CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen

Raadsvergadering 2 juni 2026, gemeente LosserBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Buitengebied Nijenhaerweg 16 Beuningen26.309 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf. De gemeente beoordeelt per aanvraag de gewenste benodigde parkeergelegenheid; Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. In paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de parkeerbehoefte. 9. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitrit. Wanneer een extra in- en uitrit voor de nieuwe woning wenselijk is kan maatwerk worden toegepast; Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitrit aansluitend op de Nijenhaerweg. 10. Er wordt voldaan aan de gemeentelijke voorwaarden wat betreft (het aanbieden van) vuil- en regenwater; De woning in de karakteristieke schuur wordt aangesloten op de bestaande riolering. Het regenwater wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem. Daarnaast wordt er ten behoeve van extra waterberging een wadi aangelegd. 11. Het toevoegen van extra woningen veroorzaakt geen onevenredige negatieve gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en ter plaatse van de nieuwe woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onevenredige negatieve gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden. Tevens is er ter plaatse van de nieuwe woning in de karakteristieke schuur sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 12.

De toevoeging van extra woningen past kwantitatief en kwalitatief binnen het beleid van de gemeentelijke woonvisie met daarbij behorend woningbouwprogramma; In paragraaf 3.4.2 is het plan getoetst aan de gemeentelijke woonvisie. Hieruit blijkt dat de nieuwe woning past binnen het woonbeleid van de gemeente Losser. 13. Bestaande groenelementen en houtopstanden blijven behouden of worden, bij gebrek aan alternatief, in ruim voldoende mate gecompenseerd; Het erf wordt als geheel landschappelijk ingepast. Er worden verschillende nieuwe groenelementen aangeplant. Voor de inrichting van het plangebied wordt verwezen naar

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

26

Bijlage 2. 14. Inpassing op het erf en in het landschap dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden. Dit dient aangetoond te worden aan de hand van een inrichtingsplan. Het gehele erf wordt landschappelijk ingepast, zoals opgenomen in Bijlage 2. Daarmee is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het erf. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde bewoning van de karakteristieke schuur past binnen de richtlijnen van de 'Beleidsregels woning- en kavelsplitsing en wonen in karakteristieke en monumentale gebouwen gemeente Losser'.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

27

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

m.e.r.-beoordeling

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen: Eerst wordt bekeken of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1. Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat. Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden gedaan: 1. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-plicht. 2. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-mer-beoordelingsplicht.

Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt. Toets In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Het voorliggende plan maakt twee nieuwe compensatiewoningen, het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning en het transformeren van de karakteristieke schuur tot een woning in het buitengebied mogelijk. De aard en omvang is kleinschalig en de vormgeving en opzet van het nieuwe woonerf is passend in het buitengebied. Er wordt met onderhavig plan meer bebouwing gesloopt dan terug gebouwd. Daarnaast neemt de oppervlakte aan verharding af en verdwijnt er een milieubelastende functie (agrarisch bedrijf) van het perceel. Conclusie

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

28

Op basis van het vorenstaande kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'm.e.r.-beoordeling' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.2

Milieubelastende activiteiten

In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis. Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden. Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Activiteiten en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds het werkingsgebied van de functie die de milieubelastende activiteiten toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het omgevingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'.

In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering

Toets Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Losser. In de direct omgeving zijn enkele woningen aanwezig. Verder bestaat de omgeving voornamelijk uit agrarische gronden. De omgeving van het plangebied kan dan ook aangemerkt worden als 'rustig buitengebied'.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

29

Bij het realiseren van een functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voorliggende plan maakt een woonfunctie (woningen) mogelijk. In het kader van milieuzonering betreft een woonfunctie geen milieubelastende activiteit. Omliggende gevoelige functies worden niet belemmerd. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie die bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheid van omliggende bedrijven aantast. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante bedrijven aanwezig die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling van het plangebied. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft een agrarisch bedrijf op een afstand van ca. 370 m ten noordoosten van het plangebied.

