wordt. De nieuwe nevengeul blijft deze laagte volgen en mondt na ca. 1 km uit in de bestaande strang van Heerewaarden. In het traject waar de nieuwe nevengeul de huidige Heerewaardene strang volgt, ligt de bodem deels al op de gewenste diepte. In een klein deel van het traject zal wel gegraven moet worden, maar hier hoeft dan alleen het onderste deel van het profiel gegraven te worden. Deels bevindt de vergraving zich binnen de beschermingszone van de dijk. Hier zal na het graven minimaal 1 m klei achter moeten blijven. In delen waar de bodem nu al dieper ligt dan nodig wordt niet aangevuld. Om permanent mee te kunnen stromen moet de bodem van deze geul op 70 cm -OLR liggen, maar dat is bij deze nevengeul niet mogelijk omdat dan teveel in de dijkzone gegraven zou moeten worden. Er is daarom gekozen voor een grotendeels meestromende nevengeul, waarvan de bodemhoogte is vastgesteld op 10 cm +OLR, wat hier neerkomt op een hoogte van ca. 1,9 m+ NAP. In

72

stroomafwaartse richting loopt de bodem langzaam af om ca. 15 cm lager uit te monden. De gekozen hoogte betekent dat de geul tijdens zeer lage waterstanden in de Waal tijdelijk droog kan vallen of in ieder geval niet meer stroomt. Voor het functioneren van de geul betekent dit dat de geul vooral in de paaitijd (voorjaar) en het opgroeien van de jonge vis (zomer) geschikt habitat biedt, maar in jaren met langdurig lage waterstanden tijdelijk niet beschikbaar zal zijn. De geul valt dan droog op de diepere gedeelten in de huidige strang van Heerewaarden na. Omdat de geul, op de enkele diepe delen na, geleidelijk afloopt ontstaan er bij droogval geen ondiepe plassen waar vissen in ingevangen kunnen worden. De vergravingsdiepte van de nevengeul bedraagt ongeveer 4,5 meter direct bij de instroom en ca. 3,5 tot 4 m in het centrale deel van het tracé tot aan de strang. In de strang zelf is geen vergraving of slechts beperkte vergraving nodig om enkele hogere gedeelten te overbruggen. Voor de bereikbaarheid van het eiland tussen de geul en de Waal komen er drie passages over de geul. In het noorden direct stroomafwaarts van de instroom komt een inlaatwerk, waar ook door wandelaars gebruik van gemaakt kan worden.

Op de plaats waar het nieuw te graven traject in de huidige strang uitmondt komt een brug ten behoeve van het beheer, die ook geschikt is voor het oversteken van voertuigen van de beheerder. Geheel in het zuiden, op ca. 25 m vanaf de instroom in de Waal, wordt een recreatieve brug aangelegd. Hiermee blijft de mogelijkheid bestaan dat wandelaars de rivieroever kunnen blijven volgen. Alle inlaatwerken in het ontwerp zijn regelbaar, om bij te kunnen sturen als ongewenste effecten optreden op het gebied van bijvoorbeeld geohydrologie of morfologie (extra aanzanding van bijvoorbeeld oeverwallen). In onderstaande kaart is een overzicht opgenomen van de verschillende typen grasland die in het plangebied zijn voorzien in de toekomstige situatie, een en ander van afhankelijk van de wijze van beheer.

Afbeelding 5.3

Geplande typen grasland

73

5.4

Varianten op het voorstel voor het DO2.0 In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau [2, 53] was gesteld dat de exacte herinrichting van het gebied zou worden uitgewerkt in een proces met publieke en private stakeholders en dat hierbij verschillende varianten zouden worden onderzocht en afgewogen. Genoemde voorbeelden voor ontwerpvarianten zijn de exacte locaties van het ooibos of maaiveldverlaging, de mogelijkheden voor extensieve recreatie en de wijze van natuurbeheer, waaronder beheer door agrarische partijen. Daarnaast is aangegeven dat er verschillende varianten zijn ten aanzien van het gedeeltelijk ecologisch verondiepen van de Vonkerplas. Zoals in paragraaf 3.2 van dit MER is toegelicht, is het in de vorige paragraaf omschreven voorstel voor het DO2.0 tot stand gekomen in een iteratief ontwerpproces waarbij het oorspronkelijke schetsontwerp uit de preverkenning via het basisontwerp, het DO1.5 en het DO1.99 steeds verder is doorontwikkeld. Hierbij zijn onder andere ontwerpateliers in de gemeente West Maas en Waal en de gemeente Maasdriel georganiseerd, diverse individuele keukentafelgesprekken met omwonenden en andere belanghebbenden gevoerd en zijn openbare inloopavonden gehouden. Voor onderdelen van dit ontwerp zijn hierbij steeds verschillende varianten uitgewerkt en beoordeeld. Onderstaand worden enkele in de NRD genoemde suggesties voor ontwerpvarianten kort herhaald.

