CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit Verordening maatschappelijk ondersteuning 2022 gewijz. versie.pdf

Raadsvergadering 4 oktober 2022, gemeente LosserBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning 202222.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.

In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:  op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;  op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;  welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;  ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is;  ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;  op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;  op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en  op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de

gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:  voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;  ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:  bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;  de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget,

in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot; bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent; bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Twents model voor inkoop van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vanaf 1 januari 2019 hanteren de veertien Twentse gemeenten het Twents model voor de inkoop van maatschappelijk ondersteuning en jeugdhulp op basis van de Jeugdwet en de Wmo, 2015. Het Twents model sluit aan bij de transformatie van het sociaal domein. Om de inwoner passende ondersteuning op maat te geven moeten individueel geïndiceerde oplossingen aansluiten bij de inwoner of het gezin en op de voorliggende en lokaal georganiseerde voorzieningen. Het Twents model is zo ontworpen dat het aansluit op lokale verschillen en mee kan bewegen met lokale, regionale en landelijke ontwikkelingen. In het Twents model is het niet de gemeente of de verwijzer die bepaalt hoe er aan een oplossing moet worden gewerkt, maar de aanbieder in dialoog met de inwoner. De gemeente of verwijzer bepaalt in gesprek met de inwoner wat (welk resultaat) er behaald moet worden. De aanbieder krijgt een budget om de inwoner zodanig te ondersteunen dat dit resultaat daadwerkelijk kan worden behaald. De keuzevrijheid voor inwoner en daarmee ook diversiteit van aanbieders is gegarandeerd.

In het Twents model zijn vier ondersteuningsbehoeften gedefinieerd:  Ondersteuningsbehoefte 1: de inwoner heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden (Jeugdwet en Wmo, 2015)  Ondersteuningsbehoefte 2: de inwoner heeft ondersteuning nodig bij het voeren van regie over en uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden (Jeugdwet en Wmo, 2015) Per ondersteuningsbehoefte worden verschillende niveaus onderscheiden op basis van kenmerken van de inwoner of het gezinssysteem. Het toegangsteam bepaalt welke ondersteuningsbehoefte (of combinatie van meerdere ondersteuningsbehoeften) bij het te bereiken resultaat past en bepaalt het niveau. Vervolgens wordt door het toegangsteam een inschatting gemaakt van de omvang en de duur van de ondersteuning. Het toegangsteam kan hiervoor afstemming zoeken met een aanbieder. De omvang van de ondersteuning vermenigvuldigd met de prijs bepaalt het budget dat de aanbieder maximaal krijgt voor het bereiken van het resultaat. Naast de ondersteuningsbehoeften kan het toegangsteam er voor kiezen om één of meerdere modules in te zetten. Het model bevat drie modules:

Module consultatie en diagnostiek: bij de consultatie wordt de aanbieder geconsulteerd met vragen die het toegangsteam heeft over de te behalen resultaten en de in te zetten ondersteuning. Diagnostiek betreft het onafhankelijk in kaart brengen van de problematiek van de inwoner en draagt bij aan de vraagverheldering van het toegangsteam.  Module wonen en verblijf: in het Twents model wordt een onderscheid gemaakt tussen de ondersteuning en het verblijf waarbij het verblijf aanvullend kan worden in gezet op de ondersteuning. Onder deze module vallen ook de pleegzorg en gezinshuizen.  Module Maatregelhulp: dit betreft de verplichte ingezette ondersteuning vanuit een maatregel, zoals Jeugdbescherming, Jeugdreclassering en Jeugdzorgplus. In het Twents model is er ook sprake van beschikbaarheidsvoorzieningen. Het betreft voorzieningen die gemeenten beschikbaar willen hebben in de regio (weinig voorkomende, hoog specialistische 24-uurs zorg, crisisbedden, crisiszorg en het coördinatiepunt spoedhulp). Bij noodzakelijke inzet van een individuele voorziening wordt op basis van de resultaten tot een combinatie van ondersteuningsbehoefte(n), niveaus en modules gekomen. Het is mogelijk meerdere resultaten met de inzet van één ondersteuningsbehoefte of module te realiseren. Het is ook mogelijk dat meerdere ondersteuningsbehoeften of modules bijdragen aan één resultaat.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens heeft vastgesteld. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wmo en het daarop gebaseerde besluit is een groot aantal definities opgenomen, dit is de reden waarom het aantal begripsbepalingen in deze verordening beperkt is. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Onder a: abonnementstarief Vanaf 1 januari 2020 is het abonnementstarief voor eigen bijdragen in de Wmo 2015 van kracht. Onder b: algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de CRvB. Het is de vraag wat precies

