Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong Toelichting
Tekst van het document
Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
4.8.2
Beoordeling
De plan-specifieke beoordeling is opgedeeld in twee onderdelen: soortbescherming en gebiedsbescherming. Hieronder wordt elk onderdeel afzonderlijk besproken. Soortbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan Ecologisch onderzoek (zie Bijlage 5) kunnen weliswaar beschermde soorten voorkomen, maar overtredingvan de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen door eenvoudige maatregelen te treffen. Zo dient er buiten het algemene broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) gewerkt te worden of dient er in het broedseizoen een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Voor de te verwachten algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren, waarvoorbij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt voor het verstoren en het vernietigen van vaste verblijfplaatsen, dient er rekening gehouden teworden met de Algemene Zorgplicht. Om hieraan te voldoen kunnen deze dieren worden weggevangen en op een veilige plek worden losgelaten en kan er rekening worden de kwetsbare periode van deze dieren. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent.
Een negatief effect op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen activiteiten is niet te verwachten vanwege de geringe schaal van het voornemen en de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden. Om hier toch volledige zekerheid over te hebben is er een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6).Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er ontstaan bij dit voornemen namelijk geen deposities hoger dan 0,00 mol/ha/j. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator 2021. Ten behoeve van het aspect flora en fauna is in november 2021 door Lycens een quickscan ecologie uitgevoerd. Hieronder volgt de conclusie. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage Bijlage 5.
Quickscan ecologisch onderzoek De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te
25
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, is niet te verwachten vanwege de geringe schaal van het voornemen en derelatief grote afstand tot een Natura 2000-gebieden. Om hier toch volledige zekerheid over te hebben is er een stikstofonderzoek uitgevoerd(zie Bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er ontstaan bij dit voornemen namelijk geen deposities hoger dan 0,00 mol/ha/j. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.
Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan Ecologisch onderzoek (zie Bijlage 5) kunnen weliswaar beschermde soorten, maar overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen door eenvoudige maatregelen te treffen. Zo dient er buiten het algemene broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) gewerkt te worden of dient er in het broedseizoen een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Voor de te verwachten algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren waarvoorbij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt voor het verstoren en het vernietigen van vaste verblijfplaatsen, dient er rekening gehouden teworden met de Algemene Zorgplicht. Om hieraan te voldoen kunnen deze dieren worden weggevangen en op een veilige plek worden losgelaten en kan er rekening worden de kwetsbare periode van deze dieren.
4.8.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmeringen op. In het kader van soortbescherming kunnen overtredingen worden voorkomen door maatregelen te treffen zoals het werken buiten kwetsbare perioden (broedseizoen), een broedvogelcontrole te laten uitvoeren en aan te treffen amfibieën en zoogdieren over te plaatsen naar een veilige omgeving buiten het plangebied. Van significant negatieve effecten opNatura 2000-gebieden is geen sprake. De afstand tot Natura 2000-gebieden is daarvoor te groot. Dit wordt bevestigd door een uitgevoerd stikstofonderzoek waarbij er geen deposities op Natura 2000-gebieden zijn geconstateerd.
4.9
Erfgoed
De versnippering van de erfgoedwetgeving, met eigen definities, procedures en beschermingsmaatregelen, en de behoefte aan duidelijkheid waren de aanleiding om één integrale Erfgoedwet op te stellen voor het beheer en behoud van ons cultureel erfgoed. Met de Erfgoedwet, op 1 juli 2016 in werking getreden, worden zes wetten en regelingen gebundeld tot één wet die de bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland regelt. Deze wet is niet gericht op de bescherming van vermoedelijk archeologische waarden, maar wel op de bescherming van monumenten, vindplaatsen en de vondsten. Uiteindelijk worden onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen (zoals onder andere archeologische waarden), ondergebracht in de Omgevingswet die in 2019 van kracht moet worden. Vanaf het moment van invoering van de Erfgoedwet tot het moment van invoering van de Omgevingswet zijn deze onderdelen ondergebracht in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
4.9.1
Archeologie
Ten behoeve van het aspect archeologie is in november 2021 door Lycens een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hieronder volgt de conclusie, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage Bijlage 7.
