Nota van zienswijzen - Buitengebied_ Partiële Herziening Glanerbrugstraat 47- 49 Glane
Tekst van het document
Dit omdat het binnen deze gemeente niet zomaar is toegestaan. 21. Artikel 4.4 onder b: het verbod op nevenactiviteiten dient ook te gelden buiten de betreffende aanduiding (zie opmerking terug). Alleen de onherroepelijke bij recht toegestane nevenactiviteiten mogen worden toegestaan. Als het voedselbos exploitabel blijkt te zijn kan alsnog worden afgewogen of bepaalde nevenactiviteiten of voorzieningen kunnen worden toegestaan. 22. Artikel 4.4 onder h, sub 2: de maximale oppervlakte van plattelandskamers moet worden teruggebracht van 500 m² naar 185 m² in overeenstemming met de oppervlakte van de aanduiding zoals op de verbeelding weergegeven. Tevens moet het beperkt blijven tot 2 plattelandskamers (zoals is vergund d.d. 15 oktober 2023).
22
i.
23. Artikel 4.4 onder j: de verbodsbepaling van permanente bewoning dient aangevuld te worden met expliciet een verbod op huisvesting van arbeidsmigranten. 24. Artikel 4.4.1 betreft de voorwaardelijke verplichting dat voldaan moet worden aan de landschappelijke inrichtingsplan en in samenhang daarmee met de gebruiksmogelijkheden. Dit artikel moet worden aangepast vanwege de voorgaande opmerkingen van reclamant (o.a. de nevenactiviteiten die volgens reclamant niet mogen plaatsvinden). 25. Artikel 4.5 onder c sub 1: toevoegen dat het aantal kampeermiddelen niet meer dan 25 mogen zijn zoals opgenomen in de beleidsnota “Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018”. In de planregel ontbreekt een maximum (het maximale aantal van 25 is dan inclusief de mogelijkheid van 2 trekkershutten). 26. Artikel 4.5 onder c sub 3: het beginnen van een theeschenkerij moet vervallen. Ook past het niet als voorwaarde bij kleinschalig kampeerterrein. 27. De mogelijkheid om binnen bestaande gebouwen een proeflokaal te realiseren kan komen te vervallen. Dit omdat een duidelijk kader ontbreekt met risico dat het uitgroeit tot een restaurant. 28. Ook het houden van 14 evenementen kan komen te vervallen. Dit ter bescherming van de buurt en het heeft eveneens geen relatie met de hoofdactiviteit van het voedselbos. 29.
Artikel 4.6: betreft een wijzigingsbevoegdheid naar het omzetten van een volwaardige kwekerij. Deze bepaling moet, gelet op de voorgaande opmerkingen van reclamant, vervallen. Daarnaast bestaat deze bevoegdheid niet langer als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 30. Artikel 5.5: betreft een wijzigingsbevoegdheid in relatie tot archeologische waarden en kan komen te vervallen vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 31. Artikel 9 onder e: algemene afwijkingsregels waarin de term “recreatief medegebruik” is opgenomen. Deze term moet volgens reclamant wordt vervangen door “waterbeheer” vanwege de aanwezige sloten van het waterschap. 32. Door reclamant wordt tevens voorgesteld om rond de woonerven op de verbeelding een spuitvrije zone van 50 meter op te nemen in verband met gewasbescherming. Dit uit oogpunt van gezondheid en veiligheid. En langs de twee watergangen een zone van 5 meter aan beide zijden. Dit ondanks dat nu sprake is van een biologische bedrijfsvoering. Door reclamant wordt ingegaan op de plantoelichting en de bijlagen van het bestemmingsplan: • Door reclamant wordt gewezen op bijlage 1 van de toelichting van het ontwerpplan waarin kwekerij-activiteiten buiten het bouwvlak zijn ingetekend. Deze activiteiten zijn ingetekend op een es zoals in het ontwerpplan op de verbeelding is aangeduid.
Door reclamant is toegelicht dat dergelijke activiteiten niet buiten het bouwvlak mogen plaatsvinden en al helemaal niet op essen.