verstaan moet worden onder een ‘inkomen op minimumniveau’. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we er vanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau. Het is hierbij niet van belang om of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft. Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Onder c: andere voorziening Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder d: beschermd wonen Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder e: budgethouder Het pgb wordt toegekend aan de cliënt: de budgethouder. Die is uiteindelijk verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden). Onder f: budgetperiode De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde maatwerkvoorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in het besluit op de aanvraag. Onder g: Financieel besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder h: financiële tegemoetkoming De Centrale Raad van Beroep heeft het begrip financiële maatwerkvoorziening geïntroduceerd (bijv. CRVB:2018:396). De definitie van maatwerkvoorziening in de wet (art.

1.1.1 Wmo) is naar het oordeel van de CRvB zo ruim dat hieronder ook een financiële tegemoetkoming kan vallen. Het gaat in de praktijk vaak om een tegemoetkoming in de kosten aan de cliënt als het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Bij deze tegemoetkomingen hoeft het college niet in alle gevallen een oordeel te geven over de kwaliteit. Er geldt in ieder geval geen trekkingsrecht zoals bij pgb’s. Onder i: gesprek Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert. Dit ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht , met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang.

Onder j: hulpvraag Onder de hulpvraag wordt feitelijk de melding als bedoeld in de wet verstaan. Na de melding van de hulpvraag voert het college een onderzoek uit. Onder k: hoofdverblijf Het gaat om de woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Losser te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zie artikel 4.7, eerste lid, van de verordening. Onder l: huisgenoot Een huurder of kostganger wordt niet aangemerkt als huisgenoot. Of er sprake is van een commerciële relatie moet blijken uit huur- of kostgangersovereenkomst. Als mensen omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen, dan worden zij ook aangemerkt als huisgenoot. Te denken valt hierbij aan woongemeenschappen van kloosterlingen ouderen of gehandicapten. Onder m: instandhoudingskosten Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder n: leefeenheid De begripsbepaling vloeit rechtstreeks voort uit de wettelijke bepaling over gebruikelijke hulp. Het gaat om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en met elkaar een huishouden voeren.

Het college kan na het onderzoek tot het oordeel komen dat van hen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Onder o: melding Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Onder p: normaal gebruik van de woning De begripsbepaling is met name van belang bij het verstrekken van woningaanpassingen, hulpmiddelen (woonvoorzieningen) of huishoudelijke ondersteuning. Deze maatwerkvoorzieningen worden slechts verstrekt als ze gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Onder q: ondersteuningsplan Nadat het gesprek heeft plaatsgevonden en het onderzoek is afgerond maakt het college een verslag waarin de uitkomsten van het onderzoek staan. Dit verslag wordt aangemerkt als ondersteuningsplan. Dat wat in samenspraak met de cliënt is besproken wordt opgenomen in het plan, waaronder de afspraken die gericht zijn op de

