CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit Verordening maatschappelijk ondersteuning 2022 gewijz. versie.pdf

Raadsvergadering 4 oktober 2022, gemeente LosserBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning 202222.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Zaaknr Documentnr

: 22Z00252 : 22.0019804

Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022 De raad van de gemeente Losser; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, van 30 augustus 2022; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gehoord de opmerkingen van de participatieraad; overwegende dat:  ingezetenen een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;  dat van ingezetenen verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;  dat ingezetenen die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen

en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; Besluit vast te stellen: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2022.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen en reikwijdte verordening Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden verstaan onder: a. abonnementstarief: de hoogte van de maximale bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen. b. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:  niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking;  daadwerkelijk beschikbaar is;  een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;  financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. c. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; d. beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; e. budgethouder: de persoon aan wie het pgb is toegekend; f.

budgetperiode: de periode waarop een pgb betrekking op heeft; g. financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waarin op grond van deze verordening bedragen en eventuele nadere regels zijn gesteld; h. financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten die rechtstreeks aan de cliënt kan worden uitbetaalden waarvoor geen oordeel wordt gegeven over de kwaliteit, tenzij het gaat om eenvoudige woningaanpassingen of woonvoorzieningen; i. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; j. hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; k. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en  in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel  zal staan ingeschreven; dan wel  het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven l. huisgenoot: met wie de cliënt een gezamenlijke huishouding voert; m. instandhoudingskosten: een door het college te bepalen bedrag dat bestemd is vooronderhoud, reparatie en verzekering verband houdend

met de te verstrekken maatwerkvoorziening, waaronder ook een WAverzekering bij vervoersvoorzieningen kan worden gerekend; n. leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont en huishouden voert; o. melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2. eerste lid van de wet; p. normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid(eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het kunnen verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, het kunnen doen van horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning. Daaronder kan onder omstandigheden tevens de toegang tot de berging van de woning worden verstaan. q. ondersteuningsplan: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 achtste lid van de wet , waarin de adviezen, verwijzingen en afspraken staan die in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt, eventueel zijn persoonlijk plan en de beoogde resultaten; een plan waarin de zorg en/ of ondersteuningsvraag van een cliënt en eventuele in aanmerking komende voorzieningen worden beschreven; r.

persoonlijk plan: een door de cliënt opgesteld plan dat aangeeft, op basis van artikel 2.3.2, vierde lid onderdelen a tot en met e van de wet, welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; s. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; t. pgb-plan: een plan opgesteld door (of namens) de budgethouder waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet of deze verordening; u. pgb-vertegenwoordiger: een door de cliënt gemachtigde natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een door de rechter benoemde wettelijke vertegenwoordiger die de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op zich neemt. v. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoud. w. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; x. voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling waarop de cliënt aanspraak kan doen gelden met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan; y.

opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; z. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; aa. Wml: Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

bb. Woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning; cc. zelfstandige woning: dit is een woning met een eigen toegang en eigen keuken en toilet. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en/of op de daarop gebaseerde lagere regelgeving en/of de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 1. Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning in de vorm van maatwerkvoorzieningen, voor ingezetenen van de gemeente Losser. 2. Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Losser. 3. Voor ingezetenen van Nederland met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de vorm van beschermd wonen of opvang geldt dat zij zich melden bij, en de daarmee verband houdende aanvraag indienen in de gemeente Enschede. Het college van de gemeente Losser zorgt zo nodig voor een zorgvuldige overdracht. Hoofdstuk 2 Melding, Onderzoek en Aanvraag Artikel 2.1 Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. De wijze waarop de melding wordt gedaan is vormvrij. 3. Het college bevestigt de ontvangst van een melding binnen 5 werkdagen mondeling, schriftelijk of digitaal aan de cliënt en registreert dit zorgvuldig.

In het ondersteuningsplan is bevestiging schriftelijk terug te vinden. 4. Het college maakt met de inwoner en of zijn vertegenwoordiger, een afspraak voor het gesprek, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de verordening. Deze afspraak is tevens een bevestiging als bedoeld in lid 3. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel 2.2 Onafhankelijke cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke, kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel 2.3 Vooronderzoek; Indienen persoonlijk plan 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt binnen 14 dagen met hem een afspraak voor een gesprek.