Beoordeling Ad a. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder a. Ad b. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder i. 23
Ad c. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder b. Ad d. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder c. Ad e. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder c. Ad f. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder c. Ad g. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder e. Ad h. 1. Artikel 3.1, onder d (extensieve dagrecreatie): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 1. 2. Oppervlakte en vorm bouwvlak: Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder g, punt 2. 3. Artikel 3.3 onder c (bouwvlak vergroten): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 5. 4. Artikel 3.2.2, onder a, sub 2 (overige bouwwerken): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 2. 5. Artikel 3.3, onder a (schuilgelegenheid dieren): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 3. 6. Artikel 3.3, onder b (bijenstal): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 4. 7. Artikel 3.3 onder d (beheergebouw): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 6. 8.
Artikel 3.3 onder e (overschrijden bouwvlak): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 7. 9. Verbodsbepaling ten behoeve van waarborg openheid: Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 8. 10. Artikel 3.4 onder a (verbodsbepaling aanleg paden): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 9. 11. Artikel 3.4 (verbodsbepaling standplaats kampeermiddelen): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 10. 12. In artikel 3.5 onder c (paardrijbak): Allereerst wordt verwezen naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 1. Het is op grond van de planregels niet uitgesloten dat een paardrijbak op gronden wordt gerealiseerd met de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. In de betreffende planregeling is precies beschreven waaraan een aanvraag omgevingsvergunning moet voldoen. Het aanleggen van een paardrijbak op een es met de daarbij behorende voorzieningen is eveneens niet op voorhand uitgesloten, maar is niet waarschijnlijk dat dit mogelijk te maken is. De aanleg van een paardrijbak buiten het bouwblok kan alleen onder strikte voorwaarden. Er dient onder andere op bestaande
24
bebouwing te worden aangesloten en de aanleg mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk van landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en archeologische waarden. 13. Artikel 3.6 lid a onder 7 (aanleg van paden): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 2. 14. Artikel 3.6 lid b onder 2 (legale werken en werkzaamheden): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 3. 15. Artikel 4.1 onder b (grondgebonden agrarisch bedrijfsactiviteit van voedselbos niet op es toegestaan): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 4. 16. Artikel 4.1 onder d (alleen verwerking en verkoop van de eigen geproduceerde producten): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 5. 17. Alleen nevenactiviteiten en voorzieningen die nu bij recht mogelijk zijn toestaan: Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 6. 18. Maximaal één paardrijbak per agrarisch bedrijf: Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 7. 19. Artikel 4.2.1 onder d (geen kassen toestaan): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 8. 20.
De afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.2.1 sub i en het toestaan dat een woonhuis van 2.000 m³ mag worden gebouwd kan komen te vervallen: Allereerst wordt verwezen naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 1. Ditzelfde geldt dus ook voor de mogelijkheid om, in geval van gehele sloop van het woongedeelte inclusief de deel met een bestaande inhoud van meer dan 2.000 m³, een nieuw woongedeelte terug te bouwen. Het nieuwe woongedeelte moet worden gebouwd overeenkomstig de voormalige karakteristieke hoofdvorm. 21. Artikel 4.4 onder b (het verbod op nevenactiviteiten dient ook te gelden buiten de betreffende aanduiding): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 10. 22. Artikel 4.4 onder h, sub 2 (de maximale oppervlakte van plattelandskamers moet worden teruggebracht van 500 m² naar 185 m²): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 11. 23. Artikel 4.4 onder j (verbodsbepaling van permanente bewoning arbeidsmigranten): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 12. 24. Artikel 4.4.1 (voorwaardelijke verplichting aanpassen): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 13. 25.
Artikel 4.5 onder c sub 1 (aantal kampeermiddelen niet meer dan 25): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 14. 26. Artikel 4.5 onder c sub 3 (theeschenkerij moet vervallen): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 15. 27. De mogelijkheid om binnen bestaande gebouwen een proeflokaal te realiseren kan komen te vervallen: Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 5, onder a. 25
28. Ook het houden van 14 evenementen kan komen te vervallen: Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder d, punt 1. Ditzelfde geldt dus ook voor de mogelijkheid om evenementen te organiseren, indien die activiteiten een aaneengesloten periode van niet meer dan 14 dagen omvatten.