ondersteuning. Hierin wordt in ieder geval ingegaan op de wettelijke voorgeschreven onderwerpen van artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Afhankelijk van het individuele geval kunnen ook andere onderwerpen worden beschreven. Indien aanwezig betrekt het college ook het persoonlijk plan bij het ondersteuningsplan. Onder r: persoonlijk plan In een persoonlijk plan geeft de cliënt aan welke ondersteuning hij denkt nodig te hebben. Ook beschrijft hij in het plan zijn omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Onder s: pgb Het persoonsgebonden budget is het bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken. Onder t: pgb-plan Aan het recht op een persoonsgebonden budget is voor de cliënt de plicht verbonden een pgb-plan, volgens het door de gemeente aangereikte format, op te stellen. Het college beoordeelt aan de hand van het door de cliënt overlegde pgb-plan of de ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Onder u: pgb vertegenwoordiger Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder v: sociaal netwerk Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting Onder w: uitvoeringsbesluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Onder x: voorliggende voorziening Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die een melding doet of een aanvraag indient een beroep te doen op andere wettelijke regelingen voor zover daar aanspraak op bestaat, die aanspraak bijdraagt aan het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie en dit redelijkerwijs kan worden gevergd. Onder y: opvang Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder z: wet Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Onder aa: WML Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Onder bb: woonvoorziening De wet kent geen definitie van een woonvoorziening. Voor de leesbaarheid wordt dit begrip in de verordening gebruikt. In deze verordening kan het een woningaanpassing of hulpmiddel zijn voor de ondersteuning gericht op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke definitie woningaanpassing gebruikt als dat begrip ook daadwerkelijk is bedoeld. Onder cc: zelfstandige woning Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Lid 2 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening Lid 1 en 2 Het bieden van maatschappelijke ondersteuning heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Losser. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetenen worden aangemerkt. Lid 3 Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en opvang. Hoewel in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo (oud), geen centrumgemeenten zijn aangewezen zijn het wel deze gemeenten die de hiervoor genoemde maatwerkvoorzieningen bieden. Daarvoor ontvangen zij vooralsnog ook de middelen van het Rijk. Voor de gemeente Losser treedt de gemeente Enschede op als ‘centrumgemeente’ voor beschermd wonen en opvang. Middels een mandaatbesluit heeft de gemeente Enschede de bevoegdheid om de meldingen en bijbehorende aanvragen om beschermd wonen en opvang namens de gemeente Losser af te handelen.

Het college zorgt voor een zorgvuldige overdracht in het geval een cliënt zich meldt bij de gemeente Losser.

Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.1 Melding hulpvraag Het eerste contact van de inwoner met de gemeente verloopt via WIJZ en kan op verschillende manieren plaatsvinden: schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal. Naar aanleiding van dit eerste contact wordt beoordeeld of kan worden volstaan met informatie en advies of dat een onderzoek nodig is. Pas als dit laatste het geval is, komt het begrip “melding” in beeld. Is er naar het oordeel van het college sprake van een melding, dan wordt deze geregistreerd. Het college bevestigt de ontvangst van de melding aan de inwoner. Dat doet het college schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch. De melding kan niet alleen door de inwoner zelf worden gedaan, maar door eenieder die betrokken is bij de inwoner zoals een familielid of vriend, ouders of een professionele hulpverlener. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt.

Lid1 Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Lid 2 In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Lid 3 In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

Artikel 2.2 Onafhankelijke Cliëntondersteuning Lid 1 Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de onafhankelijke cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Lid 2 In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 2.3 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Lid 1 Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. Lid 2 De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven.

Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. Lid 3 Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. Lid 4 In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Artikel 2.4 Gesprek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Hierin is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Lid 1 De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”.

De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een

vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij. In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt indien mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In onderdeel b van het eerste lid van het ondersteuningsplan is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”. In het eerste lid onder g is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven.

Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid. Lid 2 In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 2.5 Ondersteuningsplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk.

Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening

noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen ondersteuningsplan voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Artikel 2.6 Onderzoekstermijn en verlenging In dit artikel staat dat verlenging van de wettelijke onderzoekstermijn mogelijk is als cliënt hiermee instemt. Een dergelijke verlenging kan immers ten goede komen aan een zorgvuldig onderzoek. Artikel 2.7 Aanvraag Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Om onnodige barrières te voorkomen en inwoners en de gemeente met zo min mogelijk met administratieve druk te belasten kan de aanvraag voor een maatwerkvoorziening vormvrij worden ingediend.