Op dit perceel is sprake van een melkveehouderij die valt onder de categorie 'fokken en houden van rundvee', milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast gelden voor het aspect 'Geur' andere afstanden. Het aspect 'Geur' wordt in paragraaf 4.6 behandeld. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Milieubelastende activiteiten' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Toets In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige verkennend bodemonderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5. Op basis van het onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Conclusie Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bodem' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Toets

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

30

Het voorliggende plan maakt in het kader van de Rood-voor-Rood regeling twee nieuwe compensatiewoningen mogelijk. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. Om die reden is aan de hand van de geluidskaart wegverkeerslawaai van Atlas Leefomgeving bekeken wat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied betreft. Figuur 4.3 toont een uitsnede van deze geluidskaart met het plangebied aangeduid met de blauwe druppel.

Figuur 4.3: uitsnede geluidskaart wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving) Uit het raadplegen van de geluidskaart wegverkeerslawaai blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied minder dan 45 dB bedraagt. Daarmee worden de standaardwaarden, zoals opgenomen in tabel 5.78T/5.78U van het Bkl niet overschreden. Onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg of geluidgezoneerd industrieterrein aanwezig. Onderzoek naar spoorweglawaai en industrielawaai zijn niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Geluid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Trilling

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). Toets Met dit plan worden woningen mogelijk gemaakt. Wonen is een trillinggevoelige functie. Binnen het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die trillingen kunnen veroorzaken. Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied geen relevante functies aanwezig die trillingen veroorzaken in daarmee invloed kunnen hebben op de nieuwe woonfunctie. Conclusie Gelet op het vorengaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'trilling' geen

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

31

belemmeringen veroorzaakt voor de boogde ontwikkeling.

4.6

Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat). Toets De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsfunctie bevindt zich aan de Nijenhaerweg 15 op een afstand van ca. 370 m ten noordoosten van het plangebied. De ontwikkeling binnen het plangebied moet worden beoordeeld als uitbreiding van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Op grond hiervan moet de afstand vanuit het dierenverblijf van de melkveehouderij tot aan een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom minimaal 50 meter zijn. Deze afstand wordt ruimschoots gehaald. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook aanvaardbaar geacht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening.

Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Toets Zoals bovenstaand benoemd, zijn er in het Bkl standaardgevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Eén van de voorbeelden is 1.500 woningen met een enkele ontsluitingsweg. Het voorliggende plan maakt slechts twee nieuwe compensatiewoningen mogelijk. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Gelet op de standaardgevallen, kan gesteld worden dat het voorliggende plan niet in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtverontreiniging. Onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

32

4.8

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Toets Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens in een risicokaart te visualiseren. Figuur 4.4 toont een uitsnede van de risicokaart met het plangebied in het zwart omcirkeld.

Figuur 4.4: uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving) De dichtstbijzijnde risicobron betreft een buisleiding van DPO. Deze buisleiding is voorzien van een brandaandachtsgebied. Echter ligt het brandaandachtsgebied op ca. 550 m afstand van het plangebied. Daarnaast zijn er ten noorden en westen van het plangebied mestvergistingen aanwezig. Deze liggen op een afstand van respectievelijk ca. 700 m en 900 m van het plangebied en daarmee op ruim voldoende afstand. Onderzoek naar omgevingsveiligheid is niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

33

4.9

Natuurwaarden

Gebiedsbescherming Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Dit volgt expliciet uit artikel 1.2 lid 2 onder h van de Omgevingswet. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen van de met een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijke gemaakte ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelen van beschermde natuurgebieden die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit. Soortenbescherming In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.

Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Toets In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 6. Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.

Beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Als gevolg van het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Door het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord in de bosschage. Van de meeste in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.

De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden. Voor steenuil geldt dat het bezette nest, jaarrond beschermd is en deze alleen met een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verstoord, beschadigd en vernield mag worden. Door het slopen van de stal wordt mogelijk een bezet nest beschadigd/vernield en

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

34

wordt leefgebied van steenuil aangetast. Voor het verstoren, beschadigen en vernielen van een steenuil nest en het aantasten van het leefgebied van steenuil dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Voor wat betreft de steenuil is contact opgenomen met de provincie Overijssel. De provincie heeft aangegeven dat er sprake is van een incidenteel verblijf. Er is geen nest van de steenuil aangetroffen, waardoor geen omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd hoeft te worden. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Stikstofdepositie Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied is een AERIUS-berekening uitgevoerd, zie Bijlage 7.