2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende 7 dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 2.4 Gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen de deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. Het gewenste resultaat van het verzoek van het onderzoek om ondersteuning; c.

De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; d. De mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. De mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijke nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. De mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h.

De mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. Welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

j.

De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 4. Als hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel 2.5 Ondersteuningsplan 1. Het college zorgt voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek; 2. Binnen 6 weken na de melding verstrekt het college aan cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een ondersteuningsplan. Artikel 2.6 Onderzoekstermijn en verlenging Het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid wordt afgerond binnen zes weken na registratie van de melding, tenzij cliënt heeft ingestemd met verlenging van deze termijn. Artikel 2.7 Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk, mondeling of digitaal indienen bij het college. 2.

Een door een cliënt voor akkoord ondertekend ondersteuningsplan waarin de wens van cliënt is opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, wordt aangemerkt als een aanvraag. Artikel 2.8 Advisering 1. Het college is bevoegd om, zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is gedaan of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. Een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. Aanvullende informatie nodig is om de melding te kunnen afhandelen of de aanvraag te kunnen beoordelen; b. Het college dat overigens gewenst vindt. 3. De cliënt of huisgenoot is verplicht aan het college of de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag of het afhandelen van de melding.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Algemeen 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. Eigen kracht en/of b. Gebruikelijke hulp en/of c. Mantelzorg en/of d. Hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of e. Algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of f. Algemene voorzieningen en/of g. Andere voorzieningen 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang/beschermd wonen indien: a. De cliënt problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving; of b. De cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; en c. Voor zover de cliënt deze problemen niet kan wegnemen/verminderen door gebruik te maken van: I. Eigen kracht en/of II. Gebruikelijke hulp en/of III. Mantelzorgen/of IV. Hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of V. Algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of VI. Algemene voorzieningen en/of VII. Andere voorzieningen. 3. Indien uit het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet blijkt dat de ingezetene beschermd wonen of opvang nodig heeft, wordt deze situatie gemeld bij de centrumgemeente Enschede; 4.

Indien de melding voor beschermd wonen of opvang gedaan wordt bij de centrumgemeente Enschede wordt de noodzaak voor beschermd wonen of opvang beoordeeld door de centrumgemeente Enschede samen met de melder gebaseerd op de bepalingen van de verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2019 van de gemeente Enschede. 5. Het college kent slechts de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening toe. 6. Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budget 1. het college weigert een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb, als deze is gerealiseerd: a. Voor de melding van de hulpvraag;

2.

3.

4.

5.

b. Na de melding van de hulpvraag maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. het college weigert een pgb voor de kosten van een maatwerkvoorziening als de cliënt binnen de budgetperiode opnieuw een aanvraag doet omdat: a. de met de pgb aangeschafte maatwerkvoorziening niet meer bruikbaar of beschikbaar is door aan de cliënt te verwijten omstandigheden; en b. er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Als de afschrijvingstermijn van een geïndiceerde maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, is verstreken kan deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst passende bijdrage worden aangemerkt. de cliënt aan wie een woonaanpassing voor de eigen woning is verstrekt (al dan niet in de vorm van een pgb), zorgt voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de verstrekte woonaanpassing dekt voor het risico van de schade. de cliënt zorgt voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade als de maatwerkvoorziening al dan niet aangeschaft met een pgb, wordt meegenomen naar het buitenland.

Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorziening algemeen 1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; a. als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; b. in overwegende mate op de cliënt is gericht. 2. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat als: a. een maatwerkvoorziening, waarop de aanvraag betrekking heeft, al in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling aan de cliënt is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij deze verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid of participatie. c. De cliënt gelet op de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning aanspraak kan maken op een andere voorziening; d. Deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; Artikel 3.4 Beginsel van primaat 1. Het college kan maatschappelijke ondersteuning verstrekken als collectieve maatwerkvoorziening en/of individuele maatwerkvoorziening.

Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst adequate bijdrage wordt aangemerkt. 2. Het college beoordeelt of de cliënt die een woning bewoont (huurder of eigenaar), kan verhuizen als:

a. de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift; en b. Voor zo ver een passende of goedkopere aanpasbare woning in de gemeente Losser binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar is. Artikel 3.5 Financiële tegemoetkoming 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om één van de volgende voorzieningen gaat: a. De kosten voor verhuizen en herinrichting. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing en de Nibud-normen voor stoffering. Het college legt de hoogte vast in het financieel besluit; b. De kosten voor huurderving welke gelijk is aan de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van het huurbedrag waarvoor een huurtoeslag kan worden toegekend. Het college stelt in het financieel besluit de omvang en de duur vast. c. De kosten voor noodzakelijke woningsanering. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor woningsanering en de Nibudnormen voor stoffering. Het college legt de hoogte vast in het financieel besluit; d. De kosten voor tijdelijke huisvesting. Deze kosten worden gebaseerd op systematiek Wet op de huurtoeslag; e. De kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer.

De hoogte is gebaseerd op de kilometerprijs van het Nibud en het uitgangspunt dat de cliënt 1500 km per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen reizen. Het college legt de hoogte vast in het Financieel besluit.

Hoofdstuk 4 Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.1 Resultaten huishoudelijke ondersteuning 1. De ondersteuning bij het huishouden is gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. Het schoon en leefbaar houden van de woning; b. Het beschikken over schone en draagbare kleding; c. Het beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden; d. Het thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen. 2. Met het oog op het objectiveren van de resultaten, als genoemd in lid 1, wordt door het college vastgesteld wat de aard van de frequentie is van de te verrichten taken.

Artikel 4.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning 1. Huishoudelijke activiteiten gericht op het schoonhouden van de woning worden slechts verstrekt als dit betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning. 2. Een cliënt komt niet in aanmerking voor ondersteuning bij het huishouden indien hij een of meer huisgenoten heeft die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. 3. Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden gevergd houdt het college – onverminderd de wettelijke definitie- in ieder geval rekening met; a. De omvang van de ondersteuningsbehoefte; b. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; c. De omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter.

Hoofdstuk 5 Ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie Artikel 5.1 Ondersteuning bij het participeren 1. Bij de toekenning van ondersteuning bij het participeren in de vorm van een maatwerkvoorziening legt het college het door ingezetene gewenste resultaat vast. Het college deelt daaruit voortvloeiende ondersteuningsbehoefte in onder een of meerdere van de volgende categorieën en kent daarbij passende ondersteuning toe: a. Ondersteuningsbehoefte 1: de ingezetene krijgt praktische ondersteuning; b. Ondersteuningsbehoefte 2: de ingezetene krijgt ondersteuning bij praktische taken en bij het voeren van regie. 2. De ondersteuningsbehoeften worden zo nodig aangevuld met het noodzakelijke vervoer van en naar de locatie waar de ondersteuning wordt geboden. 3. Het college kan zelfstandig of in aanvulling op de ondersteuningsbehoefte een module Wonen en Verblijf toekennen. Hieronder wordt verstaan een vervanging van de thuissituatie in een professionele 24 uursetting, te weten: a. Vervanging van de thuissituatie zonder bijzonderheden, ook wel dakje 1 genoemd; b. Vervanging van de thuissituatie waarbij er sprake is van actief toezicht, dakje 2. 4. De module Wonen en verblijf kan voor wat betreft dakje 1 en 2 alleen in combinatie met een ondersteuningsbehoefte en in alleen in zorg in natura en pgb via het formeel netwerk worden ingezet. 5.

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de toekenning van de module Wonen en Verblijf. Artikel 5.2 Criteria ondersteuning bij het participeren 1. De cliënt komt niet in aanmerking voor ondersteuning als bedoeld in dit hoofdstuk indien hij een of meer huisgenoten heeft die naar het oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. 2. Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden gevergd houdt het college – onverminderd de wettelijke definitie- in ieder geval rekening met:

a. De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; b. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt; c. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; d. De leerbaarheid van de cliënt en/of huisgenoten van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd; e. De omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter.

Hoofdstuk 6 Ondersteuning gericht op het wonen Artikel 6.1 Resultaat woonvoorziening De woonvoorziening is er op gericht dat de cliënt normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Artikel 6.2 Resultaat van verplaatsingsmiddel Een rolstoel of ander verplaatsingsmiddel is er op gericht dat de cliënt zich kan verplaatsen in en om de woning. Artikel 6.3 Criterium woonvoorziening Een woonvoorziening heeft uitsluitend betrekking op woonruimten die; a. Nodig zijn voor het normale gebruik van de woning, en b. Daadwerkelijk in gebruik zijn. Artikel 6.4 Aanvullende criteria woonvoorziening 1. Een woningaanpassing kan slechts worden toegekend voor zover: a. Er sprake is van een zelfstandige woning; b. De aan te passen woning in de gemeente Losser staat; c. De woning naar verwachting nog minstens tien jaar in stand blijft. 2. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. Ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting naar een geschikte woning; b. In gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen indien deze voor het betreffende gebouw als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken; c.