De aanvraag en de aanvraagdatum worden zorgvuldig geregistreerd. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2.1 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of het ondertekende ondersteuningsplan hoeft niet in behandeling genomen te worden. Artikel 2.8 Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.

Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Zie tweede lid.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1. Algemeen In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden versterkt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Het derde lid, sub c, geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.

Lid 4 Dit lid kan worden gebruikt in de situatie waarin er bijvoorbeeld sprake is van alcoholmisbruik of er een andere reden is waardoor een bepaalde voorziening wel de beperkingen zou oplossen maar toch niet veilig is voor cliënt of voor anderen in zijn omgeving. Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Lid 1 Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, al dan niet in de vorm van een pgb, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. Dit lid regelt dat het college zo een verzoek weigert als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de hulpvraag is gerealiseerd. Dit geldt ook als de maatwerkvoorziening is gerealiseerd ná de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij zij de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. Verder wordt opgemaakt dat het college in ieder geval niet gehouden is een maatwerkvoorziening, dan wel pgb te verstrekken in het geval de maatwerkvoorziening is gerealiseerd. Lid 2 Het tweede lid is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2018:818, CRVB:2016:2052, CRVB:2015:4918).

De strekking hiervan is dat het college (bij ongewijzigde omstandigheden) niet verplicht is om binnen de budgetperiode (looptijd) opnieuw een pgb te verstrekken als het pgb volledig door de cliënt is besteed. De cliënt maakt de keuze voor een pgb en aanvaardt tevens de

daaraan verbonden risico’s en kosten. Daaronder valt bijvoorbeeld het verloren gaan van het vervoermiddel. Lid 3 Het kan voorkomen dat de cliënt ná het verstrijken van de budgetperiode opnieuw bij het college een melding dat van een hulpvraag. Tijdens het onderzoek kan blijken dat de beschikbare maatwerkvoorziening die de cliënt al dan niet met pgb, heeft aangeschaft nog voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Is dat het geval, dan kan het college besluiten om instandhoudingskosten toe te kennen in plaats van een nieuwe maatwerkvoorziening. Lid 4 Dit lid verplicht de cliënt een opstalverzekering af te sluiten zodat de mogelijke schade middels deze verklaring is gedekt. Deze verplichting geldt ook als aan de cliënt een pgb wordt verstrekt voor de realisatie van een woningaanpassing. Lid 5 Van de cliënt die een maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, meeneemt op vakantie naar het buitenland, wordt verwacht dat hij een adequate verzekering afsluit tegen verlies, diefstal of schade. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Cliënten die gebruik maken van hulpmiddelen die in natura zijn verstrekt, kunnen op verzoek bij de leverancier een groene kaart opvragen waarmee ze WA- verzekerd zijn.

Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorzieningen algemeen Lid 1 aanhef en onder a Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in aanvaardbare mate in staat moet stellen tot zelfredzaamheid of participatie. In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn of moet kunnen participeren, is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt. Het gaat om maatwerk. De wet schrijft dan ook voor dat de maatwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Dat geeft ruimte voor professioneel handelen. De verplichting om een maatwerk voorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149) In het artikel is daarom toegevoegd dat het in het algemeen om een aanvaardbaar niveau moet gaan.

Lid 1 aanhef onder b Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te beiden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopste compenserende voorziening’ zoals in de Wmo (oud) werd gehanteerd.

Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden gemaakt, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen die als passende bijdrage kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Lid 1 aanhef onder c Een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag individueel verstrekt, het is een índividuele voorziening’. Het spreekt daarom voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits ondersteuning in overwegende mate op de cliënt is gericht. Denk bijvoorbeeld aan het aanleren van het uitvoeren van huishoudelijke taken door de huisgenoot. Lid 2 aanhef en onder a Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte maatwerkvoorziening op grond van deze of hieraan voorafgaande verordeningen en de normale economische afschrijvingstermijn daarvan is nog niet verstreken, dan wordt de aanvraag in beginsel afgewezen.

Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. In deze gevallen kan een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming on de veroorzaakte kosten plaatsvinden. Lid 2 aanhef en onder b Met het oog op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van andere uit diens sociale netwerk. Dit met het oog op een passende oplossing voor de beperking in zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het anders organiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verstrekt (vergelijk CRVB:2016:429, CRVB:2013:CA0183). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 2 aanhef en onder c De cliënt kan mogelijk aanspraak maken op een ‘voorziening’ op grond van een andere wet. In dat geval kan het college de cliënt verwijzen naar de ‘andere’ wet(TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 150).

Niet valt in te zien waarom het college gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol. Denk aan gebruikmaking van fysiotherapie, ergotherapie of een gehoorapparaat (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming (CRVB:2012:BV9433). Ook kan een privaatrechtelijke regeling hieronder vallen, zoals

een contractuele overeenkomst met eisen waaraan de woning moet voldoen. Op grond daarvan moet de cliënt de verantwoordelijke daarop aanspreken (CRVB:2011:BQ4115). Lid 2 aanhef en onder d Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening.

Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. artikel 3.4 Beginsel van primaat Lid 1 De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de maatwerkvoorziening collectief vervoer of groepsondersteuning. Het beginsel van primaten is een verbijzondering van het beginsel ‘goedkoopst passende bijdrage’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van een collectief vervoerssysteem was al bekend (en geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo (oud) en kan onder de Wmo 2015 worden voortgezet (CRVB:2018:1487).

Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat een collectieve verstrekking als een (goedkoopst) passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Lid 2 De hoofdregel volgens de verordening is dat het zogeheten primaat van verhuizen geldt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149 en zie CRVB:2018:702, CRVB:2018:2602). Daarbij kan het voorkomen dat de cliënt is aangewezen op een woonaanpassing en traplift, wat hogere kosten voor het college zal meebrengen. Het college zal bij de toepassing van het primaat de belangen van de cliënt zorgvuldig moeten afwegen. Daarnaast zal er binnen

een voor de cliënt medisch aanvaardbare termijn een passende of goedkoper aanpasbare woning beschikbaar moeten zijn. Kan het college het primaat toepassen, dan kan er mogelijk aanspraak bestaan op een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten (o.a. CRVB:2018:2602 en zie art. 4.1, eerste lid onder j, van de verordening). Het primaat van verhuizen en de tegemoetkoming voor eventuele verhuisen inrichtingskosten zijn niet bedoeld voor personen die inwonend zijn bij de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die op zichzelf gaan wonen. Voor hen geldt dat de verhuizing naar een geschikte woning geen kosten met zich meebrengt die in aanmerking komen voor (gedeeltelijke) vergoeding. Het gaat dan om een algemeen gebruikelijke verhuizing. Artikel 3.5 Financiële tegemoetkoming Lid 1De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat onder een maatwerkvoorziening ook een financiële tegemoetkoming kan worden verstaan (o.a. CRVB:2018:396). Eerste lid aanhef en onder a, b, c, d en e Het gaat om tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van een eigen auto, verhuiskosten en/of inrichtingskosten die het gevolg zijn van de toepassing van het primaat van verhuizen. Bij het gebruik van een eigen auto houdt het college rekening met de volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn eventuele partner.

Ook kan de cliënt afhankelijk zijn van een derde die hem met een auto vervoert.

Hoofdstuk 4 Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.1 Resultaten huishoudelijke ondersteuning In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijke van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Artikel 4.2 Criteria bij de huishoudelijke ondersteuning Lid 1 Dit lid bepaalt dat voor het schoonhouden van de woning het uitgangspunt geldt dat de taken alleen betrekking hebben op de ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn vallen hier dus buiten. Lid 2 en 3 Net als onder de Wmo 2007 het geval is wordt er geen huishoudelijke ondersteuning verleend als sprake is van gebruikelijke hulp. Het college houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals genoemd in lid 3.

