BP Buitengebied Bentheimerstraat 21 De Lutte
Tekst van het document
Qr
Nieuwe gemengde houtwal rondom parkeerplaats
Bestaande houtwal met doorkijkje 17
bloemrijk grasland
Bodem bestaat uit enkeerdgronden; lemig- fijn zand
Bodemkaart 18
Op verschillende manieren kunt u van een voedselrijkere bodem een schralere bodem maken. Verschralen met behoud van oorspronkelijke bodem kan door één tot meerdere jaren te maaien en het maaisel af te voeren. In al die tijd wordt er niet bemest. Per jaar maait u soms wel 3 tot 4 keer. Vooral in mei en juni heeft gras alle energie boven de grond. Door het dan te maaien en af te voeren, komt deze voeding niet weer terug in de bodem. Als de bodem jarenlang intensief is bemest kan het wel meer dan 10 jaar duren voordat de bodem verschraald is. Verwijder de vegetatie met zo min mogelijk bodembewerking. Hierdoor blijft het bodemleven zo veel mogelijk intact. Door de bestaande vegetatie te verwijderen, kunnen de zaden goed contact maken met de grond. Daarnaast is er minder concurrentie van grassen en bestaande kruiden, waardoor de zaden goed kunnen kiemen en kunnen uitgroeien tot sterke planten. Afplaggen: dit kan met een (mini)kraan. Door het afplaggen van de vegetatie blijft het bodemleven zo veel mogelijk behouden. De plaggen kunnen gebruikt worden om bijvoorbeeld reliëf toe te voegen aan de bloemenweide. Een stapelmuur van plaggen of een glooiende heuvel met schraal zand erover trekken weer verschillende planten en dieren aan. Na het afplaggen is het raadzaam de grond licht open te werken (rotorkopeg) voor het inzaaien
G1 bloemruik grasland van Cruydt Hoeck
Doorgaans zaait u niet dieper dan de dikte van de zaden. In het algemeen moeten de zaden na het zaaien regelmatig vochtig gehouden worden maar nooit nat. De beste zaaitijd is de natuurlijke zaadval van de plant. In het algemeen is dat voor tweejarigen, winterannuellen en vaste planten augustus en september en voor éénjarige planten maart-half mei. In de praktijk kun je daar nog veel mee spelen en ook prima zaaien op minder optimale tijdstippen. Langdurig natte en droge, hete perioden zijn geen gunstige zaaimomenten. G1 Bloemrijk grasland - lichte grond of G5 Bloemrijke bermen Voor een kleurrijk effect in het eerste seizoen is dun meezaaien (maximaal 20%) van een akkerbloemenmengsel mogelijk, mits de grond vrij is van onkruidzaden. G5 bevat éénjarigen zoals Klein streepzaad en Ratelaar, de kortlevende Rode klaver en verder vooral vaste soorten. Bij een relatief arme bodem zullen Gewoon biggenkruid, Gewone margriet en Gewone rolklaver zich goed kunnen ontwikkelen. Bij een relatief vochtige situatie komen soorten als Brunel, Veldzuring, Moerasrolklaver en Scherpe boterbloem goed tot hun recht. De meeste soorten zijn redelijk makkelijk. G5 is een goed mengsel voor bloembezoekende ‘nuttige’ insecten, zoals zweef- en gaasvliegen. Veldzuring is toegevoegd vanwege haar functie als waardplant voor Kleine vuurvlinder.
Wanneer maaien? Om voedingsstoffen af te voeren moet gemaaid worden wanneer deze in de bovengrondse delen van de plant zitten. Om de flora en faunaontwikkeling optimaal te laten anticiperen op het beheer moet op vaste momenten worden gemaaid. Vaak worden vaste maaidata gehanteerd. Dat kan beter. Door de ontwikkeling van planten te laten bepalen wanneer gemaaid wordt, maai je ook zo goed mogelijk jaarlijks in hetzelfde ontwikkelingsstadium van insecten. In een droog en koud voorjaar kan de ontwikkeling van planten 4 weken achter lopen op die in een warm en vochtig voorjaar. Globaal kan je wel stellen dat begin mei, eind juli en in oktober gemaaid moet worden. Per terrein moet bepaald worden dat er bijvoorbeeld gemaaid wordt wanneer bijvoorbeeld bijna alle brem bloeit, bijna al het zaad uit de ratelaar is of als alle knoopkruid bloeit.