Locatie ooibos Voor de locatie van het ooibos was in basisontwerp gedacht om deze te realiseren direct in de zone tussen de Vonkerplas en de Dorpsstraat en deze zone in te richten als robuuste groenstructuur van circa 100 m diep. In de volgende ontwerpronde is deze echter vervallen, vooral omdat er maatschappelijk, rivierkundig en landschappelijk een duidelijke voorkeur bestaat voor het behoud van de zichtlijnen en doorkijkjes van de winterdijk over de uiterwaarden naar het water van de Waal. In plaats daarvan is voorgesteld om zachthouten ooibos te realiseren in het naastgelegen driehoekig perceel aan de Dorpsstraat (aan de oorspronkelijke weg naar het Veer toe). Ook ten zuidwesten en ter plaatse van Bato’s erf was in de eerste ontwerpronde extra ooibos gepland, maar vanwege beschikbaarheid van de gronden (en de door omwonenden geuite wens tot behoud van zicht op het water) is het ontwerp hierop aangepast en is het areaal bosontwikkeling bij de doorontwikkeling van het ontwerp beperkt tot het grondgebied van Staatsbosbeheer. Zoals uit afbeelding 5.4 blijkt, kan zich op deze locatie zowel hardhouten als zachthouten ooibos ontwikkelen in de luwte achter Bato’s erf meteen achter De Kop. In de tweede ontwerpronde was een ontwerpvariant ontwikkeld waarbij er zich ooibos op de oeverwallen tussen de geulen en de Waal kon ontwikkelen.

Vanwege toename van de waterstanden en het ontbreken van de rivierkundige ruimte is deze variant echter vervallen. Tenslotte is er op een tweetal kleinere percelen in het Vaticaan (het cultuurhistorisch waardevol gebied met wielen tussen de Vonkerplas en de Waaldijk) zachthouten ooibos te ontwikkelen om de hier aanwezige groenstructuren te verstevigen. Maaiveldverlaging Voor de geul bij Wamel is in een van de eerdere ontwerprondes van het planproces een variant uitgewerkt waarbij een uiterwaardverlaging in plaats van een eenzijdig aangetakte strang (waar toen nog van werd uitgegaan) is opgenomen. Een uiterwaardverlaging bleek op deze locatie tot een lagere ecologische kwaliteit en bijdrage aan de KRW te leiden in vergelijking met een strang. Een (eenzijdig) aangetakte strang is namelijk vaker/langer waterhoudend en als dusdanig ingericht dat het ook tijdens het paaseizoen voor vissen geschikt paaigebied biedt. Daarom is in het DO1.99 voor deze locatie gekozen voor een eenzijdig aangetakte strang in plaats van een uiterwaardverlaging. Deze strang is in het voorstel voor het DO2.0 vervangen door een nevengeul.

74

Mogelijkheden voor extensieve recreatie Gedurende het ontwerpproces zijn in de diverse keukentafelgesprekken met omwonenden en ontwerpateliers met omwonenden en overige belanghebbenden onder andere de mogelijkheden voor extensieve recreatie besproken. De rust van het gebied wordt als belangrijke te koesteren waarde gezien. Daarnaast hebben Staatsbosbeheer als toekomstige gebiedsbeheerder en de provincie Gelderland als verantwoordelijke voor de GNN en Natura 2000 deze wens eveneens uitgesproken. Afgesproken is dat er geen verharde wegen en paden door het gebied worden aangelegd, en er enkel informele struinpaden kunnen ontstaan (niet gemaaid), die in de huidige situatie ook al aanwezig zijn. Ten aanzien van de vismogelijkheden is afgesproken dat bestaande vergunde situaties gerespecteerd blijven, maar voor de nieuw te graven geulen geen nieuwe visvergunningen zullen worden afgegeven. De uiterwaarden zijn niet openbaar toegankelijk voor voertuigen (in de huidige situatie gebeurt dit informeel nog wel eens), waardoor er naar verwachting in de toekomst minder hinder of overlast door recreatie zal optreden. Wijze van natuurbeheer Het terreinbeheer is een afgeleide van het natuurdoel.

Gedurende het ontwerpproces is in overleg met de opdrachtgever, en rekening houdend met de eigendoms- en verkavelingsstructuur in het gebied overeengekomen dat de beoogde natuurontwikkeling van structuur- en soortenrijke graslanden wordt gerealiseerd middels (verlengde) seizoensbegrazing, aangevuld met hooibeheer. Hooilanden worden uitgerasterd en gemaaid met nabeweiding. Dit wordt verder uitgewerkt in een beheer- en onderhoudsstrategie. Partieel verondiepen zandwinplas Voor de Vonkerplas zijn gedurende het ontwerpproces verschillende varianten in beeld geweest en beoordeeld. In eerste instantie zijn als meekoppelkans twee door bureau Stroming en Staatsbosbeheer uitgewerkte varianten met grootschalige verondieping (model kralensnoer en grote strang) uitgewerkt. Deze leidden tot dusdanig veel weerstand in de gemeente West Maas en Waal dat na de eerste toetsronde (van het basisontwerp) bestuurlijk is besloten dat deze niet langer onderdeel uitmaken van de scope van UWDH. De ontwerpvariant om de Vonkerplas gedeeltelijk te verondiepen met enkel materiaal dat vrijkomt bij de realisering van het planvoornemen is in de tweede ontwerpronde wel gehandhaafd mits deze bijdraagt aan het doelbereik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14538010/1