Hoofdstuk 5 Ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie Artikel 5.1 lid 1 Als onderdeel van het onderzoek naar de hulpvraag van de inwoner komt het door de inwoner gewenste eindresultaat ter sprake. Dit eindresultaat in combinatie met de geconstateerde beperking, leidt tot een in categorieën in te delen ondersteuningsbehoefte. Op basis van de toegekende ondersteuningsbehoefte, de intensiteit en de duur, krijgen inwoners, al dan niet in pgb-vorm, passende ondersteuning. Lid 3 en 4 Het college kan indien nodig zorgen voor een vervanging van de thuissituatie. Artikel 5.3 Criteria ondersteuning bij het participeren Dit artikel bepaalt dat geen ondersteuning wordt toegekend indien sprake is van gebruikelijke hulp. Het college houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals genoemd in het tweede lid.

Hoofdstuk 6 Ondersteuning gericht op het wonen Artikel 6.1 Resultaat woonvoorziening Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om de ruimtes te kunnen gebruiken en/of bereiken waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Onder omstandigheden van het individuele geval kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang, tuin of balkon van de woning (toegang en doorgang). Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in de verordening. Artikel 6.2 Resultaat van verplaatsingsmiddel Dit artikel geeft de resultaten aan van maatwerkvoorzieningen gericht op het zich verplaatsen in en om de woning. Deze hebben betrekking op het in staat zijn de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken gericht op het normale gebruik van de woning. Gedacht kan worden aan een rolstoel of een woonvoorziening.

Artikel 6.3 Criterium woonvoorziening Dit artikel bepaalt dat de te verlenen maatwerkvoorzieningen van dit hoofdstuk slechts worden toegekend voor zover deze betrekking hebben op het normale gebruik van de woning. Artikel 6.4 Aanvullende criteria woonvoorziening Lid 1 Woningaanpassingen worden slechts toegekend aan een zelfstandige woning die in de gemeente Losser staat, zie begripsbepaling van de verordening. Bij woningaanpassingen

gaat het doorgaans om aanzienlijke kosten. Daarom is een vereiste dat de woning naar verwachting nog minstens tien jaar in stand blijft. Lid 2 Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden gemaakt voor voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in het vierde lid onder c zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is. Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Indien een gebouw voornamelijk bewoond wordt door ouderen en/ of gehandicapten wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/ of beperkingen heeft. Uit de jurisprudentie blijkt wel dat er zware eisen kunnen gelden om aan te nemen dat een woongebouw specifiek is gericht op mensen met beperkingen. Lid 3 Het spreekt voor zich dat de reikwijdte van de verordening bij het verlenen van een woonvoorziening zich beperkt tot de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft.

De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met zijn beperkingen. Zie verder artikel 6.5 vierde lid onder b van de verordening. Lid 4 Hierin worden een aantal situaties bepaald waarin het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan weigeren. Hieraan ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag waaronder begrepen de omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. Onder a Het kan voorkomen dat de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een – gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen.

Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de ‘partner’ van de cliënt kunnen worden gevergd. Onder b

Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem/haar beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen. Het college wordt namelijk de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen wat de goedkoopst passende bijdrage had kunnen zijn. Onder deze bepaling zijn ook begrepen de aankoop van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen zonder dat voorafgaande daaraan contact is opgenomen met het college. Door dat na te laten, bijvoorbeeld door bij het college te informeren naar de mogelijkheden van maatschappelijke ondersteuning, brengt de cliënt zich in een lastige bewijspositie. De aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere beschikbare woning waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt, het behoort tot zijn rekening en risico. Als de cliënt dit niet kan aantonen, kan het college de aanvraag om een woonvoorziening af te wijzen. Het college kan vooraf schriftelijk toestemming verlenen om te verhuizen naar een inadequate woning. In dat geval is een afwijzing op grond van lid 4 onder b vanzelfsprekend niet aan de orde. Onder c De gemeenteraad is bevoegd om te bepalen dat aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten gelimiteerd worden ( vergelijk CRvB: 2011: BQ2868 en CRvB:2012: BY5215) Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet toegekend te worden. Onder d Vergelijk bijvoorbeeld CRvB: 2011: BR4180.