G5 bloemrijke bermen van Cruydt Hoeck 19
Vegetatie – Huidige vegetaitie behouden. – Vegetatie heeft voldoende structuurvariatie (schuilmogelijkheden), zoals hagen, houtwallen, boomgroepen, etc. t.b.v. kikkers en andere amfibieën. – Soortenrijkdom in huidige vegetatie behouden, waardoor de aanwezigheid van voldoende insecten (=voedsel) gegarandeerd is. Beheersmaatregelen – Bufferstrook van 4 meter aanhouden. – In de periode van begin september tot half oktober beheermaatregelen uitvoeren. – Vrijezone gefaseerd maaien, – Verwijderen van de bezinksellaag (modder). – Niet de hele poel van vegetatie en sliblaag ontdoen. 30 tot 50% open water. – kleinschalig beheer. Bij voorkeur handmatig. – De poelen gefaseerd schonen. – Ontzie waardevolle delen zoals verlandingsvegetaties deels. – Ondiepe, vlakke poelen in een grasland kunnen in droge jaren eenvoudig met het grasland worden meegemaaid. – Bij het verwijderen van de sliblaag dient niet te diep te worden gewerkt. – Bij het verwijderen van de sliblaag van een water, is het van groot belang om niet alles te verwijderen. – Poelen niet gelijktijdig schonen. – Sliblaag en maaisel afvoeren.
Vrije natuurzone
Foto huidige situatie 20
OVERGANG OPENBAAR - PRIVÉ – – – – –
Beukenhaag op perceelsgrens deels 1,80 meter en deels 1,20 meter hoogte (zie kavelpaspoort). Fagus sylvatica (hoogte 1,80), plantmaat 150/175, enkele rij, 4 per strekkende meter Fagus sylvatica (hoogte 1,20), plantmaat 100/125, enkele rij, 5 per strekkende meter Overgang perceel naar achterliggend landschap d.m.v. bestaande houtwal. Overgang perceel naar zuidelijk gelegen parkeerplaats d.m.v. nieuwe houtwal met gebiedseigen inheemse struiken. Hoogte tot ca. 5 meter. Aanplanten met plantmaat 80/100. Aanplanten in driehoeksverband. Aanplanten in groepen van minstens 5 - 9 stuks per soort. Plantafstand van 1,50 bij 1,50 meter. Soorten: Corylus avellana 20% Crataegus monogyna 20% Euonymus europaeus 15% Prunus spinosa 20% Viburnum opulus 25%
haag 1,80 meter
haag 1,20 meter
nieuwe houtwal
Beukenhaag voorzijde woningen 1,20 meter hoog
Beukenhaag tussen percelen van 1,80 meter hoog 21
LANDSCHAPPELIJKE INRICHTINGSELEMENTEN – – –
Zitelement van kastanjehout Terreinafscheiding van kastanjehouten palen met staaldraad Looppoort van kastanjehout
kastanjehout zitelement
kastanjehout terreinafscheiding
Zitelement van kastanjehout
kastanjehout looppoort
Kastanjehout terreinafscheiding met staaldraad 22
Kastanjehout looppoort
Erfgrens tussen percelen
Overgang perceel naar rijbaan en parkeerplaats met houtwal
Overgang perceel naar achterliggend landschap 23
BEBOUWINGSKARAKTERISTIEK
24
VERKAVELINGSPLAN – – – – – – – – –
Nieuwbouw situeren op bouwvlak, woning van max. 15 bij 9 meter. Geen bijgebouwen. Afstand woning tot aan erftoegangsweg minimaal 6 meter. Minimale afstand tussen twee woningen is 9 meter. Ruimte voor parkeren van twee auto’s op eigen terrein. Rooilijnen parallel met erfgrens. Afstand gebouw tot perceelsgrens minimaal 3 meter. Regenwater opvangen op eigen terrein. Waterpoelen in stand houden.
25
HOOFDOPZET MASSA EN VORM – – – – – – –
Vrijstaande woning bestaat uit één hoofdvolume. Het karakter van de woning is een schuurwoning. Maximaal oppervlakte van 15 x 9 meter met de berging binnen het bouwvolume. Bebouwing bestaat uit één bouwlaag met kap. Goothoogte max. 2,80 meter; bij asymetrische kapvorm één zijde max. 3,80 meter. Nokhoogte max. 9 meter. Sobere en landelijke uitstraling.
Één hoofdvolume
Één bouwvolume 26
Schuurwoning
GEVELS – Metselwerk, composiet, houten geveldelen of glazen delen. – Natuurlijke kleur van materialen: roodbruin – bruin - antraciet - zandkleurig – zwart. – Verschil in kleurtinten tussen de verschillende woningen zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd met behoud van individualiteit. – Accentwerking met geveldelen van hout in natuurlijke of donkere houtkleur als drager voor de samenhang tussen de woningen. – Gevelopeningen verhouden zich tot / reageren op de vorm van het basisvolume.
