CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Buitengebied Haweg ong. Glane en Wiggersweg 1 Losser

Raadsvergadering 2 juni 2026, gemeente LosserBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Buitengebied Haweg Glane en Wiggersweg 1 Losser25.443 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 17. Kaart laag van het agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel) De planlocatie aan de Haweg (nabij Glane) is gelegen in het Jonge heide- en broekontginningslandschap. In paragraaf 2.2.1.2 is de gebiedsbeschrijving van het Jonge heide- en broekontginningslandschap. De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De locatie wordt landschappelijk ingepast met kleinschalige landschapselementen. Het landschappelijke inpassingsplan is toegelicht in paragraaf 2.4.2. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkelingen aansluiten bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Overijssel. De stedelijke laag: verspreide bebouwing De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en 29

waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infrastructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, maar daarbij wordt de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker. De ontstaansgeschiedenis is medebepalend voor de huidige identiteit en terug te vinden in de ruimtelijke opbouw van de kernen, maar ook in de economische en sociale dynamiek. Daarnaast hebben door de tijd heen veranderende ideeën over de ideale vormgeving van de stad invloed gehad op de ruimtelijke opbouw. Cultuurhistorisch of architectonisch waardevolle gebouwen en structuren zijn hierbij vaak bepalend voor de stedelijke identiteit en de belevingswaarde voor bewoners en bezoekers. Zo is in Overijssel een rijk palet ontstaan aan onderscheidende steden en dorpen. Elk met een eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteit. In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de stedelijke laag.

Figuur 18. Kaart stedelijke laag (bron: provincie Overijssel) De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broeken heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan. Bij de transformatie van de erven vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. Daarbij heeft de oorspronkelijke ‘eenheid in handelen’, waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaats gemaakt voor ‘diversiteit in handelen’: iedereen doet op zijn erf zijn eigen ‘ding’. De erven gaan daardoor binnen de landschappelijke eenheid steeds meer van elkaar verschillen.

Nieuwe functies bepalen het 30

aangezicht: of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding er omheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (kleine erf, dicht in de beplantingen en een paardenweide). Deze verschillen zijn zowel in het landschap - als op luchtfoto’s - heel goed te zien. De ambitie is Levende erven! Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen. Deze robuuste erfensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra (vervangende) bebouwing een alternatief bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale / regionale sociaal-economische ontwikkeling. Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een kans om unieke, echt Overijsselse woon/werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie.

Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken als identiteitsdrager van erftransformaties benut. Gebiedsgewijze aanpak van herstel erven en bebouwing volgens het ‘Streekeigen huis en erf’ concept. De ontwikkeling van nieuwe erven draagt bij aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd. Toetsing: De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie.

Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De kenmerkende erfstructuur blijft op deze wijze behouden en de ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving. De ontwikkelingen worden landschappelijk ingepast met kleinschalige landschapselementen. Het landschappelijke inpassingsplan voor beide locaties is toegelicht in paragraaf 2.4. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkelingen aansluiten bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Overijssel.

4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017 De Omgevingsverordening Overijssel 2017 bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Overijssel naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch worden verankerd. Het initiatief heeft betrekking op de volgende onderwerpen: ‘Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’, ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving’ en ‘Realisatie van nieuwe woningen’. De artikelen 2.1.3, 2.1.6 en 2.2.2 uit de Omgevingsverordening Overijssel worden hierna beschreven en getoetst.

4.2.2.1 Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Artikel 2.1.3 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra 31

ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaak t: dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing: De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De overige bebouwing wordt planologisch als bijgebouw aangewezen. De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De kenmerkende erfstructuur blijft op deze wijze behouden en de ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving.

De voorgenomen ontwikkelingen sluiten daarmee aan bij de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. 4.2.2.2 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Artikel 2.1.6 Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde inartikel 2.1.3. en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing: Zoals in paragraaf 2.1 al beschreven is in dit geval sprake van een uitzonderlijke situatie die is ontstaan vanuit het landinrichtingsproject Losser-Zuid. Als gevolg van de aldaar ontstane situatie wordt ter compensatie voor het niet realiseren van een melkveebedrijf, o.a. aan de Haweg een nieuwe woning gerealiseerd. Deze woning wordt gerealiseerd op de plek van een te saneren mestzak. Op deze locatie wordt de huidige agrarische functie gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De impact van een woning is op deze plek beperkt.