Onderzoek Het plangebied ligt op een oude stroomgordel van de onbedijkte Maas, die actief was tussen ca. 235 - 1280 na.Chr. Rond de 11e eeuw is op de oeverwal het dorp Ammerzoden ontstaan. Voor de oeverafzettingen geldt een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf de laat-romeinse tijd tot de late middeleeuwen. Eventuele archeologisch relevante niveaus voor oudere periodes zijn zeer waarschijnlijk geërodeerd door de rivier. De archeologische verwachting voor de nieuwe tijd is laag vanwege het gebruik als weide/akkergrond in deze periode. De archeologische verwachting is getoetst aan de hand van een karterend booronderzoek. Daarbij is een laagopeenvolging van oeverwalafzettingen op beddingzand aangetroffen. Er zijn geen bewoonbare niveaus gezien in de oeverafzettingen. Ook zijn
26
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
geen cultuurlagen of archeologische indicatoren gezien tijdens het veldonderzoek. De archeologische verwachting kan daarom voor alle periodes worden bijgesteld naar laag. Op basis van de resultaten van het hier gerapporteerde onderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen plannen. Tijdens het karterende onderzoek zijn geen aanwijzingen gezien voor de aanwezigheid van archeologische resten binnen het plangebied, waardoor de archeologische verwachting voor alle periodes naar laag is bijgesteld. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De boringen zijn uitgevoerd tot een diepte van 2 meter, op basis daarvan kan gesteld worden dat tot die diepte er geen archeologische verwachtingen aanwezig zijn. Ten behoeve van mogelijke archeologische waarden die dieper zijn gelegen dan 2 meter is de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' opgenomen.
4.9.2
Cultuurhistorie
De wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden met cultuurhistorie. Sinds 1 januari 2012 is een cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Het gaat daarbij om het in kaart brengen van archeologische, historisch stedenbouwkundige en historisch-geografische waarden en het beschrijven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten, in het op te stellen bestemmingsplan wordt omgegaan. Ammerzoden is ontstaan op een oeverwal langs de Maas. Aan de rivier werd een donjon gebouwd, die later uitgroeide tot Kasteel Ammersoyen. De strategische ligging aan de grens tussen Brabant en Gelderland zorgde ervoor, dat Ammerzoden lang een zelfstandige positie als hoge heerlijkheid wist te bewaren. Aan drie zijden door de oude riviermeander ingekaderd ligt het compacte dorpsgebied. De oude kern van Ammerzoden ontwikkelde zich aan de oostzijde, rond de Voorstraat. Tot aan de tweede wereldoorlog veranderde er weinig aan de ruimtelijke structuur van Ammerzoden. Het dorp groeide weliswaar, maar de omvang van de lintbebouwing bleef min of meer constant. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt Ammerzoden in de frontlinie, gevormd door de Maas. Er wordt een zware strijd in het gebied gestreden waarbij weinig gebouwen in het dorp gespaard blijven.
Het projectgebied is door de jaren heen onbebouwd gebleven en hebben de gronden tot recent hun oorspronkelijk gebruik als weiland behouden. Cultuurhistorische waarden in het plangebied Op basis van de themakaarten ‘Gelderse cultuurhistorie’ en ‘historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ zijn de cultuurhistorische waarden in het plangebied geanalyseerd. Op beide kaarten zijn in en rondom het plangebied geen cultuurhistorische objecten, lijnelementen, historische landschappen en historische stedenbouw aangegeven. Vanuit het provinciale beleid zijn er geen cultuurhistorische waarden die met het bestemmingsplan beschermd moeten worden. Er is geen specifiek gemeentelijk beleid ten aanzien van cultuurhistorie geformuleerd. Er worden voor wat betreft onderhavig bestemmingsplan geen specifieke eisen gesteld. Beschermde monumenten In en rondom het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Er is geen bebouwing die in dit bestemmingsplan beschermd moet worden.
4.9.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.
27
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
4.10
Water
4.10.1
Beleidskader
4.10.1.1 Europees- en rijksbeleid Het Nederlands beleid voor de waterveiligheid en zoetwatervoorziening staat in het 2e Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2). Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het kabinet streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties.
4.10.1.2 Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ is door het Waterschap Rivierenland in 2021 vastgesteld. In dit programma beschrijft het waterschap wat men in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: a. beschermen tegen overstromingen; b. water eerlijk verdelen; c. voorbereiden op extreem weer; d. streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; e. bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; f. kwaliteitsverbetering zwemwater; g. toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; h. toewerken naar circulariteit. Met de vaststelling van dit waterbeheerprogramma verplicht het waterschap zichzelf om de opgaven en daaraan verbonden maatregelen waar te maken. Daarbij wordt rekening gehouden met omstandigheden en situaties die in de komende jaren aanleiding kunnen geven tot bijsturing.
