Toelichting Gronausestraat 328a Glane incl. bijlagen
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Gronausestraat 328a, Glane
Status: Vastgesteld
Juni 2025
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Buitengebied, Gronausestraat 328a te Glane
Plannaam: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Buitengebied, Gronausestraat 328a te Glane Plantype: Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een wijziging van het omgevingsplan IMRO-nummer: NL.IMRO.0168.TAM22C-0401
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING.............................................................4
AANLEIDING .............................................................................................................. 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................... 4 PLANOLOGISCH REGIME ................................................................................................. 5 LEESWIJZER .............................................................................................................. 7
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE ...............................8
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING .................................................9
3.1 3.2
HET VOORNEMEN ........................................................................................................ 9 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE ............................................................................ 10
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3
ALGEMEEN .............................................................................................................. 11 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ....................................................................... 11 LANDSCHAPPELIJKE WAARDEN ........................................................................................ 12
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3 5.4
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN 11
BELEIDSKADERS.................................................... 14
RIJKSBELEID ........................................................................................................... 14 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 16 REGIONAAL BELEID .................................................................................................... 24 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 27
HOOFDSTUK 6
OMGEVINGSVEILIGHEID .......................................... 29
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN ....................... 31
7.1 7.2 7.3 7.4
VIGEREND BELEID ..................................................................................................... 31 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 32 WATERTOETSPROCES EN WATERHUISHOUDING PLANGEBIED ...................................................... 32 CONCLUSIE ............................................................................................................. 32
HOOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 33 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 34 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 35 GEUR ................................................................................................................... 36 TRILLINGSHINDER ..................................................................................................... 37 GEZONDHEID .......................................................................................................... 38
HOOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .......................... 41
WETTELIJK KADER .................................................................................................. 41 ARCHEOLOGIE ...................................................................................................... 41 CULTUURHISTORIE ................................................................................................. 41 CONCLUSIE .......................................................................................................... 41
HOOFDSTUK 11 11.1 11.2 11.3
BESCHERMING VAN DE NATUUR .................................39
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................... 39 SOORTENBESCHERMING .............................................................................................. 40 CONCLUSIE ............................................................................................................. 40
HOOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3 10.4
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU.................. 33
M.E.R.- BEOORDELING ............................................ 42
ALGEMEEN........................................................................................................... 42 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 42 CONCLUSIE .......................................................................................................... 42
HOOFDSTUK 12
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................. 43 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld 12.1 12.2 12.3
ALGEMEEN........................................................................................................... 43 KOSTENVERHAAL ................................................................................................... 43 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 43
HOOFDSTUK 13 13.1 13.2 13.3
PARTICIPATIE ....................................................................................................... 44 AFSTEMMING OVERLEGPARTNERS ................................................................................. 44 ZIENSWIJZEN ....................................................................................................... 44
HOOFDSTUK 14 14.1 14.2 14.3
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ...................... 44
JURIDISCHE VERANTWOORDING ................................ 44
INLEIDING ........................................................................................................... 44 OPZET VAN DE REGELS ............................................................................................. 45 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .............................................................................. 46
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ......................................48 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ............................................................................. 48 WATERTOETS ................................................................................................. 49 BODEMONDERZOEK .......................................................................................... 50 AERIUS BEREKENING ....................................................................................... 51 QUICKSCAN NATUURWAARDEN .............................................................................. 52
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
HOOFDSTUK 1
1.1
INLEIDING
Aanleiding
Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op het perceel ter plaatse van de Gronausestraat 328a te Glane, in het buitengebied van de gemeente Losser. Het plan gaat uit van het realiseren van recreatieve (verblijfs)mogelijkheden in de vorm van 16 camperplaatsen met bijbehorende voorzieningen. Hierbij wordt een gedeelte van de agrarische functie voorzien van een aanduiding ‘kampeerterrein’. De agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse blijven bestaan. Het voornemen is strijdig met het geldende omgevingsplan. Op basis van de huidige regels is het niet toegestaan om op de locatie te gebruiken ten behoeve van recreatieve doeleinden. Tevens ontbreken de bouwmogelijkheden voor het realiseren van 16 camperplaatsen. De gemeente Losser heeft middels een principebesluit (28 mei 2024) besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kader en toont aan de het voornemen in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
1.2
Ligging van het plangebied
De locatie ligt aan de Gronausestraat 328 te Glane. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Losser, sectie Q, perceelnummers 475, 479, 478, 1938 en 1939. In afbeelding 1.1 is de ligging van de locatie ten opzichte van de kern Glane en de directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 1.1
Begrenzing plangebied (Bron: plattekaart.nl, bewerkt)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
1.3
Planologisch regime
1.3.1
Het omgevingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Losser. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijke omgevingsplan zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat ter plaatse van het plangebied uit de volgende documenten: • •
Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 19 maart 2013); Omgevingsplan gemeente Losser (vastgesteld op 1 januari 2024).
