CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ontwerp BP ( toelichting + regels + verbeelding)

Gemeenteraad 9 november 2023, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1123.458 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Drooglegging Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Het waterschap adviseert voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Zo voorkomt men overlast door grondwater. Infiltreren Het is wenselijk dat een plan grondwaterneutraal is. Dit kan door hemelwater te infiltreren. Zo kan water worden vastgehouden voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaterstanden en de bodemopbouw dat toelaten. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd.

4.3.3

Waterparagraaf

Bestaande situatie Het plangebied betreft een combinatie van enkele percelen die samen een totaal oppervlak van circa 4.500 m2 hebben. Het gaat om de percelen die kadastraal zijn aangeduid als sectie H, nummers 504, 943, 944, 1227, 1228, 1369, 2782 en 2783. Het plangebied is vrijwel volledig verhard. In de bestaande situatie wordt daarmee hemelwater van circa 4.500 m2 verharding op het bestaande gemengde riool afgevoerd. In het plangebied zijn geen waterlopen gesitueerd, op basis van de legger ligt ten oosten van het plangebied op circa 100 meter een waterloop. Op basis van AHN4 bevindt het maaiveld zich op circa 5,00 m (4,70 5,30) ten opzichte van NAP. Op basis van het Nationaal Water Model (2016) is de GHG > 2 m-mv (circa +3 m ten opzichte van NAP). Dit is bevestigd in het verkennend bodemonderzoek waarin grondwater is aangetroffen op 2,70 en 2,92 m-mv (circa +2,20 m ten opzichte van NAP). Tussen circa 50 cm en 250 cm-mv is sprake van een kleilaag, daaronder bevindt zich zand. Toekomstige situatie Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuw woongebouw mogelijk, als gevolg hiervan neemt de mate van verharding in het plangebied sterk af. Dit is gevisualiseerd in onderstaande figuur 4.2. In het plan wordt 1307 + 897 vierkante meter groen (dak) gerealiseerd. Er wordt 744 m2 halfverharding, maakt 372 m2 groen, gerealiseerd.

In totaal wordt derhalve 2576 m2 van het plangebied niet verhard. In de toekomstige situatie is de verharding daarmee 4500 - 2576 = 1924 m2 verharding. Deze verharding bestaat uit paden, rijbaan, parkeerplaats en overige bestrating.

23

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Afbeelding 4.2: Verharding toekomstige situatie Het ten behoeve van de ontwikkeling opgestelde beeldkwaliteitsplan is als inrichtingsvereiste opgenomen in de planregels, hiermee is de afname van verharding met circa 2.575 m2 verharding geborgd. Daarbij wordt opgemerkt dat de mate van verharding mogelijk nog lager uitvalt wanneer parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding en/of groene daken worden toegepast op bebouwing. Vanwege de afname in verharding neemt de afvoer van hemelwater op het gemengd rioolstelsel af en zal de waterhuishoudkundige situatie verbeteren. Buitenbeschermingszone Het plangebied ligt gedeeltelijk in de buitenbeschermingszone van de Maas. Het uitvoeren van activiteiten in de buitenbeschermingszone van de waterkering, met uitzondering van de in de criteria van algemene regel WK 7 (Activiteiten in de buitenbeschermingszone) genoemde activiteiten, heeft een zeer gering effect op de waterhuishoudkundige, waterstaatkundige en wegenbelangen. Onderhavig planvoornemen betreft een activiteit met gering effect. De modelregel en aanduiding behorende bij de buitenbeschermingszone van de kering zijn opgenomen in de planregels (4.1 Vrijwaringszone - dijk 2).

