CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Gronausestraat 328a Glane incl. bijlagen

Raadsvergadering 11 november 2025, gemeente LosserBij agendapunt: Gronausestraat 328a Glane27.271 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Niet alleen de verblijfssector en de horeca profiteren van bezoekers aan de regio, maar ook een breed scala aan andere sectoren profiteren mee. Van detailhandel tot bouwondernemingen en van maakindustrie tot musea. De vrijetijdssector zorgt onder andere voor nieuwe investeringen, culturele uitwisselingen en een betere infrastructuur. Een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product is dan ook van groot belang voor de regio. Goede en kansrijke initiatieven die van toegevoegde waarde zijn voor het huidige verblijfsrecreatieve product worden daar waar mogelijk aangemoedigd. Uit de voorgaande analyse zijn de volgende conclusies getrokken die van belang zijn geweest voor de visievorming: • •

•

De vrijetijdssector – in dit geval specifiek verblijfsrecreatie – is van groot economisch belang voor de regio Noordoost Twente. Een breed scala aan functies profiteert mee van een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product. In Noordoost Twente is sprake van de ‘verblijfsrecreatieparadox’. Er is een overaanbodsituatie ontstaan, waardoor de markt verzadigd is. Dit is met name het geval in de kampeersector. Het aanbod is in het laatste decennium sterker gegroeid dan de vraag. Met als resultaat teruglopende bezettingen, marges die onder druk staan en wisselend toekomstperspectief. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing en innovatie nodig binnen de sector. In een relatief verzadigde markt is het daarom van belang om te kijken naar de toegevoegde waarde van een initiatief; het moet niet ‘meer van hetzelfde’ zijn, bijdragen aan diversificatie van het aanbod en/of beter inspringen op de wensen vanuit de markt. De markt vraagt om vernieuwend en luxe aanbod, waarbij beleving en authenticiteit centraal staan.

5.3.1.3 Visie verblijfsrecreatie in Noordoost Twente De verblijfssector is over het algemeen kleinschalig en traditioneel van karakter te noemen. Er is sprake van een verzadigde markt. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing, differentiatie en innovatie nodig binnen de sector, waarbij vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Het doel is een vitale en eigentijdse vrijetijdseconomie met een gezond, vraaggericht, onderscheidend en toekomstbestendig aanbod. Resumerend is de volgende visie geformuleerd: "Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod". 5.3.1.4 Beleid per vorm verblijfsrecreatie: Campervoorzieningen Definitie Motorvoertuig dat is ingericht om te kunnen slapen en te verblijven. Uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen •

Uitgangspunt is dat er op gemeentelijk initiatief geen nieuwe Gereguleerde Overnachtings Plaatsen (GOP’s) worden gerealiseerd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld 5.3.1.5 Beleid per vorm verblijfsrecreatie: Kleinschalige kampeerterreinen Definitie Een kleinschalig kampeerterrein is een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht voor toeristisch kamperen. Blijkens die inrichting is het terrein bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 25 kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf. Uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen • • •

Een kleinschalig kampeerterrein is mogelijk bij zowel bestaande agrarische bedrijven, maar ook bij voormalige agrarische bedrijven als vervolgactiviteit. Inzet op de versterking van de bestaande kleinschalige kampeerterreinen boven nieuwvestiging van kleinschalige kampeerterreinen. Aanvragen voor nieuwe kleinschalige kampeerterreinen worden afzonderlijk beoordeeld en worden toegevoegd aan het verblijfsrecreatief aanbod als de aanvraag voldoet aan de volgende toetsingscriteria: o Aantoonbare meerwaarde; o Brandveiligheid; o Ruimtelijke ordening; o Milieu; o Infrastructuur en parkeren.

5.3.1.6 Toetsing van het initiatief aan de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018 In 2023 is een onderzoek uitgevoerd genaamd “Onderzoek Verblijfsrecreatie Noordoost Twente” als aanvulling op de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018. Dit onderzoek biedt goed inzicht in de behoeften in Noordoost Twente. Een belangrijk uitgangspunt in de nota is dat initiatieven moeten aansluiten bij de marktvraag. Uit het onderzoek blijkt dat er vraag is naar camperplaatsen en dat er specifieke doelgroepen zijn waar behoefte aan is. In Noordoost Twente is er een overvloed aan “harmoniezoekers” en “verbindingszoekers”. Er is aanbod voor “rustzoekers”, maar de vraag overstijgt het aanbod. Deze “rustzoekers” hebben behoefte aan rust, ruimte en verblijf in een landelijke omgeving. De te realiseren camperplaats fungeert als een geschikte verblijfsplaats voor de “rustzoekers” vanwege de nabijheid van fiets- en wandelpaden, de groene omgeving, en de unieke ligging nabij de Duitse grens. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een verblijfsrecreatievoorziening met 16 camperplaatsen. Deze ontwikkeling valt onder de categorie mini-campings inclusief camperplaatsen, een combinatie van faciliteiten zoals beschreven in de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018 onder ‘campervoorzieningen’ en ‘kleinschalige kampeerterreinen’.