Het omgevingsplan bevat in de geldende situatie uitsluitend de regels van de bruidsschat. Voor de duiding van het planologisch regime is met name bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van toepassing. Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan, waarbij het plangebied rood omlijnd is.
Afbeelding 1.2
Uitsnede behorende bij bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn de gronden bestemd als ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ en ‘Agrarisch - 1’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Tevens zijn de gronden gedeeltelijk voorzien van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en de gebiedsaanduidingen ‘essen’ en ‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied’. Een gedeelte van de gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 1’ kent de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veldschuur’. Middels het figuur ‘relatie’ is de veldschuur verbonden aan het agrarische bedrijf ter plaatse. Onderstaand is een beschrijving opgenomen van voorgenoemde. ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ De voor ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch bedrijf met niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en het wonen ten behoeve van het bedrijf, al dan niet in combinatie met mantelzorg of een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit, met daarbij behorend(e); •
bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld • • • • • • • • • •
bedrijfswoningen; aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen; torensilo's, platen en bassins; mestverwerkingsinstallaties; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; nutsvoorzieningen; tuinen, erven en terreinen; water; waterhuishoudkundige voorzieningen; wegen, paden en parkeervoorzieningen.
De gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd.
‘Agrarisch - 1’ De voor ‘Agrarisch – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische cultuurgrond, met daaraan ondergeschikt: •
• •
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden, met dien verstande dat hieronder het behoud en/of herstel van de volgende essentiële ruimtelijke kenmerken wordt begrepen: o de lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen; o de rationele verkaveling en het open karakter; doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer; extensieve dagrecreatie;
met daarbij behorende: • • •
nutsvoorzieningen; bestaande landbouwwegen, alsmede voet- en fietspaden en overige infrastructurele voorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterberging.
Een gedeelte van de gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 1’ kent de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veldschuur’. Middels het figuur ‘relatie’ is de veldschuur verbonden aan het agrarische bedrijf ter plaatse. Hier is een veldschuur toegestaan.
‘Waarde – Archeologie 2’ De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve de daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij grondingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.000 m 2 of dieper dan 0,3 meter.
‘essen’ Ter plaatse van de aanduiding ‘essen’ dienen de karakteristieke openheid, bodemkwaliteit en reliëf van de essen en steilranden met bijbehorende beplanting te worden hersteld, behouden en ontwikkeld.
‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied’ Ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ geldt dat verschuiving, dan wel uitbreiding van de intensieve veehouderij voor bestaande bedrijven mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld 1.3.2
Opheffen strijdigheid
Voorliggend plan gaat uit van het realiseren van recreatieve (verblijfs)mogelijkheden op het perceel ter plaatse van de Gronausestraat 328a te Glane, in de vorm van camperplaatsen. Hierbij wordt een gedeelte van de agrarische functie voorzien van een aanduiding ‘kampeerterrein’. Binnen de agrarische functie ontbreken de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de recreatieve (verblijfs)mogelijkheden. Om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
Hier wordt in hoofdstuk 14 nader op ingegaan.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 en 4 gaan achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 7 de bescherming van de waterbelangen wordt behandeld. Hoofstuk 8 en 9 gaan respectievelijk in op de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 10 behandelt de archeologische en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 11 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 12 en 13 behandelen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 14 ingegaan op de juridische planverantwoording.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied bevindt zich ten oosten van de kern Glane, vlakbij de grens met Duitsland. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich voornamelijk woonerven en agrarische cultuurgronden. Ten westen van het plangebied bevindt zich een woonerf en bosperceel. Grenzend aan de agrarische cultuurgronden ten oosten van het plangebied bevindt zich de grens van de kern Glane. Aan de noordkant bevinden zich agrarische cultuurgronden met daarachter de Glanerbeek. De zuidkant van het plangebied wordt begrensd door de Glanergrensweg, met daarachter eveneens agrarische cultuurgronden. Het plangebied is bereikbaar via de Gronausestraat en de Glanergrensweg. Op het perceel bevinden zich momenteel twee bedrijfswoningen, drie bestaande bedrijfsgebouwen, kuilvoerplaten en mestopslag. In 2024 wordt er een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd, dat op basis van het huidige omgevingsplan mag worden gebouwd. De bedrijfswoning ten oosten van het plangebied is gericht op de Gronausestraat, terwijl de bedrijfswoning ten zuiden van het plangebied is gericht op de Glanergrensweg. Het agrarische bedrijf is nog steeds operationeel. Afbeelding 2.1 toont een luchtfoto van de huidige situatie, waarbij de indicatieve locatie van het nieuwe bedrijfsgebouw is aangegeven met een blauwe omlijning en het plangebied met een rode stippellijn.
