Groenbeleidsplan.pdf
Tekst van het document
Groenbeleidsplan
Voor een evenwichtig groenbeheer
Groenbeleidsplan Gemeente Losser Voor een evenwichtig groenbeheer
Versie Definitief Auteurs Anne Marit Popma (Bureau 7TIEN) Jesse de Graaff (Bureau 7TIEN) Opdrachtgever Huub Plegt (Gemeente Losser) Bram in het Veld (Gemeente Losser) Afbeeldingen en illustraties Bram in het Veld (Gemeente Losser) Thomas Klomp (Scherp Gesteld) Bureau 7TIEN Datum 15-04-2022 Plaats Losser
2
Managementsamenvatting De functie van groen in de openbare ruimte verandert over de tijd. Waar vroeger groen met name diende om voldoende hout als brand- en grondstof te hebben, kreeg het later met name een cultuurhistorische en esthetische waarde. Nu we steeds meer weten over klimaatverandering en ecologische achteruitgang, dient het groen ook om de gevolgen van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies tegen te gaan. Om de bestaande en nieuwe belangen rondom groen af te wegen in het beheer, is dit groenbeleidsplan opgesteld. De onderstaande beleidslogica is hierin leidend:
Het hoofddoel is een evenwichtig groenbeheer waarin de verschillende belangen zorgvuldig zijn afgewogen. Evenwichtig betekent dat de volgende belangen worden gewogen: Welzijn en veiligheid: de vitaliteit en het welzijn van inwoners en bezoekers wordt door het groen bevorderd en de veiligheid komt niet in het gedrang. Ecologie: biodiversiteitsverlies wordt door het groen tegengegaan en het groen biedt voldoende plek voor flora en fauna. Klimaat: het draagt bij aan het voorkomen van en anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Economie: het groen draagt bij aan het vestigingsklimaat van Losser. In de uitvoeringsmaatregelen streven we naar geen lastenverhoging ten opzichte van het verleden. Waar sommige maatregelen extra middelen en tijd zullen kosten, zullen andere maatregelen juist tijd en middelen opleveren. Andere belanghebbenden ondervinden zo min mogelijk extra lasten. Cultuur: het groen past in de cultuurhistorie van Losser en is esthetisch aantrekkelijk voor inwoners en toeristen.
• • • • •
3
We treffen twee typen maatregelen om dit beheerplan uit te voeren: faciliterende beleidsmaatregelen en uitvoeringsmaatregelen. Bij de uitvoeringsmaatregelen maken we onderscheid tussen het groen in het buitengebied en het groen in de dorpskernen. Met betrekking tot het faciliterend beleid nemen we de volgende faciliterende beleidsmaatregelen: 1. We versterken de bestaande groenstructuur door zoveel mogelijk van het groen te behouden en uit te breiden waar mogelijk, inkoopeisen aan te passen zodat op meer ecologische gronden wordt ingekocht en door educatie van groenmedewerkers. Bij nieuwe groenprojecten worden de vijf belangen afgewogen om te bepalen wat waar komt, dat vraagt om lokaal maatwerk. 2. We zorgen voor draagvlak bij bewoners bij het opstellen van nieuwe plannen. Dit doen we ten eerste door te communiceren over grote wijzigingen in het groen. Bijvoorbeeld via dorpskranten en andere media, maar ook door in het groenbeheer te laten zien dat keuzes in het groen bewust zijn. Ten tweede zorgen we voor draagvlak door het ondersteunen van bewonersinitiatieven of individuele huishoudens op het gebied van groen. 3. We faseren elementen uit die lage ecologische waarde hebben en hoge arbeidsintensiteit vergen, zoals hagen, wisselperken en plantenbakken. Ook gazons faseren we uit, mits zij geen recreatief of sportief doeleinde dienen.
4. Invasieve exoten bestrijden we zoveel mogelijk op ecologische wijze. Uitgezonderd zijn exoten die op de unie-lijst worden vermeld en soorten waar excessief overlast door wordt ervaren, bijvoorbeeld doordat er een brandhaard ontstaat van één soort. Lokaal maatwerk door de afdeling groenbeheer zal plaatsvinden om te beoordelen of er bij een melding van excessief overlast actieve bestrijding dient plaats te vinden. Voor de uitvoeringsmaatregelen maken we onderscheid tussen het buitengebied en de dorpskernen. Met het buitengebied doelen we op het groen buiten de dorpskernen, langs wegen en percelen die in het beheer zijn van de gemeente. In deze gebieden komen met name bomen, houtwallen en struweelhagen, bermen en sloten voor. Samen vormen ze het esthetisch aantrekkelijke coulisselandschap. Een belangrijk uitgangspunt bij het buitengebied is dat het veilig is en blijft. Daarnaast is het belangrijk dat het groen bijdraagt aan versterking van de habitatfunctie voor flora en fauna en het vasthouden en afvoeren van water. Met het groen in de dorpskernen doelen we op het groen in de vijf dorpskernen, zoals bomen, heesters, vaste planten en grasland. Hoewel de vijf dorpskernen qua karakters van elkaar verschillen, zien we overlap in de belangen die spelen bij het groenbeleid. Daarom kiezen we ervoor om een eenduidige beleidslijn te kiezen voor alle dorpskernen.
Over het algemeen wordt groen sterk gewaardeerd: het draagt bij aan de karakteristieke uitstraling van de dorpen en is belangrijk voor welzijn. De welzijnsfunctie van groen wordt in de toekomst steeds belangrijker gelet op de gevolgen van klimaatverandering in bebouwde gebieden. Denk bijvoorbeeld aan langdurige hitte en extreme regenbuien die door het groen in de dorpen kan worden gedempt. Veiligheid is en blijft uitgangspunt bij het groenbeheer: dit mag niet in gedrang komen. In hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 gaan we in op specifieke uitvoeringsmaatregelen voor de elementen in het buitengebied en uitvoeringsmaatregelen voor elementen in de dorpskernen. In algemene zin gelden bij het beheer de volgende uitgangspunten: 1. Het groenbestand zal niet afnemen. Gelet op de diverse belangen die het groen dient, worden kansen gezocht om het groenbestand uit te breiden. Dit betekent ook dat het bestaande openbaar groen zoveel mogelijk wordt behouden. Wanneer openbaar groen toch moet plaatsmaken voor een andere invulling wordt er gecompenseerd. 2. Bij nieuwe groenontwikkeling worden de verschillende belangen afgewogen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de veiligheid van inwoners in ieder geval niet in het gedrang kan komen. 3. Meer dan in het verleden wordt het groen ecologisch en klimatologisch beheerd.
Dat betekent: zorgvuldige keuze in planvorming (duurzame, diverse, streekeigen en sterke soorten), aanplant (zorg dragen voor voorzieningen zoals water en van groen) en beheer (extensief maaien en de bodem zo min mogelijk verstoren). 4. In de uitvoeringsmaatregelen streven we na geen lastenverhoging te hebben ten opzichte van het verleden. Waar sommige maatregelen extra middelen en tijd zullen kosten, zullen andere maatregelen juist tijd en middelen opleveren.
4
Inhoud Managementsamenvatting ....................................................................................................................................... 3 1. Inleiding ............................................................................................................................................................................................... 6 2. Hoofddoel & Belangen ............................................................................................................................................... 7 2.1. Omschrijving hoofddoel ................................................................................................................................. 7 2.2. Belangen ................................................................................................................................................................................... 7 2.2.1. Welzijn en veiligheid .......................................................................................................................... 8 2.2.2. Ecologie ................................................................................................................................................................... 8 2.2.3.