De ontwikkeling sluit aan bij het beleid voor deze vormen van verblijfsrecreatie. Zo wordt de camperplaats gerealiseerd bij een voormalig agrarisch bedrijf, en uit deze toelichting blijkt dat er sprake is van aantoonbare meerwaarde, brandveiligheid, ruimtelijke ordening, geen belemmering van milieuaspecten, en goede infrastructuur en parkeermogelijkheden. Dit initiatief voldoet aan de voorwaarden zoals beschreven in de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018 en draagt door zijn ligging en kleinschaligheid bij aan het verbeteren van het aanbod van verblijfsrecreatie in de gemeente Losser. 5.3.2

Conclusie toetsing aan het regionaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten zoals verwoord in het in deze paragraaf behandelde beleidsstuk.

regionale

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

5.4

Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 5.4.1

Omgevingsvisie gemeente Losser 2040

5.4.1.1 Algemeen In maart 2023 heeft de gemeente haar Omgevingsvisie vastgesteld. In deze Omgevingsvisie schetst de gemeente Losser een toekomstbeeld. Wat zijn de ambities? Hoe zien ze de leefomgeving in de gemeente in 2040 voor zich? Welke kansen zien ze voor de gemeente Losser? Dit gaat over de lange termijn, en daarom soms in abstracte termen. De gemeente heeft in haar visie 4 ambities geformuleerd: 1. 2. 3. 4.

Een herkenbaar en gastvrij Losser; Een leefbaar en gezond Losser; Een toekomstgericht Losser; Een innovatief en ondernemend Losser.

Hiervan is de ambitie ‘Herkenbaar en gastvrij Losser’ en het gebiedskompas ‘In het dal van de Dinkel’ het meest relevant. 5.4.1.2 Gebiedskompas: In het dal van de Dinkel Het bekenstelsel van de Dinkel is van nationale betekenis. In dit gebied, dat in de kern kwetsbaar is vanwege natuurwaarden, komen verschillende functies samen. De weidegronden in het beekdal zijn van oudsher onderdeel van het kampenlandschap met akkergronden en boerderijen op de flank van de stuwwal. Het stroomdal van de Dinkel is vanwege haar schoonheid aantrekkelijk voor recreatie. Voor dit gebied heeft de gemeente Losser ook een koers en keuzes bepaald. Hieronder worden de relevante keuzes benoemd: • • •

De natuurwaarden en de vorm van de beken zijn uniek voor Nederland. De gemeente zet in op het behoud en de ontwikkeling van deze waarden. De betekenis van de beken in het Natuurnetwerk Nederland en als onderdeel van Natura 2000-gebieden is hiervoor leidend; Het dal van de Dinkel heeft ook een belangrijke recreatieve doelstelling. De gemeente zet in op de vergroting van de beleving van het gebied door middel van kanoën, fietsen en wandelen; De gemeente ziet in dit deelgebied kansen voor fiets- en wandelmogelijkheden en andere meer kleinschalige vormen van (verblijfs)recreatie.