Afbeelding 2.2 geeft een impressie van de huidige situatie van het plangebied weer.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto plangebied huidige situatie (Bron: PDOK)
Afbeelding 2.2
Straatbeeldfoto huidige situatie (Bron: Google Streetview)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
HOOFDSTUK 3
3.1
PLANBESCHRIJVING
Het voornemen
Zoals reeds in de aanleiding benoemd gaat voorgenomen ontwikkeling uit van het realiseren van recreatieve (verblijfs)mogelijkheden op het perceel ter plaatse van de Gronausestraat 328a te Glane, in de vorm van 16 camperplaatsen met bijbehorende voorzieningen. De te realiseren camperplaats is te bereiken middels de ontsluiting van het plangebied op de Glanergrensweg. De agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse blijven bestaan. Daarom blijven alle agrarische opstallen en de bedrijfswoningen ter plaatse behouden. Bij de realisatie van de camperplaats dienen de volgende zaken te worden gerealiseerd: • • • •
Herbouw van een bedrijfsgebouw inclusief sanitaire voorziening van 50 m2. Het bijgebouw wordt op andere wijze gepositioneerd (aangegeven met D in onderstaande afbeelding). 16 aan te leggen camperplaatsen, uitgevoerd met grasbetonklinkers (aangegeven met L in onderstaande afbeelding). Lozingspunt campers (aangegeven met M in onderstaande afbeelding). Het herschikken van het bouwvlak. Er wordt 1.270 m² van het bouwvlak in het noordwesten van het plangebied verwijderd en 1.268 m² toegevoegd in het zuidwesten van het plangebied. (aangegeven met O in onderstaande afbeelding).
Het geheel zal landschappelijk worden ingepast, hierover wordt verder uitgeweid in hoofdstuk 4. De landschappelijke inpassing functioneert als afscheiding tussen het agrarische bedrijf en de camperplaatsen. In afbeelding 3.1 is de landschappelijke inpassing van het erf weergegeven.
Afbeelding 3.1
Situatietekening camperplaatsen (Bron: N + L Landschapsontwerpers)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
3.2
Infrastructuur en openbare ruimte
3.2.1
Algemeen
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 3.2.2
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: Niet stedelijk Stedelijke zone: Buitengebied
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. 3.2.2.1
Parkeren
Het plan heeft betrekking op de realisatie van 16 camperplaatsen. Campers zijn verplaatsbare verblijfsobjecten, welke alleen voor eigen gebruik geplaatst worden op de daarvoor aangewezen camperplaatsen. Er hoeft voor de camperplaatsen derhalve geen aanvullende parkeerruimte gerealiseerd te worden. 3.2.2.2
Verkeersgeneratie
Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de kengetallen voor een camping (kampeerterrein). Deze functie kent een verkeersgeneratie van 0,4 verkeersbewegingen per standplaats, rekening houdend met uitgangspunten zoals omschreven in paragraaf 3.2.2. De verkeersgeneratie van de camperplaats resulteert in 16 * 0,4 = 6,4 (7) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De camperplaats is te bereiken middels de ontsluiting van het plangebied op de Glanergrensweg. Deze weg is voldoende van omvang om deze toename verkeersveilig te kunnen verwerken. 3.2.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
HOOFDSTUK 4
4.1
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN
Algemeen
In het vorige hoofdstuk is de gewenste ontwikkeling beschreven. Dit hoofdstuk zal ingaan op hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •
Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in hoofdstuk 10 worden behandeld. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en de gebiedsspecifieke landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten. De overige van bovenstaande thema’s zijn niet van toepassing op het plangebied.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld 4.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Voorgenomen ontwikkeling maakt de realisatie van een camperplaats mogelijk. Er worden 16 camperplaatsen gerealiseerd, op een totaal oppervlakte van 1.270 m 2. Uit een overzichtsuitspraak omtrent de ladder (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat een kampeerterrein met een omvang van 3 hectare en waar ruimte wordt geboden aan uitsluitend tenten, kampeerauto’s, (sta)caravans, dan wel andere daarmee vergelijkbare voertuigen of onderkomens niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. De ruimte die de beoogde camperplaatsen inclusief bijbehorende voorzieningen innemen, bedraagt aanzienlijk minder dan 3 hectare. Dit betekent dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3
Conclusie ladder van duurzame verstedelijking
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de ladder van duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
4.3
Landschappelijke waarden
Zoals reeds in paragraaf 3.1 beschreven, dient de ontwikkeling landschappelijk te worden ingepast. Voor de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de bestaande gebiedskenmerken. Daarnaast functioneert de landschappelijke inpassing als natuurlijke afscheiding tussen het agrarische bedrijf en de camperplaatsen. Daarom wordt bij de realisatie rekening gehouden met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit: • •
• •
•