Gevelbekleding in composiet
Houten betimmering
Gevel van metselwerk
Glazen pui 27
DAKEN – – – – –
Woningen hebben een zadeldak, aangekapt dak of asymetrische kapvorm. Dakvormen en materialisatie van de verschillende woningen op elkaar afstemmen. Dakpannen, zinken dakbedekking of riet. Vlakken met zonnepanelen. Kleur van dakpannen: zwart of antraciet.
Zadeldak
Zadeldak 28
Aangekapt dak
Asymetrische kapvorm
Asymetrische kapvorm
Rieten kap
Vlakken met zonnenpanelen
DETAILLERING – Specifieke aandacht voor detaillering gevelopeningen en een hoogwaardig afwerkingsniveau. – Individuele accentwerking van woningen door middel van houten details en geveldelen (bijv. horizontale en verticale accenten). – Materialisatie met natuurlijke, sobere kleurstelling (roodbruin - bruin - zandkleurig – antraciet, zwart).
Houten vakwerk
Sobere zwarte kleurstelling
Roodbruin metselwerk
Houten details 29
KAVELPASPOORT - KAVELNR. 1
30
KAVELPASPOORT - KAVELNR. 2
31
KAVELPASPOORT - KAVELNR. 3
32
BURO POELMANS REESINK LANDSCHAPSARCHITECTUUR
33
Bijlage 2
78
Beheerplan
bestemmingsplan Buitengebied, Bentheimerstraat 21, De Lutte
Randvoorwaarden aanplant en nazorg beplanting de Grote Zwaan, de Lutte Opgesteld: 17.05.2023 Behorende bij: - Beeldkwaliteitsplan de Grote Zwaan; de Lutte Algemeen: - Op levering van alle plantmateriaal wordt HBN 2020 van toepassing verklaard; - Aangeleverde aanvulgronden en bodemverbeterende materialen dienen door de Stichting Regeling Aanvulgronden (Stichting R.A.G.), RHP of een organisatie met gelijkwaardige erkenning te zijn goedgekeurd en gecertificeerd. Goedgekeurde aanvulgronden en bodemverbeterende materialen, die onder het R.A.G. keurmerk vallen, kunnen alleen geleverd worden door bedrijven, die zijn aangesloten bij de Stichting R.A.G. of een gelijkwaardige organisatie. - Er wordt gestreefd naar een natuurlijk beplantingsbeeld. De eerste twee jaar dient concurrentie door onkruiden rond de bomen, heesters en in het gras geremd te worden. Nazorg en inboet: - Standaard garantieperiode van 2 groeiseizoenen op alle beplanting; - Inboet plantmateriaal, opname in september van ieder jaar na aanplant. Alle beplanting vervangen die dood is of onvoldoende goed groeit (vitaliteit) en vervangen vóór 20 december van datzelfde jaar.
Schade door schuld van derden behoort wel tot de inboetplicht van de aannemer, de kosten hiervan zijn voor rekening van de opdrachtgever; Aanplant en onderhoud bomen: - Leverantie soorten conform ruimtelijkkwaliteitsplan; - Voorafgaand aan het planten, de boomplantgaten spitten tot een diepte van 80 cm diep - Plantplaats in open grond verrijken met humeuze grond conform standaard bepalingen RAW; - Plantplaats/ boomspiegel komvormig afwerken t.b.v. het watergeven; - Boom in verharding inclusief natuurlijk afbreekbare beluchtingsdrain en watergietrand; - Eventuele ondergrondse verankering van de bomen m.b.v. natuurlijk afbreekbare materialen ( bijv. Keepersysteem van Natural Plastics.); - Gedurende onderhoudsperiode voldoende water geven, hoeveelheid en frequentie te bepalen door aannemer; - Gedurende onderhoudsperiode bomen minimaal 1 keer per jaar inspecteren op: o Algemene gezondheid boom o Controleren op ziektes en /of aantastingen, droogte; o Verwijderen van waterlot; o Schriftelijk verslag hiervan rapporteren aan de opdrachtgever voor 30 september. Aanplant en onderhoud bosplantsoen: - Leverantie soorten conform ruimtelijkkwaliteitsplan; - Voorafgaand aan het planten de grond spitten tot diepte van minimaal 0,4 m i.v.m.
