CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

ROB diverse woningen De Lutte v4 incl. bijlagen

Raadsvergadering 9 juli 2024, gemeente LosserBij agendapunt: Afwijken bestemmingsplan tbv bouw 10 woningen Luttermolenveld33.015 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2

Verantwoording

Ten tijde van de bestemmingsplanprocedure van bestemmingsplan “Luttermolenveld 2008” is reeds een bodemonderzoek uitgevoerd. Aangenomen wordt dat er in de tussentijd geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden aangezien de gronden sindsdien braak hebben gelegen. Redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen met tuin), temeer omdat de gronden reeds zijn voorzien van een woonbestemming. Het uitvoeren van een nieuw bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. 4.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend project.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Verantwoording

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied weergegeven, de percelen zijn met rood omcirkeld.

Afbeelding 4.1:

Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het projectgebied: • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

• •

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; wel gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Ten zuiden van het projectgebied bevinden zich vervoerswegen voor gevaarlijke stoffen, namelijk de snelweg A1 en het spoortracé Hengelo – Bad Bentheim. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het planologisch toevoegen van 5 woningen, waarvan 3 in een explosieaandachtsgebied gelegen van voorgenoemde risicobronnen. Gelet op vorenstaande is advies ingewonnen bij de brandweer Twente. Het advies wordt hieronder beknopt besproken, de volledige reactie is opgenomen in bijlage 3 van deze onderbouwing. Advies brandweer Twente Over de snelweg en het spoortracé worden gevaarlijke stoffen vervoerd, hiervoor gelden de scenario’s brand, explosie en gifwolk. De brandweer heeft adviespunten geformuleerd met betrekking tot deze risico’s op het gebied van beheersmaatregelen en zelfredzaamheid. Beheersmaatregelen Ten aanzien van het spoortracé dient specifiek opgemerkt te worden dat er op basis van landelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden meteen verhoging van het aantal vervoersbewegingen met gevaarlijke stoffen over het spoortracé. De effecten zullen waarschijnlijk niet veranderen, maar een toename van het goederenvervoer kan wel de kans op incidenten vergroten. Daarnaast gaan erin praktijk nu ook meer gevaarlijke stoffen over het spoortracé. De brandweer adviseert om deze landelijke ontwikkelingen te volgen en indien nodig daarop te anticiperen.

Zelfredzaamheid Voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid, ofwel het vermogen voor mensen om zich zelfstandig in veiligheid te kunnen brengen, is een belangrijke voorwaarde voorde beperking van slachtoffers. Kijkend naar het omgeving zijn er mogelijkheden om van de risicobron af te vluchten. Afhankelijk van de afstand tot aan het incident kan de woning eveneens bescherming bieden door bijvoorbeeld te schuilen, ramen en deuren te sluiten en de mechanische ventilatie uit te schakelen. De brandweer adviseert om woningen die geschikt zijn voor senioren of zorgwoningen bij voorkeur op een afstand van meer dan 200 meter van Rijksweg A1 te plaatsen. Er wordt echter vermeld dat de woningen niet specifiek ontworpen zijn als levensloopbestendig of voor de huisvesting van senioren. Er wordt geadviseerd om de toekomstige bewoners te informeren over de risico’s van de snelweg en het spoortracé en het mogelijke handelingsperspectief in geval van een incident. Mogelijk kan worden aangesloten bij het risico communicatietraject dat momenteel voor het spoortracé loopt en door Veiligheidsregio Twente wordt geïnitieerd. 4.4.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

•

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven, winkels, horeca of kantoren) voor. Van een ‘gemengd gebied’ is sprake indien direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook de aanwezigheid van verkeersaders kan een hogere milieubelasting in het gebied veroorzaken dan aanwezig is in een rustige woonwijk. De Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-publicatie is afgestemd op het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Deze richtafstanden kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Voor het projectgebied is omgevingstype ‘rustige woonwijk’ van toepassing. Het gaat hier om een woonwijk waar geen sprake is van functiemenging. Welke richtafstanden gelden voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ is hieronder weergegeven.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie projectgebied

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er dient bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd gaat worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: • •

