CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting BP De Hoef (ontwerp)

Gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Ammerzoden herziening 2021, De Hoef17.258 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Uit eerder onderzoek door Arcadis blijkt in het zuidelijk deel, op de zuidoostelijke grens van de onderzoekslocatie een ernstig geval van bodemverontreiniging aanwezig te zijn, welke tot dit onderzoek nog niet was afgeperkt in noordelijke richting. In onderhavig onderzoek is deze verontreiniging in noordelijke richting afgeperkt. De sterke verontreiniging met metalen, welke is aangetroffen in de boringen 107, 06, 108, 109 en 110 (uit onderzoek van Arcadis) wordt aan de zuidzijde begrensd door de perceelsgrens (met perceel nummer 2859), aan de westzijde door de boringen 114, 105 en 111, aan de oostzijde door boring 116 (boring 118 bevat nog een matig verhoogd zinkgehalte) en aan de noordzijde door boringen 201, 202 en 203. In verticale richting is de verontreiniging ter plaatse van boring 110 afgeperkt op 1,0 m-mv, ter plaatse van boring 107 op 1,6 m-mv (gemiddeld 1,3 meter). Niet bekend is of de bovengrond van boring 06 ook (sterk) verontreinigd is. Het volume sterk met metalen verontreinigde grond wordt geschat op circa 170 m³. Geadviseerd wordt om deze verontreiniging te saneringen alvorens over te gaan tot herontwikkeling van de locatie. Ter plaatse van boring 19 uit het verkennend onderzoek is een sterke PAK-verontreiniging aangetoond. Uit de resultaten van het nader onderzoek blijkt dat er geen ernstig geval van bodemverontreiniging bestaat voor de PAK-verontreiniging.

De hoeveelheid sterk met PAK verontreinigde grond wordt geschat op circa 5 m³. Bij de herontwikkeling van de locatie dient rekening te worden gehouden met deze verontreinigde spot. Geadviseerd wordt om deze, tezamen met de sanering van de metalen ook te verwijderen. Voor de sanering van de verontreiniging met metalen is de provincie Gelderland Bevoegd Gezag. Voor de sanering van de PAK-verontreiniging is dat de gemeente. Geadviseerd wordt om, in overleg met gemeente en provincie, voor de gehele sanering de provincie het bevoegd gezag te laten zijn. De gestelde hypothese dat de toplaag van de locatie als "verdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen is niet juist gebleken. In de toplaag zijn geen verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen aangetoond. De gestelde hypothese dat de locatie ten aanzien van de parameter asbest in bodem als ‘verdacht’ kan worden aangemerkt is, op basis van de criteria als genoemd in de NEN5707, juist gebleken voor het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie. In het mengmonster van de fijne fraktie MMFFBG03 van de bovengrond op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie is asbest aangetoond. De interventiewaarde wordt echter geenszins benaderd. In de overige mengmonsters van de fijne fraktie is geen asbest aangetoond. Op de locatie is vermoedelijk nog een afgevulde ondergrondse tank aanwezig.

Uit de geleverde gegevens valt de ligging van deze tank niet te herleiden. Derhalve is hier tijdens onderhavig onderzoek geen rekening mee gehouden. Onderzoek 2005 In 2005 is middels onderzoek (Goorbergh Geotechniek, 31 mei 2005) verhoogde gehalten aan arseen aangetoond. Arseen komt in het gebied veelvuldig voor in de achtergrondconcentraties. Het betreft geen ernstige bodemverontreiniging waardoor zorgplicht van de Wet bodembescherming niet van toepassing is. Bovendien bevindt de spot zich in de ondergrond. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Omdat ter plaatse van deze verontreiniging niet in de bodem wordt gegraven is sanering iet noodzakelijk.

4.4.3

Conclusie

Wat betreft het aspect bodem is er sanering noodzakelijk om de gewenste plannen mogelijk te maken. In het kader van dit bestemmingsplan is de kwaliteit van de bodem voldoende in beeld gebracht.

24

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen

Op 15 november 2010 is de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) in werking getreden. De overheid wil een verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen en ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de 'Wet luchtkwaliteit' bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen voor plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Op grond van artikel 5.16 Wm moeten bestuursorganen nagaan of besluiten op grond van de Wro gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit.

4.5.1.1

Besluit NIBM

In de Algemene maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele projecten zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt.

4.5.1.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Naast het besluit en regeling NIBM dient er getoetst te worden aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

4.5.2

Beoordeling

In navolgende wordt-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit is uitgegaan van 8 vervoersbewegingen per etmaal per woning. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit in 'niet betekende mate' zal verslechteren.