Onder f Aan deze afwijzingsgronden ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Daaronder worden ook eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Indien het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich. In geval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt om de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen. Artikel 6.5 Criteria bezoekbaar maken van de woning In afwijking van de hoofdregel dat alleen woonvoorzieningen waaronder een woningaanpassing worden verstrekt in de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, kan het college een woning bezoekbaar laten maken. Dat geldt vanzelfsprekend niet als er al een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt of gaat worden omdat daar (al dan niet in een andere gemeente) een aanvraag voor is gedaan. Alleen personen die hun hoofdverblijf hebben in een instelling met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg komen hier voor in aanmerking. Het kan gaan om partners of kinderen die met deze mogelijkheid in staat worden gesteld om op bezoek te gaan bij partner of ouders. Er geldt geen vereiste dat de instelling gelegen moet zijn in de gemeente Losser.

Verder bepaalt dit artikel wat onder bezoekbaar maken wordt verstaan en dat het college daarvoor een maximale vergoeding vaststelt.

Hoofdstuk 7 Ondersteuning gericht op verplaatsen binnen de leefomgeving Artikel 7.1 Resultaat vervoersvoorziening Het eerste lid bepaalt met welk doel de vervoersvoorziening wordt verstrekt. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld om sociale contacten te onderhouden. Het uitgangspunt is dat 1500 kilometer per jaar kan worden afgelegd. Hiermee wordt de lijn zoals die gold onder de Wmo 2007 geborgd. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen af te wijken naar beneden of naar boven. Dat kan (ook) in het geval als er meer dan één vervoersvoorziening wordt verleend. De verplaatsingen kunnen immers betrekking hebben op de korte afstand en op de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. Artikel 7.2 Criterium vervoersvoorziening Het eerste lid is een logische gevolgtrekking van het algemene uitgangspunt dat een maatwerkvoorziening pas kan worden verstrekt als een algemene voorziening niet passend is. Daarnaast bepaalt het tweede lid wat de reikwijdte is van de leefomgeving. Onder de leefomgeving in het kader van dit hoofdstuk wordt 15 tot 20 kilometer rondom de woning als redelijk aangenomen (vergelijk CRvB: 2009: BH4270 en CRvB: 2010: BL4037.

Het college kan daar in het individuele geval van afwijken. Artikel 7.3 Gebruik Regiotaxi De cliënt die gebruik maakt van de Regiotaxi is daarvoor een ritbijdrage verschuldigd. De hoogte van deze ritbijdrage is vergelijkbaar met de kosten van het Openbaar Vervoer die iedereen heeft, ongeacht het hebben van beperkingen. Daarover stelt het college nadere regels in het Financieel Besluit.

Hoofdstuk 8 De beschikking Artikel 8.1 Inhoud beschikking Lid 1 Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget. Lid 2 In dit lid wordt aangegeven hoe bezwaar gemaakt kan worden. Lid 3 In dit lid wordt aangegeven dat het ondersteuningsplan en het resultatenoverzicht onderdeel kunnen uitmaken van de beschikking. Lid 4 onder a en lid 5 onder a Het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.

Lid 5 Uit CRvB 29-05-2013, nr. 10/6324 Wmo volgt dat het op de weg van het college ligt om de cliënt in het besluit tot toekenning van een voorziening, waarvoor een bijdrage in de kosten is verschuldigd, genoegzaam te informeren over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Het college dient dan ook in de beschikking tot toekenning van de voorziening aan te geven welke kostprijs van de voorziening wordt opgevoerd bij het CAK. Lid 6 De voorwaarden en verplichtingen in een bruikleenovereenkomst moeten worden gevolgd. Als een cliënt zich niet aan de voorwaarden in de bruikleenovereenkomst houdt, zorgt dit lid ervoor dat intrekking mogelijk is omdat cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden gesteld bij verordening.