Bestaande houtopstanden rondom het plangebied blijven behouden (aangegeven met H in onderstaande afbeelding). Nieuw aan te leggen houtsingels. De houtsingel links functioneert t.b.v. afscheiding tussen camperplaatsen en bestaande boerderij. De houtsingels moeten een hakhoutbeheer krijgen en bestaan uit 3 tot 6 plant-rijen. De totale lengte is 146 meter met een breedte variërend van 5 tot 8 meter. De aanplantmaat is 80-100 (hoogte in centimeters) en het soortgebruik bestaat uit vuilboom, hazelaar, meidoorn, Gelderse roos, gele kornoelje en lijsterbes. Struikvormende soorten die elke 7-10 jaar af worden gezet. Totaal 610 stuks. Houtsingels voorzien van boomvormers. Aanplanten in de maat 12-14 (stamomtrek in centimeters) Soort: Hollandse Linde (6), zoete kers (4), fladderiep(2) en eik (4). totaal 16 stuks. Elk voorzien van twee boompalen (aangegeven met I op onderstaande afbeelding). De camperplaatsen worden uitgevoerd in grasbetonklinkers (aangegeven met L op onderstaande afbeelding). Nieuw aan te planten gemengde hagen met enkele solitaire bomen. Haag aanplanten in de maat 80-100 (hoogte in centimeters) met de soorten: beuk (Carpinus), meidoorn, liguster en Spaanse aak. Aanplant 5 per m1. Totaal:250 stuks in gelijke verhouding op een lengte van 50 meter in enkele rij. Solitaire bomen aan planten in de maat 12-14 (stamomtrek in centimeters).
Soort: Hollandse Linde (2), zoete kers, fladderiep en Walnoot. Totaal 5 stuks. Elk voorzien van twee boompalen (aangegeven met P op onderstaande afbeelding). Er worden nieuwe bomen aangeplant, in totaal drie stuks (aangegeven met R op onderstaande afbeelding).
Het volledige landschappelijke inpassingsplan is in Bijlage 1 van deze toelichting opgenomen. De gewenste situatie is ook weergegeven in afbeelding 4.1.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
Afbeelding 4.1
Overzicht beoogde ontwikkeling (Bron: N + L Landschapsontwerpers)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
BELEIDSKADERS
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
5.1
Rijksbeleid
5.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
5.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 5.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld 5.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 5.1.2
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 5.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
5.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 5.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. 5.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 5.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. Of - generieke beleidskeuzes; 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven; 3. Hoe - gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 5.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.
Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld 5.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. 5.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 5.1 geeft dit schematisch weer.
Afbeelding 5.1
5.2.4
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 5.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 4.7, 4.8 en 4.9 (ruimtelijke kwaliteit) en artikel 4.11 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) relevant. Hierna wordt op deze artikelen ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) lid 1: Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a) er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b) de ruimte binnen het bestaand bebouwde gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c) mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Lid 2: Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: a. b.
(her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied, op een bestaand erf. Zoals reeds vermeld, wordt het bouwvlak herschikt en neemt de oppervlakte hiervan hierdoor niet toe. Daarom is er geen sprake van een toename van bebouwingsmogelijkheden en worden er geen extra mogelijkheden voor ruimtebeslag gerealiseerd. Bovendien gaat het in dit geval om een recreatieve functie, die aan het buitengebied gerelateerd is. Er is dan ook sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 4.7 (oogmerk ruimtelijke kwaliteit) Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de of, waar- en hoe-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit, lid 1) Lid 1: Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a) het uitvoeringsmodel (of-, waar- en hoe-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b) wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c) inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 4.7, 4.8 en 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel In de volgende subparagrafen wordt ingegaan op de waar- en hoe-benadering. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen het provinciale uitvoeringsmodel. Ook zal uit de volgende paragrafen blijken dat de ontwikkeling past in het ontwikkelingsperspectief en hoe uitvoering is gegeven aan de vier-lagenbenadering. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt dat er een forse bijdrage wordt geleverd aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, de maatregelen worden verder omschreven in paragraaf 4.3.