Klimaat ...................................................................................................................................................................... 8 2.2.4. Economie .............................................................................................................................................................. 9 2.2.5. Cultuur ...................................................................................................................................................................... 9 3. Faciliterend beleid ......................................................................................................................................................... 10 3.1. Omschrijving faciliterend beleid .................................................................................................... 10 3.2. Beleidsmaatregelen ............................................................................................................................................ 10 4. Buitengebied ........................................................................................................................................................................... 13 4.1. Doelomschrijving buitengebied .................................................................................................... 13 4.2.
Uitgangspunten ........................................................................................................................................................ 14 4.3. Uitvoeringsmaatregelen ............................................................................................................................. 14 4.3.1. Bomen ................................................................................................................................................................... 14 4.3.2. Houtwallen en struweelhagen ...................................................................................... 17 4.3.3. Bermen ................................................................................................................................................................. 18 4.3.4. Sloten en oevers .................................................................................................................................... 20 5. Dorpskernen ............................................................................................................................................................................. 21 5.1. Doelomschrijving dorpskernen ....................................................................................................... 21 5.2.
Uitgangspunten ........................................................................................................................................................ 22 5.3. Uitvoeringsmaatregelen ............................................................................................................................. 23 5.3.1. Bomen ................................................................................................................................................................... 23 5.3.2. Heesters en bosplantsoen .................................................................................................... 25 5.3.3. Heggen ................................................................................................................................................................ 26 5.3.4. Vaste planten .............................................................................................................................................. 28 5.3.5. Bloemen en bollenmengsels ............................................................................................ 29 5.3.6. Gazon met intensief maaibeheer .............................................................................. 30 5.3.7. Bloemrijk grasland met extensief beheer .................................................... 31 5.3.8.
Wadi’s ...................................................................................................................................................................... 32
5
1. Inleiding Met dit groenbeleidsplan streven we een evenwichtig groenbeheer na. Het groen in Losser heeft verschillende functies en belangen, sommige zijn al langer bekend, andere zijn relatief nieuw. In dit groenbeleidsplan lichten we toe hoe we deze belangen zien. Daarnaast vertalen we deze naar faciliterende beleidsmaatregelen en uitvoeringsmaatregelen in het buitengebied en in de dorpskernen. Achtergrond Ons gemeentelijk groen heeft in de loop der tijd diverse belangen gediend. Vroeger diende groen het doel om voldoende hout als brand- of grondstof op handen te hebben. Later kreeg het met name een cultuurhistorische en esthetische waarde. Nu we steeds meer weten over de negatieve effecten van de mens op het gebied van klimaat en biodiversiteit, is het belang van groen ook het tegengaan van (effecten van) klimaatverandering (klimaatadaptatie) en het versterken van biodiversiteit. Zoals in het Dynamische Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid staat omschreven, willen we het groenbeheer uitvoeren met een toekomstbestendige blik. Dit betekent een groenbeheer dat beter bestand is tegen extreme weerssituaties, zoals langdurige regenval of hitte. Daarnaast dient het bij te dragen aan een sterkere biodiversiteit, alleen door genoeg diversiteit kunnen flora en fauna overleven.
Tegelijkertijd moet dit niet betekenen dat het toekomstbestendige groenbeleid ten koste gaat van de andere belangen die het groen dient, zoals economie, veiligheid en welzijn en cultuur (cultuurhistorie en esthetiek). In dit beleidsplan wegen we deze verschillende belangen zorgvuldig af en vertalen we deze naar uitvoeringsmaatregelen. Kaders van het groenbeleidsplan De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer van het groen in de dorpskernen en langs de gemeentelijke wegen. In de dorpskernen beheert de gemeente het groen in de openbare ruimte, zoals langs de wegen en bij grotere velden. In het buitengebied beheert de gemeente de wegen en bermen. Wateren die direct verbonden zijn aan het oppervlaktewater zijn in beheer bij het waterschap. Andere wateren, zoals sloten en wadi’s, zijn vrijwel altijd in het beheer van de gemeente. Diverse grote opgaven zullen in de (nabije) toekomst
1
een rol gaan spelen in de fysieke leefomgeving. Zo is ruimte nodig voor wind- en zonneparken, lopen delen van de landbouw op tegen maatschappelijke en ecologische grenzen en ligt er een grote vervangingsopgave van ons areaal. Deze opgaven hebben effect op het groen, bijvoorbeeld omdat er ruimte voor nodig is. Voor sommige opgaven, zoals de leefbaarheid van de wijken, kan groen bijdragen. Omwille van de scope van dit beleidsplan, zullen niet al deze opgaven een plek krijgen in het groenbeleidsplan. Wel zien we dit beleid als één van de bouwstenen voor een toekomstbestendig Losser, dat weerbaar is voor toekomstige opgaven. Totstandkoming groenbeleidsplan Voor de totstandkoming van dit groenbeleid heeft Bureau 7TIEN voor ons een uitgebreide studie gedaan van documenten binnen en buiten de gemeente. In de voetnoten van de rapportage zijn de geraadpleegde documenten weergegeven. Daarnaast hebben zij met diverse betrokkenen gesproken. De gesprekspartners betroffen medewerkers van de ambtelijke organisatie, vertegenwoordigers van lokale en regionale natuurorganisaties, LTO en twee dorpsbelangenvertegenwoordigers. Leeswijzer In hoofdstuk twee omschrijven we het hoofddoel en de vijf belangen. De faciliterende beleidsmaatregelen lichten we in hoofdstuk drie toe. In hoofdstuk vier en vijf worden de doelomschrijvingen en uitgangspunten van het buitengebied en de dorpskernen omschreven.
In deze hoofdstukken gaan we per gebied in op de elementen die in de gebieden aanwezig zijn en de uitvoeringsmaatregelen die bij desbetreffende elementen horen.
Dynamische Uitvoeringsagenda Duurzaamheid
6
2. Hoofddoel & belangen In dit hoofdstuk gaan we in op het hoofddoel van het beleid en de belangen die hierbij een rol spelen. Dit betreft de eerste twee rijen van de beleidslogica.
2.1. Omschrijving hoofddoel Het hoofddoel van het groenbeleid van gemeente Losser kan als volgt worden omschreven: Een evenwichtig groenbeheer waarin de verschillende belangen van groen in beheer van de gemeente zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen. Dit hoofddoel wordt in de hierop volgende alinea’s verder uitgewerkt in de omschrijving van belangen die hierbij een rol spelen: ecologie, klimaat, welzijn en veiligheid, economie en cultuur.
2.2. Belangen Groen in de gemeente heeft verschillende voordelen. Het verbetert het milieu, zorgt voor een rijke biodiversiteit, vermindert luchtvervuiling, dempt geluidshinder, draagt bij aan regenwaterbeheer en verkoelt. Daarnaast bestaat er een positief effect van een groene omgeving op de gezondheid en sociale verbindingen van mensen die hier wonen en werken2.
2
Tegelijkertijd is de ruimte voor het groen niet onbeperkt. De ruimtelijke omgeving is een schaars goed, waar diverse opgaven en behoeften van invloed kunnen zijn op de ruimte die er boven- en ondergronds is voor groen. Doordat we bijvoorbeeld huizen bouwen, straten aanleggen, riolen aanleggen en een kabel- en leidingnetwerk bewerkstelligen is er beperkte ruimte voor groen. Daarnaast kan het groen ook niet overal groeien, omdat de veiligheid van inwoners in gevaar komt. Ook externe omstandigheden, zoals klimaatverandering, leggen druk op de keuzes voor het groen: het veranderende klimaat maakt dat sommige invasieve exoten dominanter zijn geworden en de extremere weersomstandigheden zorgen ervoor dat bepaalde boom- en plantensoorten niet meer passend zijn. Op de volgende pagina lichten we de verschillende belangen toe die meewegen in het groenbeleid. We zien deze belangen als gelijkwaardig; uit de volgorde kan dus geen hiërarchie worden ontleend.
Zie Green Paper - Droogte en stedelijk groen, Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat, 2022.