De locatie is reeds ontsloten op de openbare weg met een bestaand inrit. Deze inrit kan worden gehandhaafd. Het initiatief leidt tot een kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving. Deze kwaliteitsimpuls vertaald zich onder andere in: het niet realiseren van een melkveebedrijf; het saneren van een solitaire bestaande mestzak; functieverandering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie; het versterken van de landschappelijke kwaliteit door de landschappelijke inpassing van beide locaties (zie paragraaf 2.4).

32

4.2.2.3 Realisatie nieuwe woningen Artikel 2.2.2 Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Toetsing: De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De overige bebouwing wordt planologisch als bijgebouw aangewezen. De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De kenmerkende erfstructuur blijft op deze wijze behouden en de ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving.

De woningen worden met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen gerealiseerd en voldoen aan de kwalitatieve behoefte in de markt. Bovendien wordt er gebouwd voor lokale behoefte. 4.2.3 Conclusie De ontwikkelingen zijn in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijke beleid.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie De Omgevingsvisie gemeente Losser geeft een toekomstbeeld voor de periode tot 2040. Het centrale uitgangspunt is dat bij alle ambities en speerpunten de landschappelijke waarden en kwaliteiten centraal staan. De landschappelijke kwaliteiten vormen het fundament onder de Omgevingsvisie. Losser heeft in de Omgevingsvisie vier overkoepelende ambities gedefinieerd: 1. 2. 3. 4.

Een herkenbaar en gastvrij Losser Een leefbaar en gezond Losser Een toekomstgericht Losser Een innovatief en ondernemend Losser

Landelijk gebied Losser wil het landelijk gebied vitaal houden. Het is een grote uitdaging om verpaupering te voorkomen en bestaande bebouwing overeind te houden. Losser biedt daarom meer ruimte voor (economische) activiteiten op voormalige bedrijfslocaties. Hoewel ze de focus leggen op bestaande bebouwing, wordt het oprichten van nieuwe bebouwing niet volledig uitgesloten. Ook op dit vlak wil de gemeente maatwerk bieden. Wel vinden ze de aspecten zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit erg belangrijk. 4.3.1.1 Gebiedskompassen Gebiedskompas – Op het vlakke land De planlocaties zijn onderdeel van het vlakke land. Dit deelgebied in het noordoosten en de zuidelijke helft van de gemeente kent een relatief grootschalig agrarisch gebruikslandschap. Rationele verkaveling, rechte lijnen en een landschap dat meer open is dan in de andere gebieden. In hoogte ligt dit deelgebied tussen de stuwwal en het beekdal. 33

De basisfunctie van dit deelgebied is grondgebonden landbouw, met name melkveehouderij. Agrariërs zijn medevormgevers van het landschap. Feit is bijvoorbeeld dat de bedrijven groeien in omvang maar dalen in aantal. Dit heeft een weerslag op het landschap. In het noordoostelijke deel bevinden zich de natuurgebieden Punthuizen, Stroothuizen en het Beuninger Achterveld. Deze gebieden makenonderdeel uit van Natura 2000-gebied ‘Dinkelland’ De gemeente Losser heeft een ‘lange grens’ met Duitsland en is daarin uniek in Nederland. Dit deelgebied ligt in het oosten en zuiden langs de grens. Vanwege het toekomstperspectief voor de landbouw is de gemeente terughoudend met alternatieve functies in het landelijk gebied. De gemeente ziet in dit deelgebied, en met name in het zuidelijke deel de landbouw als leidende functie. Toetsing: De planlocaties zijn gelegen in het zuidelijke deel van de gemeente Losser. Zoals aangegeven is de gemeente in dit gebied terughoudend met alternatieve functies. Echter is het met toepassing van maatwerk wel mogelijk om nieuwe bebouwing op te richten. Er is daarom ook sprake van maatwerk. De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie.