4.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

25

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

4.6.2

Beoordeling

Middels de Risicokaart is beoordeeld of er risicobronnen in en rond het plangebied aanwezig zijn. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.

26

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Afbeelding 4.2: plangebied (aangeduid met een ster) in de Risicokaart (www.risicokaart.nl)

Volgens de Risicokaart ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting en ook niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op 600 meter van het plangebied bevindt zich een opslaglocatie van explosieve stoffen en op 50 meter van een buitendijks overstromingsgebied. De opslag van gevaarlijke stoffen is van het bedrijf Alabastine Holland wat een handelsbedrijf betreft in klusmaterialen. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en dit bedrijf behoeft deze risicobron geen nadere aandacht. Doordat het planvoornemen niet in (de directe nabijheid van) het overstromingsgebied is gelegen behoeft ook deze risicobron geen verdere aandacht. Bij elk van deze externe factoren ligt het plangebied ver buiten de betreffende veiligheidscontour of het invloed gebied.

4.6.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.7

Kabels en leidingen

In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen geen kabels of leidingen die planologisch relevant zijn. Er zijn uit dit oogpunt derhalve geen belemmeringen voor de realisering van de woningen.

27

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

4.8

Ecologie

4.8.1

Algemeen

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

4.8.1.1

Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden is onder de Wnb vrijwel hetzelfde gebleven. Wel zijn de Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat als naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld moeten worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied zijn vergunningsplichtig.

4.8.1.2

Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is vastgelegd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) en is ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds uit gebieden voor nieuw aan te leggen natuur. Daarnaast maken de reeds gerealiseerde delen van verbindingszones deel uit van het GNN. De gebieden uit de voormalige EHS met een andere bestemming dan natuur zijn ondergebracht in de Groene Ontwikkelingszone (GO), welke is gericht op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van ecologische verbindingszones. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

4.8.1.3

Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming

Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa levende inheemse vogels (Vogelrichtlijn).

4.8.2

Beoordeling

4.8.2.1

Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen in een door de Wet Natuurbescherming beschermd gebied. Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek', ligt aan de Waal, dit is noordoostelijk gelegen op een afstand van ruim 6.240 meter tot het plangebied. In afbeelding 4.3 wordt de ligging van dit Natura 2000-gebied weergeven.

28

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Afbeelding 4.3: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron Aerius).

Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar delen van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek bestaan uit stikstofgevoelige habitattypen. Er is om die reden in september 2021 door Lycens een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, welke is opgenomen in Bijlage 6 Stikstofdepositie onderzoek. Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project gedurende de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarom vorm het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening van de 'omgevingsvergunning, activiteit bouwen'.

4.8.2.2

Provinciaal beleid

Het plangebied is niet gelegen binnen een GNN of GO gebied. In afbeelding 4.4 wordt dit weergegeven.

Afbeelding 4.4: Ligging plangebied ten opzichte van de GNN en GO (bron omgevingsvisie provincie Gelderland)

29

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Vanwege het feit dat het plangebied buiten de GNN en de GO is gelegen en gezien de aard en omvang van het plan, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, vermindering van oppervlakte of samenhang van de GNN en GO.

4.8.2.3

Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming

Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa levende inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Het plangebied is op dit moment bebouwd met enkele schuren en een bedrijfswoning. Op het terrein is rond de woning tuin aanwezig. Het terrein rond de schuren is begroeid met gras en afgebakend met een (manshoog) kort gehouden heg. Omdat op voorhand niet uit te sluiten is dat voorliggend plan zorgt voor verstoring van eventueel aanwezige flora en fauna, is door Natuurbank Overijssel een quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna volgt de conclusie van dit onderzoek.

Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5 Quickscan flora & fauna van deze toelichting. Quickscan Natuurwaardenonderzoek Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone geen externe bescherming kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen fysieke activiteiten en de emissie van stikstof (NOx), kan uitgesloten worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk bezetten verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)verblijfplaats en nestelen er vogels. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Het rooien van beplanting dient daarom afgestemd te worden op de voortplantingsperiode van vogels. Voor de beschermde grondbonden zoogdier- en amfibieënsoorten en die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde dieren mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden tijdens de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, dienen ze weggevangen te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden, of dient er gewerkt te worden conform een toepasbare en door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Eén van de voorwaarden voor het werken volgens een Gedragscode, is het opstellen van een ecologisch werkprotocol en het werken buiten de kwetsbare periode.

Door uitvoering van de voorgenomen plannen, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende diersoorten, niet aangetast.