In levensbestendige woongebouwen, die tijdens recente nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 3. Een woonvoorziening wordt slechts toegekend indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen. 4. Een woonvoorziening kan geweigerd worden indien: a. De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in het

normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. De cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen –op dat momentbeschikbare- meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college; c. Deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan:  Het verbreden van toegangsdeuren;  Het aanbrengen van elektrische deuropeners;  Aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw(mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel);  Het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders;  Het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning. d. De cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; e. De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning het gevolg zijn van de aard van de in de woning gebruikte materialen; f. De noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of alleen bedoeld is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. 5. Het college kan in het besluit nadere regels stellen over afschrijftermijnen als bedoeld in het vorige lid onder f.

Artikel 6.5 Criteria bezoekbaar maken van de woning 1. In afwijking van artikel 6.4 lid 3 kan het college een woonvoorziening waaronder een woningaanpassing verstrekken gericht op het bezoekbaar maken van een woning in de gemeente Losser, als: a. De cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wet Langdurige Zorg; en b. Er nog geen andere woning bezoekbaar is of zal worden gemaakt; en c. De woning regelmatig wordt bezocht. 2. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. 3. Het college stelt de maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van de woning vast in het Financieel Besluit.

Hoofdstuk 7 Ondersteuning gericht op het verplaatsen binnen de leefomgeving Artikel 7.1 Resultaat vervoersvoorziening 1. De vervoersvoorziening is gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. Het kunnen bereiken van winkels; b. Het kunnen onderhouden van sociale contacten;

c. Het deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen de leefomgeving van de cliënt. 2. Om de resultaten als bedoeld in het vorige lid onder a, b en c te bereiken, wordt vervoer mogelijk gemaakt tot 1.500 kilometer per jaar. 3. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het tweede lid indien uit onderzoek volgt dat cliënt een hogere of lagere vervoersbehoefte heeft. Artikel 7.2 Criteria vervoersvoorziening 1. Beperkingen bij het verplaatsen in de leefomgeving worden aanwezig geacht als de cliënt het openbaar vervoer niet kan bereiken of niet kan gebruiken. 2. Onder de leefomgeving als bedoelde in artikelen 7.1 en 7.2 wordt 15 tot 20 kilometer rondom de woning verstaan. 3. Het college kan in individuele gevallen afwijken van lid 2 indien uit onderzoek volgt dat cliënt een hogere of lagere vervoersbehoefte heeft. Artikel 7.3 Gebruik van Regiotaxi 1. De cliënt is voor de Regiotaxi een ritbijdrage verschuldigd. 2. De hoogte van de ritbijdrage is gelijk aan het tarief van het openbaar vervoer. 3. Een rit dient tijdig te worden gereserveerd. Bij niet tijdig reserveren is de cliënt een extra bijdrage van €3,00 aan de vervoerder verschuldigd.

Hoofdstuk 8 De beschikking Artikel 8.1 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. In de beschikking wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 3. Het ondersteuningsplan en het resultatenoverzicht kan onderdeel uitmaken van de beschikking. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd; a. Welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. Wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. Hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, d. Welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. Voor welk resultaat het pgb wordt aangewend; b. Wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; c. Wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en d. De wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 6. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

7.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld dat de cliënt zich moet houden aan een eventueel van toepassing zijnde bruikleenovereenkomst

Hoofdstuk 9. Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 9.1 Criteria voor een persoonsgebonden budget 1. De cliënt heeft onverminderd artikel 2.3.6 vijfde lid van de wet de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgebonden budget indien: a. De cliënt naar oordeel van het college op eigen kracht, al dan niet met behulp uit zijn sociale netwerk of zijn pgb vertegenwoordiger, voldoende in staat is te achten tot:  Een redelijke waardering van zijn belangen, en  Het op een verantwoorde manier uitvoeren van de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken; b. De cliënt weet te motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst. De motivering moet worden opgenomen in het pgb-plan; c. Naar oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt toegekend. 2. Aan de onder sub a gestelde voorwaarden wordt niet voldaan als de ondersteuner een belang heeft dat tegengesteld is aan het belang van de cliënt. Artikel 9.2 Verplichtingen persoonsgebonden budget 1. Aan het persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen verbonden: a.