Artikel 4.55 (Nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap Noordoost - Twente) Lid 1: Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld Lid 2: De kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: a) het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; b) de grote mate van kleinschaligheid; c) het groene karakter. Lid 3: Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief nationaal Landschap Noordoost-Twente waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Toetsing van de ontwikkeling aan het artikel 4.55 van de Omgevingsverordening Overijssel Bij dit plan wordt voorzien in een landschappelijke inpassing. Hierbij is aansluiting gezocht bij de bestaande gebiedskenmerken, waaronder de kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente. Zo wordt onder andere extra groen toegevoegd, en de nieuwe houtsingels zullen bijdragen aan een gevoel van kleinschaligheid. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat het plan geen afbreuk doet aan het nationale landschap Noordoost-Twente.
Artikel 4.58 (instructieregels beschermingsregime Natuurnetwerk Nederland) Lid 1: a) In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) maken geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot: b) aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren die voor dit gebied zijn vastgesteld in Bijlage X “Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN”, c) aantasting van de samenhang tussen onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Lid 2: Omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Bestaand worden regels opgenomen die zijn gericht op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de natuurdoelen zoals vastgesteld in Bijlage X van de Omgevingsverordening Overijssel: “Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN”. Lid 3: In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Te realiseren natuur NNN worden - zolang de gronden nog niet zijn aangekocht of afgewaardeerd naar natuur regels opgenomen die ook gericht zijn op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden.
Lid 4: In afwijking van de instructieregels in het eerste en derde lid geldt binnen gebieden die zijn aangewezen als Te realiseren geen plicht om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden te beperken voor zover: a) het gaat om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande functies zoals die zijn vastgelegd in een geldend omgevingsplan; en b) deze gronden nog niet zijn aangekocht voor het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland of nog geen functiewijziging heeft plaatsgevonden naar natuur door de eigenaar zelf. Toetsing van de ontwikkeling aan het artikel 4.58 van de Omgevingsverordening Overijssel Binnen het plangebied zelf is geen natuur of waardevol groen aanwezig. Het plangebied is namelijk in gebruik als agrarische cultuurgrond. Gezien het feit dat het intensief beheerde gronden betreffen, zijn geen bijzondere flora en/of fauna te verwachten. Het van toepassing zijn van dit beschermingsregime komt ter plaatse van het plangebied dan ook niet overeen met de feitelijke situatie. Hierdoor voorziet de ontwikkeling niet in aantasting van de eventuele wezenlijke kenmerken en waarden, of significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die tussen die gebieden plaatsvinden.
Vanwege het ontbreken van de kenmerken en waarden ter plaatse heeft de ontwikkeling geen negatief effect op het areaal, de kwaliteit en de samenhang van de betrokken gebieden als gevolg van het voornemen. Het voornemen heeft geen negatieve
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld invloed op het Natuurnetwerk Nederland. De aanduiding van het NNN-gebied ter plaatse van de planlocatie wordt gecorrigeerd door de Provincie Overijssel. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.58 van de Omgevingsverordening Overijssel. 5.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. Daarnaast is het ontwikkelperspectief ‘Natuurnetwerk Nederland (NNN)’ relevant. In afbeelding 5.2 en 5.3 zijn uitsneden van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
Afbeelding 5.2 Overijssel)
Uitsnede
ontwikkelingsperspectievenkaart
Omgevingsvisie
Overijssel
(Bron:
Provincie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld
Afbeelding 5.3 Overijssel)
Uitsnede
ontwikkelingsperspectievenkaart
Omgevingsvisie
Overijssel
(Bron:
Provincie
‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ Het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. ‘Natuurnetwerk Nederland (NNN)’ Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) staan in Overijssel de kwaliteitsambities Natuur als ruggengraat en Continu en Beleefbaar watersysteem voorop. Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is binnen het natuurnetwerk geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan voldaan kan worden (het ‘nee, tenzij’principe). Daarbij hanteert de provincie zogenaamde NNN-spelregels. Binnen de gebieden waar de komende jaren natuurrealisatie plaatsvindt, is medegebruik mogelijk. Voorwaarde is wel dat initiatieven actief bijdragen aan realisatie van het robuuste en samenhangende netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit.