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘Wonen’ betreft geen milieubelastende functie en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Vorenstaande betekent dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende bebouwing. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. De functie in het projectgebied wordt aangemerkt als milieugevoelige functie. In de onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van de percelen binnen het projectgebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevel van de nieuwe woning en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie

Milieucategorie

Sporthal Kroepsweg 1

3.1

Richtafstand ‘rustige woonwijk’ 50m

Bedrijven gevestigd aan Luttermolenweg Luttermolenweg

Maximaal 3.1

50m

Bedrijven gevestigd aan de Ambachtstraat Ambachtstraat

Maximaal 2

30 m

Daadwerkelijke afstand (circa) Perceel 1: ca. 438 m Perceel 2: ca. 411 m Perceel 3: ca. 263 m Perceel 4: ca. 314 m Perceel 5: ca. 438 m Perceel 6: ca. 284 m Perceel 1: ca. 370 m Perceel 2: ca. 420 m Perceel 3: ca. 270 m Perceel 4: ca. 390 m Perceel 5: ca. 422 m Perceel 6: ca. 360 m Perceel 1: ca. 180 m Perceel 2: ca. 405 m Perceel 3: ca. 437 m Perceel 4: ca. 626 m Perceel 5: ca. 260 m Perceel 6: ca. 656 m

Op basis van bovenstaande tabel voldoet het projectgebied ruimschoots aan alle richtafstanden. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. Omgekeerd wordt omliggende bedrijvigheid niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. 4.5.4

Conclusie

Gezien het feit dat wordt voldaan aan alle richtafstanden wordt geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet Natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Op circa 800 meter afstand van het projectgebied bevindt zich het dichtst bijliggende Natura 2000-gebied ‘Dinkelland’. Om de mogelijke stikstofdepositie op deze gebieden te onderzoeken is een AERIUS-onderzoek uitgevoerd. In bijlage 2 is dit onderzoek opgenomen, de resultaten worden in onderstaande tekst kort beschreven. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Binnen en aangrenzend aan het projectgebied liggen geen gronden die behoren tot het NNN. Het projectgebied bevindt zich in een woonwijk en heeft reeds de woonbestemming. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aantast. 4.6.3

Soortenbescherming

4.6.3.1 Algemeen Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.6.3.2 Situatie projectgebied De huidige inrichting en het beheer maken het projectgebied tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Het projectgebied is onbebouwd en bestaat volledig uit grasland. Daarnaast wordt dit grasland periodiek onderhouden (maaien).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

Door uitvoering van de voorgenomen activiteit wordt verwacht dat er geen beschermde soorten verstoord, beschadigd of gedood worden en er wordt geen beschermd functioneel leefgebied van bepaalde soorten zoals bijvoorbeeld vleermuizen aangetast. Daarnaast wordt gesteld dat het projectgebied, mede gelet op de terreingesteldheid en het onderhoud hiervan, ongeschikt is voor beschermde flora. Het is om voorgenoemde redenen niet te verwachten dat de ontwikkeling negatieve effecten zou kunnen hebben op flora- en fauna die de wet beoogd te beschermen. Overigens wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. 4.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Archeologie & Cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied Op basis van het bestemmingsplan “de Lutte 2020” heeft het projectgebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.000 m² en dieper dan 30 cm. Het projectgebied is groter dan 2.000 m² (circa 3.385 m²). Echter wordt opgemerkt dat niet het hele gebied bebouwd zal worden (circa 756 m2 of minder). Gelet op het vorenstaande vinden er geen bodemingrepen plaats waarbij de oppervlakte van 2.000 m2 wordt overschreden.

Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich zowel in het projectgebied als in de directe omgeving geen Rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend project. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

4.8

Besluit milieueffectrapportage

4.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument (Besluit milieueffectrapportage) met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Op 7 juli 2017 is het besluit voor het laatst gewijzigd. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

4.8.2

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Situatie projectgebied

4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming / PM Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 800 meter afstand van het projectgebied. Zoals in paragraaf 4.6.2.1 en bijlage 2 (AERIUS berekening) van deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven is er geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Het opstellen van een passende beoordeling is gelet op het vorenstaande niet noodzakelijk. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het gaat in dit geval om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.8.3

Conclusie

Met de ontwikkeling is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject waardoor het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

4.9

Water

4.9.1

Algemeen

De watertoets - zoals deze in het kader van ruimtelijke plannen dient te worden uitgevoerd - is het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. De watertoets vormt de verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Het primaat voor het waterbeheer in de gemeente Losser ligt bij het Waterschap Vechtstromen. 4.9.2

Beleid

4.9.2.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.9.2.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet 4.9.2.3 Regionaal beleid Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 20222027. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • •

voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

4.9.3

Waterparagraaf

4.9.3.1 Watertoetsproces In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De ontwikkeling is reeds in het kader van vooroverleg aan het waterschap voorgelegd.