24

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Afbeelding 4.3: Beschermingszones legger Rivierenland Klimaatadaptatie Met voorliggend bestemmingsplan wordt de herontwikkeling van een bestaande binnenstedelijke bedrijfslocatie ten behoeve van woningbouw mogelijk gemaakt. In de bestaande situatie is het plangebied zo goed als volledig verhard. Met betrekking tot klimaatadaptatie is dit ongunstig, het gebrek aan groen resulteert plaatselijk in hogere temperaturen. Daarnaast wordt hemelwater afgevoerd op het gemengd riool. Dit kan bij extreme regenbuien resulteren in wateroverlast. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt de mate van verharding af. Daarnaast wordt er nieuw groen aangelegd, wat bovendien bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de binnenplaats. Dit bevordert de natuurlijke infiltratie van hemelwater waardoor wateroverlast wordt voorkomen. Bovendien werkt het groen verkoelend op warme zomerdagen. Grondwater Op basis van het Nationaal Water Model (2016) is de GHG > 2 m-mv (circa +3 m ten opzichte van NAP). Dit is bevestigd in het verkennend bodemonderzoek waarin grondwater is aangetroffen op 2,70 en 2,92 m-mv (circa +2,20 m ten opzichte van NAP). Tussen circa 50 cm en 250 cm-mv is sprake van een kleilaag, daaronder bevindt zich zand. Drooglegging Ter voorkoming van grondwateroverlast moet rekening worden gehouden met de droogleggingsvoorkeuren van het waterschap.

Op basis van het AHN bedraagt het hoogteverschil tussen het maaiveld ter plaatse van het plangebied en het waterpeil in de omgeving circa 3 - 3,5 meter. Gelet op de GHG en dit verhang tussen maaiveld en oppervlaktewaterpeil is ter plaatse van het plangebied sprake van voldoende drooglegging. Bij de nadere uitwerking van het bouwplan wordt rekening gehouden met grondwateroverlast. Het vloerpeil moet 30 cm boven (openbaar) wegpeil liggen, het uiteindelijke (vloer)peil moet in overleg met de gemeente worden bepaald.

25

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Afbeelding 4.4: AHN omgeving plangebied Infiltreren Het ten behoeve van de ontwikkeling opgestelde beeldkwaliteitsplan is als inrichtingsvereiste opgenomen in de planregels, hiermee is de sterke afname van verharding met circa 2.575 m2 verharding geborgd. Als gevolg van de afname in verharding zal de mate van natuurlijke infiltratie van hemelwater (beperkt) toenemen. Bovendien worden rondom de parkeerkoffers hagen aangeplant en worden er op de centrale binnenplaats enkele bomen geplant. Deze vormen van groen zijn in staat water op te nemen en vast te houden. Daarbij hebben deze vormen van groen waterdoorlatende en luchtige grond nodig voor hun wortelpakketen, mogelijk moet hier grond voor worden aangevoerd. Hiermee verbeterd de waterdoorlatendheid van de grond en dus ook de infiltratie. Echter bevindt zich op enkele meters onder het maaiveld een kleilaag en is diepteinfiltratie slechte beperkt mogelijk. Dus hoewel de mogelijkheden tot infiltratie van hemelwater toenemen, en de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal verbeteren, is watercompensatie door middel van infiltratie niet mogelijk. Hemelwater moet daarom zo veel mogelijk binnen het plangebied geborgd worden. Dit sluit aan bij de gemeentelijke voorkeuren voor vasthouden en infiltreren van hemelwater ter plaatse. Dit wordt nader toegelicht in onderstaande paragraaf.

Wateropgave / -compensatie Als gevolg van onderhavige ontwikkeling neemt de verharding ter plaatse van het plangebied af met circa 2.575 m2. Zoals voorgaand beschreven zal de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het plangebied onverminderd verbeteren. Desalniettemin moet in het plan watercompensatie worden gerealiseerd voor de in de toekomstige situatie aanwezige verharding. Het plan voorziet in de toepassing van groene inpassing, groene daken en halfverharde parkeerplaatsen. Als gevolg hiervan neemt het verhard oppervlak af met circa 2.575 m2 (bestaand 4.500 m2 - toekomstig 1.925 m2). Op basis van het gemeentelijke beleid moet 43,6 mm per vierkante meter verharding worden gecompenseerd. In de toekomstige situatie moet derhalve worden voorzien in (1.925 m2 * 0,0436 =) 83,93 m3 waterberging. Omdat (diepte)infiltratie slechts in beperkte mate mogelijk is ter plaatse van het plangebied moet water zo veel mogelijk worden vastgehouden tijdens en na een bui. Dit kan door het toepassen van infiltratiekratten onder parkeerplaatsen. Deze kratten moeten vertraagd leeglopen naar de openbare riolering met een terugslagklep. In de bestaande situatie ligt onder de Blankensteijn een gemengd riool, de gemeente is voornemens dit riool op termijn te vervangen voor een infiltratieriool.