7
2.2.1. Welzijn en veiligheid Op het gebied van welzijn en veiligheid zien we de volgende belangen:
• G roen in de directe omgeving verhoogt het welzijn
van inwoners. Zo zorgt contact met de natuur voor meer geluk en stressvermindering en zet het aan tot beweging. Daarnaast draagt het bij aan de sociale cohesie, doordat het een plek biedt voor mensen om elkaar te ontmoeten. Ook wordt geluid door groen gedempt. Tot slot kan groen een recreatieve functie hebben, bijvoorbeeld voor kinderen om in te spelen en voor festiviteiten. De vitaliteit van het dorp wordt sterk beïnvloed door de aanwezigheid van het groen. Voor inwoners is het belangrijk dat het groen niet leidt tot gevaarlijke situaties. Snoei en onderhoud dienen plaats te vinden om takvrije ruimtes te creëren op wegen. Ook is het belangrijk om zichtlijnen te behouden, zodat er in het verkeer geen gevaarlijke situaties ontstaan. Tot slot is het belangrijk dat groen in de vorm van watergangen, zoals sloten of wadi’s, geen gevaarlijke situaties moeten opleveren (denk aan valgevaar).
•
2.2.2. Ecologie Ecologisch gezien is groen ook belangrijk, namelijk om de volgende redenen: Er is een sterke afname van de biodiversiteit, wat de ecologische balans in gevaar brengt. De biodiversiteit in een gebied hangt af van het type groen dat wordt aangelegd. Hoe meer diversiteit er in de begroeiing is, des te meer soorten hiervan gebruikmaken. Ook is het type aanplant belangrijk voor de biodiversiteit. Een streekeigen of inheemse soort (die van nature in het gebied groeit) geeft bijvoorbeeld vruchten waar inheemse insecten en vogels van kunnen eten. Belangrijk is dat de gewassoort past bij het bodemtype, zodat de bodembiodiversiteit hiervan kan profiteren. Bovendien draagt dit bij aan de levensvatbaarheid van de geplante gewassen en bomen. Een sterke biodiversiteit maakt een gebied weerbaarder voor de gevolgen van klimaatverandering (zie hierna) en voor invasieve exoten, zoals de eikenprocessierups of de Japanse duizendknoop. Bebouwde gebieden en wegen in het buitengebied
•
• • 3 4
kunnen een ecologische verbindingszone creëren tussen natuurgebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Door deze ecologische verbindingen kunnen planten en dieren migreren tussen natuurgebieden3. Zeker in de groene gemeente Losser, die omringd is door natuur, zijn deze ecologische verbindingen van belang. Het is hierbij belangrijk om te vermelden dat langdurig consistent groenbeleid nodig is om ecologische waarde toe te voegen. Wisselingen in het beheer en onderhoud kunnen ecologische waarde afbreken. Daarom is het belangrijk om consistent en, over de tijd, duurzaam groenbeheer toe te passen.
2.2.3. Klimaat Door klimaatverandering hebben we steeds meer last van regenbuien, droogte, hitte en overstromingen. Hieronder schetsen we, op basis van de Klimaatatlas Twents Waternet, welke gevolgen dit kan hebben voor Losser4. Regenbuien: korte, hevige buien zullen steeds meer voorkomen. Het watersysteem en de riolering zijn niet berekend op zoveel neerslag in korte tijd, waardoor veel water op straat kan komen te staan. Met name in Losser zijn enkele wegen hier extra kwetsbaar voor. Droogte: het aantal droge zomers neemt naar verwachting toe. Dit kan ook gevolgen hebben voor het groen, denk aan een vergeeld en verdroogd gazon door langdurige droogte en het wegzakken grondwater. Droogtegevoelige streekeigen inheemse soorten, zoals beuk en berk, maar ook diverse heesters en gazons kunnen zich nauwelijks handhaven en sterven vaak af. Continu bewateren is geen haalbare optie, omdat de droogte vaak langdurig aanhoudt is dit niet kostenefficiënt of duurzaam. Minder verdrogingsgevoelig groen (in bomen of geschikte zaden- en/of bollenmengsels) kan de droogte beter verdragen. Sowieso geldt dat een groene omgeving het water dat valt beter kan vasthouden, wat een gebied ook weerbaarder maakt voor een lange periode van droogte. Hitte: het aantal tropische zomers neemt naar verwachting toe. Deze stijging wordt juist in het binnenland van Nederland verwacht, dus ook in de
•
•
•
Uitleg over het Natuurnetwerk in Overijssel Klimaatatlas Twents Waternet
8
gemeente Losser. Hitte heeft effect op mens en dier. Zo zijn ouderen extra kwetsbaar voor uitdroging, kan de nachtrust en het leefcomfort van mensen worden verstoord en is opwarmend oppervlaktewater schadelijk voor fauna en flora. Met name in versteende gebieden met weinig groen is de kans op overlast door hitte groter. Overstromingen: langdurige buien zullen ook meer voorkomen waardoor water zich verzamelt op lagere delen van het watersysteem. Hierdoor is er meer kans op overstromingen. De dorpen Losser en De Lutte zijn daarbij relatief kwetsbaarder, vanwege de positie in het rivierdal van de Dinkel en ten opzichte van de stuwwal.
•
Groen draagt dus bij aan het klimaatbestendig maken van de gemeente. In het groen kan overtollig water tijdelijk worden opgevangen; de wortelzone van bomen en struiken neemt water op. Bomen zorgen voor een koelere omgeving, wat vooral van belang is bij het tegengaan van hittestress in de bebouwde omgeving. Het is vanuit dit oogpunt van belang dat het aanwezige (vitale) bomenbestand in stand gehouden wordt, en dat er zoveel mogelijk getracht wordt dit in te passen in nieuwe projecten. De waarde van dergelijke bomen op ecologisch en klimatologisch vlak is niet te evenaren met nieuwe aanplant.
2.2.4. Economie Met betrekking tot het economisch belang wat met groen gepaard gaat zien we de volgende twee belangen: Groen heeft positieve effecten op de economie. Aantrekkelijk groen in de dorpskernen draagt bij aan het vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Ook draagt het bij aan een aantrekkelijk straatbeeld, wat ook voor het toerisme belangrijk is. Aan de andere kant is groen niet gratis. Voor de uitvoering zijn tijd en middelen nodig. Minder maaien (wat ecologisch en klimatologisch voordelen heeft) kan daarom ook een financiële afweging zijn. Ook is het belangrijk om oog te houden voor extra kosten die gepaard kunnen gaan met het groenbeleid voor belanghebbenden, zoals (agrarische) bedrijven en inwoners. Deze financiële kaders wegen mee in de keuze voor het groenbeleid.
•
2.2.5. Cultuur Met betrekking tot cultuur zien we twee verschillende belangen: De culturele geschiedenis van een gebied is bepalend geweest in de vormgeving ervan. Dit dient mee te worden gewogen als het gaat om keuzes in groen. Voor Beuningen, Losser, De Lutte en Glane geldt dat het oude hoevenlandschap langs het beekdal van de Dinkel bepalend is geweest in de cultuurhistorische waarde van het gebied. Dat betekent een glooiend landschap met afwisseling tussen open akkers en besloten plekken met beplanting, waarbij gedacht kan worden aan bosjes, bomenrijen en bloemrijke bermen. Voor Overdinkel is het jonge heidelandschap bepalend geweest voor de identiteit van de kern. Open ruimtes, deels omzoomd door bomen zijn in dit landschap bepalend. Groen heeft ook esthetische waarde. Inwoners hechten belang aan een mooie, groene omgeving. Smaak van mensen is hierbij echter van belang; wat zij als mooi groen ervaren. Sommige mensen vinden wilde en diverse beplanting aantrekkelijk, terwijl andere mensen houden van strakker onderhouden groen. Belangrijk is dat voor de bezoekers van het groen (inwoners of toeristen) zichtbaar is dat er duidelijke keuzes gemaakt worden met betrekking tot het groenbeheer. Dat kan bijvoorbeeld gedaan worden door gecontroleerd brede banen te maaien (sinusmaaien) en door bomeneilanden te creëren.