De berekening is uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Hieruit zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 17,8 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,5 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 5,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,2 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat als gevolg van het voorgenomen plan aan de Nijenhaerweg 16 in Beuningen zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van een nadelige depositie van stikstof en ammoniak. Het aspect 'stikstofdepositie' vormt daarmee geen belemmeringen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'natuurwaarden' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

35

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13). Toets Archeologie In het omgevingsplan gemeente Losser, onderdeel 'Buitengebied' is voor het noordelijke gedeelte van het plangebied de archeologische functie 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Voor gronden met deze functie geldt dat bij het realiseren van bouwwerken of het uitvoeren van werkzaamheden in de grond met een oppervlakte van meer dan 2.000 m² en dieper dan 0,3 m een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Met het voorliggende plan vinden er binnen de functie 'Waarde - Archeologie 2' geen werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.000 m² en dieper dan 0,3 m plaats. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. De functie 'Waarde - Archeologie 2' wordt is in voorliggend TAM-omgevingsplan overgenomen. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook is er in de directe omgeving geen monumentale bebouwing aanwezig waar het voorliggende plan invloed op kan hebben. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'archeologie en cultuurhistorie' geen belemmeringen veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling.

4.11

Mobiliteit en parkeren

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte en verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers 2024' (uitgave 744). Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie aan de hand van de CROW-kencijfers wordt voor de stedelijkheidsgraad uitgegaan van 'niet stedelijk' en 'buitengebied'. Er worden met het

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

36

voorliggende plan twee nieuwe vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Voor de compensatiewoningen kan uitgegaan worden van de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Voor de om te zetten bedrijfswoning en de te transformeren schuur kan aangesloten worden op de categorie 'Koop, huis, twee-onder-één-kap'. De maximale verkeersgeneratie per vrijstaande woning bedraagt 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de twee vrijstaande compensatiewoningen komt de verkeersgeneratie daarmee uit op 17,2 verkeersbewegingen per etmaal. De maximale verkeersgeneratie per twee-onder-één-kapwoning bedraagt 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de om te zetten bedrijfswoning en de te transformeren schuur komt de verkeersgeneratie daarmee uit op 16,4 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie afgerond 34 verkeersbewegingen per etmaal (berekening: 17,2+16,4). Het plangebied blijft net als in de huidige situatie ontsloten aan de Nijenhaerweg. Het relatief lage aantal verkeersbewegingen kan gemakkelijk opgevangen worden met de bestaande infrastructuur. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als onder het kopje 'verkeer'.

Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt volgens de CROW-uitgave 'Parkeercijfers 2024' een gemiddelde parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning. Voor de twee vrijstaande compensatiewoningen komt dit neer op 4,2 parkeerplaatsen. Voor een twee onder-één-kapwoning geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Voor de om te zetten bedrijfswoning en de te transformeren schuur komt dit neer op 3,8 parkeerplaatsen. In totaal bedraagt de parkeerbehoefte voor de woningen 8 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de verkeersbewegingen behorende bij het agrarisch bedrijf zijn vervallen. Er zullen geen zware verkeersbewegingen van trekkers, vrachtwagens voor aan- en afvoer melk, etc. plaatsvinden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'mobiliteit en verkeer' geen belemmeringen veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling.

4.12

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Toets Met dit plan worden twee nieuwe vrijstaande compensatiewoningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning en wordt de karakteristieke schuur getransformeerd tot een woning. Uit de analyses blijkt dat het plan voldoet aan de geldende (milieu)normen en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De realisatie van nieuwe woningen kan een bijdrage leveren aan de gezondheid. Immers, goed en veilig wonen is belangrijk voor een gezond leven. De nieuwe woningen voldoen aan de meest recente technische eisen (o.a. gelet op luchtkwaliteit, duurzaamheid etc.). Daarmee wordt goede en geschikte huisvesting gerealiseerd wat een positief effect heeft op de gezondheid.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'gezondheid' geen belemmeringen veroorzaakt

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

37

voor de beoogde ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

38

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw. De gemeentelijke kosten worden verhaald via de legesverordening. Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan.

Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd. Vooroverleg Provincie Overijssel Het plan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie. De provincie Overijssel heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het plan.

Waterschap Vechtstromen Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de 'weging van het waterbelang'. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn en geen bezwaar heeft tegen dit plan.

Participatie Het voorliggende plan is voorgelegd aan de buren. De reacties van de buren waren positief en er zijn vanuit de buurt dan ook geen bezwaren.