Hieruit is gebleken dat de ontwikkeling een geringe invloed heeft op de waterhuishouding in het projectgebied, gezien de ontwikkeling qua bouwmogelijkheden minimaal afwijkt van het onderliggende bestemmingsplan “de Lutte 2020”. Hierdoor kan een standaard waterparagraaf worden opgenomen van de toelichting. Het advies van het waterschap luidt echter wel dat waterberging zoveel mogelijk op de kavels zelf geregeld moet worden. Dit doordat de woonwijk Luttermolenveld krap bemeten is qua ruimte voor opvang van hemelwater. Het watertoetsresultaat en de reactie van het waterschap zijn opgenomen in bijlage 3 en 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. 4.9.3.2 Waterhuishouding projectgebied Waterhuishouding Het project loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het projectgebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m². Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

Aanleghoogte Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid.

Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

overtollig hemelwater uit het projectgebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Waterberging zal zoveel mogelijk op de kavels zelf geregeld worden. Doorwerking in het projectgebied Omdat de ontwikkeling verschillende locaties betreft in de wijk Luttermolenveld is door de gemeente Losser een memo opgesteld met daarin de uitgangspunten en aanpassingen voor de aspecten vuilwater en hemelwater, hiermee dient rekening te worden gehouden binnen de ontwikkeling van het project. De memo is opgenomen in bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing. 4.9.4

Conclusie

Wateraspecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1 Algemeen Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte zijn de verkeersgegevens op basis CROW ‘Toekomstbestendig parkeren’, publicatie 381 (december 2018) gebruikt. Hierbij zijn onderstaande gegevens aangehouden; Verstedelijkingsgraad;

niet stedelijk / gemeente Losser (Bron: CBS Statline)

Stedelijke zone;

rest bebouwde kom

Functie;

koop, huis, vrijstaand

4.10.2 Parkeren Met de voorliggende ontwikkeling worden 10 woningen gerealiseerd, waarvan er reeds 5 zijn toegestaan op basis van het huidige planologische regime. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten ontstaat de volgende parkeerbehoefte: Parkeerbehoefte Functie Koop, huis, vrijstaand Totaal (afgerond):

Aantal 10

Gemiddeld aantal per woning 2,3

Berekening 10 * 2,3= 23 23

Op basis van bovenstaande tabel dienen afgerond 23 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Tevens wordt vermeld dat grotendeel van de woningen reeds zijn toegestaan. Elke woning krijgt een eigen oprit met garage, hiermee kan worden voorzien in parkeerbehoefte op eigen terrein. Mede dankzij vorenstaande wordt er wat betreft parkeerbehoefte geen belemmering voorzien.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

4.10.3 Verkeersgeneratie Met de voorliggende ontwikkeling worden 10 woningen gerealiseerd, waarvan er reeds 5 zijn toegestaan op basis van het huidige planologische regime. Het verkeer voor deze woningen is al eerder planologisch toegestaan. Gelet op vorenstaande zal het verkeer toenemen met slechts 5 woningen. Op basis van deze uitgangspunten ontstaat het volgende beeld van de verkeersgeneratie als gevolg van het plan, gebaseerd op het gemiddelde. Verkeersgeneratie nieuwe situatie Functie Koop, huis, vrijstaand Totaal (afgerond):

Aantal 5

Verkeersgeneratie per woning 8,2

Berekening 5 * 8,2= 41 41

Zoals weergegeven in bovenstaande tabel voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een totale toename van verkeersgeneratie van gemiddeld 41 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De omliggende wegenstructuur is van voldoende omvang om deze relatief kleine hoeveelheid aan verkeersbewegingen op een vlotte en verkeersveilige manier af te wikkelen. Wat betreft verkeersgeneratie voorziet de voorgenomen ontwikkeling in geen belemmering. 4.10.4