4.8.3

Conclusie

Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000- gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j, en dus geen belemmering is voor de realisatie van dit plan. Op basis van de quickscan Natuurwaardenonderzoek kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten zijn.

30

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

4.9

Erfgoed

De versnippering van de erfgoedwetgeving, met eigen definities, procedures en beschermingsmaatregelen, en de behoefte aan duidelijkheid waren de aanleiding om één integrale Erfgoedwet op te stellen voor het beheer en behoud van ons cultureel erfgoed. Met de Erfgoedwet, op 1 juli 2016 in werking getreden, worden zes wetten en regelingen gebundeld tot één wet die de bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland regelt. Deze wet is niet gericht op de bescherming van vermoedelijk archeologische waarden, maar wel op de bescherming van monumenten, vindplaatsen en de vondsten. Uiteindelijk worden onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen (zoals onder andere archeologische waarden), ondergebracht in de Omgevingswet die in 2019 van kracht moet worden. Vanaf het moment van invoering van de Erfgoedwet tot het moment van invoering van de Omgevingswet zijn deze onderdelen ondergebracht in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

4.9.1

Archeologie

De onderzoekslocatie ligt op een kronkelwaard van de Maas. De meanderbocht is voor 1354 door de mens is afgesneden. De afzettingen van de Maas hebben volgens de provinciale verwachtingskaart een hoge trefkans op archeologische resten vanaf de Vroege Middeleeuwen. Er zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie ook enkele waarnemingen bekend die deze verwachting bevestigen. Bovendien ligt de onderzoekslocatie aan de rand van de oude dorpskern van Ammerzoden. Gezien deze archeologische verwachting is in het kader van het bestemmingsplan 'Ammerzoden herziening 2016, Molendijk' een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij het plangebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft is meegenomen. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Conclusie archeologisch onderzoek Hoewel in het plangebied waarschijnlijk kronkelwaardruggen en oeverwalafzettingen voorkomen, lijken de bewoningsmogelijkheden slecht te zijn geweest. Dit beeld wordt ondersteund door het ontbreken van vondstmateriaal uit de Romeinse tijd tot en met de nieuwe tijd en door historisch kaartmateriaal, waarop het plangebied vrijwel onbebouwd is gebleven. Vermoedelijk zijn eventuele oudere resten, indien aanwezig, vooral onder de huidige bebouwing te vinden. Het plangebied was waarschijnlijk aldoor te nat voor bewoning. Aanbevolen wordt dan ook het plangebied vrij te geven van archeologisch vervolgonderzoek.

4.9.2

Cultuurhistorie

De wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden met cultuurhistorie. Sinds 1 januari 2012 is een cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Het gaat daarbij om het in kaart brengen van archeologische, historisch stedenbouwkundige en historisch-geografische waarden en het beschrijven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten, in het op te stellen bestemmingsplan wordt omgegaan. Ammerzoden is ontstaan op een oeverwal langs de Maas. Aan de rivier werd een donjon gebouwd, die later uitgroeide tot Kasteel Ammersoyen. De strategische ligging aan de grens tussen Brabant en Gelderland zorgde ervoor, dat Ammerzoden lang een zelfstandige positie als hoge heerlijkheid wist te bewaren. Aan drie zijden door de oude riviermeander ingekaderd ligt het compacte dorpsgebied. De oude kern van Ammerzoden ontwikkelde zich aan de oostzijde, rond de Voorstraat. Tot aan de tweede wereldoorlog veranderde er weinig aan de ruimtelijke structuur van Ammerzoden. Het dorp groeide weliswaar, maar de omvang van de lintbebouwing bleef min of meer constant. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt Ammerzoden in de frontlinie, gevormd door de Maas. Er wordt een zware strijd in het gebied gestreden waarbij weinig gebouwen in het dorp gespaard blijven.

Het projectgebied is door de jaren heen onbebouwd gebleven en hebben de gronden tot recent hun oorspronkelijk gebruik als weiland behouden. Cultuurhistorische waarden in het plangebied Op basis van de themakaarten ‘Gelderse cultuurhistorie’ en ‘historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ zijn de cultuurhistorische waarden in het plangebied geanalyseerd. Op beide kaarten zijn in en rondom het plangebied geen cultuurhistorische objecten, lijnelementen, historische landschappen en historische stedenbouw aangegeven. Vanuit het provinciale beleid zijn er geen cultuurhistorische waarden die met het bestemmingsplan beschermd moeten worden. Er is geen specifiek gemeentelijk beleid ten aanzien van cultuurhistorie geformuleerd. Er worden voor wat betreft onderhavig bestemmingsplan geen specifieke eisen gesteld.