Door schoon hemelwater van verharding gescheiden op de perceelsgrens aan te bieden is het mogelijk om dit water te zijner tijd te laten infiltreren middels het infiltratieriool. De wijze waarop de waterberging wordt gerealiseerd wordt nader uitgewerkt bij de uitwerking en finalisering van het bouwplan.

26

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Hierbij wordt onder andere gedacht aan het verlaagd realiseren van groen om hier excessief water op te vangen. Op voorhand wordt uitgegaan van het plaatsen van infiltratiekratten. Onderstaand wordt de haalbaarheid van deze oplossing uiteengezet. Er moeten worden voorzien in de berging van (84 x 1.000 liter =) 84.000 liter water. Een standaard infiltratiekrat kan 150 liter water bergen en heeft een omvang van 60 x 60 x 40 cm. Er moeten derhalve 560 kratten geplaatst worden. Een krat heeft een oppervlakte van 0,36 m2. Op basis van figuur 4.2 is sprake van 744 m2 parkeerplaats. Wanneer 560 kratten als één laag worden aangebracht dan hebben deze een gezamenlijk oppervlakte van 560 x 0,36 m2 = 201,6 m2. Onder de te realiseren parkeerplaatsen is derhalve ruim voldoende ruimte voor het plaatsen van voldoende infiltratiekratten. Indien mogelijk wordt nóg minder verharding toegepast om op die manier minder watercompensatie noodzakelijk te maken. Binnen de planbegrenzing is voldoende ruimte om in deze watercompensatie te voorzien. Mogelijk kunnen de kratten worden geplaatst onder parkeerkoffer 1 of parkeerkoffer 2 + 3.

Afbeelding 4.5: Optie infiltratiekratten De kratten worden aangelegd op een wijze waardoor: ze inspecteerbaar en onderhoudbaar zijn; de toevoer is voorzien van bladvang/zandvang; een overloop wordt gemaakt op de erfgrens voor overtollig regenwater. In de overige planregels (9.1 Waarborging voldoende waterberging) van dit bestemmingsplan is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen enkel wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende waterberging. Met dit artikel zijn de realisatie, en instandhouding, van voldoende waterberging geborgd. Hiermee is vastgelegd dat bovengenoemde 84 m3 waterberging (watercompensatie) in het plan wordt uitgewerkt. Vast staat dat het plan aansluit bij het waterschapsbeleid en gemeentelijke beleid: afvoer van hemelwater op gemengd rioolstelsel verminderd; infiltratie van hemelwater ter plaatse neemt toe. Geconcludeerd wordt dat voor dit bestemmingsplan sprake is van een compensatieplicht. In de planregels van dit bestemmingsplan is geborgd dat invulling wordt gegeven aan deze plicht. Desalniettemin zal de waterhuishoudkundige situatie als gevolg van onderhavig plan verbeteren en vormt het aspect water geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.3.4

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan en hetgeen hierin mogelijk gemaakt sluit aan bij het waterschapsbeleid en gemeentelijk beleid met betrekking tot water. Het plan voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in de uitgangspuntennotitie. Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

27

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

4.4

Erfgoed

4.4.1

Archeologie

4.4.1.1

Algemeen

Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

4.4.1.2

Onderzoek

Het archeologische vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 Archeologisch onderzoek behorend bij deze toelichting. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn hieronder weergegeven. Ten behoeve van de voorgenomen ingrepen in het plangebied zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is het onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.0. Uit het vooronderzoek is gebleken dat het plangebied een tweeledige verwachting heeft op het aantreffen van intacte archeologische waarden. Op basis van het ontbreken van intacte oeverwalafzettingen is sprake van een lage verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden uit de periode Late Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen. Deze verstoringen kunnen tot een diepte van 180cm - Mv reiken. De top van de oeverwalafzetttingen is verstoord geraakt door historische ingrepen in de ondergrond en de aanleg van historische bebouwing.