29. Artikel 4.6 (wijzigingsbevoegdheid volwaardige kwekerij): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 16. 30. Artikel 5.5 (wijzigingsbevoegdheid archeologische waarden): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 17. 31. Artikel 9 onder e (algemene afwijkingsregels en term “recreatief medegebruik”): Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder f, punt 18. 32. Spuitvrije zone van 50 meter: Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder g, punt 3. Ad i. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1, onder h. Conclusie De zienswijze geeft aanleiding om het plan aan te passen. De volgende aanpassingen zijn aangebracht: 1. In de plantoelichting wordt in samenhang met het landschappelijk inrichtingsplan duidelijkheid gegeven over de toepassing van allerlei teeltondersteunende voorzieningen (als overig bouwwerk). 2. Aan artikel 3.4 wordt de bepaling toegevoegd dat het is verboden de gronden te gebruiken als standplaats voor kampeermiddelen (zoals ook in het verzamelplan 2022 is opgenomen): 3. Aan artikel 4.1 onder d wordt toegevoegd dat het ook gaat om de verkoop van (streek)eigen producten. 4. Artikel 4.3 onder g is de verwijzing “lid 4.2.1 sub j” gewijzigd in “lid 4.2.1 sub i”. 5.
Artikel 4.6 betreft de wijzigingsbevoegdheid naar het omzetten van een volwaardige kwekerij en is geschrapt. 6. Artikel 5.5 betreft de wijzigingsbevoegdheid in relatie tot archeologische waarden en is geschrapt. 7. Op de verbeelding is een spuitvrije zone van 50 meter opgenomen in verband met gewasbescherming. De planregels zijn hierop aangevuld.
2.3 Reclamant 3 Samenvatting a. Reclamant verzoekt om het proeflokaal en de studiezaal niet voor feestjes of andere gelegenheden te gebruiken in verband met geluidsoverlast. Daarbij mag het proeflokaal en studiezaal uitsluitend binnen het bouwblok te blijven.
26
b. Voorts stelt reclamant dat de winkel en terras ook uitsluitend binnen het bouwblok dient plaats te vinden. Er mag geen sprake zijn van alcoholische versnaperingen. De winkel mag alleen producten verkopen die te maken hebben met het voedselbos en niet later dan 21.00 uur geopend zijn. Er dienen geen picknickplekken buiten het bouwblok te worden geplaatst vanwege overlast. c. Reclamant gaat akkoord met de twee gastenverblijven als deze binnen het bouwblok worden geplaatst. Reclamant heeft bezwaar tegen de uitbreiding van meer (gasten)verblijven en een eventuele (mini)camping. d. Door reclamant wordt gevraagd om de kas uitsluitend te plaatsen op de daarvoor aangewezen plek. Een andere plek is bezwaarlijk vanwege schittering van de zon en uitzicht. e. Er is bezwaar wanneer uitzicht van het woonadres van reclamant wordt verstoord door een eventueel hekwerk en/of hoge bomen en/of lampen. f. Het huidige bouwblok dient gehandhaafd te worden (geldend d.d. 24 januari 2024). Er bestaat bezwaar tegen uitbreiding van het bouwblok. Beoordeling Ad a. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 5, onder a en b. Ad b. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 5, onder b. Ad c. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 5, onder c. Ad d. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 5, onder d. Ad e.
Er mag erfafscheiding worden gerealiseerd zoals dat voor elke grondeigenaar is toegestaan en ook enige verlichting van bijvoorbeeld de nieuwe toegangsweg is niet uit te sluiten. Ad f. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 4, onder c. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding het plan aan te passen.
2.4 Reclamant 4 Samenvatting a. Er mag geen camping en horeca komen buiten het bestaande bouwblok. Dit geldt eveneens voor een eventuele picknickplaatsen schuin tegenover het woonadres van reclamant. Dit in verband met overlast (afval). b. Verder mag er geen (hoog) hekwerk langs de straat te komen in verband met overstekend wild. 27
c. Reclamant heeft geen bezwaren tegen de andere voorzieningen, maar deze dienen wel binnen het bestaande bouwblok plaats te vinden (c.q. het bouwblok mag niet worden vergroot en/of van worden afgeweken). Door reclamant wordt gewezen op de afspraken van 14 januari 2024. Beoordeling Ad a. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 5, onder a en b. Ad b. Verwezen wordt naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 5, onder e. Ad c. Wij nemen kennis van de opmerking van reclamant dat er geen bezwaren bestaan tegen de andere voorzieningen. Door reclamant wordt opgemerkt dat het bouwblok niet mag worden vergroot en/of daarvan mag worden afgeweken. Het is niet duidelijk wat reclamant hier precies bedoeld. Het bouwblok wordt wel in vorm en oppervlakte aangepaste ten opzichte van het nu geldende omgevingsplan. Wij veronderstellen dat reclamant daarentegen bedoeld dat het bouwblok niet mag wijzigen ten opzichte van het ontwerpplan. Wat betreft de verwijzing die reclamant doet naar afspraken van 14 januari 2024 merken wij op dat het aan reclamant is om te beoordelen of deze afspraken in overeenstemming zijn met voorliggend ontwerpplan. De juridisch-planologische regeling zoals in het ontwerpplan is opgenomen is uiteindelijk de regeling waaraan initiatiefnemer dient te voldoen (en kan niet worden beperkt door privaatrechtelijke afspraken).
Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding het plan aan te passen.
2.5 Reclamant 5 Samenvatting a. Reclamant geeft aan dat het proeflokaal en de studiezaal uitsluitend hiervoor mogen worden gebruikt en niet voor horeca en feestjes. Ook tot een bepaalde tijd om geluidsoverlast te voorkomen. Deze voorzieningen uitsluitend toestaan binnen het bouwblok. b. Ook is reclamant van mening dat de winkel en terras uitsluitend binnen het bouwblok mogen worden opgericht. Het moet gaan om producten van het voedselbos. De horeca moet voldoen aan bepaalde tijden en er mag geen alcohol genuttigd worden. Het verband tussen het voedselbos en een horecagelegenheid is voor reclamant niet duidelijk en 0s c. daarom tegen een horecagelegenheid. Voorts stelt reclamant dat er geen picknickplekken buiten het bouwblok mogen komen vanwege het huidige uitzicht van reclamant. d. Reclamant stelt dat het moet blijven bij twee gastenverblijven en wil geen uitbreiding van nachtverblijven en/of camping. Dit mag alleen op het nu bestaande bouwblok.
28
e. De kas uitsluitend plaatsen op de plek waar die is aangegeven op de plattegrond van het bestemmingsplan. Dit in verband met uitzicht van reclamant. f. Het hekwerk mag niet hoger zijn dan 1 meter omdat anders het uitzicht van reclamant wordt verstoord. Beoordeling Ad a. Het proeflokaal en de studiezaal die reclamant benoemd mogen alleen worden gebruikt als zijnde een nevenactiviteit van het voedselbos. De voorzieningen die daarvoor benodigd zijn mogen alleen binnen het bouwblok worden gerealiseerd. Met betrekking tot de oprichting van een proeflokaal is in de planregels verwerkt dat dit alleen mag worden gerealiseerd met ondergeschikte horeca in de vorm van een theeschenkerij met terras. Ook mag de oppervlakte hiervan niet meer dan 150 m² bedragen. De planregeling die in het ontwerpplan is opgenomen maakt het niet mogelijk dat ter plaatse andere vormen van horeca mogen plaatsvinden, dus ook niet voor bijvoorbeeld bruiloften en andere feesten. Ad b. Het is niet toegestaan om gronden en gebouwen te gebruiken ten behoeve van detailhandel, anders dan de verkoop van eigen en streekeigen producten. Het oprichten van een winkel buiten het bouwblok is niet toegestaan. Datzelfde geldt ook voor het terras dat onderdeel uitmaakt van het proeflokaal. Het proeflokaal dient binnen het bouwblok te worden opgericht en aansluitend daaraan ook het terras.
Zoals hiervoor al is toegelicht mag het uitsluitend gaan om een proeverij met ondergeschikte horeca in de vorm van een theeschenkerij met een terras. Er is geen andersoortige horeca toegestaan. Wat betreft het verband van de ondergeschikte horeca met het voedselbos wordt ter verduidelijking opgemerkt dat het gaat om het proeven van producten vervaardigd van de eetbare gewassen uit het voedselbos en daarbij hoort ook de functie van een theeschenkerij met terras. Ad c. Wij zijn het niet met reclamant eens dat het aantal gastverblijven beperkt moet blijven tot de twee reeds vergunde plattelandskamers. Het plan gaat uit van vijf plattelandskamers die in de voormalige jongveestal worden gerealiseerd. Wij vinden dat de beoogde voorzieningen als onderdeel van de exploitatie van het voedselbos een versterking zijn op het verblijfsrecreatief aanbod binnen de gemeente. Het gaat hier om een vorm van verblijfsrecreatie waarbij de beleving van het platteland alsook de activiteiten rondom het voedselbos centraal staan. Dit is in lijn met het gemeentelijk beleid zoals dat in de nota “Verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018” is vastgelegd. De plattelandskamers zijn voorzien in (voormalige) agrarische bebouwing, hebben een maximale oppervlakte van 60 m² en is het parkeren op eigen terrein geregeld.