31

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Beschermde monumenten In en rondom het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Er is geen bebouwing die in dit bestemmingsplan beschermd moet worden.

4.9.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

4.10

Water

4.10.1

Beleidskader

4.10.1.1 Waterschap Rivierenland Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld, met als titel Koers houden, kansen benutten. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe het waterschap dat wil doen. Het Waterbeheerprogramma is op 22 december 2015 ingegaan en heeft een looptijd van zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma wordt de lijn van het vorige waterbeheerplan doorgezet. In het Waterbeheerprogramma heeft het waterschap zich de volgende doelen gesteld:  waterveiligheid: In 2021 zijn de meest urgente dijken en boezemkades verbeterd;  watersysteem: In 2021 is er voldoende water van goede kwaliteit beschikbaar voor stedelijk gebied, bedrijfsleven, landbouw, natuur en recreatie;  waterketen: In 2021 werken zuiveringen efficiënter. Het gezuiverde afvalwater is schoner. Energie, grondstoffen en water worden hergebruikt. In het Waterbeheersprogramma wordt de uitvoeringsstrategie om deze doelen te bereiken beschreven. Naast het Waterbeheersprogramma beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.

De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

4.10.1.2 Gemeentelijk beleid Waterschap Rivierenland heeft samen met de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel een waterplan voor de stads- en dorpskernen in de Bommelerwaard opgesteld. Tijdens workshops hebben ook bewoners en belangenorganisaties hiervoor hun inbreng geleverd. Zowel het bestuur van het waterschap als de beide gemeenteraden stemden medio 2007 in met het waterplan en het bijbehorende maatregelenpakket. Belangrijke maatregelen in het waterplan zijn:  het aanleggen van meer open water, zodat regenwater beter opgevangen kan worden;  aanleg flauw aflopende oevers (zogenaamde natuurvriendelijke oevers). Deze bieden goede kansen voor planten en dieren en kunnen bovendien meer water bergen;  verbeteren en vergroten van duikers (grote buizen onder de weg die de ene sloot met de andere verbinden), zodat het water goed afgevoerd kan worden;  het beter doorspoelen van sloten. Stilstaand water is namelijk niet goed voor een gezond leefmilieu in de sloot;  afkoppelen van regenwater; gemeente koppelt relatief schone weg- en dakoppervlakken af van de riolering om riooloverstorten op het oppervlaktewatersysteem te beperken. Zo voorkomen we dat bij en flinke regenbui met regen vermengd rioolwater de straat op stroomt.

4.10.2

Watertoets

Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

32

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

4.10.3

Beoordeling

4.10.3.1 Watertoetsparagraaf Het waterschap rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets en er hebben meerdere overleggen plaatsgevonden. Het resultaat en de uitgangspunten van de online watertoets is opgenomen in Bijlage 7. Het advies inzake hemelwaterberging is opgenomen in Bijlage 8 Advies hemelwaterberging. Onderstaand zijn de relevante onderdelen kort weergegeven. Waterkeringen Het plangebied is gelegen binnen de buitenschermingszone van de dijk langs de Maas. Bouwen binnen deze zone is op basis van de Keur toegestaan. Er moet echter wel een watervergunning worden aangevraagd.

Figuur 4.5: legger waterkeringen Waterschap Rivierenland

Compenserende waterberging als gevolg van toename verhard oppervlak Toename verhard oppervlak In de onderstaande tabel is de totale toename van het verharde oppervlak weergegeven. In totaal wordt 9.017 m² aan verharding toegevoegd.

33

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Compenserende waterberging In het plan De Hoef te Ammerzoden bedraagt de toename van de oppervlakte bebouwd en verhard 9.017 m2 (zonder aftrek van eerder bebouwd en verhard) en 8.337 m² (met aftrek). Voor berging van het hemelwater dat op de bebouwde en verharde oppervlakten valt wordt een wadi/droogstaande vijver aangelegd met zeer geringe infiltratie (zie onderstaande figuur). De wadi heeft een diepte van 0,4 meter en daarboven een waakhoogte van 0,1 meter. De oppervlakte van de wadi op waakhoogte bedraagt 1.266 m², bij de insteek van de eigenlijke wadi bedraagt de oppervlakte 1.216 m². De inhoud van de wadi bedraagt dan 446 m³ (bij een waterhoogte van 0,4 meter), dat is voldoende voor de berging van een bui met herhalingstijd T=10+10% (393 m³). Voor de berging van een zeer extreme bui T=100+10% bui (554 m³) wordt de wadi tot de waakhoogte gevuld. Met deze stijging komt het water niet op straat te staan. Het water uit de wadi wordt met een debiet van maximaal 1,5 l/s/ha (= 153 m³ per dag) afgevoerd naar het hemelwaterriool dat afvoert naar het hemelwaterriool aan het Zwin, dat weer afvoert op oppervlaktewater. De leeglooptijd van de wadi bij T=10+10% bedraagt 62 uur (ca. 2,5 dag), bij T=100+10% 87 uur (bijna 4 dagen). Met deze dimensionering van de wadi wordt voldaan aan de eisen van de gemeente Maasdriel en het waterschap Rivierenland.