5.4.1.3 Een herkenbaar en gastvrij Losser De gemeente Losser herbergt veel cultuurhistorisch waardevol erfgoed, waarvan de waarden belangrijk zijn voor zowel inwoners als recreanten. Hieronder vallen ook landschapselementen zoals onverharde wegen, landweren, grafvelden, kampplaatsen, raatakkers en essen. Bij het ontwikkelen van natuurwaarden en het verbeteren van de biodiversiteit is het behouden en herstellen van landschapselementen belangrijk. Daarnaast is de gemeente Losser trots op de gemeente en laten dat graag zien aan recreanten en bezoekers. De gemeente Losser wil dat cultuurhistorische en landschappelijke elementen en structuren nog beter herkenbaar en beleefbaar zijn, waarbij de gemeente zich sterk maakt voor een zorgvuldige verbetering en uitbreiding van haar recreatieve infrastructuur, met aandacht voor de rust die het gebied kenmerkt en waarden van flora en fauna. Met als basis deze Omgevingsvisie, ontwikkelt de gemeente een samenhangend Programma, gericht op het in stand houden en actief verbeteren van de toeristisch recreatieve route-infrastructuur en neemt waar nodig een handhavingsaanpak op. De (wandel- fiets- en mountainbike) routenetwerken in Losser maken onderdeel uit van de routenetwerken in Twente. Zij vormen de basis voor een herkenbaar en gastvrij Losser. De routes moeten geoptimaliseerd worden en waar mogelijk worden knelpunten opgelost.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld Waar mogelijk gaat de gemeente ook op zoek naar nieuwe verbindingen voor de ontbrekende schakels. Naast dagrecreatie wil de gemeente ook verblijfsrecreatie bevorderen. De gemeente leent zich goed voor de meer kleinschalige vorm van kwalitatief hoogwaardige verblijfsrecreatie. Deze is qua aard en schaal passend bij de omgeving. De gemeente versterkt het toerisme door differentiatie in het aanbod, kwaliteitsverbetering en productvernieuwing. Losser wil de bestaande hotels en kampeerterreinen voor de eigen gemeente behouden. 5.4.1.4 Toetsing aan Omgevingsvisie De Omgevingsvisie schetst een visie voor de toekomst van de gemeente Losser, met focus op de landschappelijke waarden en kwaliteiten, inclusief ambitieuze doelstellingen. Het bestaande agrarische erf bevindt zich in het gebiedskompas ‘In het dal van de Dinkel’, waar recreatieve aantrekkelijkheid een van de belangrijke waarden is. Hierin worden mogelijkheden gezien voor kleinschalige vormen van hoogwaardige (verblijfs)recreatie, wat wordt bevestigd in de ambitie ‘Een herkenbaar en gastvrij Losser’. De voorgestelde ontwikkeling sluit aan bij de karakteristieken en schaal van het landschap ter plaatse. Het bouwvlak blijft onveranderd in oppervlakte en er wordt ingezet op hoogwaardige verblijfsrecreatie van goede kwaliteit. 5.4.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2

Situatie in en bij het plangebied

In voorliggend geval bevindt het plangebied zich niet in de nabijheid van risicobronnen (straal van circa 400 meter). In afbeelding 6.1 is een uitsnede weergegeven van de EV-signaleringskaart waarin het plangebied is aangegeven met de rode ster.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

Afbeelding 6.1

6.3

Uitsnede EV-signaleringskaart (Bron: EV-signaleringskaart)

Conclusie

Met voorliggend plan wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4

Beleid Waterschap

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Het waterschap is geïnformeerd over de voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde ‘Normale procedure’ van toepassing is. Het waterschap is gecontacteerd voor richtlijnen met betrekking tot hemelwater en afvalwater. Grondwater vormt volgens hen geen obstakel voor het plan, en de verstrekte uitgangspunten worden meegenomen. Tot slot wordt vermeld dat het plangebied in de nabijheid van een waterkering ligt. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten. Bijlage 2 bevat het resultaat van de watertoets. Hemelwater Regenwater wordt niet afgevoerd via het rioleringssysteem, maar wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. Indien nodig, wordt overtollig water afgeleid naar nabijgelegen groen. Het terrein heeft voldoende oppervlakte om regenwater op te vangen. Daarnaast zullen de camperplaatsen worden aangelegd met grasbetonstenen. De sanitaire voorziening wordt gerealiseerd door een bestaand bedrijfsgebouw te herbouwen, waarbij extra groenvoorzieningen worden toegevoegd. Hierdoor blijft de toename van verharding minimaal. Afvalwater Voor het afvalwater wordt aangesloten op het drukriool, extra vuilwater van de 16 camperplaatsen is voor de bestaande pompput geen probleem. Hierover is afstemming gezocht met de gemeente.

Nabijheid waterkering Het plangebied ligt in de nabijheid van een waterkering. Het plangebied ligt op circa 480 meter van de Dinkel en circa 240 meter van de Glanerbeek. Hier dienen de gevolgen van overstroming te worden beperkt door passende ruimtelijke inrichting. Hierbij is er bewust gekozen voor zo min mogelijk verharding, wat bijdraagt aan dit doel. Daarnaast zijn campers mobiel en kunnen ze snel het gebied verlaten in geval van evacuatie, waardoor de gevolgen van overstromingen en wateroverlast als gevolg van de ontwikkeling beperkt blijven.