De cliënt stelt het format pgb-plan op dat ingediend kan worden voor of na het gesprek, maar uiterlijk bij het indienen van de aanvraag. Het college kan aanvullende voorwaarden aan de inhoud van het pgb-plan verbinden; b. Het persoonsgebonden budget mag in ieder geval niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht; c. Uit het persoonsgebonden budget mogen in ieder geval geen administratieve bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of andere belangenbehartigers worden betaald; d. Het persoonsgebonden budget moet binnen drie maanden na toekenning zijn aangewend voor bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. In geval van een woningaanpassing kan van deze termijn worden afgeweken in overleg met het college; e. Een uitzondering voor het opstellen van een pgb-plan geldt voor cliënten die een aanvraag doen voor hulpmiddelen. De cliënt is verantwoordelijk voor het aanvragen van een offerte bij de aanbieder en het indienen van de offerte bij het college.

2. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend sluit met de aanbieder of zorgverlener een zorgovereenkomst volgens een verplicht format van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), waarin onder andere afspraken zijn opgenomen over de wijze van declareren. Een declaratie van een aanbieder omvat in ieder geval: a. Een overzicht van de dagen waarop is gewerkt; b. Het uurtarief; c. Het Burgerservicenummer en de naam en het adres van de cliënt; d. Het nummer waarmee die aanbieder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met de branche- standaard bedrijfsindeling van de beroepsgroep gezondheidszorg en welzijn. Hiernaast wordt de declaratie door de aanbieder en de cliënt ondertekend. 3. In de zorgovereenkomst, als bedoeld in het tweede lid, sluit de aanbieder zich aan bij de afspraken die zijn gemaakt in het pgb-plan over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning. 4. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend zorgt er voor dat een aanbieder op wie het Arbeidstijdenwet niet van toepassing is, niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht. 5. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 9.3 Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2.

Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Informele hulp is: a. hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen. 4. De (in)formele hulpverlening mag niet tevens pgb vertegenwoordiger van cliënt zijn of familie van de pgb-vertegenwoordiger zijn. Dit geldt ook voor iedere hiërarchisch meerdere van de hulpverlener in de organisatie van de zorgaanbieder. 5. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte omtrent het pgb.

Artikel 9.4 Hoogte persoonsgebonden budget niet zijnde beschermd wonen of opvang 1. Voor de goedkoopst passende bijdrage hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van ofwel de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht (hierna: het tarief) dan wel van andere bedragen. 2. a. Voor individuele ondersteuning geldt: 1 ͦ 85% van het tarief voor de formele hulp. 2 ͦ het bedrag zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor de informele hulp of die niet als persoon onder 1 ͦ kunnen worden aangemerkt. b. Voor groepsgerichte ondersteuning geldt: 1 ͦ 85% van het tarief per dagdeel voor de formele hulp; 2 ͦ het bedrag per dagdeel zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor de informele hulp of die niet als personen onder 1 ͦ kunnen worden aangemerkt. c. voor vervoer van en naar de locatie waar de groepsgerichte ondersteuning wordt geboden geldt 85% van het zorg in natura tarief per kilometer. 3. Voor het tarief voor de module wonen en verblijf geldt dat deze gelijk is aan het zorg in natura tarief. a. 80% van het tarief voor de formele hulp; 4. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt: a. 85% van het tarief voor formele hulp; b. 60% voor de informele hulp van het zorg in natura tarief. 5.