Figuur 4.6: ligging van de aan te leggen wadi

Maaiveld ten opzichte van omliggende percelen Het maaiveld in het plangebied ligt in de huidige situatie nog niet vlak. Ten behoeve van het bouwplan wordt dit gelijk gemaakt / geëgaliseerd. De meeste omliggende percelen liggen hoger dan het plangebied. Het kan echter voorkomen dat bij een enkele woning de achtertuin (niet de woning) lager komt te liggen dan het plangebied. Het verhard oppervlak in het plangebied wordt reeds afgekoppeld op de aan te leggen wadi. Er kan echter onverhoopt water afkomstig van tuinen afstromen naar een lager gelegen omliggende tuin. Om dit te voorkomen worden voor de locatie(s) die lager komen te liggen dan het plangebied voorzieningen getroffen om (1) water tegen te houden en (2) dit water indien nodig af te voeren. Deze waterhuishoudkundige voorzieningen zijn op de verbeelding en in de regels juridisch geborgd op alle locaties waar het plangebied grenst aan percelen van derden (uitgezonderd aansluitingen op wegen).

4.10.4

Conclusie

De wadi kan voldoende hemelwater bergen en daarom vormt het aspect water geen belemmering voor het planvoornemen.

34

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1

Parkeren

Uitgangspunt is dat de benodigde parkeerplaatsen daar waar mogelijk plaatsvindt op eigen terrein. Ten behoeve van het onderhavige plan is op basis van de te realiseren woningtypen het aantal benodigde parkeerplaatsen conform de gemeentelijke parkeerbeleid berekend. In tabel 4.3 is deze berekening weergegeven. 22 twee-onder-één-kap- en vrijstaande woningen hebben één lange of brede oprit met garage. In het openbaar gebied worden verspreid over het plangebied in meerdere parkeerkoffers en langs de ontsluitingsweg (zowel langsparkeren als haaksparkeren) in totaal 50 parkeerplaatsen gerealiseerd. De bestaande tweekapper wordt gesloopt. Deze woningen hebben reeds 2 parkeerplaatsen langs de straat. Deze 2 parkeerplaatsen kunnen dus voor dit plan worden meegenomen in de parkeertelling. Tabel 4.3: benodigd aantal parkeerplaatsen op basis van de parkeernorm Woningbouwprogramma Parkeermogelijkheid eigen terrein soci.huurwoningen (de kernen) soc. koop (startersappartementen) middeldure koop / huurwoningen (aan park) levensloopbestendige seniorenwoningen (patio) twee-onder-een-kapwoningen ruime twee-onder-een-kapwoningen vrijstaande woningen

geen geen geen brede oprit min. 4,5 m (1,7 pp ET) lange oprit min. 10m (1,3pp ET) brede oprit min. 4,5 m (1,7 pp ET) brede oprit min. 4,5 (1,7pp ET)

Totaal Minus 2 bestaand Totaal benodigd in plan Totaal in plan

aantal woningen

OR

7 6 4 6

P-norm 2,0 2,0 2,3 2,3

P-OR 2 2 2,3 0,6

aantal pp 14 12 9,2 3,6

10

2,3

1

10

4

2,3

0,6

2,4

2

2.3

0,6

1,2 52,4 -2 50,4 50

Afbeelding 4.7: aan te leggen parkeerplaatsen in het openbaar gebied

35

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

In totaal worden er 50 parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangelegd, waardoor voldaan wordt aan de voorgeschreven parkeernorm. Om te verzekeren dat wordt voldaan aan de voorgeschreven parkeernorm, is in de regels van dit bestemmingsplan het benodigde aantal parkeerplaatsen als een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