Conclusie

Vanuit parkeer- en verkeerskundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen voorliggend initiatief.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 5 5.1

Vooroverleg

5.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 5.1.2

Provincie

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt in het kader van vooroverleg toegezonden aan de Provincie Overijssel. 5.1.3

Waterschap

Het project is voorgelegd aan het waterschap via de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van het watertoets proces moest worden doorlopen. De contactpersoon bij het waterschap is per mail in kennis gesteld over het plan en verder uitwerking hiervan. De uitkomst van het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing. De nadere afstemming met het waterschap is opgenomen in bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing.

5.2

Zienswijzen

(In)directe omwonenden en belanghebbenden rondom het projectgebied kunnen tijdens de ter inzagelegging zienswijzen indienen tegenover het beoogde project .

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Diverse woningen, De Lutte Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1:

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Diverse woningen, De Lutte

27-10-2023

Definitief

AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI DIVERSE WONINGEN, DE LUTTE

Auteur: Status: Datum: Projectnummer: Versie:

BJZ.nu Definitief 27 oktober 2023 2023-539 1

INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Inleiding ....................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Wettelijk kader ............................................................................................ 5 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Algemeen ............................................................................................................................................... 5 Zone langs wegen .................................................................................................................................. 5 Grenswaarden ....................................................................................................................................... 5 Berekenen geluidsbelasting ................................................................................................................... 6 Gemeentelijk geluidsbeleid ................................................................................................................... 6

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten ........................................................................................... 7 3.1 3.2

Algemeen ............................................................................................................................................... 7 Verkeersgegevens.................................................................................................................................. 9

Hoofdstuk 4 Resultaten ................................................................................................. 10 4.1 4.2 4.3 4.4

Berekeningen ....................................................................................................................................... 10 Geluidsbelasting .................................................................................................................................. 10 Hogere waarde .................................................................................................................................... 10 Maatregelen ter reductie geluidsbelasting ......................................................................................... 10

4.4.1

Bronmaatregelen ............................................................................................................................ 10

4.4.2

Overdrachtsmaatregelen ................................................................................................................ 11

4.4.3

Gevelmaatregelen ........................................................................................................................... 11

4.4.4

Conclusie maatregelen .................................................................................................................... 11

Hoofdstuk 5 Conclusie ................................................................................................... 13 Bijlagen akoestisch onderzoek ........................................................................................ 14 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Verkeersgegevens ....................................................................................................................... 14 Rekenmodel ................................................................................................................................ 15 Model- en Itemeigenschappen ................................................................................................... 17 Resultatentabellen ...................................................................................................................... 18

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

Voorliggend akoestisch onderzoek heeft betrekking op diverse percelen in De Lutte (gemeente Losser). De percelen staan bij het kadaster bekend onder de code LSR00, sectie G, nummers 3606, 3982, 3598, 3530 en 3863. Initiatiefnemer is van plan om op deze gronden in totaal 9 woningen te realiseren. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van De Lutte en de directe omgeving indicatief weergegeven. Het plangebied is aangeduid met de rode ster en de rode contouren.

Afbeelding 1.1

Ligging projectgebied ten opzichte van De Lutte en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl)

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. In het kader van deze procedure is het benodigd de geluidbelasting ter plaatse van de te realiseren woningen te toetsen aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. Voorliggend onderzoek heeft uitsluitend betrekking op het aspect wegverkeerslawaai. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het vigerende Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In voorliggende rapportage zijn de uitgangspunten, rekenresultaten en conclusies van het onderzoek beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief

HOOFDSTUK 2 2.1

WETTELIJK KADER

Algemeen

Artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan of bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Doel van dit onderzoek is de geluidsbelasting aan de gevel van een geluidsgevoelig object als gevolg van de weg te bepalen. Onderzoek is enkel noodzakelijk indien een geluidsgevoelige bestemming zich binnen de wettelijke geluidszone van een weg bevindt. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de wettelijke geluidszone van wegen.