7.4

Conclusie

Met voorliggend plan worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur; trillingen; en gezondheid.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.3

Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van een camperplaats en een sanitaire voorziening. Een camperplaats betreft geen geluidgevoelig gebouw, evenals een sanitaire voorziening dat niet betreft. Een geluidgevoelig gebouw is immers een gebouw of gedeelte daarvan met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties. De reeds aanwezige geluidsgevoelige gebouwen betreffen de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld bedrijfswoningen. Deze blijven onveranderd. Er wordt dan ook niet nader ingegaan op geluidhinder afkomstig van geluidbelastende activiteiten in de omgeving. Een camperplaats betreft echter wel een geluidbelastende functie. Om te toetsen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt aan de hand van milieuzonering getoetst aan de externe werking van de camperplaats. Milieuzonering Om te bepalen of het initiatief vanuit milieuzonering in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dient ten eerste te worden bepaald of de omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als een ‘rustige woonwijk’ of als ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het ruimtelijke ordeningsprincipe van functiescheiding. In tegenstelling tot een gemengd gebied waarin sprake is van een matig tot sterke functiemening, komen hierin weinig andere functies voor. Het plangebied ligt in het buitengebied, met daarbinnen verspreid liggende woonfuncties. In voorliggend geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Onderstaande tabel toont de aan te houden richtafstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies. De richtafstanden zijn afkomstig uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De functie camperplaats is niet omschreven in de VNG-uitgave.

De meest passende functie uit de VNG-uitgave is ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ waarvoor milieucategorie 3.1 geldt. Voor voorgenoemde functie geldt op basis van de genoemde VNG-uitgave een richtafstand van 50 meter voor geluid. Zoals weergegeven in afbeelding 3.1 met letter Q, bevindt de camperplaats zich op 50 meter afstand van de dichtstbijzijnde woonbestemming. Daarom wordt gesteld dat de omliggende geluidgevoelige gebouwen in voldoende mate worden beschermd tegen de geluidhinder afkomstig van het te realiseren kampeerterrein. 8.1.4

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld • • •

Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie plangebied

Dumea Milieu heeft ter plaatse van het plangebied reeds een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn er op de locatie enkel lichte verontreinigingen aangetroffen. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting. 8.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld 8.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit voornemen, in verhouding tot de standaard gevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend voornemen ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van een camperplaats en een sanitaire voorziening, dit zijn geen geurgevoelige gebouwen op basis van het Bkl. Een geurgevoelig gebouw is immers een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidsfunctie of bijeenkomstfunctie. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld Een camperplaats betreft echter wel een geurbelastende activiteit. Om te toetsen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt aan de hand van milieuzonering getoetst aan de externe werking van de camperplaats. Milieuzonering In paragraaf 8.1.3 is reeds omschreven dat de functie camperplaats niet is omschreven in de VNGuitgave en dat de meest passende functie uit de VNG-uitgave ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ is, waarvoor een milieucategorie 3.1 geldt. Voor voorgenoemde functie geldt op basis van de genoemde VNG-uitgave een richtafstand van 30 meter voor het aspect geur. Zoals weergegeven in afbeelding 3.1 met letter Q bevindt de camperplaats zich op 50 meter afstand van de dichtstbijzijnde woonbestemming. Daarom wordt gesteld dat de omliggende geurgevoelige gebouwen in voldoende mate worden beschermd tegen de geurhinder afkomstig van het te realiseren kampeerterrein. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2

Situatie plangebied

De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich op circa 1,9 kilometer afstand van het plangebied. Een onderzoek naar trillingshinder afkomstig van spoorlijnen is daardoor niet noodzakelijk. 8.5.3