4.11.2

Verkeer

Voor 39 woningen volgt, een totale etmaalintensiteit van 312 motorvoertuigen. Bij een spitsuur-gemiddelde van 10%, leidt dit tot een extra verkeersbeweging van 1 auto per 2 minuten. Ondanks dat er sprake is van een toename van het gemotoriseerde verkeer leidt dit niet tot verkeersproblemen. In de regel kan een wijkontsluitingsweg (30 km/u) circa 3.000 motorvoertuigen per etmaal verwerken. Op geen van de wegen zullen meer dan 3.000 motorvoertuigen per etmaal plaatsvinden, behalve op de Ammerstraat waar het gaan om een etmaalintensiteit van 3.163 mvtb/etmaal. De Ammerstraat betreft echter een 50 km/u weg die in principe meer dan 3.000 motorvoertuigen per etmaal kan verwerken. Gezien de verkeersgegevens over de verkeersintensiteiten en de met het planvoornemen berekende toename van verkeersbewegingen kan worden geconstateerd dat het wegennetwerk de relatief beperkte toename aan verkeersbewegingen eenvoudig kan opvangen. Het verkeer afwikkelend vermogen wordt niet (onevenredig) aangetast.

4.12

Duurzaamheid

Op alle niveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente) wordt gestreefd naar het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de maatschappij. De gemeente Maasdriel speelt in op duurzaamheid doormiddel van het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020 dat in juli 2017 is vastgesteld. Binnen het programma wordt invulling gegeven aan de implementatie van duurzaamheid in het gemeentelijk beleid. Duurzaamheidsprogramma In het programma zijn activiteiten en projecten geformuleerd, waarbij is aangegeven welke capaciteit en financiële middelen nodig zijn om deze uit te voeren in de komende jaren. De notitie geeft een concrete aanpak voor de belangrijkste duurzaamheidsthema’s op het gebied van klimaat en energie in gemeente Maasdriel, namelijk:  het bevorderen van de opwekking van hernieuwbare energie;  het verduurzamen van de woningvoorraad;  duurzaam ondernemen;  anderen stimuleren;  het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie. Met de vastgestelde motie kiest de gemeente ook voor een concrete en praktische lijn op het gebied van duurzaamheid. Daarbij sluit het aan op de door andere partijen (lokaal/regionaal) gemaakte opties en keuzes en bewezen en realiseerbare plannen. Visie Zonne- en Windenergie Naast het Duurzaamheidsprogramma heeft de gemeente de Visie Zonne- en Windenergie vastgesteld op 10 juni 2021.

De aanleiding voor deze Visie is de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energie (o.a. zon en wind) die komende jaren grote impact gaat hebben op het landschap. De Visie is opgesteld vanuit een maatschappelijk en ruimtelijk perspectief. Beperkingen en randvoorwaarden vanuit weten regelgeving zijn wel degelijk van toepassing bij de ontwikkeling van zon en wind. Ook moeten de initiatiefnemers rekening houden met andere ruimtelijk relevante plannen en visies. Maasdriel maakt deel uit van de Bommelerwaard, een bijzondere plek in het Rivierenland. Het Maasdrielse landschap is een typisch rivierenlandschap: met de hogere gronden langs de rivieren - bebouwd en intensief gebruikt - de lager gelegen, relatief open komgronden en afwisselende uiterwaarden van Maas en Waal. De snelweg A2 en het spoor doorsnijden het landschap in noord-zuid richting. De waardevolle landschappelijke karakteristieken moeten behouden blijven, dan wel worden versterkt, bij ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie (zon en wind). Zon op dak heeft daarom altijd de voorkeur. Om de klimaatdoelen te halen zal echter ook moeten worden gekeken naar mogelijkheden voor windenergie en (grootschalig) zon op land/water. Daarom heeft de gemeente Maasdriel een kansenkaart ontwikkeld. Op deze kaart is het gebied aangewezen dat de grootste kans heeft voor het ontwikkelen van windturbines en zonnepanelen.

De basis voor deze kansenkaart is gelegd in de landschappelijke analyse, een digitale enquête onder inwoners van de gemeente en als vervolg daarop twee digitale werksessies over kansrijke locaties voor zon en wind en randvoorwaarden voor ontwikkeling.