Door in bloemrijk grasland te kiezen voor visueel aantrekkelijke bloemen worden perken daarnaast esthetisch aantrekkelijker.
•
•
In de hierop volgende hoofdstukken gaan we nader in op wat deze belangen betekenen voor het faciliterend beleid (hoofdstuk 3) het beleid in het buitengebied (hoofdstuk 4) en in de dorpskernen (hoofdstuk 5).
•
9
3. Faciliterend beleid Zoals in de beleidslogica hieronder is weergegeven, omschrijven we in dit hoofdstuk de overkoepelende beleidsmaatregelen op het gebied van groen.
3.1. Omschrijving faciliterend beleid Om een evenwichtig groenbeleid te bereiken is het van belang dat er beleidsmaatregelen en uitvoeringsmaatregelen worden getroffen. De uitvoeringsmaatregelen hebben we, in de hierop volgende hoofdstukken, per doelgebied en element omschreven. Met faciliterend beleid doelen we op de beleidsmaatregelen die ten grondslag liggen aan het beleid of ondersteunend van aard zijn.
3.2. Beleidsmaatregelen Algemene beleidsmaatregelen Het groen in de leefomgeving dient verschillende belangen. Omdat in het verleden de klimatologische en ecologische belangen van groen nog niet zo bekend waren, zijn in het beleid aanpassingen te maken die het beleid meer in evenwicht brengen. Ter ondersteuning aan het groenbeleid nemen we de volgende maatregelen: We houden het huidige groenbestand in stand en breiden waar mogelijk uit. We nemen het versterken van de groenstructuur in de dorpskernen mee als uitgangspunt bij ontwikkeling van (nieuwbouw)wijken en vervangingsopga-
• •
ven (van bijvoorbeeld wegen). Bij nieuwe groenprojecten wegen we de vijf belangen af om te bepalen wat waar komt, dat vraagt om lokaal maatwerk. Bij de aanleg en het beheer van groen bij ondergronds kabel- en leidingwerk maken we een afweging tussen de verschillende belangen van groen. Dat kan leiden tot de keuze voor bomen en heesters, of tot kruidenrijk grasland en laag struweel. We stellen (inkoop)eisen bij de ruimtelijke ontwikkeling, met name op het gebied van waterberging en groen. Hierbij kan ook gedacht worden aan ecologische eisen, zodat rekening wordt gehouden met de bloei- en rustperioden van flora en fauna. Dit geldt voor zowel gemeentelijke ontwikkeling als die van derden. We onderzoeken de optie om, waar mogelijk, over te gaan naar inkoop van biologisch zaai- en plantgoed. Hiermee stimuleren we plantgroei zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen. We onderwijzen groenmedewerkers op het gebied van onderhoud met oog voor ecologische en klimatologische belangen. Daarbij gaat het om verschillende vormen van educatie, zoals instructies met duidelijke tekeningen en scholing in inhoudelijke vakkennis over ecologie in groenbeheer.
• •
•
• •
10
Draagvlak Een belangrijke voorwaarde voor het succesvol uitvoeren van beleid is draagvlak bij inwoners voor het beleid. Om te zorgen voor draagvlak nemen we de volgende maatregelen: De gemeente gaat de informatievoorziening over groen, biodiversiteit en aanpalende thema’s updaten en de mogelijkheden die inwoners hebben om bij te dragen aan het groenbeleid actief onder de aandacht brengen. Op toeristische locaties plaatsen we informatieborden over het gekozen groenbeheer. We betrekken inwoners en communiceren voorafgaand aan grote wijzigingen in het groen. Bijvoorbeeld door middel van brieven, informatieborden of via dorpskranten. Dit combineren we met feestelijke momenten om de bewoners te betrekken bij het groenbeleid, zoals met een Boomfeestdag. We maken met behulp van bepaalde maaimethoden duidelijk dat bewuste beleidskeuzes ten grondslag liggen aan keuzes in het groen en dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud. Denk hierbij aan sinusmaaien in banen, of selectief rondom boomspiegels kruidenrijk grasland laten groeien. We stimuleren en ondersteunen bewonersinitiatieven in het openbare groen (natuurspeelplekken, stadslandbouw, buurtonderhoud etc.). Wanneer mogelijk, werken we hierin samen met lokale natuurorganisaties en dorpsbelangen. We onderzoeken of we inwoners kunnen stimuleren om klimaatbestendige maatregelen te treffen.
Bijvoorbeeld door tegels in te wisselen voor groen (onttegelen), regenwater af te koppelen, of groene daken/gevels aan te leggen. Bijvoorbeeld door de inzet van subsidies of door samenwerkingen met Operatie Steenbreek en het NK tegelwippen⁶. De gemeente onderzoekt zelf ook waar verharde oppervlakken kunnen worden vergroend. Inwoners kunnen een geveltuin aanleggen. Een geveltuin is een strook planten tegen de gevel van een woning en helpen met regenwater opvangen en zijn goed voor de biodiversiteit. Hiertoe moet eerst een melding gemaakt worden via de melddesk. Bij een
•
• •
•
•
•
•
positieve reactie kan de geveltuin worden aangelegd. Verwijderde tegels kunnen gebruikt worden om een randje om de geveltuin te maken door ze rechtop in te graven. Uitfasering Evenwichtig groenbeheer betekent ook stoppen met bepaalde vormen van openbaar groen in planvorming, aanplant of onderhoud. We spreken dan over uitfasering. Daarbij zijn de volgende maatregelen belangrijk7: We stoppen met de aanplant van hagen. Reden hiervoor is de arbeidsintensiviteit en de lage(re) ecologische waarde ten opzichte van heesters en heggen. We faseren wisselperken en plantenbakken (die jaarlijks ingeplant worden met nieuwe bloemen) uit. Deze vragen om veel arbeid, terwijl de bodemstructuur wordt verstoord. We vervangen deze elementen door vaste planten of extensief beheer bloemrijk grasland (afhankelijk van de locatie)8. Waar mogelijk vervangen we gazons met intensief beheer door extensief beheerd bloemrijk grasland. Het bloemrijk grasland trekt meer insecten aan en de bodem zal hierdoor minder worden verstoord. Dat zijn belangrijke voorwaarden voor de biodiversiteit. Er geldt een uitzondering voor terreinen met een recreatief of sportief doeleinde (zoals een dorpsplein waar festiviteiten plaatsvinden). Vanwege deze doelen blijven hier gazons met intensief maaibeheer.