De grote hoeveelheid puin in de ondergrond geeft aan dat mogelijk nog sprake is van (restanten van) funderingen van historische bebouwing in het plangebied, vanaf een diepte van 50cm - Mv, onder of tussen de funderingen van de huidige bebouwing of onder een ophogingspakket. Deze archeologische waarden hangen samen met de ontwikkeling van Hedel en de historische kern van het dorp. Op basis van de onderzoeksresultaten is geadviseerd de sloop- en grondroerende werkzaamheden uit te laten voeren onder archeologische begeleiding. Het archeologisch onderzoek is voorgelegd aan de regioarcheoloog Rivierenland. De regioarcheoloog is akkoord met de conclusies en bevindingen van het onderzoek. Het besluit is genomen het selectieadvies (de aanbevelingen) uit het rapport in zijn geheel over te nemen. De sloop van de bestaande funderingen zal onder archeologische begeleiding plaatsvinden. De archeologische uitvoerder dient te werken volgens een door bevoegd gezag geaccordeerd Programma van Eisen (PvE) dat voldoet aan de richtlijnen voor archeologische bedrijven in Handboek archeologie Rivierenland.

4.4.1.3

Conclusie

Op basis van het archeologisch onderzoek is vastgesteld dat de sloop- en grondroerende werkzaamheden in het kader van de beoogde ontwikkeling onder archeologische begeleiding moeten worden uitgevoerd. Hiertoe dient een PvE opgesteld te worden dat wordt geaccordeerd door het bevoegd gezag. Hiermee wordt geborgd dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet geschaad worden als gevolg van de ontwikkeling. In de planregels zijn hiertoe nadere eisen opgenomen met betrekking tot de vergunningverlening. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

28

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

4.4.2

Cultuurhistorie

4.4.2.1

Algemeen

In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

4.4.2.2

Onderzoek

De provinciale waardenkaart en de gemeentelijke monumentenlijst zijn geraadpleegd, op basis van deze bronnen wordt gesteld dat er geen monumenten aanwezig zijn in het plangebied.

4.4.2.3

Conclusie

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied is niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden deze ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorliggende plan.

4.5

Flora en fauna

4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend.

29

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen.

Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplanwijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

4.5.2

Onderzoek

In het kader van de Wet natuurbescherming is door Ecoresult een Quickscan uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 6 Quickscan flora en fauna bij deze toelichting. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het dichtsbijzijnde onderdeel van de GNN betreft de Oeverzone van de Maas. Op circa 310 meter in zuidelijke richting van het plangebied. De aard en afstand van de ontwikkeling sluit het ontstaan van negatieve effecten uit. De Omgevingsverordening Gelderland wordt niet overtreden. Nadere toetsing aan de Omgevingsverordening Gelderland is niet van toepassing. De planontwikkeling vindt niet plaats binnen een ganzenrustgebied en/of weidevogelgebied. Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van het GNN ligt, is nadere toetsing aan de Omgevingsverordening Gelderland voor het aspect ganzenrustgebied en/of weidevogelgebied niet noodzakelijk. Vervolgstappen zijnde een ontheffing/vergunning is niet nodig. Het dichtsbijzijnde Natura 2000 gebied is Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche broek op 5,6 kilometer ten zuiden van het plangebied. Dit gebied heeft stikstofgevoelige habitats. Op 6,9 km ten noordwesten van het plangebied ligt Rijntakken. Dit Natura 2000 gebied heeft ook stikstofgevoelige habitats. Door Lycens B.V. is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd.

In Bijlage 7 Stikstofdepositieonderzoek is het onderzoek opgenomen. Hieruit blijkt dat voor de gebruiksfase en realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarom vormt het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 geen belemmering voor de realisatie van de vergunningverlening van de "omgevingsvergunning activiteit bouwen". Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermde vleermuis en grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een vaste (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Amfibieën bezetten geen voortplantingsplaats in het plangebied. Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Aanwezigheid van de vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) kon voor het plangebied niet worden uitgesloten.

De sloopwerkzaamheden hebben mogelijk effect op aanwezige verblijfplaatsen. Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen werd noodzakelijk geacht. De bevindingen van het uitgevoerde nader onderzoek zijn beschreven in 4.5.3. Vogels Het plangebied is geschikt bevonden voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in

30

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

gebouwen. Voor zowel de huismus als gierzwaluw zijn mogelijkheden in de bebouwing met pannendaken om vaste rust en verblijfplaatsen te herbergen. Tijdens het verkennend veldbezoek werden meerdere mussen aangetroffen binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Om nesten van huismussen en gierzwaluwen in de bebouwing in het plangebied te kunnen vaststellen, werd specifiek vervolgonderzoek vereist. De bevindingen van het uitgevoerde nader onderzoek zijn beschreven in 4.5.3. Het plangebied is potentieel geschikt bevonden voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor algemene vogels is het plangebied en de directe omgeving een geschikte voortplantingsplaats. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden.

Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Het plangebied is enkel geschikt bevonden voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt. Negatieve effecten op deze soorten zijn niet op voorhand uit te sluiten, maar nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dagvlinders Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor beschermde dagvlinders, zoals grote vos. Deze soort komt voor in vochtige bossen en boomgaarden en is afhankelijk van iep en enkele wilgensoorten als waardplant. Populaties zijn in het westen van Nederland (m.u.v. de duinen) niet aanwezig. De soort heeft een sterk zwevend karakter en waarnemingen rondom het plangebied hebben betrekking op zwervende exemplaren. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

Vaatplanten Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast zijn er geen (oude) kalkmuren geschikt voor beschermde muurvegetatie in het plangebied. Binnen het plangebied is geen sprake van ecologisch beheerde terreinen of akkerreservaten, waardoor beschermde soorten vaatplanten als groot spiegelblokje en kartuitzer anjer zijn uit te sluiten. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

4.5.3

Nader onderzoek

Vanwege de potentiële geschiktheid van de bebouwing voor vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen voor de huismus, gierzwaluw en vleermuis werd nader onderzoek noodzakelijk geacht. Dit nader onderzoek is uitgevoerd door Blom Ecologie in september 2022, de bijbehorende rapportage is opgenomen in Bijlage 8 Nader onderzoek flora en fauna. Huismus Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van huismus aanwezig zijn. Hierbij zijn 18 huismusnesten aangetroffen buiten het plangebied. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. Ten gevolge van de beoogde ingreep, de sloop van bebouwing, wordt dit functioneel leefgebied niet weggenomen. Voor de huismus is geen ontheffing nodig. Gierzwaluw Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van gierzwaluw aanwezig zijn. Hierbij zijn geen gierzwaluwnesten aangetroffen binnen het plangebied. Voor de gierzwaluw is geen ontheffing nodig. Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn 3 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woning aan de Blankensteijn 1 een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis als zomer- en paarverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep, de sloop, weggenomen.

Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen 2 verblijfplaatsen). Er dient ten aanzien van gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de woning met vleermuisverblijfplaatsen gesloopt kan worden.

31

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Parrallel aan voorliggend bestemmingsplan wordt een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd voor de sloop van de woning Blankensteijn 1. Omdat het beoogde bouwplan uitsluitend mogelijk is wanneer deze ontheffing wordt verleend is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke bepaald dat de woning Blankensteijn 1 uitsluitend mag worden gesloopt indien de desbetreffende ontheffing wordt verkregen.

4.5.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat vanwege de aanwezigheid van vleermuizen een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voor de sloop van de woning Blankensteijn 1. In de planregels zijn nadere eisen met betrekking tot de vergunningverlening voor de sloop van de Blankensteijn 1 opgenomen. Gelet op het belang van de ontwikkeling, de beperkte alternatieven, en de genomen mitigerende maatregelen is aannemelijk dat de ontheffing in het kader van de Wnb wordt verkregen. Het aspect ecologie vormt na het verkrijgen van de ontheffing geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.6

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

4.6.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai In de Wet Geluidshinder is bepaald dat iedere weg een geluidszone heeft. Een zone is in feite een akoestisch aandachtsgebied. De breedte van de zone wordt bepaald door het aantal rijstroken en de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied. Het binnen- en buitenstedelijke gebied is als volgt gedefinieerd: Buitenstedelijk: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied (binnen en buiten de bebouwde kom) binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; binnenstedelijk: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van de gebieden binnen de zone aan een autoweg of autosnelweg.

De volgende wegen zijn echter vrijgesteld aan een zone: wegen, die liggen binnen een woonerf; wegen, waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. De vraag of een perceel al dan niet binnen de bebouwde kom ligt is van feitelijke aard. Niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft, is bepalend, maar de aard van de omgeving. De geluidszone ligt aan weerszijden van de weg. Aan het uiteinde van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de zonebreedte, met de breedte die zij had aan het einde van de weg. Bij verschillende zonebreedten van één weg, loopt het breedste zonnedeel door over een derde van de grootste zone-afstand en sluit dan met een loodlijn aan op de kleinere zone. Het akoestisch onderzoek richt zich op te verwachten geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidszone. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting afkomstig van wegverkeer bedraagt voor nieuwe woningen 48 dB. In bepaalde gevallen mogen hogere waarden worden toegepast. De maximale toegestane waarde bedraagt 63 dB in stedelijk en 53 dB in buitenstedelijk gebied. Bij vervangende bouw liggen deze maxima 5 dB hoger.