36

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Tot 2030 is de zone rondom de snelweg A2 en het spoor aangewezen als kansrijk zoekgebied voor wind en grootschalig zon op land. Buiten deze zone blijft ruimte voor initiatieven, maar tot 2030 enkel voor kleinschalige proefopstellingen, innovatieve projecten of lokaal geïnitieerde ontwikkelingen die breed gedragen en 100% coöperatief zijn. Niet ieder landschapstype is even kansrijk. De komgronden lenen zich wat beter voor dergelijke initiatieven dan de uiterwaarden en de oeverwallen, waar de landschappelijke-, recreatieve- en natuurwaarden veel hoger zijn. Per zone, dus per landschapstype, zijn spelregels opgesteld voor het plaatsen van windturbines en het inpassen van zonnevelden in het landschap. Deze spelregels borduren voort op de landschappelijke karakteristieken van de kom, uiterwaard of oeverwal. Daarnaast moeten de plannen bijdragen aan de omgeving. Immers investeren in duurzame energie betekent investeren in landschap én omgeving. Ook daarvoor worden een aantal randvoorwaarden meegegeven aan initiatiefnemers. Regionale Energiestrategie Fruitdelta Rivierenland De gemeente werkt daarnaast met 16 partijen aan de Regionale Energiestrategie (RES) Fruitdelta Rivierenland. Gezamenlijk proberen deze partijen breder te kijken dan alleen wind en zon om te kunnen voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen die opgelegd zijn door het klimaatakkoord en het Gelders Energie Akkoord.

De samenwerkingsagenda legt de basis voor de samenwerking en uitvoering van de RES op zowel korte als lange termijn. Aangezien het nog om een concept gaat kan het voorliggende plan hier niet aan getoetst worden. Naar verwachting zal de visie op 1 maart 2021 ter vaststelling worden aangeboden.

4.12.1

Beoordeling

Conform huidige wet- en regelgeving worden er gasloze woningen gerealiseerd. Daarnaast worden de woningen, aansluitend op het Duurzaamheidsprogramma 2017-2020, gerealiseerd met zonnepanelen. Verder zullen de woningen gerealiseerd worden conform de geldende eisen uit het bouwbesluit. Door de aanleg van een groot grasveld met waterberging en voldoende bomen en parkeervlakken in halfverharding worden uitgevoerd wordt hittestress verminderd.

4.12.2

Conclusie

Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.13

Besluit milieueffectrapportage

4.13.1

Algemeen

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.

37

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

4.13.2

Beoordeling

Voor de voorbereiding van het mer-beoordelingsbesluit, is een aanmeldnotitie opgesteld, deze notitie is in Bijlage 9 Aanmeldnotitie van deze toelichting gevoegd. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze aanmeldnotitie wordt voorgelegd aan het college dan wel de gemeenteraad. De het college / de gemeenteraad zal beslissen of er wel of geen mer-procedure doorlopen hoeft te worden.

4.13.3

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan het bevoegd gezag besluiten dat voor onderhavige plan het uitvoeren van een Milieueffectrapport niet noodzakelijk is.

38

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In de volgende twee paragrafen wordt de systematiek van planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.

5.2

Plansystematiek

5.2.1

Algemeen

In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De benaming van de bestemmingen en de volgorde van de regels, evenals de weergave van de bestemmingen in het plan komen overeen met de SVBP 2012. In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.

5.2.2 Inleidende regels  Begrippen (Artikel 1): In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels.  Wijze van meten (Artikel 2): Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakte- en inhoudsmaten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven van hoe de betreffende eisen voor wat betreft maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3

Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 zijn de regels voor wat betreft de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, is hier vastgelegd;  Specifieke gebruiksregels: in de specifieke gebruiksregels wordt specifiek voor die bestemming aangegeven welk gebruik in strijd is met de bestemming;  Afwijken van de gebruiksregels: hierin worden afwijkingsmogelijkheden opgenomen welke specifiek gelden voor de betreffende bestemming;

39

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

In paragraaf 5.3 worden de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen nader toegelicht.

5.2.4

Algemene regels

De op het plan van toepassing zijnde algemene regels worden beschreven in hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:  Anti-dubbeltelregel (Artikel 7): Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van een bouwplan en op die wijze meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd.  Algemene gebruiksregels (Artikel 8): In deze regel is aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.  Algemene afwijkingsregels (Artikel 9): In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Overige regels (Artikel 10) In deze regels zijn de voorrangsregels bepaald voor de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen. Tevens is hier bepaald dat moet worden voldaan aan de parkeernormen.

5.2.5

Overgangs- slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het plan bekend staat.

5.3

Wijze van bestemming

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Groen (Artikel 3) Gebruik De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, paden en inritten, speelvoorzieningen, kunstwerken, nutsvoorzieningen, watergangen, waterretentie, waterzuivering en -infiltratie, behoud en herstel van cultuurhistorische en archeologische waarden, bestaande parkeervoorzieningen en inritten. Een en ander met de bijbehorende voorzieningen. Bouwen Op en in de voor ‘Groen’ aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Hiervoor geldt dat de bouwhoogte van bewegwijzering, licht- en andere masten niet meer dan 8 meter bedraagt. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 4 meter.