Voor het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid van de Regeling langdurige zorg (Rlz) geldt het bedrag geldend op 1 januari van elk kalenderjaar en als vakantiebijslag van toepassing is, dan is in het bedrag de vakantiebijslag als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML), verdisconteerd. 6. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Financieel besluit. Artikel 9.5 Hoogte persoonsgebonden budget overig 1. De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. 2. Behoudens de kostprijs als bedoeld in artikel 10.4 lid 2 van de verordening kan het college de hoogte van het pgb vaststellen op basis van de economische levensduur van de geïndiceerde maatwerkvoorziening. 3. Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte als de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders. 4. Het college stelt het pgb voor het realiseren van een woonaanpassing vast op basis van: a. een door het college goedgekeurd programma van eisen;

b. richtprijzen en normen uit Casadata en/of meerdere offertes; c. eventuele bijkomende noodzakelijke kosten die van een architect en/of legeskosten. d. Het college kan Nadere regels stellen welke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. 5. Het college stelt Nadere regels over de omvang van de budgetperiode die geldt voor hulpmiddelen. 6. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Financieel besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het toekenningsbesluit. Artikel 9.6 Hoogte persoonsgebonden budget opvang en beschermd wonen De hoogte van het pgb voor opvang en beschermd wonen is toereikend voor: a. opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; b. het beschermd wonen in een goedgekeurde accommodatie met bijbehorend toezicht dan wel op basis van de feitelijke situatie als de indicatie niet wordt verzilverd in een accommodatie; c. de geïndiceerde dagbesteding. Artikel 9.7 Besteding persoonsgebonden budget 1. Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven doen: a. Alle bijkomende kosten voor de zorgverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst b. en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskostenvergoedingen voor woonwerkverkeer, verlofregelingen, pensioenvoorziening en spaarloon. 2.

De budgethouder mag een pgb gedurende maximaal 13 weken per kalenderjaar buiten de gemeente Losser besteden. 3. De budgethouder kan het pgb voor ten hoogste zes weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van ondersteuning te verlenen tijdens verblijf buiten Nederland. 4. Het pgb mag niet worden besteed aan; a. een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht; b. activiteiten, die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen; c. personen uit het sociaal netwerk, die overbelast zijn of dreigen te geraken. 5. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering; f. vervoerskosten als hiervoor geen beschikking afgegeven zal worden; g. reiskosten hulpverlener en of derde aan wie het pgb besteed wordt; h. bijkomende zorgkosten; i. contributie voor het lidmaatschap (bijvoorbeeld van Per Saldo), kosten voor het volgen van cursussen over pgb, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; j. alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo vallen;

k. ondersteuning inkopen buiten EU-landen, vanwege de onmogelijke opgave om te controleren op kwaliteit en financiën. 6. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het persoonsgebonden budget. 7. Het college verleent geen éénmalige uitkering in geval van overlijden van de cliënt of budgethouder. 8. Het is niet toegestaan om automatisch een vast bedrag per periode uit te betalen zonder declaratie en factuur.

Hoofdstuk 10 Bijdrage in de kosten, kostprijs, ritbijdrage en reserveringstoeslag Artikel 10.1 Eigen bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen 1. De cliënt is een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd van een verstrekte maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van een pgb. , 2. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen en/of pgb’s is gebaseerd op het maximale bedrag als bedoeld in artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet. 3. De maatwerkvoorziening collectief vervoer is uitgezonderd van het abonnementstarief 4. De bijdrage in de kosten is verschuldigd vanaf de maand waarin ondersteuning feitelijk is geboden, het hulpmiddel feitelijk is geleverd, de woonaanpassing is gerealiseerd of het pgb is toegekend. 5. De bijdrage in de kosten voor hulpmiddelen en woonvoorzieningen blijft verschuldigd als de cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening dan wel een pgb. 6. Geen bijdrage in de kosten is verschuldigd voor: a. een rolstoelvoorziening; b. het vervoer van en naar de groepsondersteuning; c. woningaanpassing van personen in de leeftijd tot 18 jaar; d. voor de maatwerkvoorziening die als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt 7. De bijdrage voor de opvang beschermd wonen wordt vastgesteld en geïnd door de aanbieder die de opvang regelt en/of CAK. Artikel 10.2 Bijdrage in de kosten algemene voorziening 1.

De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening, zoals de was- en strijkservice.. 2. De cliënt is de bijdrage verschuldigd aan de aanbieder. 3. Het college stelt in het Besluit nadere regels waaronder: a. Wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is; b. Of voor cliënten uit omschreven groepen een korting van toepassing is op deze bijdrage.