Conclusie

Het aspect trillingshinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.6.2

Situatie plangebied

Voorliggend voornemen ziet toe op de realisatie van een camperplaats in een natuurlijke omgeving. De realisatie van het kampeerterrein is een passende functie, waarbij een agrarisch bedrijf met bijbehorende milieubelasting wordt ingeperkt. Dit heeft een positief effect op de gezondheid/vitaliteit van in ieder geval de natuur. Het kampeerterrein richt zich op “rustzoekers” en zorgt daarmee voor een positieve bijdrage ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Daarnaast resulteert het planvoornemen in een veilige leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Dinkelland’ bevindt zich circa 340 meter afstand van het plangebied. Om de stikstofdepositie van het voornemen op Natura 2000-gebieden te bepalen is door Natuurbank Overijssel een AERIUSberekening uitgevoerd om de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase te bepalen. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder worden de rekenresultaten weergegeven. Onderzoeksresultaten Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Zoals reeds aangegeven in paragraaf 5.2 bevindt het plangebied zich in Natuurnetwerk Nederland in de provinciale Omgevingsverordening en Omgevingsvisie. In dit geval is binnen het plangebied zelf, zoals reeds vermeld, geen natuur of waardevol groen aanwezig. Het betreffen intensief beheerde agrarische cultuurgronden. Binnen voorliggend voornemen is daarmee geen sprake van aantasting van de natuurkwaliteit. Het van toepassing zijn van dit beschermingsregime komt ter plaatse van het plangebied dan ook niet overeen met de feitelijke situatie. De aanduiding van het NNN-gebied ter plaatse van de planlocatie wordt gecorrigeerd door de Provincie Overijssel. Hierdoor voorziet de ontwikkeling niet in aantasting van de eventuele wezenlijke kenmerken en waarden, of significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die tussen die gebieden plaatsvinden. Vanwege het ontbreken van de kenmerken en waarden ter plaatse heeft de ontwikkeling geen negatief effect op het areaal, de kwaliteit en de samenhang van de betrokken gebieden als gevolg van het voornemen.

Het voornemen heeft geen negatieve invloed op het Natuurnetwerk Nederland.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

In het kader van het aspect soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hierna besproken. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde amfibie-, vogel-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten uitsluitend benut als foerageergebied. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 10

10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied” zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij grondingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.000 m2 of dieper dan 0,3 meter. Met dit plan is daar geen sprake van, een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Binnen het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt daardoor geen belemmering voor de ontwikkeling.

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 11

11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een camperplaats met sanitaire voorziening. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- of caravanterreinen. Gelet op de kenmerken van dit project zal dit geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengen. Uit hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 11 van deze toelichting is dit ook gebleken.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 12

12.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie plangebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

HOOFDSTUK 13

13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In het kader van participatie zijn de plannen besproken met de omwonenden. Bewoners van de Glanergrensweg hebben hun zorgen geuit over de mogelijke toename van verkeer door de geplande camperplaats. Zoals eerder toegelicht, blijft de toename in verkeersbewegingen beperkt tot zeven per etmaal op een doordeweekse dag (zoals vermeld in paragraaf 3.2.2.2). Het ontsluiten van de camperplaats via de Gronausestraat wordt niet wenselijk geacht, aangezien dit zou betekenen dat campers over het boerenerf moeten rijden. Dit is onwenselijk vanuit milieu hygiënisch oogpunt, vanwege de gezondheid van mens en dier, en door het gebrek aan manoeuvreerruimte. Bovendien zullen toekomstige gasten worden verzocht om vanaf de Glanergrensweg richting de Gronausestraat te rijden, om de belasting op de Glanergrensweg zoveel mogelijk te beperken.

13.2

Afstemming overlegpartners

Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie Overijssel en het waterschap Vechtstromen. Het plan wordt in het kader van vooroverleg toegezonden naar de provincie. In het kader van vooroverleg is de watertoets uitgevoerd en toegezonden naar het waterschap. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 7.3.

13.3

Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Buitengebied, Gronausestraat 328a te Glane” en de bijbehorende stukken hebben voor een periode van zes weken (met ingang 18 december 2024 tot en met woensdag 29 januari 2025) voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 3 zienswijzen ingediend op het ontwerp TAM-omgevingsplan. Een samenvatting van de zienswijzen, de gemeentelijke beantwoording en de (eventuele) doorvertaling naar het TAM-omgevingsplan is opgenomen in de Nota van beantwoording zienswijzen, die is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. De ingekomen zienswijzen hebben geleid tot enkele wijzigingen in de toelichting en de regels van het TAM-omgevingsplan.

HOOFDSTUK 14

14.1

JURIDISCHE VERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld

14.2

Opzet van de regels

14.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken: • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=de3593be-d8d3-49e4-9a46-c58b248d5d54