De plattelandskamers zijn als onderdeel van het erf en in samenhang met alle andere activiteiten landschappelijke ingepast. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is beschreven dat het plan een bijdrage levert aan de diversificatie van het aanbod voor verblijfsrecreatie. De combinatie van plattelandskamers op een agrarisch erf, waarbij de agrarische activiteiten bestaan uit een voedselbos met de daarbij horende nevenactiviteiten, is een nieuw concept voor NoordoostTwente. Wat betreft de mogelijkheden van een camping merken we op dat alleen een kleinschalig kampeerterrein onder specifieke voorwaarden mag worden opgericht. Dit is niet bij recht 29
toegestaan maar daarvoor dient, in afwijking van het omgevingsplan, een vergunning te worden verleend. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt generiek voor agrarische bedrijven en is om die reden dan ook in dit plan verwerkt. Overigens maakt de oprichting van een kleinschalig kampeerterrein geen onderdeel uit van voorliggend plan. Ad d. De kassen mogen binnen het volledige bouwblok zoals met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit kwekerij” worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 500 m² aan kassen. De feitelijke plek waar de kassen beoogd zijn is op het zuidelijk gedeelte van het bouwblok en worden landschappelijk ingepast. Voor een uitgebreide toelichting op de positionering van de kassen binnen het bouwblok wordt verwezen naar de beoordeling van de zienswijze van reclamant 6, onder f. Ad e. Ten aanzien van erfafscheidingen sluit het bestemmingsplan aan bij de maatvoeringen die overal in het buitengebied van gemeente Losser gelden. Binnen de bestemming ‘agrarisch – agrarisch bedrijf’ mogen erfafscheidingen niet hoger zijn dan 1 meter. Achter de voorgevel van de bedrijfswoning(en) en/of de bedrijfsgebouwen is een hoogte van maximala 2 meter toegestaan. Binnen de bestemming ‘agrarisch’ mogen erfafscheidingen maximaal 1,5 meter hoog zijn. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding het plan aan te passen.
2.6 Reclamant 6 Samenvatting Reclamant wil graag antwoord hebben op de navolgende vragen: a. De wijze waarop de houtwal wordt aangeplant en onderhouden (zie afbeelding die aan de zienswijze is toegevoegd). Dit in verband met afstand tot erfgrens. Zo dienen de toekomstige snoeiwerkzaamheden altijd vanaf het eigen terrein plaats te vinden en niet vanaf de aangrenzende weg die in eigendom van reclamant is. b. Reclamant vraagt zich af wat de minimale afstand is die de gemeente hanteert tussen aanplanting houtwal en erfgrens. c. Ook met betrekking tot het aanplanten en het onderhoud van de kruinbomen, ter plaatse van de bocht aan de westzijde, wordt afgevraagd hoe met de afstand tot de erfgrens wordt omgegaan (zie afbeelding die aan de zienswijze is toegevoegd). Ook hiervoor geldt onderhoud vanaf het eigen terrein zonder gebruik te maken van de aangrenzende weg die in eigendom van reclamant is. d. Reclamant vraagt zich af wat de minimale afstand is die de gemeente hanteert tussen aanplanting bomen en erfgrens. e. Door reclamant vraagt naar de afstand van het (aangepaste) bouwblok tot aan de erfgrens. f. Door reclamant wordt verzocht om de kas zoveel mogelijk in noordelijke richting te plaatsen (zover mogelijk van de westelijke erfgrens) Dit komt ten goede aan het vrije uitzicht van reclamant. Beoordeling
30
Ad a. De gemeente gaat ervan uit dat initiatiefnemer de wettelijke normen hanteert. Het landschappelijk inpassingsplan gaat uit van de aanleg van een houtwal op 50 centimeter tot de erfgrens, indien het alleen heesters betreft. In het geval de houtwal van bomen wordt voorzien, dienen deze op minimaal 200 centimeter tot de erfgrens te worden geplaatst. Dit geldt uiteraard ook voor de bomen die niet binnen de houtwal worden geplaatst. Hiermee is geborgd dat de onderhoudswerkzaamheden vanaf het eigen terrein plaatsvinden. Er kan van deze marges worden afgeweken wanneer de aanplant aan openbare ruimte grenst. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat er rekening wordt gehouden met ruimte om te snoeien binnen het perceel. De hagen worden op zodanige afstand van de erfgrens aangeplant dat er voldoende ruimte is voor snoei en ander onderhoud vanaf het eigen perceel. Ad b. Zie de beoordeling onder a van deze zienswijze. Ad c. Zie allereerst de beoordeling onder a van deze zienswijze. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat het de bedoeling is dat de kruinbomen uitgroeien tot hun natuurlijke vorm en omvang. Hiermee wordt rekening gehouden bij het bepalen van de precieze plek van de boom. Er is dus in principe geen sprake van snoei. Ad d. Zie de beoordeling onder a van deze zienswijze. Ad e.