Zienswijzen Voorliggend plan heeft met ingang van 11 december 2025 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

39

Hoofdstuk 6 6.1

Toelichting planregels

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het plan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen’ twee compensatiewoningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Losser is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

6.2

Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.

Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Neijenhaerweg 16 te Beuningen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0168.TAM22H- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 6.2.1

Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. 6.2.2

Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

40

begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft de wijze van meten weer. Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. 6.2.3

Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. 6.2.4

Algemene regels voor activiteiten

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelbepalingen; Algemene gebruiksactiviteiten: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. Algemene afwijkingsregels; Overige regels voor activiteiten. 6.2.5

Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

Toelichting op de regels 'Agrarisch' De gronden binnen de functie 'Agrarisch' mogen hoofdzakelijk worden gebruikt als agrarische cultuurgrond, met daaraan ondergeschikt het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden. Het bouwen van gebouwen en overkappingen is binnen deze functie niet toegestaan, met uitzondering van veldschuren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. De veldschuren ter plaatse van deze aanduiding mogen ten hoogste de bestaande oppervlakte, goot- en bouwhoogte en inhoud hebben. 'Wonen' De gronden met de functie 'Wonen' zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen gebouwd worden. Per bouwvlak is één woning toegestaan. De maximale inhoud van de woning bedraagt 750 m³ exclusief kelder. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 4,5 m en 10 m. Verder is er per woning maximaal 100 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. De aanduiding 'karakteristiek' is opgenomen ter plaatse van de karakteristieke schuur waar een woning in gerealiseerd wordt. Voor de woning met de aanduiding 'karakteristiek' geldt dat de uitwendige hoofdvorm van het bestaande gebouw, de bestaande goot- en bouwhoogte en dakvorm gehandhaafd dienen te worden.

De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken voor de woning met de aanduiding 'karakteristiek' bedraagt maximaal 50 m². Voor de sloop van de bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ook voor het realiseren van het landschappelijke inpassingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

41

'Waarde - Archeologie 2' De gronden met de functie 'Waarde - Archeologie 2' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de gebieden met een hoge verwachtingswaarde. Bij activiteiten met een oppervlakte groter of gelijk aan 2.000 m² en een diepte van 0,3 m dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt.

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

42

Bijlagen bij toelichting

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

43

Bijlage 1

Advies Het Oversticht karakteristieke schuur

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

44

Advies voor Nijenhaerweg 16 Beuningen Datum :

29 september 2025

Kader :

advies inzake aanwijzing tot Karakteristieke schuur

Fase

initiatief

:

De schuur is na de oorlog gebouwd in de kenmerkende sobere, maar degelijke stijl.

1. Aanleiding De heer Niels van Benthem van de gemeente Losser heeft het Oversticht gevraagd om een advies te schrijven voor de schuur aan de Nijenhaarweg 16 te Beuningen. Gemeente Losser is bezig met een beleid op basis waarvan mogelijkheden geboden worden om in karakteristieke schuren te gaan wonen. Dit beleid is in voorbereiding maar in dit kader blijkt er een schuur te zijn die niet is meegenomen in de inventarisatie voor karakteristieke erven en panden. Op dit erf wordt door middel van Rood voor Rood de landschapsontsierende bebouwing gesloopt en men wil graag weten of er mogelijkheden zijn om van deze schuur een woning te maken.

Zuidgevel van de schuur

Oostgevel van de schuur

Afbeelding Google Maps. Overzicht van het erf. De schuur is goed te herkennen door de fel oranje pan

Advies schuur aan de Nijenhaerweg 16 Beuningen

Pagina 2 van 7

2. Bevindingen Omschrijving Op 9 juli 2025 is het erf samen met de heer van Benthem van de gemeente bezocht. Hieronder de bevindingen van dit bezoek en het advies.

Afb. Topotijdreis. Kaart van rond 1900. Op dat moment is er nog geen bebouwing aanwezig op deze plek.

Afb. Kaart uit 1980

Advies schuur aan de Nijenhaerweg 16 Beuningen

Afb. Tegenwoordige kaart met omcirkeld het erf

Pagina 3 van 7

Afb. Plantekening uit 1959 met daarop de oude boerderij en de nieuwbouw van het woonhuis vormgegeven als een endskamer

Afb. Plantekening uit 1973. De boerderij is reeds vervangen door een nieuwe schuur en op deze tekening is zichtbaar dat de schuur verlengd gaat worden.