Hoofdstuk 9 Persoonsgebonden budget Artikel 9.1 Criteria voor een persoons gebonden budget (pgb) Lid 1 onder a, b en c De aanspraak op een pgb is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst. Daarmee is niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een pgb. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. In dit artikel zijn voor de volledigheid de drie voorwaarden van artikel 2.3.6 tweede lid van de wet opgenomen. Deze zijn ter beoordeling aan het college. Wanneer cliënt niet in staat is om aan de eerste voorwaarde onder lid 1 onder a genoemde voorwaarden te voldoen dan mag hij zich laten ondersteunen door iemand uit zijn sociaal netwerk of zijn pgb vertegenwoordigers. Onder een pgb vertegenwoordiger wordt verstaan: curator, bewindvoerder en mentor. Onder de tweede voorwaarde onder lid 1 a, het op een verantwoorde manier uitvoeren van de aan het pgb verbonden taken, valt ook de eis dat de cliënt in staat is om toezicht te houden op de geleverde kwaliteit. Lid 2 Aan de wettelijke voorwaarden is toegevoegd dat een pgb geweigerd wordt wanneer de ondersteuner een tegengesteld belang heeft dan het belang van de cliënt. Hiervan is in ieder geval sprake wanneer de ondersteuner een commercieel belang heeft. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 2.3.6 vijfde lid onder b van de wet bevoegd is het pgb te weigeren.

Deze bevoegdheid bestaat dus als het pgb in het verleden is herzien dan wel ingetrokken omdat: - De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; - De cliënt niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; - De cliënt het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.

Artikel 9.2 Verplichtingen persoonsgebonden budget Lid 1 In dit artikel zijn verplichtingen opgenomen die verbonden zijn aan het recht op een pgb. Lid 1 onder a De cliënt die een pgb wenst en daar naar oordeel van het college recht op heeft, is verplicht een door het college vastgesteld en aangereikt format pgb-plan op het stellen. Wat daaronder wordt verstaan is opgenomen in de begripsbepalingen van de verordening. Het kan zijn dat de cliënt al een pgb-plan opstelt om te motiveren waarom hij een pgb wenst. Het college kan aanvullende voorwaarden stellen aan het pgb-plan. Een voorbeeld: het kan in een concrete situatie zinvol zijn om tussentijdse evaluatiemomenten –en bijbehorende terugkoppeling aan de consulent- te laten opnemen in het pgb-plan. Ten behoeve van de voortgang van het onderzoek wordt een termijn gesteld waarbinnen de cliënt het vereiste pgb-plan moet indienen. Lid 1 onder b Een pgb mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Lid 1 onder c De wetgever heeft met de invoering van het trekkingsrecht nadrukkelijk de bedoeling gehad om uitbetaling van pgb’s niet meer toe te staan aan bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangbehartigers. Pgb’s worden door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in opdracht van het college uitbetaald aan derden.

Lid 1 onder d In deze bepaling is aangegeven dat het pgb binnen drie maanden na toekenning moet zijn aangewend. In voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de bevoegdheid het toekenningsbesluit in te trekken. Lid 2 In dit artikel wordt aangegeven dat de cliënt met de aanbieder altijd een zorgovereenkomst naar het model van de SVB sluit, waarin onder andere de wijze van declareren is opgenomen. De bedoeling hiervan is tegengaan van misbruik van het pgb. Lid 2 onder d Met het nummer waarmee de aanbieder staat ingeschreven bij de kamer van koophandel, wordt de branche-standaard bedrijfsindeling (SBI) van de beroepsgroep gezondheidszorg en Welzijn genoemd. Ieder bedrijf dat zich inschrijft in het handelsregister krijgt één meer SBI-codes. Deze code bestaat uit 4 of 5 cijfers en geeft aan wat de activiteit van een bedrijf is . door de SBI-code op te vragen kan worden geverifieerd dat de zorgverlener werkzaam is waarvoor hij/zij zich laat contracteren door de budgethouder. Lid 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=ad4cfc7b-80c0-4257-a407-cc8f0bf67698