doorlatendheid bodem; - Bosplantsoen moet bestaan uit tenminste 3-jarig verplante zaailingen (1/2 of 2/1) ; - Het bosplantsoen dient na het planten, ingezaaid te worden met rode en witte klaver om ongewenste kruiden te onderdrukken. Eventueel hardnekkige onkruiden in handkracht verwijderen. - Gedurende onderhoudsperiode voldoende water geven, hoeveelheid en frequentie te bepalen door aannemer; - Gedurende onderhoudsperiode bosplantsoen minimaal 1 keer per jaar inspecteren. Hierbij: - controleren op ziektes en /of aantastingen, droogte; - Schriftelijk verslag hiervan rapporteren aan de opdrachtgever voor 30 september. - Aanplant en onderhoud haagplantsoen:
Randvoorwaarden aanplant en nazorg beplanting de Grote Zwaan, de Lutte Opgesteld: 17.05.2023 -
-
Haagplantsoen moet bestaan uit tenminste 3-jarig verplante zaailingen (1/2 of 2/1); Voorafgaand aan het plantwerk de grond frezen tot een diepte van minimaal 0,4m i.v.m. doorlatendheid bodem; Gedurende onderhoudsperiode voldoende water geven, hoeveelheid en frequentie te bepalen door aannemer; Gedurende onderhoudsperiode heestervoet zes keer per jaar onkruidvrij maken in handkracht; gedurende onderhoudsperiode haagplantsoen minimaal één keer per jaar inspecteren. Hierbij: o Controleren op ziektes en /of aantastingen, droogte; o Schriftelijk verslag hiervan rapporteren aan de opdrachtgever voor 30 september. Haagplantsoen jaarlijks twee keer snoeien; rond 15 juni en eind september; Haagplantsoen terugsnoeien tot hoogte conform beeldkwaliteitsplan;
Aanleg en onderhoud bloemenweiden: - In te zaaien locatie dient vrijgemaakt te worden van bestaande vegetatie en graszoden (verschralen). Hierbij dient de bovenste 5 centimeter te worden afgeschraapt/ afgeplagt. Vrijgekomen vegetatie moet afgevoerd worden; - Bodem minimaal bewerken/ roeren, tenzij ernstig verdicht; - Voor het inzaaien bij voorkeur de toplaag iets losmaken/ opruwen; - Leverantie als zaaigoed, bij voorkeur aanbrengen in nazomer of voorjaar; - Voor een bloemrijkresultaat het eerste jaar maximaal 20% éénjarig akkerbloemenmengsel doormengen. De meerjarige soorten zullen na 2 a 3 jaar uitlopen; - Voor optimale verdeling zaadsoorten, kan gebruikt gemaakt worden van een vulmiddel. Te denken aan het doormengen met licht vochtig zand; - Na inzaaien bodem licht aandrukken; - Bloemenweide direct na zaaiwerkzaamheden watergeven, hoeveelheid te bepalen door aannemer; - De bloemenweide 1 á 2 keer per jaar maaien, bij voorkeur gefaseerd (nooit alles in 1x maaien, altijd minimaal 40% laten staan) gemaaid te worden. Bij voorkeur tussen begin juni en rond eind september; Wellicht moet er in het eerste jaar 4 keer gemaaid worden i.v.m. aanwezige meststoffen in de bodem. - Na maaien, het maaisel enkele dagen laten liggen zodat de eventuele zaden zich kunnen verspreiden, vervolgens het maaisel hooien en afvoeren.
Wanneer maaien? Om voedingsstoffen af te voeren moet gemaaid worden wanneer deze in de bovengrondse delen van de plant zitten. Om de flora en faunaontwikkeling optimaal te laten anticiperen op het beheer moet op vaste momenten worden gemaaid. Vaak worden vaste maaidata gehanteerd. Dat kan beter. Door de ontwikkeling van planten te laten bepalen wanneer gemaaid wordt, maai je ook zo goed mogelijk jaarlijks in hetzelfde ontwikkelingsstadium van insecten. In een droog en koud voorjaar kan de ontwikkeling van planten 4 weken achter lopen op die in een warm en vochtig voorjaar. Globaal kan je wel stellen dat begin mei, eind juli en in oktober gemaaid moet worden. Per terrein moet bepaald worden dat er bijvoorbeeld gemaaid wordt wanneer bijvoorbeeld bijna alle brem bloeit, bijna al het zaad uit de ratelaar is of als alle knoopkruid bloeit. (zie ook bijvoorbeeld Sinusbeheer)
Bijlage 3
81
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
bestemmingsplan Buitengebied, Bentheimerstraat 21, De Lutte
•
•
•
•
Bijlage 4
94
Verkennend en nader bodemonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied, Bentheimerstraat 21, De Lutte