2.2

Zone langs wegen

Artikel 74.1 van de Wgh bepaalt dat wegen een wettelijke geluidszone hebben. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk of in buiten stedelijk gebied is gelegen. In tabel 1 worden de wettelijke geluidszones weergegeven. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer Tabel 1

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buiten stedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

Wettelijke geluidszones wegen (Bron: wetten.overheid.nl).

De wettelijke geluidszone bevindt zich aan weerszijde van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- en fietspaden en vluchtstroken behoren niet tot de weg. Binnen de zone van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidsbelasting op de binnen de zone gelegen woning(en). Bij het berekenen van de geluidsbelasting wordt de L den-waarde in dB bepaald. De Lden-waarde is het energetisch en naar tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende waarden: • • •

Het geluidsniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur); Het geluidsniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB; Het geluidsniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 7.00 uur) + 10 dB.

De berekende geluidsbelasting dient aan de voorkeurswaarde en indien nodig aan de uiterste grenswaarde van de Wgh worden getoetst. Op basis van artikel 74.2 van de Wgh gelden de in tabel 1 opgenomen zones niet voor: • •

Wegen die als woonerf zijn aangeduid; Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur.

Het feit dat er voor de hiervoor genoemde gevallen geen wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat een akoestisch onderzoek automatisch niet benodigd is. Indien vooraf aangenomen kan worden dat niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden voldaan, dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De geluidsbelasting van de weg kan hierdoor meegenomen worden in de belangenafweging in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’.

2.3

Grenswaarden

In de Wgh worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op gevels van nog niet geprojecteerde woningen of gebouwen die binnen de geluidszone van een weg liggen. Met niet geprojecteerde woningen of gebouwen worden bedoeld:

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief ‘woningen of gebouwen waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet toelaat’. De voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting door wegverkeer bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. Voor een hogere waarde geldt een maximum, afhankelijk van de ligging van een geluidsgevoelig object. In tabel 2 is de hoogst mogelijke grenswaarde voor woningen als gevolg van wegverkeerslawaai weergegeven. Locatie woning Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied Tabel 2

Hoogst mogelijke waarde wegverkeerslawaai 63 dB (art. 83 lid 2 Wgh) 53 dB (art. 83 lid 1 Wgh)

Hoogst mogelijke grenswaarde wegverkeerslawaai (Bron: wetten.overheid.nl)

Het vaststellen van een hogere waarde is enkel mogelijk indien maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Hierbij moet afgewogen worden of de cumulatieve geluidsbelasting (het totaal van de geluidsbelasting van alle wegen gezamenlijk) niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting. Bij het vaststellen van een hogere waarde moet bij de bouwvergunningsaanvraag aangetoond worden dat aan de gestelde geluidseisen (binnenwaarde in de geluidgevoelige ruimten 33 dB) wordt voldaan.

2.4

Berekenen geluidsbelasting

De geluidsbelasting moet per weg afzonderlijk berekend worden en aan de voorkeurswaarde getoetst worden. Voordat de geluidsbelasting aan de voorkeurswaarde van 48 dB getoetst wordt, mag de berekende geluidsbelasting op basis van artikel 110g van de Wgh, aangevuld met artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, worden verminderd. Reden hiervoor is de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen steeds verder af zal nemen. De geluidsbelasting mag in de volgende situaties worden verminderd met: •

5 dB voor wegen met een maximumsnelheid tot 70 km/uur;

Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/uur of meer mag de geluidsbelasting worden verminderd met: • • •

4 dB indien de geluidsbelasting zonder reductie 57 dB bedraagt; 3 dB indien de geluidsbelasting zonder reductie 56 dB bedraagt; 2 dB voor overige geluidsbelasting.

Uit uitspraak 201304862/3/R2 van de Raad van State blijkt dat het voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur eveneens is toegestaan de geluidsbelasting met 5 dB te verminderen. Bij lagere snelheden wordt de geluidsemissie voornamelijk door motorgeluid veroorzaakt, bandengeluid speelt een minder grote rol. Toekomstige geluidsreductie is in de toekomst voornamelijk te verwachten door het gebruik van stillere motoren. De aftrek van 5 dB kan daardoor ook toegepast worden bij snelheden van 30 km/uur of minder.