Vanwege de verwachting dat het wegverkeer op middellange termijn stiller wordt (betere uitlaat/stillere motoren), wordt op grond van artikel 110g van de Wet Geluidhinder een aftrek op rekenresultaten toegestaan alvorens te toetsen aan de wettelijke waarden. Deze aftrek bedraagt 5 dB voor wegen waarop met een snelheid van minder dan 70 km/uur wordt gereden. Voor wegen waar de representatieve snelheid voor lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt, bedraagt de aftrek op basis van artikel 110g Wgh (art 3.4 lid 1): 4 dB voor situaties dat de geluidsbelasting zonder aftrek 110g Wgh 57 dB is; 3 dB voor situaties dat de geluidsbelasting zonder aftrek 110g Wgh 56 dB is; 2 dB voor andere waarden van de geluidsbelasting en 2 dB of meer voor wegen waarop 70 km/uur of meer wordt gereden. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4

32

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

4.6.2

Onderzoek

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen industrieterreinen of spoorwegen gesitueerd, daarmee vormen zij geen belemmering voor de ontwikkeling. Door Buro Tideman is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het wegverkeer, dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 9 Akoestisch onderzoek wegverkeer. Onderstaand zijn de bevindingen van het onderzoek samengevat. De geluidbelasting op de gevel bedraagt maximaal 61 dB na aftrek van 5 dB op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting voldoet daarmee niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de beoogde woningen dient een hogere waarde tot maximaal 61 dB worden vastgesteld. Een voorwaarde voor het verlenen van een hogere grenswaarde is dat de geluidwering van de gevel zodanig hoog moet zijn dat een binnenwaarde van 33 dB wordt gegarandeerd. De geluidwering dient hiertoe rekenkundig te worden onderbouwd. Parrallel aan voorliggend bestemmingsplan wordt een hogere waarde procedure opgestart. In de planregels is een regel opgenomen die bepaald dat bij de bouwaanvraag middels een (bouw)akoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat een binnenwaarde van 33 dB wordt gegarandeerd.

4.6.3

Conclusie

Op basis van het akoestisch onderzoek is de vaststelling van een hogere waarde tot maximaal 65 dB noodzakelijk. Wanneer deze hogere waarde wordt vastgesteld vormt het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium:

33

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

< 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

4.7.2

Onderzoek

NIBM-grens Beoordeeld moet worden of het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de bestaande situatie zijn in het plangebied woningen, kantoren en bedrijfsgebouwen gesitueerd. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van 45 woonappartementen mogelijk. Dit aantal ligt ruim onder de NIBM-grens en onderhavig plan zal derhalve niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit Beoordeeld moet wordt of ter plaatse van het plangebied sprake is van een luchtkwaliteit die geschikt is voor het beoogde gebruik, zijnde wonen. Op basis van afbeelding 4.6 en is de indicatieve luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied goed. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik door woningen.

Afbeelding 4.6 Luchtkwaliteit ter plaatse van plangebied

4.7.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.8

Geur

4.8.1

Algemeen

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm

34

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

concentratiegebieden niet concentratiegebieden

binnen bebouwde kom 3,0 (in ou/m3) 2,0 (in ou/m3)

buiten bebouwde kom 14,0 (in ou/m3 8,0 (in ou/m3)

Tabel 1: Geurnormen Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden. Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.

4.8.2

Onderzoek

Het plangebied ligt in het centrum van Hedel. In een straal van 50 meter rondom het plangebied liggen geen agrarische bedrijven met een geurcontour die over het plangebied ligt. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich op 390 meter ten noorden van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstandseis zoals beschreven in artikel 5 van de Wet geurhinder en veehouderij. Daardoor kan 'omgekeerd' ook gemotiveerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat bij woningen in het plangebied, er zijn immers geen agrarische bedrijven binnen 50 meter van het plangebied. Daarbij worden er geen bedrijven geschaad in hun bedrijfsvoering.