• •
•
Invasieve soorten en exoten In de gemeente Losser hebben we te maken met de aanwezigheid van invasieve exoten. Dit zijn planten, dieren of andere organismes die van nature niet voorkomen in Nederland. Ook zijn er soorten die invasief kunnen zijn hoewel ze niet per definitie exoot zijn, zoals de eikenprocessierups. Deze invasieve soorten en exoten kunnen leiden tot bedreiging van inheemse biodiversiteit, gevaarlijke situaties en economische schade. Bovendien kunnen ze gezondheidsrisico’s meebrengen voor de mens. Om te voorkomen dat deze dominanter worden is het belangrijk dat de gemeente voorkomt dat deze soorten zich verder kunnen
peratie Steenbreek is een kennis- en netwerkorganisatie en biedt ondersteuning bij het vergroenen van de leefomgeving. O NK Tegelwippen is een wedstrijd tussen gemeenten waarbij tegels worden vervangen door groen. 7 In de hierop volgende hoofdstukken komen de elementen uitgebreid aan de orde. Daar wordt ook nader ingegaan op de reden van uitfasering. 8 Bij extensief maaibeheer wordt er jaarlijks of indien nodig twee keer per jaar gemaaid nadat de vegetatie zaad heeft gevormd. Het maaisel wordt vervolgens afgevoerd zodat de grond minder voedingsrijk wordt en er een grotere soortenrijkdom kan ontstaan. 6
11
Figuur 1. Voorbeelden van communicatie naar inwoners via informatieborden. Links, communicatie over extensief maaibeheer. Rechts, communicatie bij de bestrijding van Japanse Duizendknoop.
verspreiden. Dit doen we door middel van de volgende maatregelen: We voeren de wettelijke plicht uit van de Europese Unie (EU) om sommige invasieve soorten uit te roeien in het wild. Deze soorten staan op de Unielijst9. Dit betekent dat het bezitten, verhandelen, kweken, transporteren en importeren ervan in de gehele EU is verboden. In Losser geldt dat op dit moment voor de reuzenbalsemien en de reuzenberenklauw. Hoewel Japanse duizendknoop (nog) niet vermeld wordt op de Unielijst, wordt deze soort tevens gezien als invasieve exoot. Voor deze laatstgenoemde soort geldt dat de gemeente hier een pilot voor is gestart om op vijf plekken te onderzoeken hoe deze op een effectieve wijze kan worden bestreden. We doen aan preventief beheer met betrekking tot de eikenprocessierups. Dat wil zeggen: we scheppen de juiste voorwaarden om te voorkomen dat deze soort zich vestigt. Dat bekent meer variatie in boomsoorten wanneer er sprake is van noodzakelijke vervanging of nieuwe aanplant, de juiste habitat creëren voor natuurlijke vijanden (zoals de koolmees) en het verhogen van vegetatie. Op het moment dat er overlast wordt ervaren door inwoners neemt de gemeente actieve maatregelen om de rups weg te zuigen10. In de regel doen we niet aan actieve (chemische of handmatige) bestrijding van een aantal soorten die als ongewenst worden ervaren, bijvoorbeeld door
•
•
•
9
de neiging tot woekeren (groot hoefblad), snelle verspreiding (akker(melk)distel) of lichte giftigheid (Jacobs kruiskruid). Voor deze soorten geldt dat ze met name in het buitengebied voor verstoring zorgen (bij agrariërs). Wel doen we zoveel mogelijk aan preventie-beheer om te voorkomen dat de soorten zich vestigen. Dit doen we door de volgende maatregelen: - We vermijden bodemverstoring. Over het algemeen geldt namelijk dat invasieve soorten sneller opkomen na bodemverstoring, een bedekte bodem zal in de meeste gevallen problemen voorkomen. - We gaan in overleg met agrariërs om te onderzoeken of, binnen de gestelde ecologische kaders, het maaimoment kan worden aangepast zodat er minder overlast wordt ervaren. - We onderzoeken of in het aanplantbeleid (zoals in de gebruikte zadenmengsels) aanpassingen kunnen worden gedaan, zodat de ongewenste soorten minder kansrijk zijn. - Actieve bestrijding doen we alleen in het geval er excessief overlast wordt ervaren door een bepaalde soort, bijvoorbeeld in de vorm van een brandhaard. Lokaal maatwerk door de afdeling groenbeheer zal plaatsvinden om te beoordelen of er bij een melding van excessief overlast actieve bestrijding dient plaats te vinden.
Zie voor meer informatie over de unielijst en bijbehorende regelgeving de website van het NVWA. Ten behoeve van deze beleidsmaatregel wordt gebruikgemaakt van de Leidraad Eikenprocessierups van de WUR (2022).
10
12
4. Buitengebied De gemeente is verantwoordelijk voor het groen langs de wegen en percelen in het buitengebied. Het groen in het buitengebied bestaat uit verschillende lijnvormige groenelementen. Langs de wegen liggen bermen en sloten, (struweel)hagen en (laan)bomen. In sommige gevallen is de berm breder of bevat het een ruimere hoek of een picknick- of recreatieplek.
4.1. Doelomschrijving buitengebied Van oudsher diende het groen in het buitengebied enkel het belang van de weg. Nu er steeds meer functies worden toegekend wordt het moeilijker om ruimte te vinden voor het invullen van deze functies. Een smalle berm geeft nu eenmaal weinig kansen voor het invullen van een ecologische functie als er ook ruimte moet zijn voor verkeersveiligheid. Het buitengebied van gemeente Losser kent ruwweg drie landschapstypen. Het kampenlandschap en het essenlandschap (samen het coulisselandschap) en het jonge (heide)ontginningslandschap11. Deze drie landschapstypen karakteriseren zich door lijnvormige (struweel) hagen en laanbomen. De functies en belangen voor het groen in het buitengebied zijn ondanks de verschillende landschapstypen vrijwel gelijk. Het
11
beleid met betrekking tot het buitengebied is daarom eenduidig. In hoofdstuk twee omschreven we de verschillende belangen die een rol spelen bij het groenbeleid. Ter aanvulling daarop omschrijven we hieronder hoe de verschillende belangen een rol spelen in het buitengebied. Welzijn en veiligheid Het groen dient de verkeersveiligheid en de plaats voor wegmeubilair, kabels en leidingen. In sommige gevallen heeft het groen langs wegen een rust- en welzijnsfunctie, bijvoorbeeld bij een picknickplek. Voor beide gebruiksdoelen geldt dat het belangrijk is om zichtlijnen bij kruisingen, onoverzichtelijke bochten en uitritten vrij te houden. Tevens is het van belang dat de vegetatie bij rustplekken toegankelijk zijn ten behoeve van het welzijn van inwoners en bezoekers. Groen dempt tenslotte het geluid en luchtvervuiling van verkeer.
Zoals te vinden onder de kaart landschapstypen in de geo-app en in de catalogus gebiedskenmerken van Overijssel.
13
Ecologie Met betrekking tot ecologie heeft het groen in het buitengebied een habitatfunctie, voor zowel planten als dieren. De lijnvormige groenelementen langs wegen zijn een verbindingszone tussen verschillende gebieden. Bij het aanleggen en beheren dient hier rekening mee gehouden te worden. De bodem van bermen is in sommige gevallen schraal en in andere gevallen voedingsrijk. Schrale bermen hebben over het algemeen een hogere ecologische waarde. Voedingsrijke bodems kunnen met behulp van het juiste beleid worden verschraald, zodat ook hier, als het past, een vegetatie kan ontstaan met meer ecologische waarde. Klimaat Met betrekking tot (leef )klimaat kunnen bomen en overhangend groen voorkomen dat asfalt een hittebron wordt. De bermen hebben zowel een waterafvoerende als -bergende functie. Het is tevens mogelijk dat bij langdurige droogte, bermen verdrogen en soms afsterven. Dat kan alle opgebouwde waarde tenietdoen, bovendien ontstaat er gevaar voor bermbranden. Cultureel Groen heeft een belangrijke culturele en esthetische functie en dient aangelegd en beheerd te worden zodat het binnen het kampen- en essenlandschap (coulisselandschap) en het jonge ontginningslandschap past. Het versterken van de verscheidenheid aan dier- en plantsoorten in de leefomgeving kan daarnaast de aantrekkelijkheid van het landschap vergroten.
Het belang van deze landschapstypen voor de gemeente wordt door de landschapsdeal benadrukt12. De landschapsdeal is een samenwerking tussen de gemeenten in Noordoost Twente en belangenorganisaties die zich inzetten voor het behoud en versterken van karakteristieke landschapselementen. Economie Groen brengt kosten en baten met zich mee. Het beheer van het groen kost tijd en geld voor de gemeente. Ook voor omliggende percelen (zoals van agrariërs, natuurmonumenten of het waterschap) kan het groenbeheer invloed hebben, bijvoorbeeld wanneer bepaalde invasieve exoten zich via de bermen verspreiden. De baten zitten in de eerdergenoemde gebruiksdoelein-
den, maar liggen daarnaast ook in de aantrekkelijkheid van het gebied voor toerisme en bijbehorende bedrijvigheid.