2.5

Gemeentelijk geluidsbeleid

De gemeente Losser beschikt niet over een eigen geluidsbeleid. Hierdoor volgt de gemeente de Wet geluidhinder.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

6

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief

HOOFDSTUK 3 3.1

UITGANGSPUNTEN

Algemeen

De initiatiefnemer is van plan om in de woonwijk Luttermolenveld 10 woningen te realiseren.Het gaat om twee twee-onder-één-kapwoningen, 4 rijwoningen en 4 vrijstaande woningen. De vrijstaande woningen zijn gepositioneerd op de percelen aan de Pelmolen (nummer 1), Spinnekopmolen (nummer 3), Poldermolen (nummer 5) en Tjaskermolen (nummer 6). De twee-onder-een-kapper wordt gerealiseerd op het perceel aan de Wipmolen (nummer 2). De 4 rijwoningen worden aan de Tjaskermolen (nummer 4) gerealiseerd. In afbeelding 3.1 zijn de ligging van de woningen weergegeven. In afbeelding 3.2 zijn de ligging van de woningen aan de Pelmolen en Spinnekopmolen weergegeven. In afbeelding 3.3 zijn de ligging van de woningen aan de Poldermolen en Wipmolen weergegeven. In afbeelding 3.4 zijn de ligging van de woningen aan de Tjaskermolen weergegeven.

Afbeelding 3.1

Liggingen woningen (Bron: Plattekaart.nl)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

7

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief

Afbeelding 3.2

Liggingen woningen aan de Pelmolen (links) en Spinnekopmolen (rechts) (Bron: Initiatiefnemerl)

Afbeelding 3.3

Liggingen woningen aan de Polderlmolen (links) en Wipmolen (rechts) (Bron: Initiatiefnemerl)

Afbeelding 3.4 Initiatiefnemerl)

Liggingen woningen aan de Tjaskeemolen vrijstaande woning(links) en Tjaskermolen rijtjeswoning (rechts) (Bron:

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

8

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzone van de A1 (100 km/uur ochtend en 130 km/uur avond). In onderstaande tabel is weergegeven welke uitgangspunten voor het hierbij behorende rekenmodel zijn gehanteerd. Locatie plangebied Hoogst mogelijke waarde wegverkeerslawaai Wgh van toepassing Vermindering geluidsbelasting A1

Stedelijk gebied 53 dB Ja 2,3 of 4 dB

Tabel 3 Uitgangspunten onderzoek wegverkeerslawaai (Bron: BJZ.nu)

3.2

Verkeersgegevens

De weg- en verkeersgegevens zijn aangeleverd door de gemeente Losser. De gegevens zijn afkomstig uit de tellingen van het jaar 2017 tot en met 2022. Voor de verkeersintensiteit is uitgegaan van de cijfers voor het prognosejaar 2035, waarbij een jaarlijkse groei van 1,5% is aangenomen. Hiervoor is de formule hieronder gehanteerd: ‘Intensiteit 2020 * 1,01515 = intensiteit prognosejaar 2035’ De verkeersgegevens van de A1 zijn afkomstig uit het meest recente geluidsregister (Register_20231004_v2308). In bijlage 1 zijn de aangeleverde gegevens weergegeven. In tabel 4 zijn de ingevoerde gegevens in het rekenmodel weergegeven. Weg- en verkeersgegevens

Rosmolen

Tjaskermolen

Waterradmolen

Etmaalintensiteit (aangeleverd)

972,76

73,70

217,17

Etmaalintensiteit 2035 (prognose)

1216,18

93,52

283,92

Uurintensiteit dag/avond/nacht (%)

6,70/3,70/0,60

6,70/3,70/0,60

6,70/3,70/0,60

Lichte motorvoertuigen dag/ avond/ nacht (%)

95,07/95,07/95,07

86,33/86,33/86,33

85,73/85,73/85,73

Middelzware vrachtwagens dag/ avond/ nacht (%)

3,34/3,34/3,34

9,60/9,60/9,60

7,98/7,98/7,98

Zware vrachtwagens dag/ avond/ nacht (%)

1,56/1,56/1,56

4,18/4,18/4,18

6,29/6,29/6,29

Wettelijke rijsnelheid (km/uur)