De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De overige bebouwing op het erf worden planologische als bijgebouwen aangemerkt. De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. De ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de fysieke leefomgeving. 4.3.1.2 Conclusie De ontwikkelingen zijn in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Losser verwoorde ruimtelijke beleid. Verder toetsing aan de Omgevingsvisie Losser is niet nodig.

4.3.2 Welstandsnota De Welstandsnota Losser is in 2013 in werking getreden. Op basis van een waardering van de bebouwing in haar omgeving met de daarbij behorende ambitiebepaling is het grondgebied van de gemeente Losser ingedeeld in welstandsvrij gedeeltes en twee niveaus van welstand, te weten: niveau 1 en niveau 2. In de welstandsvrije gebieden geldt geen welstandstoezicht. In de gebieden met een welstandsniveau 1 geldt een welstandsbeleid dat erop gericht is om de basiskwaliteit van het gebied te behouden. Het welstandsbeleid in de gebieden met een welstandsniveau 2 is gericht op het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteiten. De plangebieden worden op bassis van de welstandsnota gerekend tot het buitengebied. Ter plaatse van beide locaties geldt welstandsniveau 1. In onderstaande figuur is een uitsnede weergeven van de kaart behorend bij de welstandsnota.

34

Figuur 20. Uitsnede kaart welstand (bron: gemeente Losser).

4.3.2.1 Welstandsniveau 1 Het gaat te ver om alle in de welstandsnota geformuleerde criteria te weergeven. Daarom worden hierna enkel de voor dit plan belangrijkste criteria weergeven. Materiaal en kleur: Gelijk aan het bestaande/ oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik. Detaillering: Identiek aan de bestaande bouw. Boeien maximaal 30 centimeter hoog. Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen: Plat afgedekt of kapvorm en hellingshoek gelijk aan de bestaande bouw. 35

Geen gesloten gevels aan de voorzijde. Dakkapellen: Plat afgedekt of kapvorm. Voorzijde: maximaal 1,50 meter hoog en 1 meter dakvlak rondom vrijlaten. Achterzijde: maximaal 1,75 meter hoog en 0,5 meter dakvlak rondom vrijlaten. Erkers: Plat afgedekt of kapvorm. Binnen het gevelvlak. Een lage (60 centimeter) plint is toegestaan, met daarboven uitsluitend open delen of de erker bestaat uitsluitend uit open delen (zonder plint). Gevelwijzigingen: De bestaande vorm van de gevelopening wijzigt niet. Toetsing Op dit moment zijn er nog geen concrete ontwerpen van de nieuwe woningen beschikbaar. Bij het ontwerp van de woningen zal rekening worden gehouden met de van toepassing zijnde welstandscriteria. 4.3.2.2 Conclusie Bij de voorgenomen ontwikkelingen zullen de van toepassing zijnde welstandscriteria in acht worden genomen. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling op de locaties passen binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de welstandsnota van de gemeente Losser.

36

Hoofdstuk 5 5.1

Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving

Milieu

5.1.1 Activiteiten en milieuzonering In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen.

Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige objecten die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader. In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten. Het plangebied aan de Wiggersweg 1 is gelegen in een gebied dat kan worden gezien als een "gemengd gebied". Het plangebied aan de Haweg is gelegen in een gebied dat niet kan worden gezien als een "gemengd gebied".

Daarom wordt het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als "rustige woonwijk" of "rustig buitengebied". De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd. Woningen zijn geen inrichtingen die mogelijk hinder aan de omgeving veroorzaken Er is daarmee geen sprake van een onevenredige hinder aan de omgeving. Als sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw of als een bestaand gevoelig gebouw van functie verandert dan is het belangrijk dat dit nieuwe of gewijzigde gevoelige gebouw niet zal leiden tot een 37

beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven. Bij de ontwikkelingen op beide locaties is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Daarom is tevens gekeken naar de afstand van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. De planlocatie aan de Wiggersweg 1 bevindt zich aan de rand van een bestaand gezoneerd industrieterrein.Ten oosten van de locatie bevinden zich meerdere bedrijven. In het dichtstbijzijnde bedrijfspand zit een autodealer en een charging station voor elektrische auto's. Ten aanzien van een bedrijf dat handelt in auto's en motorfietsen en reparatie- en servicebedrijven zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 100 meter. Gevaar: 10 meter. De autodealer bevindt zich aan de Gronausestraat 294 en is gelegen op een afstand van circa 22,75 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstand voor geluid voldaan. Echter is het niet de verwachting dat het bedrijf in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Bovendien betreft het een richtafstand waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Om dit aantoonbaar te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.1.4 wordt hier nader op in gegaan. De planlocatie aan de Haweg (nabij Glane) bevindt zich in het buitengebied.

Ten noordoosten van de locatie bevindt zich een rundveehouderij. Ten aanzien van het fokken en houden van rundvee zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. De rundveehouderij bevindt zich aan Glanebrugdijk 12 en is gelegen op een afstand van circa 250 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Alle andere omliggende (agrarische)bedrijven zijn op een grotere afstand gelegen van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zullen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. 5.1.2 Geur Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. 38

De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe burgerwoning gerealiseerd. Een woning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zullen de voorgenomen ontwikkelingen op beide locaties niet leiden tot een toename van de geurbelasting op gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Een burgerwoning dient te worden beschouwd als een gevoelig object op het gebied van geur. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. De afstand van de nieuw toe te voegen burgerwoning (rijksmonument) aan de Wiggersweg 1 en de dichtstbijzijnde stal van de rundveehouderij aan de Leusinkweg 21 bedraagt circa 270 meter. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur worden geborgd. De afstand van de nieuw toe te voegen burgerwoning aan de Haweg en de dichtstbijzijnde stal van de rundveehouderij aan de Glanebrugdijk 12 bedraagt circa 250 meter.

Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur worden geborgd. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur. 5.1.3 Luchtkwaliteit Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten: die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied.

Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied. Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. De voorgenomen ontwikkeling aan de Wiggersweg 1 voorziet in functieverandering (transformatie) van een voormalig agrarische bedrijfslocatie. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Het erf wordt ingericht met wonen als hoofdfunctie. De bestaande boerderij behoudt de woonfunctie. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd. Na aanpassing van het omgevingsplan zijn ter plaatse drie woningen toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling aan de Haweg voorziet in het saneren van een solitaire bestaande mestzak. De agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Vervolgens wordt ter plaatse een nieuwe 39

burgerwoning gerealiseerd. Beide voorgenomen ontwikkelingen betreffen geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkelingen op beide locaties niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien er sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkelingen geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 5.4) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkelingen is sprake van het toevoegen van nieuwe burgerwoningen. Een burgerwoning dient te worden beschouwd als een gevoelig object op het gebied van luchtkwaliteit. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Daarbij zijn de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden leidend. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse van de locatie ongeveer 14 (fijnstof) en 9 µg/m³ (stikstofoxiden).

De achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden bedragen daarmee ter plaatse (aanzienlijk) minder dan 40 µg/m³, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

40

Figuur 21. Uitsnede achtergrondconcentratie fijnstof (bron: Atlas van de leefomgeving).

Figuur 22. Uitsnede achtergrondconcentratie stikstof (bron: Atlas van de leefomgeving). Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 41

5.1.4

Geluid

5.1.4.1 Geluid vanuit activiteiten Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

5.1.4.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Wanneer een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie verandert dan dient te worden bekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het omgevingsplan. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen dient binnen de aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. Aan de Wiggersweg 1 wordt de nieuwe woning op voldoende afstand van de omliggende wegen gerealiseerd.