4.2. Uitgangspunten Bovenstaande belangen als vertrekpunt nemende hanteren we de volgende uitgangspunten: 1. Het groenbestand in het buitengebied zal niet afnemen. Gelet op de diverse belangen die het groen dient, worden kansen gezocht om het groenbestand uit te breiden13. 2. Bij nieuwe groenontwikkeling worden de belangen integraal afgewogen. Meer dan in het verleden betekent dit dat het groen ecologisch en klimatologisch beheerd wordt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de veiligheid van inwoners in ieder geval niet in het gedrang kan komen. 3. Ecologisch en klimatologisch beleid van groen kan leiden tot veranderingen in de ruimtelijke leefomgeving. Bij grote wijzigingen in de omgeving zal de gemeente hierover communiceren. 4. In de uitvoeringsmaatregelen streven we na geen lastenverhoging te hebben ten opzichte van het verleden. Waar sommige maatregelen extra middelen en tijd zullen kosten, zullen andere maatregelen juist tijd en middelen opleveren14.
4.3. Uitvoeringsmaatregelen In de volgende hoofdstukken, worden de elementen die in het buitengebied voorkomen omschreven. Vervolgens worden de uitvoeringsmaatregelen puntsgewijs uitgewerkt. De uitvoeringsmaatregelen zijn opgedeeld in planvorming, aanplant en onderhoud.
4.3.1. Bomen Bomen zijn een belangrijk onderdeel van het coulisselandschap waarbij ze zorgen voor lijnvormige groenstructuren. Een boom is in het buitengebied vaak een onderdeel van een berm of houtwal. Toch hebben bomen ander beheer nodig dan de rest van het landschapselement. We zien de bomen in het buitengebied daarom als aparte elementen met een eigen beheer.
Landschapsdeal Noordoost Twente. Dit is in lijn met de aangenomen motie om te onderzoeken of en waar klimaatbomen kunnen worden aangeplant. Dit betreft de motie: “Een klimaatboom voor elke Lossernaar” aangenomen op 12 november 2019. 14 Een aantal van de nieuwe uitvoeringsmaatregelen wordt reeds in de praktijk toegepast in Losser. We zien daarbij dat de nieuwe uitvoeringsmaatregelen hierbij niet tot meerkosten hebben geleid. 12 13
14
Bomen in het buitengebied zorgen voor een aantrekkelijk landschap. Daarnaast bieden zij vanuit ecologisch perspectief habitat aan verschillende soorten. Zo dempen ze verkeersgeluid en gaan luchtvervuiling tegen. Ze creëren ook schaduw, weerkaatsen zon en houden wind tegen. Ook kunnen ze een rol spelen bij het vasthouden en bufferen van water. Bomen leggen CO2 vast en gaan daarmee klimaatverandering tegen. Tot slot kan een boom nadat hij gekapt is vaak nog een functie vervullen als bouwmateriaal of brandstof. Al deze functies komen beter tot hun recht naarmate een boom ouder is. In het beste geval kan een boom uitgroeien tot zijn natuurlijke vorm, met stambegroeiing, zonder snoei. In dat geval is de ecologische waarde op zijn hoogst. Dit is in het buitengebied echter niet altijd mogelijk. Er komen vaak veiligheidsaspecten, of takvrije ruimte voor vrije doorgang van verkeer aan de orde. In veel gevallen zijn begeleidende en onderhoudende snoei onoverkomelijk. Het is van belang dat bomen hun uiteindelijke omvang kunnen bereiken en behouden zodat de positieve effecten het meest tot hun recht kunnen komen. Uitzonderingen zijn uiteraard de gevallen waarbij veiligheid aanwijsbaar in het gedrang komt. Planvorming Het uitgangspunt is dat volwassen, vitale en beeldbepalende bomen worden behouden.
We streven ernaar het aantal bomen in het buitengebied niet te verminderen en waar mogelijk uit te breiden. Verhoging van het aantal bomen binnen de gemeente is wenselijk omwille van de ecologische en klimatologische waarde. Dit is in lijn met de aangenomen motie om te onderzoeken of en waar klimaatbomen kunnen worden aangeplant. We integreren volwassen vitale bomen zoveel mogelijk in de plannen binnen projecten van de gemeente. Bij herinrichting voeren we een Bomen Effect Analyse uit, zodat de aanplant toekomstbestendig is. We zorgen voor reële en eerlijke compensatie in het uiterste geval dat behoud niet mogelijk is, naar gelang ecologische en klimatologische waarde. We zetten de juiste soort op de juiste plek. Daarbij letten we op standplaats, bodemtype, omgevingsruimte, habitus (groeivorm) van de boom en andere (beperkende) eigenschappen.
• •
•
• •
15 16
Figuur 2. Onderhoud van een boom in het buitengebied. In dit geval heeft de boom de ruimte om tot de natuurlijke vorm te kunnen groeien.
• W e passen duurzame, sterke, ‘houdbare’ soorten
toe. Met het oog op het veranderende klimaat en extremere weersomstandigheden zal er een verandering komen in bestendigheid van (streekeigen en inheemse) geslachten en soorten. Cultivars zijn hierin van ondergeschikt belang, en worden meer bepaald door de standplaats. We passen buiten de bebouwde kom in principe gebiedseigen geslachten toe, zodat er voldoende waard- en drachtfunctie voor inheemse fauna aanwezig is. We zorgen voor diversiteit van geslachten. We voldoen aan de kwaliteitseisen volgens de richtlijnen van de meest recente druk van het Handboek Bomen als het gaat om de (wijze van) aanplant van een nieuwe boom en het onderhoud ervan. Wij als gemeente zijn licentiehouder van dit handboek. We zorgen voor de optimale bodemgesteldheid en passen zoveel mogelijk de sortimentskeuze aan op het aanwezige bodemtype. We zorgen voor de juiste voorzieningen t.b.v. verankering en bewatering. Ook hier maken we zo duurzaam mogelijke keuzes.
• • •
• •
Motie “Een klimaatboom voor elke Lossernaar” aangenomen op 12 november 2019. Uitleg over de Bomen Effect Analyse
15
Aanplant We selecteren bomen naar kwaliteitseisen Handboek Bomen en met optimale duurzaamheidscertificering. We zorgen voor optimale bodemgesteldheid (Handboek Bomen). We zorgen bij de aanplant voor juiste voorzieningen en behoeve van verankering en bewatering. We maken keuzes die ook op langere termijn zorgen voor een vitale boom.
• • •
Onderhoud We geven naar behoefte water in de eerste twee jaar. We controleren na twee jaar of de staat en voorzieningen van de boom nog in orde zijn. We hanteren het Handboek Bomen voor de begeleidingssnoei van de bomen. In de volwassen fase is de snoeicyclus +/- zes jaar. We werken, waar nodig, naar de gewenste opkroonhoogte vanaf aanplant. We verwijderen dood en gevaarlijk hout wanneer hierdoor gevaarlijke situaties ontstaan. Als het mogelijk is kunnen, ten behoeve van de biodiversiteit, dode bomen worden afgetopt zodat ze geen gevaar meer creëren. We passen incidentele snoei toe wanneer er gevaarlijke situaties ontstaan.