Artikel10.3 Ritbijdrage en reserveringstoeslag 1. Voor het gebruik van de maatwerkvoorziening collectief vervoer is de cliënt een op het reguliere OV-tarief gebaseerde ritbijdrage en een eventuele reserveringstoeslag verschuldigd aan de aanbieder. 2. Het college stelt de bijdragen als bedoeld in het eerste lid vast in het Financieel besluit. Artikel 10.4 Kostprijs berekening voor bijdrage in de kosten 1. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. Door een aanbesteding; b. Na een consultatie in de markt, of c. In overleg met de aanbieder. 2. De kostprijs van een maatwerkvoorziening is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening afneemt of aanschaft van een – gecontracteerde- aanbieder, inclusief de bijkomende kosten. 3. De kostprijs van een pgb is gelijk aan het bedrag van het pgb. 4. De kostprijs van een algemene voorziening bedraagt nooit meer dan een kostendekkende bijdrage.

Hoofdstuk 11 Toezicht en Handhaving Artikel 11.1 Toezicht en handhaving 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2. De gemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en –prioriteiten worden aangegeven. 3. Het college stelt nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. 4. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. 5. Het college rapporteert één keer per jaar aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en –prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader. Artikel 11.2 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.

Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de vertrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. De cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. De maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. De cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening of het pgb zijn verbonden; e. De cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.

Hoofdstuk 12 Kwaliteit en klachten Artikel 12.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 12.2 Kwaliteitseisen derde aan wie het pgb wordt besteed De kwaliteitseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde aanbieders zijn ook van toepassing op de derde aan wie het pgb wordt besteed, tenzij het pgb daardoor onbereikbaar wordt en de cliënt onverkort voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.3.6

van de wet en bepalingen van de verordening. Voor personen uit het sociaal netwerk gelden de gestelde opleidingseisen niet. Artikel 12.3 Verhouding prijs en kwaliteit van voorziening geleverd door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs- kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. Kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van de wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en wettelijke verplichtingen en verbonden aan het leveren van de dienst; b. De aard en de omvang van de te verrichten taken; c. Een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, en e. De kosten van bijscholing van het personeel. 2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. De marktprijs en de voorziening, en b.

De eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:  Aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;  Instructie over het gebruik van de voorziening;  Onderhoud van de voorziening, en  Verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel 12.4 Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Vaste contractpartners stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van geleverde voorzieningen en diensten. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen en aanbieders door periodiek overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliënttevredenheidsonderzoek. Artikel 12.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders.

Artikel 12.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 13 Mantelzorgwaardering, inspraak en medezeggenschap Artikel 13.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college geeft de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten vorm in overleg met Stichting Fundament. Artikel 13.2 Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning overeenkomstig de Inspraakverordening Losser. 2. Het college stelt de betrokken adviesraad van het college, zijnde de Participatieraad Losser, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over de verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning. Het college voorziet hierbij de participatieraad van ondersteuning om zijn rol effectief te kunnen vervullen.

Hoofdstuk 14 Beëindiging herziening en intrekking Artikel 14.1 Beëindiging Behoudens artikel 2.3.10van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel pgb in ieder geval geheel of gedeeltelijk beëindigen als: a. Niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van of krachtens verordening: b. de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dit gebeurt in het kader van de te bieden maatschappelijke ondersteuning: c. de cliënt vanwege een verhuizing geen woonplaats meer heeft in de gemeente Losser: d. de cliënt is overleden.

Artikel 14.2 Herzien of intrekken van besluiten 1. Behoudens artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college desgevraagd of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot een herziening of intrekking van de beslissing als bedoeld in de artikelen 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 2. Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de cliënt niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het pgb, de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst. Artikel 14.3 Terugvordering geldswaarde 1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming dan wel pgb is herzien of ingetrokken, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde: a. Van een maatwerkvoorziening of een financiële tegemoetkoming; en/of b. Van het ten onrechte genoten pgb, terugvorderen van de cliënt als de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden en van de derde als degene daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. 2.

De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandige. 3. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid van de wet.

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen Artikel 15.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening en het Besluit, indien toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 15.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2021 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022.

4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de in het eerste lid genoemde verordening wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 15.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad op 4 oktober 2022; griffier,

voorzitter,

Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2021 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Waar nodig zal de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening. Daarmee een bijdrage leverend aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen.

Om zodoende te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of te verbeteren. Om uiteindelijk te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar.

De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=ad4cfc7b-80c0-4257-a407-cc8f0bf67698