Het zijn, met uitzondering van de Gronausestraat, bovendien allen wegen met een lage verkeersintensiteit. Voor de Gronausestraat geldt ter plaatse van het plangebied aan de Wiggersweg bovendien dat de maximale snelheid 50 km/uur bedraagt en de woning op ruim 100 meter uit de as van de weg ligt. De maximale gevelbelasing zal ter plaatse van deze woningen dan ook niet de maximale grenswaarde overschrijden. Aan de Haweg is sprake van het oprichten van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Om aan te tonen dat ter plaatse van de nieuwe woning aan de standaard grenswaarden wordt voldaan is is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ook de gevelbelasting op de gevels van deze woning binnen de wettelijke norm blijft. Daarbij dient de woning minimaal 15,5 meter uit de as van de Haweg gebouwd te worden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van de Haweg. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden 42

aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkelingen is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Wel is er sprake van industrielawaai van bedrijven die niet zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein beoordeeld (paragraaf 5.1.1). De afstand van deze bedrijven ten opzichte van de planlocatie aan de Wiggersweg 1 geven aanleiding om aan te nemen dat de betreffende bedrijven beperkt kunnen worden in de bedrijfsvoering. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In onderstaande tabel staat een overzicht van de geluidsbelastingen op de twee nieuwe woonbestemmingen weergeven. Geconcludeerd wordt dat de geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en dat het dus mogelijk is om af te wijken van de richtafstanden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 van deze onderbouwing.

*Het rijksmonument is gelegen op groter afstnad dan de voormalige bedrijfswoningen kalverenstal en zal derhalve aan de normen voldoen. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 5.4) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Gezien het voorgaande is geen sprake van mogelijke belemmeringen op het aspect geluid. 5.1.5 Externe veiligheid Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over externe veiligheid. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van externe veiligheid wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico: In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, mits goed gemotiveerd, van afwijken. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed gemotiveerd, maatwerk toepassen. Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle 43

activiteit wil toelaten of vergunnen. Groepsrisico: Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor externe veiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het voormalige Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. 5.1.5.1 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet aan te merken als een risicovolle inrichting. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. Daarmee zijn de risico's voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd.

Verder dient te worden onderzocht of nabij de locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende figuur is een uitsnede uit deze kaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle activiteiten nabij de locatie zijn opgenomen.

44

Figuur 23. Uitsnede Risicokaart (bron: Atlas van de Leefomgeving). De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico. Daarmee zijn de risico's voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd. 5.1.5.2 Groepsrisico Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied dient een aanvullende afweging te worden gemaakt ten aanzien van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen. De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtszones is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd. Ook de aandachtsgebieden zijn geïnventariseerd en in beeld gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Zoals te zien in de uitsnede van deze kaart, zoals is opgenomen in de paragraaf "Plaatsgebonden risico" (paragraaf 5.1.5.1), is de locatie niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden gelegen. Met de voorgenomen ontwikkelingen is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van het groepsrisico. 5.1.6 Bodem Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is een belangrijk uitgangspunt het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Daarnaast is een afweging nodig van de balans tussen milieu- en gezondheidsrisico’s enerzijds en maatschappelijk gewenste activiteiten anderzijds wanneer sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten dienen hiervoor regels in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Losser heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft 45

vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving inzake bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het gebruik van stoffen die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Een mogelijke uitzondering daarop is het eventueel lekken van olie uit de ter plaatse gestalde voertuigen. De vloeren in de bedrijfsbebouwing worden echter geheel vloeistofdicht uitgevoerd, waardoor er geen olie de bodem in kan lekken. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke bodemverontreiniging als gevolg van de uitgevoerde activiteiten. Op de lcoatie aan de Wiggersweg 1 wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. De huidige bedrijfswoning blijft in gebruik als burgerwoning. Daarnaast worden in de voormalige kalverenschuur en in het rijksmonument een woning gerealiseerd.

Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en er vinden dus geen bodemingrepen plaats waardoor een bodemonderzoek niet nodig wordt geacht. Aan de Haweg (nabij Glane) bevindt zich een bestaande mestopslag. Dit betreft een vloeistofdichte voorziening. Ter plaatse wordt daarom geen bodemverontreiniging verwacht. Een bodemonderzoek wordt niet nodig geacht. De voorgenomen ontwikkelingen hebben daarmee geen betrekking op activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen en vindt niet plaats ter plaatse van een mogelijk verontreinigde bodem Er zijn daarmee ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijke belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect bodem. 5.1.7 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Momenteel is er nog geen toereikend onderzoek beschikbaar waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden.