Advies schuur aan de Nijenhaerweg 16 Beuningen

Pagina 4 van 7

Op de eerste tekening uit 1959 is te zien dat de bestaande boerderij werd uitgebreid met een geheel nieuw woonhuis. Dit woonhuis is zodanig geplaatst tegen de oudbouw en vormgegeven, zodat het de suggestie wekt een endskamer te zijn. Het oorspronkelijke voorhuis van de boerderij voldeed niet meer aan de wooneisen van toen en nadat de nieuwe woning gereed was gekomen, is de boerderij verbouwd tot een schuur. Hierbij is de brandmuur verwijderd en is de oorspronkelijke woonkamer bij de deel aangetrokken. De slaapkamers in de zijbeuken van het voorhuis zijn verbouwd tot bergplaatsen, een doucheruimte en een wc. Hoe lang deze situatie nog zo is geweest, is een beetje gissen. Want op de tweede tekening uit 1973 is te zien dat de oude boerderij dan al volledig is vervangen door een nieuwe schuur. De tekening uit 1973 is zelfs een plantekening voor het verlengen van de toen vrij nieuwe schuur. Er was behoefte aan meer stalling van vee en bovendien wordt er op de tekening expliciet een voergoot aangegeven. Op de tekening valt te zien dat de schuur ongeveer 5 meter verlengd werd en dat de gevelopeningen rondom ook weer geheel aangepast werden. Waarschijnlijk is de boerderij vrij snel na het gereedkomen van de nieuwe woning gesloopt en vervangen door de (kortere) nieuwe schuur. Dit zal rond 1965 gebeurd zijn.

In 1973 is de schuur verlengd, voorzien van een nieuwe vloer en zijn hoogstwaarschijnlijk ook de gevels opnieuw opgemetseld, omdat er geen bouwsporen zichtbaar zijn in de zijgevels van de schuur. Ook in het interieur zijn er geen duidelijke sporen aanwezig dat het gedeelte van de schuur uit 1965 gehandhaafd is gebleven. Er lijkt nogmaals vrij rigoureus verbouwd te zijn.

Afb. Uitsnede van de tekening uit 1973. Links de korte schuur, rechts de verlengde. Op de kopgevel aan de voorzijde na, lijkt de schuur geheel vernieuwd te zijn. Alleen het stukje indeling dat raakt aan het voorhuis lijkt bewaard gebleven te zijn. Advies schuur aan de Nijenhaerweg 16 Beuningen

Pagina 5 van 7

Gesteld kan worden dat de basis van het woonhuis zoals deze nu nog is, uit 1959 stamt. De schuur in de huidige verschijningsvorm stamt uit 1973 met mogelijk (her)gebruik van de basis uit 1965. Hiervoor is geen concreet bewijs gevonden.

Afb. Doorkijk in de schuur naar het woonhuis toe gekeken.

Afb. Gave kapconstructie gezien richting de achterzijde van de schuur.

Advies schuur aan de Nijenhaerweg 16 Beuningen

Pagina 6 van 7

3. Advies De onderzochte schuur is de vervanger van een oudere boerderij die op deze plek heeft gestaan. De boerderij is in 1959 reeds verbouwd tot een schuur, tegelijk met de nieuwbouw van een woning (de huidige woning). Vrij kort daarna is de boerderij gesloopt en vervangen door een volwaardige “moderne” schuur zoals je die veel zag in de jaren 60 van de vorige eeuw. In 1973 was uitbreiding van de schuur nodig en is waarschijnlijk de hele basis nogmaals opnieuw opgetrokken. De huidige schuur is daar het resultaat van. * De schuur is dus inmiddels ruim 50 jaar oud en is een goed voorbeeld van een voor die tijd moderne schuur. * Het casco is na die tijd niet meer veranderd. Dat wil zeggen de uiterlijke verschijningsvorm is gaaf en uit de bouwtijd. * Bovendien zijn er reeds veel agrarische gebouwen uit deze periode gesloopt. * De kapconstructie is geheel intact aanwezig. Om reden van de bovengenoemde punten zijn wij van mening dat de schuur genoeg potentie bezit om aangewezen te kunnen worden tot karakteristiek pand in het buitengebied van deze gemeente.