4.10.1.3 Gemeentelijk beleid Het beleid van de gemeente Maasdriel is opgenomen hoe in plannen moet worden omgegaan met water en riolering. Dit is vastgelegd in het 'Water- en rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026'. Bij nieuwbouw dient de wateropgave door de initiatiefnemer op eigen terrein ingevuld te worden. Particulieren zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het omgaan met vrijkomend hemelwater op hun eigen perceel. Indien dit redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, kan de particulier het hemelwater vertraagd afvoeren naar het stelsel van de gemeente. Dit hemelwater moet gescheiden zijn van het huishoudelijk afvalwater.
4.10.2
Watertoets
Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
28
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
4.10.3
Beoordeling
Watertoets Het waterschap Rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Uit de watertoets volgt daarom eenkorte procedure. Het volledige digitale wateradvies is gevoegd als Bijlage 8 bij de toelichting. Voor een volledig beeld wordt hiernaar verwezen. De belangrijkste wateraspecten (watercompensatie en waterveiligheid) zijn hieronder verder gemotiveerd.
Verhardoppervlak In onderhavig plan wordt één woning gerealiseerd. Bij de realisatie van één woning wordt in onderhavig plan op basis van de regels uitgegaan van maximaal 120 m² grondoppervlak voor de woning, 150 m² voor bijgebouwen (vergunningsvrij) en nog eens 100 m² voor verhardingen. Het verhard oppervlak bedraagt hierdoor maximaal 370 m².
Waterberging / compensatie Met het plan zal het verhard oppervlak met minder dan 500 m² toenemen. Doordat deze oppervlakte kleiner is dan 500 m², kan in stedelijk gebied gebruik gemaakt worden van een eenmalige vrijstelling. Voor de planontwikkeling is derhalve geen compensatie verplicht. Uit de waterparagraaf volgt dat het water dat van de daken en de verharding binnen het plangebied afstroomt, als schoon aan te merken is en gescheiden wordt gehouden. Gezien de aard en ligging van het plangebied is infiltratie van hemelwater op eigen terrein mogelijk.
Grondwater Het grondwater ter plaatse van het plangebied ligt enkele meters onder het maaiveld, zoals weergeven in de tabel hieronder.
Maaiveld gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG)
Meter boven NAP 3,33 1,38 0,77
Voor nieuwbouw wordt een ontwateringseis van maximaal 1 meter gehanteerd, gezien de grondwaterstand ruim onder het maaiveld ligt zal hieraan voldaan worden. Hiermee is er afdoende ontwateringsdiepte, waarmee aan de normen met betrekking tot drooglegging kan worden voldaan. Vervuiling van grondwater is niet aan de orde.
Wateroverlast Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en het voorkomen van schade aan de volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten. Gezien de ligging van het grondwater ruim onder het maaiveld is er in de bestaande situatie geen sprake van wateroverlast, in de beoogde situatie zal dit eveneens niet aan de orde zijn.
Waterkwaliteit - Duurzaam waterbeheer Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem en/of het oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen (zoals bv lood, koper en zink). Afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en via de rioolpersleiding afgevoerd. Vervuiling van grondwater is niet aan de orde.
Riolering Afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het alleen het vuilwater wordt opgevangen en via de gemengde riolering afgevoerd. Vervuiling van grondwater is niet aan de orde.
29
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
4.10.4
Conclusie
Gezien de omvang van de ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1
Parkeren
Uitgangspunt is dat de benodigde parkeerplaatsen daar waar mogelijk plaatsvindt op eigen terrein. Ten behoeve van het onderhavige plan is op basis van het te realiseren woningtype het aantal benodigde parkeerplaatsen conform het gemeentelijk parkeerbeleid berekend. Op basis van de 'Nota parkeernormen 2020 gemeente Maasdriel' geldt voor deze locatie, een vrijstaande woning in stedelijk gebied, een parkeerbehoefte van 2,3 parkeerplekken. Aangezien het een kleine inbreiding betreft aan een weg zonder parkeervoorzieningen geldt hiervoor het volgende: Bij kleine woningbouwplannen kan het in de praktijk zo zijn dat het realiseren van parkeerplaatsen aan de weg niet mogelijk is of verkeerstechnisch tot onwenselijk situaties leidt. Voor deze situaties geldt dat per woning minimaal drie parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden op eigen terrein. Twee van deze drie parkeerplaatsen moeten zonder belemmeringen, vrij bereikbaar zijn vanaf de openbare weg. Gezien de kavelindeling is er voldoende ruimte op eigen terrein om de benodigde parkeerplekken te realiseren. Vanaf de openbare weg zijn de parkeerplaatsen bereikbaar.