30 km/uur

30 km/uur

30 km/uur

Wegdektype

referentiewegdek

Klinker in keperverband

referentiewegdek

Tabel 4

Intensiteiten wegen (Bron: gemeente)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

9

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief

HOOFDSTUK 4 4.1

RESULTATEN

Berekeningen

De overdrachtsberekening voor de wegen is uitgevoerd overeenkomstig Standaard Reken Methode 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In het model zijn de begroeide gebieden (bodemfactor 1,0) en de wegen ingeladen (bodemfactor 0,0). Bij de berekening is uitgegaan voor de overige gebieden (voornamelijk erven en tuinen) van een standaard bodemfactor van 0,5. In het model zijn de volgende zaken opgenomen: • • • •

wegen met intensiteiten; gebouwen inclusief hoogte (PDOK 3D geluidbestand); bodemgebieden (PDOK BGT kaart); rekenpunten op 1,5 meter en 4,5 meter op de relevante gevels van de woningen.

Om de geluidbelasting op de gevels te berekenen zijn 40 toetspunten geplaatst waarbij er een toetspunt op 1,5 meter en 4,5 meter is geplaatst. In Bijlage 2 zijn de geplaatste toetspunten weergegeven en de uitsnede van het rekenmodel weergegeven en in bijlage 3 zijn de model- en itemeigenschappen weergegeven. In bijlage 4 zijn de resultaten in tabelvorm weergegeven.

4.2

Geluidsbelasting

De geluidsbelasting ten gevolge van de A1 bedraagt, inclusief 4 dB reductie, hoogstens 53 dB. Met deze waarden wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Rosmolen, Tjaskermolen en Waterradmolen bedragen respectievelijk hoogstens 40 dB, 41 dB en 23 dB. Met deze waarden wordt er voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB.

4.3

Hogere waarde

Een hogere waarde als gevolg van wegverkeerslawaai is in voorliggend geval benodigd voor de geluidsbelasting afkomstig van de A1. Afwijken van de voorkeurswaarde is alleen mogelijk als bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard en een binnen niveau van 33 dB gerealiseerd kan worden. In de volgende paragraaf worden mogelijke maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren onderzocht.

4.4

Maatregelen ter reductie geluidsbelasting

Om de geluidbelasting te reduceren kan gebruik worden gemaakt van bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen, zoals in het vervolg van deze paragraaf beschreven. 4.4.1

Bronmaatregelen

Bronmaatregelen zijn alle maatregelen die getroffen kunnen worden om het geluid afkomstig van de bron te reduceren, denk aan de wegdektype/geluidsbronnen zoals auto/samenstelling verkeer/intensiteit. De initiatiefnemer heeft op veel punten geen invloed, maar uit dit onderzoek kan blijken dat het realiseren van stil asfalt effectief kan zijn. Het geluid van een voertuig wordt veroorzaakt door het motorgeluid en het geluid van de banden. Vooral vrachtwagens zijn de afgelopen jaren veel stiller geworden. In het rekenmodel is hier al rekening mee gehouden. Daarnaast is de verwachting dat voertuigen in de toekomst nog stiller worden. Hier wordt rekening BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

10

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief mee gehouden door de in paragraaf 2.4 beschreven aftrek toe te passen. De initiatiefnemer van het bouwplan waar voorliggend onderzoek voor wordt uitgevoerd heeft geen invloed op het reduceren van het geluid van voertuigen. Daarnaast heeft de initiatiefnemer ook geen invloed op de samenstelling van het verkeer, de verkeersintensiteit en het snelheidsregime. Een aanpassing van het wegdektype kan zorgen voor een reductie van het bandengeluid van voertuigen. Met het realiseren van stil(ler) asfalt is het mogelijk een reductie van 3 tot 5 dB te realiseren. Het aanpassen van het wegdek van de A1 ten behoeve van 10 woningen is echter niet doelmatig. Tenslotte zal de wegbeheerder (Rijkswaterstaat) niet instemmen met het stiller maken van een groot deel van de weg, omdat dit tot onderhoudstechnische problemen leidt. Vanuit civieltechnisch oogpunt is het aanbrengen van stiller asfalt dus ook niet haalbaar. 4.4.2