4.8.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.

Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

35

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Tabel 2: Richtafstanden VNG De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

4.9.1

Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd door Lycens B.V. Het betreffende onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10 Quickscan bedrijven en milieuzonering bij deze toelichting. Op basis van de beoordeling is geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied zal sprake zijn van een 'goed woon- en leefklimaat' en de beoogde woningen hinderen bestaande bedrijven niet in de bedrijfsvoering en/of uitbreidingsmogelijkheden.

4.9.2

Conclusie

Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10

Externe veiligheid

4.10.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

36

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

4.10.2

Onderzoek

Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart, het plangebied is middels blauwe omlijning aangeduid.

Afbeelding 4.7: Uitsnede risicokaart

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) De meest nabijgelegen BEVI-inrichting is op ruim 1.300 meter van het plangebied gesitueerd. Deze afstand is dermate groot dat deze bron geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) De meest nabijgelegen transportas is op circa 620 meter ten oosten van het plangebied gesitueerd. Deze spoorlijn is niet in het Basisnet opgenomen en vormt geen belemmering in het kader van externe veiligheid. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Op circa 1.750 meter ten westen van het plangebied is een buisleiding van de Gasunie gesitueerd. Deze afstand is dermate groot dat deze risicobron geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.10.3

Conclusie

Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

37

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1

Algemeen

Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op de lokale verkeers- en parkeersituatie, dient het effect van de ontwikkeling op het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte te worden beschouwd. Om de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte te berekenen wordt gebruik gemaakt van kerncijfers van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (381, december 2018)'. Daarnaast is het parkeerbeleid van de gemeente Maasdriel van belang. Het vigerende parkeerbeleid is vervat in de regeling 'Nota Parkeernormen 2020 gemeente Maasdriel'. Daarnaast is het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan parkeren 2018' van toepassing. Tot slot ligt het ontwerp bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren 2022' ten tijde van schrijven ter inzage. Volledigheidshalve wordt het hierin vervatte meegenomen in voorliggende beoordeling. In de nota wordt de gemeente aangemerkt als 'niet stedelijk'. Tevens is bepaald dat voor de gehele gemeente Maasdriel de categorie 'rest bebouwde kom' dient te worden gehanteerd vanwege het gemiddelde autobezit wat gemiddeld 25% hoger ligt dan in de rest van Nederland.

4.11.2

Onderzoek

4.11.2.1 Verkeer Bestaande situatie In de bestaande situatie zijn in het plangebied verscheidene functies en activiteiten gevestigd. Blankensteijn 1 en Dreef 2 betreffen vrijstaande woningen. Dreef 2A betreft een sportschool c.q. fitnesstudio. Blankensteijn 3 betreft een fysiotherapiepraktijk, nummers 5 en 7 betreffen kantoren. Blankensteijn 9 en 11 betreft bedrijfsbebouwing met opslag van goederen. Onderstaand is een inschatting gemaakt van bestaande verkeersgeneratie van de gevestigde activiteiten en bedrijfsmogelijkheden. Stedelijkheidsklasse: niet stedelijk, rest bebouwde kom Type bebouwing Gem. per eenheid Vrijstaande woning 8,2 Sportschool c.q. fitnesstudio 4,8 Fysiotherapiepraktijk 18,4 Kantoren (zonder balie) 8,75 Bedrijfsbebouwing (loods, opslag) 4,8

Aantal eenheden 2 (stuks) 355 (m2) 2 (behandelkamers) 270 (m2) 1.940 (m2) Totaal

Totale generatie 16,4 17 36,8 23,6 93 186,8

Tabel 3: Verkeersgeneratie bestaande situatie Op basis van bovenstaande tabel geldt voor de bestaande situatie en de daar geëxploiteerde activiteiten en functies een verkeerssituatie van circa 187 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit betreft een worstcasescenario, naar verwachting is het daadwerkelijke aantal motorvoertuigbewegingen lager. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het verkeer ontsloten op de Blankensteijn. Verkeersbewegingen in de toekomstige situatie worden gegenereerd door de 45 huurappartementen. Stedelijkheidsklasse: niet stedelijk, rest bebouwde kom Type bebouwing Gem. per eenheid Huur, appartementen, 4,1 midden/goedkoop