4.11.2
Verkeer
De nieuwe woning wordt direct op de Uilecotenweg aangesloten. Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen zal ontstaan. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het onderhavige plan te berekenen is gebruik gemaakt van kencijfers van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. Onderstaand zijn de berekeningen weergegeven. Hierbij zijn als uitgangspunten genomen niet stedelijke gemeente, de zone rest bebouwde kom en het gemiddelde van de kencijfers uit het CROW. Voor de het plan worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Functie: koop, vrijstaand; Verstedelijkingsgraad: Niet stedelijk – gemeente Maasdriel (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: Rest bebouwde kom; Kengetal voor de verkeersgeneratie: Het gemiddelde van de minimale en maximale bandbreedte.
Tabel: verkeersgeneratie
Koop, vrijstaand
rest bebouwde kom niet stedelijke gemeente verkeersgeneratie per aantal eenheden eenheid (gemiddeld) 8,2 1
Totaal 8,2
Met de realisatie van het planvoornemen zal bij de bouw van een vrijstaande woning de verkeersgeneratie met 8,2 (afgerond naar boven) motorvoertuigen per etmaal toenemen. Gezien de inrichting van de Uilecotenweg gaat dit verkeer op deze weg vrijwel direct op in het heersende verkeersbeeld. Conform de NSL-Monitoringstool is geen sprake van congestie.
4.11.3
Conclusie
Gezien bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de realisatie van het plan.
30
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
4.12
Besluit milieueffectrapportage
4.12.1
Algemeen
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
4.12.2
Beoordeling
Voor de voorbereiding van het mer-beoordelingsbesluit, is een aanmeldnotitie opgesteld, deze notitie is in Bijlage 9 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. van deze toelichting gevoegd. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze aanmeldnotitie is voorgelegd aan het college. Het college heeft besloten dat er geen mer-procedure doorlopen hoeft te worden, het besluit is bijgevoegd als Bijlage 10.
4.12.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan het bevoegd gezag besluiten dat voor onderhavige plan het uitvoeren van een Milieueffectrapport niet noodzakelijk is.
31
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Plansystematiek
Het bestemmingsplan is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn conform de RO-standaarden 2012 onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft géén bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2
Toelichting op de regels
In de volgende paragrafen is een toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Artikel 2: Wijze van meten In dit artikel wordt beschreven op welke wijze de in de regels voorgeschreven maatvoeringen gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2: De bestemmingsregels In het bestemmingsplan komt de volgende enkelbestemming voor: 'Wonen' Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor woningen.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan. Algemene gebruiksregels In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene procedure regels Dit artikel beschrijft de te volgen procedure bij het besluit tot nadere eisen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
32
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
Overgangsrecht Het overgangsrecht voor bouwwerken dient ter vergroting van de rechtszekerheid voor bouwwerken die bestonden of mochten worden gebouwd op het moment waarop dit plan in werking treedt en die afwijken van dit plan. Het opnemen van deze regel en de redactie daarvan is wettelijk voorgeschreven. Bouwwerken die al met het eerder geldende plan in strijd waren, vallen niet onder het overgangsrecht van het nu voorliggende plan. Het overgangsrecht voor het gebruik van gronden en bouwwerken dient ter vergroting van de rechtszekerheid voor gebruik dat bestond op het moment waarop dit plan in werking treedt en die afwijken van dit plan. Het opnemen van deze regel en de redactie daarvan is wettelijk voorgeschreven. Vormen van gebruik die al met het eerder geldende plan in strijd waren, vallen niet onder het overgangsrecht van het nu voorliggende plan. Slotregels Tenslotte geeft de slotregel aan onder welke naam de regels dienen te worden aangehaald.
33
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere woningen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Inspraak In het kader van inspraak wordt het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.
34
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.'.
7.1
Vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De in dit kader relevante instanties worden in kennis gesteld van dit bestemmingsplan.
7.2
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden, deze is bijgevoegd als Bijlage 11.
7.3
Zienswijzen
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens de artikelen 3.7 en 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter inzage gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode zijn vier zienswijzen ingediend tegen het plan. In Bijlage 12 Zienswijzenota worden de zienswijzen uitgebreid behandeld. Tevens wordt in de nota aangegeven op welke punten het bestemmingsplan gewijzigd is en waarom dit heeft geleid tot een gewijzigde vaststelling.
7.4
Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
35
bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2022, Uilecotenweg ong.