De afstand van het nieuwe gedeelte van het bouwblok, bedoeld om de kassen te realiseren tot aan de toegangsweg dan wel de oprit, is ongeveer 92 meter (gemeten haaks op het bouwblok tot aan de buitenste rand van de toegangsweg). De kortste afstand tot aan de perceelgrens is circa 74 meter. Door reclamant kan via www.ruimtelijkeplannen.nl op een eenvoudige manier worden bepaald wat de afstanden zijn gerekend vanaf verschillende posities.
31
Ad f. De plek van de kas is bepaald op grond van landschappelijke factoren (zoals de vorm van de historische es), bedrijfsmatige factoren (bereikbaarheid van de kas en van de kwekerij daarachter met een minimum aan verharding), zichtbaarheid (niet prominent aanwezig) en natuurlijke factoren (zoals positionering ten opzichte van de zon voor optimale lichtinval en warmte). De maximaal toegestane oppervlakte aan kassen zal niet meteen worden gerealiseerd, maar kan uiteindelijk wel door initiatiefnemer worden benut. De initiatiefnemer heeft laten weten dat de kassen zover mogelijk van de toegangsweg van reclamant worden gerealiseerd. Door reclamant wordt gewezen op de doorlopende zichtlijnen in relatie tot de bouw van de kassen. Opgemerkt wordt dat ook erfbeplanting wordt aangebracht waardoor er geen sprake zal zijn van doorlopende zichtlijnen. Het zicht op de kas wordt zoveel als mogelijk beperkt door deze te voorzien van een landschappelijke inpassing (erfbeplanting) zoals weergegeven in het landschapsplan. De beplanting op de kwekerij blijft laag. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding het plan aan te passen.
32
3.
Ambtshalve wijzigingen 1. In paragraaf 6.1 van de plantoelichting is verduidelijkt dat op de bestaande plansystematiek wordt aangesloten. Dit betekent dat wordt aangesloten op de wijze waarop de bestaande planregels zijn geformuleerd. Dit ter waarborging van een uniforme planregeling voor het Buitengebied. 2. De herbegrenzing van de es, zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, is nog eens nader beschouwd. Na overleg met zowel provincie als ’t Oversticht is geconstateerd dat een deel van de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen begrenzing niet overeen komt met wat we in het veld waarnemen. De aanwezige houtwal (zie afbeelding hieronder) vormt een natuurlijke, en daarmee logischer, begrenzing van de es. Daarom stellen we voor om, via ambtshalve wijziging, de westelijke grens aan te passen en de daarvoor de aanwezige natuurlijke contour te volgen. Het roodbruine (onnatuurlijk) gevormde gedeelte (aangeduid met rood kruis) komt daarmee als ‘es’ te vervallen.
33
Wanneer gekeken wordt naar de kenmerken van essen en de feitelijke situatie laat zien dat door de huidige hoge eikenrand de door de sloot doorsneden es één ruimte was. Het vierkant-achtige stuk komt in de oudere historie eigenlijk ook niet terug. Dit onderstreept de motvering dat het provinciale kaartje enkel als ‘hulpmiddel’ gebruikt dient te worden. Hierna is een historisch overzicht van het plangebied door de jaren heen gevoegd. Hieruit is duidelijk zichtbaar dat het ‘gele vlak’ door de jaren heen één geheel was, waarbij de eikenrand een natuurlijke afscheiding was. De aanpassing van het bestemmingsplan en het weghalen van de aanduiding ‘essen’ (zie figuur 3) ter plaatse van het rode kruis brengt de bescherming van de essen in overeenstemming met de feitelijk aanwezige situatie.
34
35
36