Aantal eenheden 45

Totale generatie 184,5

Totaal

184,5

Tabel 4: Verkeersgeneratie toekomstige situatie In tabel 4 is uitgegaan van een worstcasescenario van 6 motorvoertuigbewegingen per etmaal per wooneenheid. Gelet op de beoogde doelgroep van 1- en 2-persoonshuishoudens zal de daadwerkelijke verkeersgeneratie per wooneenheid lager zijn. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt de verkeersgeneratie af met circa (184,5 - 187 =) 2,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verkeerssituatie zal derhalve verbeteren. Het plan heeft leidt derhalve niet tot de afwenteling van negatieve

38

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

verkeerseffecten. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.11.2.2 Parkeren De Nota Parkeernormen 2020 gemeente Maasdriel biedt ruimte voor maatwerk. Het toepassen van maatwerk kan wenselijk zijn in gevallen waarin de parkeernormen niet aansluiten bij het beoogde gebruik of indien de beschikbare ruimte voor parkeerplaatsen beperkt is. Maatwerk is alleen mogelijk indien gemotiveerd kan worden dat de van toepassing zijnde parkeernormen niet geschikt zijn voor het plan. Voor onderhavig plan is een maatwerkoplossing passend vanwege de opzet van de woningen en het woonprogramma sociale huur, waarbij een lager autobezit van de bewoners een lagere parkeernorm motiveert. De binnenplaats biedt ruimte voor 64 parkeerplaatsen, hetgeen voldoende is voor een parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per woning. Hiermee wordt aansluiting gezocht aan de norm van het CROW voor de tabel ‘huur-etage-midden/goedkoop’ in de categorie ‘Niet-stedelijk’. In de openbare ruimte is aan de Blankensteijn voorzien in 17 parkeerplaatsen, waarmee de totale met dit plan (nagenoeg) 1,8 parkeerplaats per woning wordt gerealiseerd. Met dit aantal wordt voorzien in de parkeerbehoefte voor dit woonprogramma en zal geen parkeeroverlast ontstaan in de achterliggende woonbuurt. Ter onderbouwing van de parkeernorm van 1,4 kan het volgende worden aangegeven: 1.

Algemeen wordt erkend in Nederland dat het autobezit van bewoners van sociale huurwoningen lager dan gemiddeld in Nederland. In veel gemeenten is uit onderzoek gebleken dat het autobezit uitkomt op 0,8-1,2 (alle woningtypen). Het CROW adviseert om daarmee rekening te houden. 2. Het klantpanelonderzoek van De Kernen laat zien dat 80% de één- en tweepersoonshuishoudens 1 auto heeft; 12% heeft geen auto. Op basis van deze meting zou een parkeernorm volstaan van 0,96 (Bijlage 11 Klantpanelenonderzoek De Kernen). 3. De norm van 1,4 is conform de CROW-norm ‘huur etage-midden/goedkoop’ in Niet stedelijke omgeving. Het plan voldoet daarmee aan landelijk algemeen geaccepteerde normering. 4. In de openbare ruimte aan de Blankensteijn is nog ruimte voor extra parkeerplaatsen. In het plan is voorzien in maximaal 17 parkeerplaatsen aan de Blankensteijn. Dit aantal komt op de 63 parkeerplekken die op eigen terrein worden gerealiseerd. Daarbuiten, op korte afstand (100 m) is naar schatting nog extra parkeercapaciteit van 10-20 auto’s aan de Blankensteijn. Op basis van het bovenstaande voorziet het plan met 64 parkeerplaatsen op de binnenplaats en 17 parkeerplaatsen in de openbare ruimte in voldoende parkeergelegenheid om te voorzien in de parkeerbehoefte. Daarmee wordt gemotiveerd van het vigerende parkeerbeleid afgeweken.

De parkeersituatie zal als gevolg van onderhavig plan niet verslechteren. Het aspect parkeren vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11.3

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.12

Kabels en leidingen

4.12.1

Algemeen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

4.12.2

Onderzoek

Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan niet tot enige belemmering.

39

bestemmingsplan Hedel herziening 2022, Blankensteijn 1 1

Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.

4.12.3

Conclusie

In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.

4.13

MER-toets

4.13.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13228132/1