Verkeer (Artikel 4) Gebruik De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, verblijfsvoorzieningen in de vorm van pleinen en dergelijke, nutsvoorzieningen, kunstwerken, water. Een en ander met de bijbehorende voorzieningen. Bouwen Op en in de voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Hiervoor geldt dat de bouwhoogte van bewegwijzering, licht- en andere masten niet meer dan 8 meter bedraagt. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 4 meter.

40

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Wonen (Artikel 5) Gebruik Gelet op de hoofdfunctie van de gronden in het plangebied is gekozen voor de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming wordt bij recht ruimte geboden aan een aan huis verbonden beroep. Verder zijn bijbehorende voorzieningen als tuinen, ervern, parkeervoorzieningen, watergangen, waterretentie, waterzuivering en -infiltratie toegestaan. Het uitoefenen van een aan huis verbonden bedrijf is bij recht niet toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders kan wel medewerking verlenen voor het gebruik van ruimten binnen de woning en/ of aan- of uitbouwen en bijgebouwen voor een aan huis verbonden bedrijf. Hierbij dient dit gebruik onder meer ondergeschikt te blijven aan de woonfunctie. Bouwregels Ten aanzien van de bestemming 'Wonen' is in de bouwregels onderscheid gemaakt tussen regels voor toegestane bouwwerken, woningen, bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij is voor het overgrote deel aangesloten bij de bestemming 'Wonen' uit het bestemmingsplan "Ammerzoden".

41

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Hoofdstuk 6 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Maasdriel verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Maasdriel besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig plan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De gemeente sluit een anterieure overeenkomst met initiatiefnemer af. In deze anterieure overeenkomst worden onder andere de plankosten verhaald. Voorafgaand aan de planologische procedure wordt ook de planschade-overeenkomst getekend. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is een exploitatieplan niet noodzakelijk.

6.2

Financiële haalbaarheid

Initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten en er is geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. Ook voor de gemeente zijn er geen kosten aan dit plan verbonden. De financieeleconomische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

42

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Hoofdstuk 7

Vooroverleg, inspraak & procedure

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter inzage gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro).

7.1

Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De in dit kader relevante instanties zijn in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. Vooralsnog heeft alleen het waterschap gereageerd. Naar aanleiding van de reactie van het waterschap is in samenspraak met het waterschap de waterparagraaf en de inrichting van de waterberging, aangepast. De inspraakreactie is verwerkt in de 'Nota van inspraak' die als Bijlage 10 Nota van inspraak is opgenomen.

7.2

Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft wel inspraak plaatsgevonden. Het voorontwerp bestemmingsplan heeft van 23 december 2021 tot en met 2 februari 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn 4 officiële inspraakreacties ontvangen. De inspraakreacties zijn tijdig ingediend en derhalve ontvankelijk. Enkele (delen) van de inspraakreacties hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Deze aanpassingen zijn uitgebreid toegelicht in Bijlage 10 Nota van inspraak.

7.3

Zienswijzen

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens de artikelen 3.7 en 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter inzage gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode zijn wel/geen zienswijzen kenbaar maken tegen het plan.

7.4

Beroep

Op basis van artikel 1.1 van de (Chw) is afdeling 2 van de Chw van toepassing op besluiten welke nodig zijn voor de verwezenlijking van in bijlage I van de Chw genoemde ruimtelijke projecten. De voorliggende ontwikkeling betreft een dergelijk project. Bij een eventuele beroepszaak kan in onderhavig geval derhalve gebruik worden gemaakt van de procedurele bepalingen van de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals opgenomen in artikel 1.6 tot 1.10 van deze wet. Deze bepalingen zien met name toe op een versnelling van de behandeling van het beroep en hoger beroep. Indien sprake is van beroep dan is dat alleen mogelijk bij de bestuursrechter, waarbij de uitspraak dient te worden gedaan binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn. Het van toepassing zijn van de Chw wordt opgenomen in de bekendmaking van het onderhavige besluit.

43

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlagen bij de toelichting

44

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 1

45

Beeldkwaliteits- en stedenbouwkundig plan

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 2

46

Archeologisch onderzoek

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 3

47

Bodemonderzoek

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 4

48

Akoestisch onderzoek

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 5

49

Quickscan flora & fauna

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 6

50

Stikstofdepositie onderzoek

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 7

51

Watertoets

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 8

52

Advies hemelwaterberging

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 9

53

Aanmeldnotitie

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

Bijlage 10 Nota van inspraak

54

Bestemmingsplan Ammerzoden herziening 2021, De Hoef

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11534116/1