• • • • •
•
• W e staan geen kap toe van bomen omwille van
schaduwwerking voor zonnepanelen of blad-, vrucht- en takval. De positieve effecten van de bomen, zoals de schaduwwerking tijdens hittestress, het opvangen van piekbuien en waterretentie, zijn daarvoor te zwaarwegend. Wel stimuleren we zonne-energie (ook voor eigenaren van daken waar geen zonnepanelen op kunnen worden gelegd) door het verlenen van groene leges en het stimuleren van energiecoöperaties. Enige overhang naar particulier bezit snoeien we niet weg wanneer dit ten koste gaat van de vitaliteit van de boom. Dit geldt in het bijzonder als het een gezonde, volwassen boom betreft. We voorkomen overbelasting van wortelprojectie. We verwijderen geen wortels bij wortelopdruk bij omwonenden van een boom. Wanneer bij de gemeente de overlast gemeld wordt, kan de omwonende in overleg wel de wortels zelf verwijderen op voorwaarde dat de vitaliteit van de boom niet in het gedrang komt. Indien de boom wel beschadigd wordt, dient de omwonende hiervoor te compenseren. We laten boomspiegels zoveel mogelijk met rust, zodat een kruidenrijk grasland kan vormen ten behoeve van natuurlijke plaagbestrijding. Gevallen blad laten we zoveel mogelijk liggen voor humusvorming.
• • •
•
16
Figuur 3. Voorbeelden van houtwallen en struweelhagen.
4.3.2. Houtwallen en struweelhagen Een houtwal of struweelhaag is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement. Het zijn belangrijke elementen binnen het coulisselandschap in Losser17. In sommige gevallen staan deze elementen op een aarden wal die van als perceelafscheiding wordt gebruikt. Houtwallen hebben een opgaande begroeiing van streekeigen en inheemse bomen en/ of struiken. Houtwallen zijn van oudsher als hakhout beheerd. Een struweelhaag heeft vaak een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, meestal doornachtige, struiken. Houtwallen en struweelhagen hebben van oudsher een functie als perceelafscheiding, beschutting voor vee en als bron van hakhout. Houtwallen en struweelhagen hebben tevens een grote ecologische waarde. Ze bieden habitat en een verbinding tussen verschillende gebieden.
Planvorming We hanteren als uitgangspunt dat we volwassen vitale houtwallen en struweelhagen zoveel mogelijk behouden, en waar mogelijk uitbreiden, vanwege de hoge ecologische en klimatologische waarde. Wanneer behoud niet mogelijk is zorgen we voor reële en eerlijke compensatie. We zetten de juiste soort op de juiste plek. Daarbij letten we op standplaats, bodemtype, omgevingsruimte, habitus (groeivorm) van de boom en andere (beperkende) eigenschappen. We passen duurzame, sterke, ‘houdbare’ soorten toe. Met het oog op het veranderende klimaat en extremere weersomstandigheden zal er een verandering komen in bestendigheid van (streekeigen en inheemse) geslachten en soorten, daar anticiperen we op. We passen streekeigen en inheemse geslachten toe zodat er voldoende waard- en drachtfunctie voor inheemse fauna aanwezig is. We zorgen voor diversiteit van geslachten.
• • • •
• •
17
emeente Losser werkt in de landschapsdeal Noordoost Twente samen met andere beheerorganisaties aan het in-stand G houden en versterken van het landschap.
17
Aanplant We selecteren kwalitatief hoogwaardige en vitale struiken met optimale duurzaamheidscertificering, de keuze passen we daarbij zoveel mogelijk aan op het aanwezige bodemtype. We zorgen voor optimale bodemgesteldheid. We zorgen voor juiste voorzieningen en behoeve van verankering en bewatering.
• • •
Onderhoud We geven naar behoefte water gedurende de eerste twee jaar. We bestrijden concurrerende ongewenste gewassen mechanisch, en voorkomen hierbij beschadiging van de basten.
• •
• In volwassen fase snoeien we in cyclus van ca. vijf
jaar. We verjongen door middel van uitdunning. We houden in de snoeicyclus een sinusbeheer aan zodat er op ieder moment voldoende ondergroei voor soorten is die hiervan afhankelijk zijn. We dunnen, indien mogelijk, de ondergroei niet te ver uit, zodat er voldoende ondergroei is voor soorten die hiervan afhankelijk zijn. Uitgezonderd zijn plekken waar doorgang of zicht beperkt wordt (waardoor duidelijk gevaarlijke situaties ontstaan). We laten, waar mogelijk gevallen, blad liggen om een humuslaag te verkrijgen met wenselijke schimmels en bacteriën.
• •
•
Figuur 4. Links een voorbeeld van een extensief beheerde berm met een gemaaide rand. Rechts een voorbeeld van het terugvorderen van bermen. De perceelrand is met houten paaltjes aangegeven.
4.3.3. Bermen Een berm is de groenstrook naast een weg of perceel en bestaat vaak uit een grasachtige, lage vegetatie. Veel bermen in Losser zijn smal. In sommige gevallen is een berm breder en bevat deze ook bomen, een houtwal of een struweelhaag. Een berm heeft diverse functies. Zo heeft het infrastructurele functies zoals veiligheid, waterafvoer van het wegdek, een plek voor verkeersmeubilair of kabels en leidingen. Daarnaast heeft het functies voor natuur en klimaatadaptatie. Bermen zijn dragers van het landschap en vormen verbindingen tussen gebieden en habitat. Veiligheid staat bij het beheer van bermen voorop. Bui-
ten de maailijnen liggen echter kansen voor ecologisch bermbeheer. Over het algemeen worden de bermen al met oog voor de natuur beheerd. Zo worden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt en worden de bermen over het algemeen niet bemest. De uitvoeringsmaatregelen die we hieronder voorstellen zijn hier complementair aan. De bermen vallen onder de afdeling Wegbeheer. Het beheren van de bermen wordt in overleg uitgevoerd. In de afbeelding hieronder is het traditionele bermbeheer, waarbij intensief werd gemaaid, en het toekomstig bermbeheer weergeven.
18
Planvorming Sommige bermen in het buitengebied vorderen we terug. In de loop der tijd zijn sommige bermen buiten het onderhoud van de gemeente gevallen, terwijl deze nog wel tot het bezit van de gemeente behoren. Deze bermen gaan we terugvorderen als de mogelijke ecologische waarde groot is. Met betrekking tot begroeiing op de berm zorgen we voor de juiste begroeiing op de juiste plek. We houden daarbij rekening met het doeleinde van de plek, het bodemtype (veen, zand of kleibodem), de bodemkwaliteit, vocht/droogte, zon/schaduw en bereikbaarheid voor onderhoud. We letten op de duurzaamheid van de soorten (met oog op klimaatverandering), esthetische waarde en nut. We gebruiken, waar mogelijk, zoveel mogelijk streekeigen en inheemse soorten om te voorzien in de waard/drachtfunctie van inheemse fauna. We kiezen, waar mogelijk, voor soortenmengsels waardoor ongewenste kruiden (zoals Groot Hoefblad, Akker(melk)distel, en Jacobskruiskruid) minder kans hebben. We zorgen voor voldoende hoeveelheden zaad per vierkante meter. We benutten bij bredere bermen de kansen voor ecologie en klimaatadaptatie.
•
•
• • • • •
Aanplant We zorgen voor optimale bodemgesteldheid. We zorgen voor naleving van de voorgeschreven menging en aantallen per vierkante meter.