Overdrachtsmaatregelen

Een grotere afstand tussen de gevel en de weg zorgt voor een lagere geluidsbelasting op de gevel. Om een lagere geluidsbelasting van 2 dB te realiseren moet de afstand tussen de gevel en de weg met 50% worden vergroot. In voorliggend geval wordt stedenbouwkundig aangesloten bij de omliggende bebouwing, waardoor het anders inrichten van het plangebied niet wenselijk is. Daarnaast kan er een geluidsscherm geplaatst worden tussen de bron en het geluidgevoelig object. In de voorliggende situatie is er al een geluidsscherm aanwezig. Een alternatief is het verhogen van de geluidsscherm, echter is het nog verhogen van de geluidsscherm stedenbouwkundig onwenselijk. De woningen zijn echter verspreid gelegen waardoor een geluidsscherm geen effectieve manier is om het geluid te verminderen. Daarnaast zal het opnieuw verhogen van de geluidschermen financieel niet haalbaar zijn. 4.4.3

Gevelmaatregelen

Als bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig blijken dient er wel voldaan te worden aan de binnenwaarde van 33 dB. De benodigde gevelwering wordt berekend door de volgende berekening: cumulatieve geluidbelasting (exclusief reductie) – 33 dB (binnenwaarde volgens het Bouwbesluit) = benodigde geluidswering. Volgens het bouwbesluit dienen de woningen al te voldoen aan een geluidswering van 20 dB. Hierdoor hoeven geen aanvullende gevelmaatregelen genomen te worden tot een cumulatieve geluidsbelasting (op de gevel) van 53 dB. Als een hogere geluidsbelasting wordt toegestaan dient het binnen niveau van 33 dB gewaarborgd te worden. Artikel 110 lid g van de Wgh bepaalt dat de aftrek bij het vaststellen van de noodzakelijk geluidwering 0 dB bedraagt. De cumulatieve geluidsbelasting exclusief reductie bedraagt hoogstens 57 dB. Er is dan ook een gevelwering van hoogstens 57-33 = 24 dB benodigd om ter plaatse van de woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de vergunningaanvraag dient aangetoond te worden of met de getroffen maatregelen wordt voldaan aan dit binnen niveau van 33 dB. 4.4.4

Conclusie maatregelen

De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van hoogstens 24 dB wordt het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Er kan dan ook een hogere waarde verleend worden als gevolg van het verkeerslawaai van de snelweg A1. In tabel 4 is de benodigde hogere waarde voor de woningen weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

11

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief Adres

Toetspunt

Benodigde hogere waarde A1

Wipmolen 17

31

53

Wipmolen 19

07

53

Pelmolen 17

03

53

Tjaskermolen 46D

19

52

Tjaskermolen 46F

27

52

Tjaskermolen 46E

23

52

Tjaskermolen 46C

15

52

Poldermolen 4

35

50

Tjaskermolen 85

38

49

Tabel 4: Benodigde hogere waarde t.a.v. Wipmolen 17 en 19, Pelmolen 17, Poldermolen 4, Spinnenkopmolen 17 en Tjaskermolen 46C t/m 46F en 85

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

12

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai diverse woningen, De Lutte Definitief

HOOFDSTUK 5

CONCLUSIE

Voorliggend akoestisch onderzoek heeft betrekking op het perceel gelegen op de Wipmolen 17 en 19, Pelmolen 17, Poldermolen 4, Spinnenkopmolen 17 en Tjaskermolen 46C t/m 46F en 85 in De Lutte. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van tien nieuwe woningen. De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer van de autosnelweg A1 bedraagt, inclusief 2 dB reductie, hoogstens 53 dB. Met deze waarden wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Rosmolen, Tjaskermolen en Waterradmolen bedragen respectievelijk hoogstens 40 dB, 41 dB en 23 dB. Met deze waarden wordt er voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van minstens 24 dB wordt het binnen niveau van 33 dB gewaarborgd. Ten tijde van de vergunningaanvraag dient aangetoond te worden of met de getroffen maatregelen wordt voldaan aan dit binnen niveau van 33 dB. Met het in achtnemen van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=2213e0da-0b06-4fec-bc6f-bee97c3cf921