Toetsing van het initiatief aan het “Ontwikkelingsperspectief” Het ontwikkelingsperspectief biedt ruimte voor een mix van functies, waaronder recreatie. Het plan is daarmee passend en versterkt het mixlandschap, omdat aan een erf een toekomstbestendige functie gegeven wordt, waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Het plangebied is deels aangemerkt als ‘Natuurnetwerk Nederland’. Dit perspectief wordt toegekend aan bestaande groenstructuren die van belang zijn in het kader van het natuurbeleid. In dit geval is binnen het plangebied zelf, zoals reeds vermeld, geen natuur of waardevol groen aanwezig. Gezien het feit dat het intensief beheerde gronden betreffen, zijn geen bijzondere flora en/of fauna te verwachten. Het van toepassing zijn van dit beschermingsregime komt ter plaatse van het plangebied dan ook niet overeen met de feitelijke situatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief. 5.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ‘Stedelijke laag’ en ‘Laag van beleving’ zijn buiten beschouwing gelaten, aangezien het plangebied ten aanzien van deze lagen geen bijzondere kenmerken heeft. De ‘Natuurlijke laag’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met het gebiedstype ‘Dekzandvlakte en ruggen’. Afbeelding 5.4 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Natuurlijke laag’.
Afbeelding 5.4
Uitsnede ‘Natuurlijke laag’ (Bron: Provincie Overijssel)
‘Dekzandvlakte en ruggen’ De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ Met het realiseren van een landschappelijk ingepaste camperplaats ontstaan er kansen om de hoogteverschillen van de dekzandvlakte en ruggen beter zichtbaar te maken. Ook wordt met de landschapsmaatregelen, zoals omschreven in paragraaf 4.3 en Bijlage 1, bijgedragen aan de natuurlijke laag. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de natuurlijke laag.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld De ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstypes ‘Oude hoevelandschap’ en ‘Jonge heideen broekontginningslandschap’. Afbeeldingen 5.5 en 5.6 betreffen uitsneden van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’.
Afbeelding 5.5
Uitsnede ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ (Bron: Provincie Overijssel)
Afbeelding 5.6
Uitsnede ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ (Bron: Provincie Overijssel)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld ‘Oude hoevenlandschap’ Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. ‘Jonge heide- en broekontginningslandschap’ De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen.
Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreidings’ landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Met het realiseren van de camperplaats worden ook landschapsmaatregelen getroffen, zoals omschreven in paragraaf 4.3 en Bijlage 1. Hiermee wordt bijgedragen aan het versterken van de kwaliteiten van de laag van het agrarische cultuurlandschap.
De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de natuurlijke laag. 5.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
5.3
Regionaal beleid
De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang, wat ertoe kan leiden dat er op regionaal niveau beleid wordt vastgesteld (bijvoorbeeld een regionale woningbouwopgave). 5.3.1
Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018
5.3.1.1 Algemeen De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben in 2014 een gezamenlijke beleidsnota “Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente” opgesteld. Met deze gezamenlijke nota zijn de ruimtelijke kaders in heel Noordoost Twente grotendeels gelijk getrokken en is het beleid in de vier gemeenten op elkaar afgestemd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Gronausestraat 328a, Glane Vastgesteld Om adequaat te kunnen inspelen op trends in ontwikkelingen in de sector is het van belang om te beschikken over actuele beleidskaders. Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen liggen om de vitaliteit van de sector te versterken. Met voorliggende beleidsnota uit 2018 beschikken de vier NOT-gemeenten weer over een actueel beleidskader, waarmee duidelijke kaders naar ondernemers worden geboden op welke wijze de verblijfsrecreatieve sector zich kan ontwikkelen. Het doel van de nota is om kaders te weergeven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. De beleidsnota beperkt zich tot de kaders voor toekomstige (met name fysieke) ontwikkelingen binnen de verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente. 5.3.1.2 Analyse verblijfsrecreatieve sector Noordoost Twente De vitaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente is geanalyseerd. De analyse is vanuit verschillende invalshoeken benaderd, om de visie zo concreet mogelijk in beeld te brengen. Noordoost Twente maakt deel uit van de regio Twente en heeft de toerist landschappelijk veel te bieden. Het unieke landschap is een grote trekpleister voor recreanten.