Voorwaarden: Bij het toekomstige transformatieplan tot een woning, moeten de onderdelen van de schuur die de status rechtvaardigen, gerespecteerd worden. Dat wil zeggen behoud van het volume en de verschijningsvorm. De typische schuur indeling met staldeuren en betonnen ramen dient herkenbaar te blijven. De gesloten kap met de oranje pan en de sporenhouten constructie dient gehandhaafd te blijven. Beperk het bijplaatsen van dakramen en zorg dat deze niet aan de straatzijde gesitueerd worden, of in ieder geval zo min mogelijk. Respecteer de sobere uitstraling van de schuur. Geen snijvoegen, witte gevels en bonte windveren toepassen. Eenvoud siert deze schuur.

Advies opgesteld door: T. Temmink, adviseur erfgoed Het Oversticht

Advies schuur aan de Nijenhaerweg 16 Beuningen

Pagina 7 van 7

Bijlage 2

Landschappelijk inpassingsplan

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

52

Beplantingsplan - landschappelijke inpassing erf 1: Erfbos - omzooming erf - 85m2 Vuilboom - Frangula alnus > 15 stuks Gelderse roos - Viburnum opulus > 15 stuks Kardinaalsmuts - Euonymus europaeus > 15 stuks Krent - Amelanchier lamarckii > 10 stuks Lijsterbes - Sorbus aucuparia > 15 stuks Vlier - Sambucus nigra > 15 stuks Plantmaat 80-100, 1st/m2, driehoeksverband Beheer: 1e 3 jaar uitmaaien, vervolgens 1x10 jaar max 20% dunnen. 2: Bomenrij - esrand beplanten met bomen - 3 stuks Zomerlinde - Tilia platyphyllos > 3 stuks Boommaat 14-16, hoogstam, variërende tussenafstanden. 3: Hoogstam fruitboomgaard - 6 stuks Appel, peer, pruim, kers > 6 stuks. Boommaat 10-12, hoogstam, tussenafstand 6 meter.

1

4: Wadi t.b.v. waterberging Wadi ontgraven, afkoppelen hemelwater, ter infiltratie in de bodem. Taluds en bodem inzaaien met een meerjarig inheems kruidenmengsel. Beheer: 2x per jaar maaien, maaisel na 4-5 dagen afharken en afvoeren.

2

21

5: Erfbos - omzooming erf - 270m2 Vuilboom - Frangula alnus > 45 stuks Gelderse roos - Viburnum opulus > 45 stuks Kardinaalsmuts - Euonymus europaeus > 45 stuks Krent - Amelanchier lamarckii > 40 stuks Lijsterbes - Sorbus aucuparia > 45 stuks Vlier - Sambucus nigra > 45 stuks Plantmaat 80-100, 1st/m2, driehoeksverband Beheer: 1e 3 jaar uitmaaien, vervolgens 1x10 jaar max 20% dunnen.

03273G0000

3 4

6: Erfbos - omzooming erf - 110m2 Vuilboom - Frangula alnus > 15 stuks Gelderse roos - Viburnum opulus > 25 stuks Kardinaalsmuts - Euonymus europaeus > 25 stuks Krent - Amelanchier lamarckii > 10 stuks Lijsterbes - Sorbus aucuparia > 15 stuks Vlier - Sambucus nigra > 20 stuks Plantmaat 80-100, 1st/m2, driehoeksverband Zomerlinde - Tilia platyphyllos > 2 stuks Boommaat 14-16, hoogstam, variërende tussenafstanden. Beheer: 1e 3 jaar uitmaaien, vervolgens 1x10 jaar max 20% dunnen.

Bestaande woning

16

6

9

Nieuwe woning

5

17

,3

3

3 ,5

7: Erfbos - omzooming erf - 230m2 Vuilboom - Frangula alnus > 40 stuks Gelderse roos - Viburnum opulus > 40 stuks Kardinaalsmuts - Euonymus europaeus > 40 stuks Krent - Amelanchier lamarckii > 40 stuks Lijsterbes - Sorbus aucuparia > 40stuks Vlier - Sambucus nigra > 40 stuks Plantmaat 80-100, 1st/m2, driehoeksverband Winterlinde - Tilia cordata > 2 stuks Zoete kers - Prunus avium > 2 stuks Tamme kastanje - Castanea sativa > 2 stuks Boommaat 14-16, hoogstam, variërende tussenafstanden. Beheer: 1e 3 jaar uitmaaien, vervolgens 1x10 jaar max 20% dunnen.