Daarnaast zijn er nog geen vaste richtlijnen voor het al dan niet hanteren van zogenaamde spuitzones rondom gevoelige gebouwen, waarbinnen geen gebruik mag worden gemaakt van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Wetenschappelijk is het niet aan te geven hoe groot de afstand tussen een perceel waarop wordt gespoten en een gevoelig gebouw zou moeten zijn. Zonder aanvullende maatregelen wordt doorgaans een richtafstand van 50 meter gehanteerd. Dit wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In sommige gevallen kan, wanneer voldoende maatregelen worden getroffen of wanneer het niet aannemelijk is dat op de gronden op agrarische percelen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, een afwijkende afstand worden aangehouden. Daarnaast kunnen gemeenten specifieke richtlijnen opnemen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het omgevingsplan. In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.

Effecten gewasbeschermingsmiddelen door ter plaatse uitgevoerde activiteiten: Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico's voor de 46

gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Effecten gewasbeschermingsmiddelen door activiteiten in de omgeving: Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Met het initiatief wordt gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Daarmee kan op de locatie sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen. In de buurt van de locatie wordt echter geen bomenteelt en/of akkerbouw uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor de gezondheid op de locatie door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen. 5.1.8 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen.

Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de locaties zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen. 5.1.9 Voortoets MER-beoordeling Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Bij de voorgenomen ontwikkeling aan zowel de Wiggersweg 1 en de Haweg is sprake van het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die zijn opgenomen in de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit en/of waarvoor een beoordelingsplicht geldt. De ontwikkelingen zullen daarom niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten, waarmee een verdere beoordeling niet nodig is. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een activiteit die aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee dan ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

47

5.2

Ecologie

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden valt daarmee onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen op in de eigen omgevingsvisie. Daarnaast kunnen provincies nadere regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan. Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij eveneens het Natuurnetwerk Nederland beschermd dient te worden. 5.2.1 Natura 2000-gebieden Om de natuur te beschermen, geeft de Rijksoverheid regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Wanneer een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig. Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Zoals te zien in de volgende figuur zijn beide locaties niet gelegen in een Natura 2000.Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Dinkelland is gelegen op een afstand van circa 300 meter van de planlocatie aan de Wiggersweg 1. De planlocatie aan de Haweg (nabij Glane) is gelegen op een afstand van circa 475 meter van het betreffende Natura 2000-gebied.

48

Figuur 24. Uitsnede Natura 2000 kaart (bron: provincie Overijssel). Op een dergelijke afstand zijn nadelige gevolgen als de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen uit te sluiten. Deze zullen in de betreffende gebieden op een dergelijke afstand immers niet merkbaar zijn. Wel kunnen mogelijk nadelige gevolgen optreden als gevolg van de depositie (neerslag) van stikstof in de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkelingen is geen sprake van een veehouderij en/of een activiteit met een emissie van ammoniak Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.4.2), niet onevenredig toenemen. De afname van de depositie van stikstof door de beëindiging van de emissie van ammoniak zal groter zijn dan de eventuele toename van de depositie door een mogelijk toenemende emissie van stikstofoxiden vanuit de verkeersbewegingen. Ten behoeve van het initiatief is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Uit dit onderzoek blijkt dat: Op basis van de AERIUS-berekeningen is er sprake van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ten tijde van het feitelijke planologische en legale gebruik is er sprake van een referentiesituatie op beide locaties.

Op basis van de resultaten van de AERIUS verschilberekeningen met het feitelijke planologische en legale gebruik (intern salderen) is geen sprake van een toename in depositie. Dit leidt tot de conclusie dat er geen significante negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden zijn te verwachten. Het volledige stikstofdepositieonderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

49

5.2.2 Houtopstanden De Omgevingswet geeft regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. In feite gelden de regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen. Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden als uitzondering vanuit het Bal. Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels: Houtopstanden op erven of in tuinen. Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld. Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen. Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar. Kweekgoed. Populieren of wilgen van: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen; 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=e2bddeaa-57ae-4bae-a447-c8b63ecd94c7