• •
Onderhoud Het maaibeleid met betrekking tot de bermen is maatwerk. De verschillende situaties met betrekking tot veiligheid, de voedselrijkheid van de bodem, en de staat van de vegetatie leveren verschillende beheermaatregelen op. Onderstaand een aantal uitgangspunten voor dit beheer18: We geven naar behoefte water gedurende de eerste twee jaar. We beoordelen per locatie de veiligheid en stemmen de maaiacties hierop af. We voorkomen bodemverstoring zoveel mogelijk, zodat ecologisch sterke bermen met kruidenrijk grasland kunnen worden gevormd. Door verminderde bodemverstoring krijgen soorten waar overlast door wordt ervaren (zoals groot hoefblad, akker(melk)distel, en Jacobs kruiskruid) minder ruimte. Wanneer in de berm gereden moet worden, kiezen we voor lichte machines en lage bandenspanning om schade aan de vegetatie te voorkomen. Actieve bestrijding doen we alleen in het geval er excessief overlast wordt ervaren door een bepaalde soort, bijvoorbeeld in de vorm van een brandhaard. Lokaal maatwerk door de afdeling groenbeheer zal plaatsvinden om te beoordelen of er bij een melding van excessief overlast actieve bestrijding dient plaats te vinden. We maaien zoveel mogelijk gefaseerd en/of extensief. We maaien in de maaiperioden in mei-juni en september-oktober-november. In verband met de maai-zuigcombinatie is het belangrijk dat gewassen eerst zaad laten afwerpen.
We letten daarbij op de scan aanwezige fauna. We maaien in het eerste jaar naar behoefte om ongewenste gewassen minder kans te geven en voor een optimaal beeld. Dit komt neer op ongeveer twee keer per jaar maaien en afvoeren. Indien mogelijk laten we maaisel liggen zodat zaden kunnen uitvallen. Een aantal dagen later voeren we het maaisel af om te voorkomen dat het composteert.
• • •
•
• •
•
18
Deze maatregelen komen overeen met de Leidraad ecologisch bermbeheer van Provincie Zuid Holland.
19
4.3.4. Sloten en oevers Sloten en oevers vallen net als bermen onder het wegbeheer van de gemeente. Sommige sloten in het buitengebied zijn in beheer van het waterschap, dat zijn met name de bredere sloten die in contact staan met het oppervlaktewater. Sloten bestaan uit een waterlichaam, maar omvatten ook de oever en het talud. In een aantal gevallen is een sloot droog tenzij er een (hevige) regenbui valt. De droge en natte sloten hebben omennabij hetzelfde beheer. Primair dienen sloten voor waterberging en afvoer. Ze zijn tevens de natte verbinding tussen gebieden. Sloten hebben ook een
habitatfunctie. Ecologisch onderhouden sloten bieden ook kansen voor waterkwaliteit, omdat een gezonde oevervegetatie een filterende functie heeft. Met betrekking tot het beheer van de gemeentelijke sloten is tot dusver vanuit praktisch oogpunt beheerd. Ten behoeve van snelle afwatering en kostenefficiënt beheer werden oevers meermaals per jaar gemaaid. Nu kiezen we ervoor om in de toekomst de sloten extensiever en gefaseerd te maaien, uiteraard op voorwaarde dat de functies van afwatering en waterberging geborgd blijven.
Figuur 3. Voorbeelden van houtwallen en struweelhagen.
Planvorming & aanplant Het aanleggen van nieuwe sloten of oevervegetatie in het buitengebied komt weinig voor. Situaties dienen apart te worden behandeld. Daarbij is de volgende maatregel uitgangspunt: We planten nieuwe oevers op natuurvriendelijke wijze aan.
•
Onderhoud We passen maatwerk toe bij het onderhoud van sloten. Het onderhoud van sloten is namelijk per vorm of type sloot verschillend. Indien mogelijk maaien we alleen (en korven we dus niet). Hiermee wordt voorkomen dat sloten onnodig worden verdiept of aangetast. Door het gebruik van de maai-zuig combi is korven daarnaast minder nodig. Indien we wel korven, dan gebeurt dit op ecologische wijze.
• •
• B ij het maaiperioden houden we rekening met de
ecologie in de sloot (zoals rust- en voortplantperioden). We schonen sloten jaarlijks. Indien mogelijk schonen we per jaar slechts één van de twee oevers zodat er het gehele jaar oevervegetatie aanwezig is. We baggeren sloten eens in de acht jaar. Bij het baggeren hanteren we als uitgangspunt dat het bagger wordt afgevoerd. De reden hiervoor is dat bagger een bemestingseffect heeft. Wanneer de berm wordt verschraald kan de bagger dit effect tenietdoen. In overleg met agrariërs op aangrenzende percelen kan de bagger hier als meststof worden aangebracht.
• • •
20
5. Dorpskernen De gemeente Losser kent vijf dorpskernen gelegen in een karakteristiek en gevarieerd Twents landschap. Voor deze vijf dorpskernen geldt dat de belangen, elementen en ook het beleid er anders uitziet dan in het buitengebied. Daarom gaan we in dit hoofdstuk specifiek in op het groenbeleid voor de dorpskernen. Ten eerste omschrijven we de belangen die specifiek een rol spelen in het doel van het beleid in de dorpskernen. Vervolgens omschrijven we de uitvoeringsregels voor elementen in de dorpskernen.
5.1. Doelomschrijving dorpskernen Hoewel de vijf dorpskernen qua karakters van elkaar verschillen, zien we overlap in de belangen die spelen bij het groenbeleid. Daarom kiezen we ervoor om een eenduidige beleidslijn te kiezen voor alle dorpskernen. Hieronder lichten we toe welke belangen er specifiek in de dorpskernen spelen. Dit is in aanvulling op de belangen die in het algemeen gelden voor het groenbeleid, waarop we in hoofdstuk 2 zijn ingegaan. Deze belangen baseren we op documentstudie (binnen en buiten de gemeente) en de gesprekken die we met betrokkenen hebben gevoerd. Welzijn en veiligheid Groen in de dorpen wordt gewaardeerd. Het geeft een vitaal gevoel om in een groene omgeving te wonen en het groen biedt ontmoetingsmogelijkheden. Groen
kan tot gevaarlijke situaties leiden wanneer de begroeiing te hoog of wild is, waardoor de zichtlijnen beperkt worden. Dit is met name belangrijk als het gaat om hoeken van straten of rotondes. In sommige gevallen kan groen ook worden ingezet om veiligheid in (verkeers)situaties te verbeteren, bijvoorbeeld door richting te geven waar gereden kan worden. Ecologie Bebouwde gebieden worden in Nederland steeds belangrijker voor de biodiversiteit. Dat heeft te maken met de verarmde omstandigheden in het buitengebied. Het aantal soorten in het agrarisch gebied is in de afgelopen decennia sterk afgenomen, waardoor sommige soorten een betere overlevingskans hebben in bebouwde gebieden. Voor Losser geldt dit ook, daarom is het groen in de dorpskernen belangrijk voor de overlevingskans van soorten. Tegelijkertijd vinden in de openbare ruimte in bebouw-
21
de gebieden veel activiteiten plaats die de ecologie kunnen beïnvloeden. Ingrijpen in de openbare ruimte (denk aan het aanleggen van glasvezel, riolen en straten, het aanleggen en onderhoud van kabel- en leiding netwerken en het bouwen van woningen en huizen) zijn van invloed op de ecologische cycli. De verstoring van de bodem kan ervoor zorgen dat de stabiele levensgemeenschap in de bodem wordt doorbroken. Klimaat Door klimaatverandering hebben we steeds meer last van regenbuien, droogte, hitte en overstromingen. In de dorpskernen betekent dit verschillende dingen. Ten eerste kan door regenbuien overlast ontstaan voor inwoners doordat het water op straat kan komen te staan, zeker in de dorpskern Losser zijn enkele wegen hier kwetsbaar voor. Ten tweede kan droogte leiden tot een vergeeld en verdroogd gazon en tot bomensterfte. Met name de beuk en berk kunnen zich in de droogte nauwelijks handhaven en sterven af. Meer groen in de dorpskernen leidt tot stevigere waterretentie en daarmee een weerbaarder gebied voor droogte. Ten derde kan toenemende hitte in de dorpskernen, en met name op plekken waar veel oudere inwoners wonen, een probleem veroorzaken. Zo zijn ouderen extra kwetsbaar voor uitdroging, kan de nachtrust en het leefcomfort van mensen worden verstoord.