6

9

8

10

12

8

8: Hoogstam fruitboomgaard - 5 stuks Appel, peer, pruim, kers > 5 stuks. Boommaat 10-12, hoogstam, tussenafstand 6 meter.

10

9 5 ,9

11 8

10

8,

15

99 9

15

12

5 ,1

6

10: Gemengde haag - 24 meter Veldesdoorn - Acer campestre > 64 stuks Liguster - Ligustrum vulgare > 64 stuks. Haagmaat 60-100cm, dubbele plantrij, 7 stuks per meter.

9

Aanwezige bomen

9: Solitaire bomen - 2 stuks Walnoot - Juglans regia > 2 stuks. Boommaat 14-16, hoogstam, solitaire aanplant.

8

LEGENDA:

Compensatiewoning

Compensatiewoning

21

11: Boom planten in de rij - 1 stuks Zomerlinde - Tilia platyphyllos > 1 stuks Boommaat 14-16, hoogstam, planten in de rij.

Aanwezig houtopstanden, houtsingels en erfbosjes

13

12: Erfbos - omzooming erf - 180m2 Vuilboom - Frangula alnus > 30 stuks Gelderse roos - Viburnum opulus > 35 stuks Kardinaalsmuts - Euonymus europaeus > 35 stuks Krent - Amelanchier lamarckii > 20 stuks Lijsterbes - Sorbus aucuparia > 30 stuks Vlier - Sambucus nigra > 30 stuks Plantmaat 80-100, 1st/m2, driehoeksverband Beheer: 1e 3 jaar uitmaaien, vervolgens 1x10 jaar max 20% dunnen.

Verwijderen bomen

7

Nieuwe (fruit)bomen

13: Bomenrij - 2 stuks Winterlinde - Tilia cordata > 2 stuks Boommaat 14-16, hoogstam, variërende tussenafstanden. Nieuwe erfbos / houtsingel

Planning: na vaststelling bestemmingsplan wordt in het 1e plantseizoen (najaar) - elementen 1 t/m 5 gerealiseerd / geplant. Binnen één jaar na voltooiing van de compensatiewoningen worden in het najaar de elementen 6 t/m 13 geplant.

Verwijderen hagen

Nieuwe hagen

LSR00A 03747G0000

Landschapstype: Essenlandschap Project

Erfinrichtingstekening Tijkotte

Compensatiewoning - 2 stuks incl. bijgebouwen. Nieuwe woning in karakteristiek gebouw incl. bijgebouw.

Planlocatie

Nijenhaarweg 16 te Beuningen Getekend door

Niels Borgerink Laatste gewijzigd op

Te slopen opstallen

17-09-2025 Datum

26-03-2025 Paginaformaat

A2 liggend Schaal

1 : 500

Bezoekadres/Postadres: Westenveldweg 9 7634 PW Tilligte Contact: Telefoon: (0541) 725 005 Mobiel: (06) - 531 988 54 E-mail: info@borgerinkgroendesign.nl w w w . b o r g e ri n k g r o e n d e sig n . nl

Bijlage 3

Rapportage Landschappelijk inpassingsplan

TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h, Buitengebied, Nijenhaerweg 16 te Beuningen NL.IMRO.0168.TAM22H-0401

54

Rapportage - Landschappelijke inpassing ‘Nijenhaerweg 16 te Beuningen’

ORGERINK Rapportage laatst gewijzigd op 17 september 2025

GROENDESIGN Creatieve vormgeving

Landschappelijke inpassing ‘Nijenhaarweg 16 te Beuningen’

Opdrachtgever: Adres

Nijenhaerweg 16 7588 RB Beuningen (OV)

Opdrachtnemer: Borgerink Groendesign BV Postadres Westenveldweg 9 7634 PW Tilligte Bezoekadres Westenveldweg 9 7634 PW Tilligte Telefoon +31 (0)6 53 19 88 54 +31 (0)541 527 007 Email info@borgerinkgroendesign.nl Website www.borgerinkgroendesign.nl Auteur Ing. Niels Borgerink GROENDESIGN

ORGERINK Creatieve vormgeving

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=8b613353-9ce7-4898-be63-9f005111f6fb